Het instituutsmeisje

Marko Vovtsjok
Het instituutsmeisje (1861)
Інститутка – Марко Вовчок
Vertaling Rien Hamers
 
Voor Taras Sjevtsjenko
I
Mensen verbazen zich dat ik zo vrolijk ben: ze denken dat ik nooit verdriet of ellende heb gekend. Maar ik ben nu eenmaal zo geboren. “Word geboren – en aard naar je natuur,” zeggen ze. Het gebeurde dat ze me sloegen (ik wil er niet eens aan terugdenken!) – dan kon ik mijn hart niet bedwingen en huilde; maar als ik er even over nadacht, begon ik weer te lachen. Er is verdriet dat weent, en er is verdriet dat zelfs springt – zo is mijn lot ook. Als ik om elke ramp in mijn leven had moeten huilen, dan had ik mijn ogen allang uitgehuild. Vader en moeder heb ik niet gekend: ik ben als wees opgegroeid, onder vreemden, bij andere mensen. Zwaar werk had ik niet, maar men vergat mij – of ik honger had of kou leed, of ik nog leefde…
Toen ik een jaar of tien was, namen ze me mee naar het landgoed. De oumevrouw was niet slecht, tamelijk zacht van aard – misschien omdat ze al zwak was, nauwelijks haar benen kon voortbewegen, en wanneer ze sprak klonk het slechts als gemompel, je kon haar amper verstaan; waar zou ze nog aan slaan denken! De hele dag zat ze op het balkon; ’s nachts kreunde en zuchtte ze. Maar in haar jonge jaren, zo werd verteld, had ook zij haar grillen… maar daar moet je ooit mee ophouden.
Wat mij betreft, wij leefden op het landgoed vrij rustig; één verdriet was er – dat men ons geen stap buiten het erf liet zetten. Alleen op grote feestdagen mochten we, als we erom vroegen, naar de kerk; en op zondag hoefde je er niet eens aan te denken. “Jullie zwerven maar rond,” zei mevrouw dan boos, “ik laat jullie niet gaan! Het is nog niet jullie leeftijd om je met God bezig te houden; daar hebben jullie later nog tijd voor – jullie gaan niet meteen dood.”
We zaten dag in dag uit in de meidenkamer en werkten. Het was er stil om ons heen, alsof alles betoverd was. Alleen als mevrouw zuchtte of een van de meisjes iemand iets in het oor fluisterde, of iemand uit verveling diep ademhaalde. Dat werk verveelde ons, brandde als het ware — maar wat kon je doen? We mochten tenminste dankbaar zijn dat men ons niet tien keer per dag sloeg, zoals we over anderen hoorden.
Soms echter werden we zomaar vrolijk. Dan was het ons zo licht te moede – ons hart trilde ervan! Als we vrijheid hadden gehad, zouden we zo gezongen hebben dat het tot in het dorp te horen was… Maar we durfden niet. We keken elkaar aan en moesten lachen. De een knipoogde met haar wenkbrauw, de ander knipoogde terug; dan bonden ze er eentje met haar vlecht aan een stoeltje vast; een ander sprong op en begon op haar tenen te dansen, zodat mevrouw het niet zou horen – ze draaide en zwierde, haar mouwen fladderden… Wat haalden we al niet uit!
De oumevrouw had geen familie, behalve een kleindochter die in Kyiv studeerde aan een of ander… hoe spreek je dat ook alweer uit… in-sti-tuut… Ze schreef vaak brieven aan de oude vrouw; die las ze elke dag opnieuw – dan huilde ze erom en lachte weer. Op een dag schreef de kleindochter dat men haar maar moest komen halen en naar huis brengen… Lieve hemel! Het hele huis kwam in beweging: witten, wassen, opruimen! We verwachtten de jonge dame! De jonge meesteres zou komen!
De oude vrouw leek wel herboren: ze schuifelde van kamer naar kamer, keek door elk raam naar de weg en stuurde ons het dorp uit om te zien of de jonge dame er al aan kwam. En dat was precies wat wij nodig hadden. In die week dat we op haar wachtten, hebben we geleefd, kun je zeggen. Zodra men ons stuurde, renden en vlogen we… Het was heerlijk om de steppe en de prachtige velden te zien! De groene steppe leek voor je ogen weg te vluchten, ver weg, steeds verder… Wat was het heerlijk om vrij te ademen!
We plukten bloemen en tooiden ons ermee als jonge meisjes, en met die kransen op liepen we trots tot aan het erf. Maar zodra we het erf betraden, rukten we ze van ons hoofd en gooiden ze weg – en we vonden het zo jammer die kransen weg te werpen, zo jammer!

II
We wachtten op de jonge meesteres – en eindelijk kwam ze… Wat was ze mooi van gezicht! Op wie leek ze toch zo? Zo’n schoonheid kun je haast niet beschrijven! De oude vrouw sloot haar in de armen en liet haar niet meer los; ze kuste haar, liefkoosde haar en kon haar niet genoeg bewonderen. Ze leidde haar door de kamers, liet alles zien en vertelde alles; en de jonge dame draaide zich naar alle kanten en keek overal met nieuwsgierige ogen naar.
De oude vrouw zette haar aan tafel. Ze huilde en verheugde zich tegelijk, stelde vragen en diende haar van alles op: “Wil je hiervan eten? Of daarvan drinken?” Ze had allerlei gerechten en dranken laten klaarzetten; zelf ging ze naast haar zitten – ze kon haar niet genoeg bekijken. En de jonge dame at netjes en vlug, als een musje. Wij keken vanachter de deur toe en luisterden wat ze zou zeggen — of we misschien konden raden wat voor gedachten ze had, wat haar aard en gewoonten waren.
— Hoe heb je daar geleefd, mijn hartje? — vroeg de oude vrouw. — Je vertelt me niets.
— Ach, grootmoedertje! Wat valt er te vertellen! Het was zo vervelend!
— Moest je veel leren? Wat hebben ze je eigenlijk geleerd, mijn kruimeltje?
— Wat wilt u toch weten! U had het hier goed, grootmoeder, vrij en blij; maar wat ik heb moeten verduren om dat leren! Herinner me er nooit meer aan!
— Mijn duifje! Natuurlijk – vreemde mensen: ze hebben je vast slecht behandeld… Waarom heb je me dat niet meteen geschreven?
— Wat zegt u toch, grootmoeder! Hoe zou dat kunnen? Ze zouden het meteen te weten komen…
— Mijn arme kind! Vertel me dan hoe ze je daar hebben gekweld, die hardvochtige zielen?
— Ach, grootmoeder! Ze hebben ons afgebeuld en gekweld – en waarvoor? Voor onzin. Dit leren, dat leren, het tiende en het vijfde… stampen en nog eens stampen! Wat heb ik eraan te weten hoe de sterren aan de hemel bewegen, of hoe de mensen overzee leven, of het daar goed is of slecht? Als ik maar weet waarmee ik mij onder de mensen kan vertonen…
— Maar mensen leren toch niet voor niets, mijn goudje. Kijk onze andere jonge dames — arme drommels zijn het, maar ze kirren toch in het Frans.
— Ach, grootmoeder! — kwetterde de jonge dame. — Frans en muziek heb ik goed geleerd – en dansen ook. Wat nodig is, is nodig. Dáár let iedereen op, daarvoor prijst men je; maar al het andere is enkel last… Je leert het en vergeet het weer! Voor wie lesgeven is het vervelend, en voor wie leert is het een ramp. Zoveel tijd is verloren gegaan!
— Hoe zit dat dan? Hebben ze slecht lesgegeven?
— Ik zeg u toch: het was vervelend, slecht en nutteloos. Zij denken er alleen aan hoe ze betaald worden, en wij denken eraan hoe we zo snel mogelijk vrijgelaten worden… Waarom kijkt u zo nadenkend, grootmoeder?
— Ik denk eraan, mijn hartje, dat ze goed geld voor je hebben aangenomen en je toch slecht hebben onderwezen. Wat als je alles weer vergeet?
— Hoe kunt u dat zeggen, grootmoeder? God verhoede! Hoe zou ik tussen gasten of bij een bezoek muziek of dans, of al is het maar de Franse taal kunnen vergeten? Maar die overzeese onzin – die liet ik het ene oor in en het andere weer uitgaan; daarvan weet ik helemaal niets. Weg ermee!
— Maar stel dat iemand je vraagt hoe de sterren zich bewegen of zoiets? Men zal je meteen veroordelen: gestudeerd, maar niets begrepen!
— Ach, grootmoeder! Dat ik het niet weet heb ik alleen u toevertrouwd; vreemden zullen daar nooit achter komen, al vragen ze het de hele dag. Ik red me overal uit, en ik zet hen nog voor schut ook – ziet u wel, grootmoeder! Zal ik voor u zingen? Luister!
En ze begon te zingen, zo helder alsof zilver rinkelde. De oude vrouw kuste haar: “Mijn hartje! Mijn vreugde!” En de jonge dame vleide zich tegen haar aan en vroeg:
— Koop voor mij, grootmoedertje, mooie kleren naar de laatste mode!
— Maak je daarover geen zorgen, mijn kind. Je zult alles hebben. Jij zult mijn prinses zijn onder de jonge dames!
Wij, meisjes, keken elkaar aan: wat heeft onze jonge meesteres níét geleerd! En vooral – mensen om de tuin leiden!

III
— Kom eens mee, duifje, — zegt de oumevrouw, — ik wil dat je een meisje voor jezelf uitkiest. En ze nam haar mee naar ons toe. Wij weken terug van de deur naar de hoek en dromden daar samen.
— Dit is jullie jonge meesteres, — zei de oude vrouw tegen ons. — Kus haar hand.
De jonge dame keek niet eens goed naar ons – of misschien wel, wie weet – en stak twee vingertjes uit om te kussen.
De oude vrouw wees ons één voor één aan: dit is Hanna, dat is Varka, en dat is Domacha…
— Mijn God! — riep de jonge dame plotseling uit, opschrikkend en in haar handen klappend. — Kan iemand van jullie mij kammen en mijn korset rijgen?
Ze stond daar met haar armen over elkaar en keek ons aan.
— Waarom niet? — zei de oude vrouw. — Dat kunnen ze wel, mijn hartje. En zo niet, dan leren we het hun.
— Hoe heet jij? — vroeg de jonge dame mij, maar zonder mijn antwoord af te wachten zei ze tegen de oude vrouw: — Deze wil ik!
— Dat is goed; kies wie je wilt, mijn hart. Laat het deze maar zijn. Zorg jij dan, Oestyna (zei ze tegen mij), dat je goed dient — dan zal de jonge meesteres je genegen zijn.
— Kom, grootmoeder, het is wel genoeg! — onderbrak de jonge dame. Ze trok een gezicht, boog zich wat opzij, kneep haar ogen half dicht en sprong ongedurig heen en weer – precies als een kat die rook in haar snorharen geblazen krijgt…
— Maar we moeten haar toch verstand bijbrengen, duifje, — zei de oude vrouw. — Het zijn domme hoofden. Ik zeg het een, jij het ander, en dan komt er nog iets menselijks van haar terecht.
— Jammer, grootmoeder, dat men hen niet eerder heeft onderwezen! Nu is het te laat om je nog uit te sloven! Men had er eentje naar de stad moeten sturen.
En zo praatten ze over ons, alsof het over paarden of zoiets ging.
— Ach, Oestyna! — zeiden de meisjes bezorgd, — hoe zal het je vergaan, nu ze zo onvriendelijk is!
— Ach, meisjes, — zei ik, — met zorgen steek je geen veld over, en aan je lot ontsnap je niet. We zullen wel zien hoe het wordt.
En ik verzonk zelf in gedachten.

IV
’s Avonds riepen ze mij: “Ga naar de jonge meesteres – help haar zich uitkleden.”
Ik ging naar binnen; de jonge dame stond voor de spiegel en rukte haar kleren al van zich af.
— Waar hing je uit? Kleed me sneller uit!.. Sneller – ik wil slapen!
Ik hielp haar, en zij bleef maar tegen me uitvallen:
— Sneller toch, sneller!
Ze sprong op het bed:
— Trek mijn schoenen uit!.. Kun jij mijn haar krullen? — vroeg ze.
— Nee, dat kan ik niet.
— Mijn God! Wat een ramp! Wat is ze dom!.. Ga weg!
De meisjes wachtten al op me:
— En, Oestyna? Wat, zusje? Hoe is ze, duifje? Wat moeten we denken?
— Ik ben dom, — zei ik, — meisjes, want ik kan geen vlechten krullen!

V
De volgende ochtend werd onze jonge meesteres heel vroeg wakker. Ze waste zich, kleedde zich aan, liep door alle gebouwen, over het hele erf, en ging ook nog de tuin in. Zo opgewekt was ze.
— Ik ben thuis! — zei ze. — Thuis! Hier mag ik alles!
Ze kuste de oumevrouw en vroeg telkens weer:
— Wanneer gaan we op bezoek, grootmoedertje? En wanneer komen er gasten bij ons?
— Laat me eerst zelf van jou genieten, mijn visje, laat me je bewonderen!
— Maar wanneer zal het dan eindelijk zover zijn, grootmoeder! Ik dacht alleen maar: ik kom thuis – dan zal het vrolijk zijn, drukte, muziek, dans… Lieve, dierbare grootmoeder!
— Goed dan, mijn vogeltje! Laten we eerst wat opruimen en ons opknappen, en dan nodig ik meteen gasten uit.
Dat opruimen begon. De oude vrouw rolde kisten uit de berging, haalde fluweel en fijne stoffen tevoorschijn, knipte en paste ze op de jonge dame. Die sprong haast op van vreugde, werd rood van blijdschap. Dan snelde ze naar de ene spiegel, dan keek ze in de andere; zelfs in een glas water bewonderde ze hoe mooi ze was. Ze vlocht haar haar, maakte het weer los, bond er linten in, tooide zich met bloemen…
— Ach, grootmoedertje, — riep ze dan uit, — wanneer krijg ik eindelijk een satijnen jurk aan?
— Wanneer je je verlooft, mijn kind, — antwoordde de oude vrouw. — Ik zal je uithuwelijken aan een prins of een graaf, een schatrijke edelman!
En de jonge dame hief haar hoofd op en stapte rond alsof ze al een hooggeboren prinses was.
Hun gesprekken gingen alleen nog maar over prinsen en hoge heren. Ze maakten al plannen voor een bruiloft, bouwden stenen huizen in hun verbeelding, spanden zwarte paarden voor de koets – ach, wat een luchtkastelen! Ze bleven maar dromen en dromen, tot de jonge dame zuchtte:
— Ach, grootmoeder! We praten maar… en nog steeds is er niemand bij ons geweest!
— Wacht maar even: er zullen er zóveel komen dat ze elkaar verdringen!

VI
En werkelijk, de gasten stroomden toe – alsof er een kermis was. De enen reden het erf af, anderen al weer er op. We hadden geen slaap en geen rust: we renden, bedienden, sjouwden van ’s morgens vroeg tot ’s avonds laat. Soms kwam er zo’n menigte bijeen dat we ons verbaasden wat voor heren er allemaal niet tussen zaten! Alles lachte, danste, at en dronk; alles was zo uitgelaten en tegelijk zo verfijnd! Sommige deftige dames pasten haast niet eens door de deur. En hoeveel jonge heren liepen er wel niet rond bij ons! Ze zwermden om onze jonge meesteres heen als hommels, zoemend in een kring.
Ze wist hen allemaal te bespelen – de een met woorden, de ander met een beweging van haar wenkbrauwen: de een vroeg ze vriendelijk naar zijn gezondheid; bij de ander klaagde ze dat ze zich zonder hem zo vreemd en treurig voelde; weer een ander liet ze naast zich zitten alsof hij haar eigen verwant was. De arme drommels werden verliefd, verloren hun verstand, werden bleek en kwijnden weg. Dag na dag kwamen ze aangereden, elkaar voorstekend en elkaar met scheve ogen bekijkend. Of ze nu allemaal zo gecharmeerd van haar waren, of niets anders hadden om zich mee te vermaken – ze bleven maar komen, als insecten die steeds weer op het licht afgaan. Want waarmee moeten zij zich in de wereld vermaken? Hoe moeten ze hun jonge jaren opluisteren? Zoet eten, dronken drinken, mooi paraderen – en wat nog meer?

VII
Langzamerhand zette de jonge meesteres alles naar haar hand – het leven en het huishouden.
— Houd toch op, grootmoeder, houd toch op met breien! — zei ze. — Is er soms niemand bij u om het werk te doen? Er komt bezoek, en u zit maar met die kous alsof u een dienstmeid bent!
— Maar ik verveel me zonder werk, kind, — antwoordde de oude vrouw.
— Neem dan een boek en lees.
— Wat zou ik lezen? Ik zie niet meer goed genoeg.
— Ga dan maar wat wandelen, maar alsjeblieft, duifje, brei niet meer! U steekt nog een oog uit met die naald!
— Goed dan, goed dan, wees maar gerust!
De oude vrouw legde haar breiwerk neer en zat zich te vervelen. De jonge dame hulde haar in een mutsje met bonte linten en zette haar op een stoeltje midden in de kamer. Wanneer er gasten kwamen, zat ze daar al klaar om hen te begroeten.
De oude vrouw kwijnde van verveling, maar de jonge meesteres genoot:
— Wat is het heerlijk, grootmoedertje, wat is het heerlijk – wat is het hier bij ons groots en prachtig!

VIII
Ons, meisjes, zette ze allemaal aan het borduren. Zelf gaf ze les en kwam telkens controleren of we wel goed naaiden. Zelfs wanneer we gingen eten, fronste ze en snauwde ze ons toe.
Met de dag werd ze driftiger; ze begon ons uit te schelden; soms kneep of duwde ze ons stiekem… en dan werd ze zelf rood als vuur – van schaamte. Maar dat was alleen in het begin; ze was er nog niet aan gewend. Toen ze eenmaal gewend en ingeleefd was, leerden wij pas waar het kwaad in de wereld woont.
Wanneer ik haar kwam aankleden, moest ik wat vernederingen doorstaan! Ik vlocht haar haar – niet goed! Ik maakte het los en vlocht het opnieuw – weer niet goed! Zo kon ze de hele ochtend doorgaan. Ze kneep me, stootte me, trok met de kam door mijn haar, prikte me met spelden, goot water over me uit – wat haalde ze allemaal niet uit boven mijn arme hoofd!
Op een keer verwachtten we officieren uit de stad. Het erf was ’s avonds al geveegd; in huis was alles schoongemaakt alsof het Pasen was. De jonge meesteres ging zitten om zich te laten kappen… Ach, mijn lot! Liever had ik gloeiende kolen in mijn hand genomen dan nog eens zo te tobben met haar blonde vlechten! Zo en zus, weg daar, weer terug; ze duwde me, viel tegen me uit – ik werd er bang van! Ze ratelde, kletterde, stampte met haar voeten, en ineens barstte ze in tranen uit… Ik vluchtte naar de deur, maar zij achter mij aan de tuin in: “Ik scheur je in stukken! Ik wurg je, adder!” Ik keek om – haar gezicht was zo verschrikkelijk dat mijn benen begonnen te beven. Ze greep me met beide handen bij de keel… Haar handen waren koud als slangen. Ik wilde schreeuwen, maar mijn adem werd afgesneden; ik stortte neer bij de appelboom en kwam pas weer bij door koud water.
Ik keek – de meisjes stonden om mij heen, wit als kalk. De jonge meesteres lag huilend achterover in een stoel; de oude vrouw stond bij mijn hoofd en schold me uit, zo woedend dat haar mond zwart leek.
— Wat heb jij gedaan, luiaard! Hoe durfde je de jonge meesteres boos te maken? Ik stuur je naar Siberië! Ik jaag je de wereld uit!
En tegen de jonge dame zei ze:
— Huil niet, huil niet, mijn engeltje: zij is je tranen niet waard! Je wordt nog ziek, God verhoede het! Kijk, je handjes zijn ijskoud. Het is al goed, het is al goed! Waarom doe je het zelf? Zeg mij maar wat je niet bevalt.
— En jij, luie meid, — snauwde ze weer tegen mij, — jij zult het nog voelen!..
Ik weet niet hoe het kwam dat ik geen tweede ramp over me heen kreeg en niet geslagen werd. Waarschijnlijk omdat ik al zo zwak was – mevrouw gaf me slechts een trap met haar voet en beval de meisjes me naar huis te dragen.
De meisjes droegen me weg en vielen in huis huilend naast me neer:
— Oestyna, lief hart! Wat beklagenswaardig voor jou!.. Moeder Gods! Waarom treft ons zo’n onrecht?

IX
De hele lente gaven ze me warme melk te drinken, tot ik enigszins opknapte.
Ik lag alleen – iedereen was op het land aan het werk – en dacht maar steeds:
“Zo jong, en toch zo meedogenloos, Heer!”
In de hut was het koel en stil; de muren wit en stom; ik alleen met mijn ziel. Een zuchtje wind ritselde en boog geurige sering door mijn venster. Tegen de middag wierp een hete zonnestraal een trillende lichtstreep dwars door de kamer… alsof ik met vuur werd bestrooid. Ik voelde me benauwd, slaperig, maar slapen kon ik niet. Altijd maar alleen met mijn gedachten – hoe moet men zo leven in de wereld?
Ik was zó blij – mijn God, wat blij! – wanneer de tuin begon te ruisen, de lucht donker werd en de regen luid op de aarde neersloeg. Dan hoorde ik plots gestamp, gelach en geroep… een hele troep kinderen stormde bij mij naar binnen. Vrolijk, rood van de regen; ze begroetten me; sprenkelden me nat met hun kleren; klommen ongeduldig op de vensterbank, wachtend tot de bui voorbij was; en ze zongen luid:

Kom tevoorschijn, zonnetje,
op het veld van de pastoor,
op grootmoeders kruidentuin,
op ons eigen erf!

Zodra de zon weer achter de wolk tevoorschijn kwam, stormden ze het huis uit. En nog lang daarna weerklonk in de ene hoek hun gelach, in de andere – alsof iemand met zilveren belletjes rinkelde.
’s Avonds, in de schemering, keerden de mensen terug van het land, uitgeput van de zonnehitte en het zware werk; allen zwijgend – alleen soms een diepe zucht of een zacht gezongen, droevig lied…
Soms kwam onverwacht een van de meisjes uit het grote huis naar mij toe gerend.
— Oestyna! Duifje!
— Wat gebeurt er bij jullie, zusje? — vroeg ik.
— Vraag maar niet, Oestyna – ellende! Hanna is vandaag geslagen, gisteren Paraska, en morgen ben ik waarschijnlijk aan de beurt. O moederlief, als ze mij maar niet opmerken! Ach, Oestyna, wat een armzalige kopjes hebben wij!
— En over mij, zeggen ze niets?
— Niets? Hoezo niets! Waarom gaat ze niet naar haar werk? Waarom ligt ze daar te pronken als een dame uit Basan? Dat zeggen ze, als je het weten wilt… Ach, ik ben al te lang hier! Vaarwel, Oestyna!

X
Op een ochtend lag ik te denken, toen Katrja de hut binnenstormde.
— Kom, kom, vlug, Oestyna!
— Waarheen?
— Naar de jonge meesteres, naar de oude mevrouw! Vlug toch, Oestyna! Ze hebben je laten halen – je moet meteen komen. De jonge dame heeft bij de oude over je geklaagd: dat je al helemaal genezen bent en toch niet wilt werken of dienen. Kom, ga!
— Hoe moet ik gaan, Katrja? Ik kan nauwelijks mijn voeten op de grond zetten!
— Ik help je wel, duifje! Verman je, anders wordt het nog erger. Kom dan!
Met moeite sleepte ik me naar het huis. Op de drempel stond de jonge meesteres.
— Waarom lig je daar te luieren? Waarom kom je niet dienen? Jij nietsnut! Wacht maar! Ik zal een straf voor je bedenken die je nog nooit hebt gezien of gehoord!
Wat schreeuwde ze, o God! Ze raakte buiten adem, duwde me, trok me aan mijn mouw… O mijn uur van beproeving! Hoe verwilderd zag ze er uit, hoe verschrikkelijk dat mooie gezichtje werd!
Op dat geschreeuw kwam ook de oumevrouw aangesneld… Ze begon me uit te schelden en dreigde zelfs me te slaan. En dat hadden wij, God zij dank, van haar nooit meegemaakt – vóór de jonge dame haar intrek nam. Vanaf toen begonnen bij ons de dagelijkse straffen en het dagelijkse geween. Als iemand eens glimlachte (wat zelden gebeurde!) – dan liep de jonge meesteres naar de oude: “Grootmoeder, ze hebben geen respect voor mij!” Als iemand huilde: “Grootmoeder, ze werken niet en dan huilen ze nog!” Over iedereen klaagde ze, onze aanklaagster. En de oude vrouw tierde en strafte ons – ze had haar jeugdige hardheid weer teruggevonden!

XI
We ademden alleen nog vrij wanneer er jonge heren op bezoek kwamen en de jonge meesteres ons even vergat. Zodra ze bij hen was, kwetterde ze als een vogeltje, vriendelijk en lief – en wat een verschil! Je herkende haar haast niet. En die jonge heren om haar heen… De een wrong zich naast haar, de ander keek haar van uit een hoek met fonkelende ogen aan; weer een ander volgde haar op de voet, en nog een ander probeerde van opzij haar blik te vangen. En zij bewoog zich tussen hen als een kwartel.
— Wie van hen zal het worden? — vroegen wij meisjes elkaar. — De arme stakker zal wel merken wat een schep ellende kost!
Aanvankelijk verheugde de oumevrouw zich zeer over al dat bezoek, maar toen er onder hen ruzies uitbraken, begon ze zich zorgen te maken – ze was hen niet meer zo genegen, maar durfde hen ook niet weg te sturen. Ze kwamen in hele drommen tegelijk, en ieder eiste de gunst van de jonge dame voor zich op; ze minachtten elkaar en kregen ruzie en vochten bijna. De oude vrouw begon hen (achter hun rug) honden te noemen.
Tegen de herfst kwam het lot van de jonge meesteres tot een keerpunt – en plotseling vlogen ze uiteen als een opgeschrikte zwerm, beschaamd om zichzelf.

XII
De jonge meesteres maakte kennis met de regimentsarts en hij begon dagelijks langs te komen. Hij was zo rustig, eenvoudig, vriendelijk tegen iedereen – helemaal niet als een verwende jonge heer!
Al eerder hadden bezoekende jongedames rondverteld dat er zo’n knappe regimentsarts was: zwarte wenkbrauwen, rode lippen, lang van gestalte – zo’n schoonheid dat je het niet kunt beschrijven! Alleen was hij erg trots – hij keek geen van hen aan en sprak met niemand, hoe ze ook hun best deden.
Wanneer de jonge meesteres dat hoorde, zei ze vaak tegen de oude vrouw:
— Als u die arts eens bij ons zou uitnodigen, grootmoeder – laat mij eens zien hoe hij is!
Maar de oude antwoordde:
— Kind, die babbelkousen hebben je wat wijsgemaakt en jij gelooft het ook nog… Wat is er nu zo bijzonder aan een regimentsarts? Dat is armoede, niks dan armoede! Wat moet jij met zo iemand?
— Laat me hem alleen maar zien, grootmoeder! Is hij echt zoals men zegt?
— Weg met hem! Straks blijft hij nog hangen! Er zwermen er al genoeg om je heen, en geen van hen vraagt je ten huwelijk. Ze verdringen elkaar en maken ruzie.
De kleindochter hield voet bij stuk: de arts moest komen!
Bij het eerstvolgende bezoek van de regimentscommandant liet de oude, tegen wil en dank, vragen of men de arts wilde meebrengen. “We brengen hem mee, we brengen hem,” beloofden ze.
— En wanneer komt u weer bij ons? — vroeg de jonge meesteres, zich draaiend en hen met sluwe ogen aankijkend als een vosje. — Snel?
— Als u zo vriendelijk bent, dan komen we overmorgen al, — zeiden de gasten, licht van vreugde. En ze reden weg, blij als dwazen.

XIII
Die dag had de jonge meesteres zich prachtig uitgedost! De oude vrouw fronste echter en mompelde:
— Wat moeten wij met zo’n kale armoedzaaier!
De jonge meesteres deed alsof ze het niet hoorde. De oude kon haar boosheid alleen op ons afreageren.
Toen de officieren arriveerden, was de arts er niet bij. “Hij dankt voor de uitnodiging,” zeiden ze, “maar hij heeft geen uur vrij: hij heeft veel zieken te behandelen.”
— Dwing hem niet, — zei de oude vrouw, — laat hem maar genezen met God.
De jonge meesteres bloosde slechts en beet op haar lip.
En toen de gasten vertrokken waren, moesten wij het ontgelden…
Nog diezelfde week werd de jonge meesteres ziek. Ze zuchtte, kreunde en jammerde. De oude vrouw schrok en huilde; men stuurde om de arts. Hij was kundig, zei men, en woonde het dichtstbij — dus naar hem!
Intussen had de jonge meesteres zich zo mooi mogelijk aangekleed en lag als een geschilderd popje in bed te wachten.
Hij kwam, onderzocht haar en stelde vragen. Zij boog haar hoofd, sprak half zingend. Hij bleef een uur en nam afscheid: “Morgen kom ik terug.”
De oude vrouw vroeg haar kleindochter naar haar indruk; die knikte slechts. Maar toen de oude vroeg: “En, hoe beviel de arts?”, schrok ze op:
— Trots, — zei ze, — als een hoge heer… En wat denkt hij wel niet!
De arme man bleef komen en behandelen — en werd verliefd. De jonge meesteres werd ook verliefd. De jonge heren roken onraad, begrepen wat er gaande was, en verdwenen.
De oumevrouw kon haar hoofd wel tegen de muur slaan, maar wist geen raad. “Als u mij tegenhoudt, grootmoeder, sterf ik! Spreek me niet tegen! Heb medelijden!”
De oude zuchtte slechts.

XIV
Het landgoed werd stil; geen hoefgetrappel, geen geratel van koetsen. Ook de jonge meesteres werd rustiger: ze schold niet meer, sloeg niet meer, klaagde niet meer — ze zat en dacht.
Zodra de zon opkwam, kwam de arts al aangereden met twee paarden. De jonge meesteres wachtte bij het raam, mooi gekleed, blozend als een rode papaver. Hij snelde naar binnen. Als een van ons voorbijging, groette hij vriendelijk: “Goede dag, meisje! Hoe maakt de jonge meesteres het?”
Hij bleef vaak de hele dag. Hij week geen stap van haar zijde. De oude vrouw gluurde om de beurt door de ene en de andere deur, luisterde naar wat zij samen spraken. Jaloezie knaagde aan haar — maar ze durfde haar kleindochter niet tegen te spreken.
Hij vroeg haar ten huwelijk. De oude huilde en treurde zwaar:
— Ik had gehoopt je aan een prins uit te huwelijken, aan een rijke edelman!
— O mijn God! — riep de jonge meesteres huilend. — Als hij rijk en machtig was, zou ik geen ogenblik twijfelen! Dan was ik al lang met hem getrouwd! Maar wat een noodlot is dit voor mij! Wat een bittere toekomst!
— Zijn er dan geen betere dan hij? — waagde de oude nog te vragen.
— Voor mij is er niemand beter, — niemand en nooit!
Ze werd somber, mager en bleek. De oude wist geen raad. Ze zei: ga niet met hem trouwen — dan barstte de kleindochter in woede en tranen uit. Ze probeerde haar te troosten: “Jullie zullen wel trouwen” — dan vervloekte de jonge dame haar lot:
— God heeft mij dit ongeluk gezonden, — zei ze, — en ik weet niet hoe ik eraan kan ontkomen.
De jonge man merkte haar onrust.
— Wat is er? Waarom ben je verdrietig?
— Ik ben niet verdrietig…
— Zeg me de waarheid, zeg het! — smeekte hij, haar hand kussend.
— We trouwen, — zei ze, — maar hoe zullen we leven? In armoede!
— Dus dát kwelt je, liefste!.. Wat hebben wij aan adel of rijkdom, als ons leven mooi en gelukkig zal zijn?
— Zie je wel, je denkt niet aan mij! — antwoordde ze. — En zul je het prettig vinden als men ons bezoekt en ons uitlacht: “Daar leven ze, in armoede!”
En ze huilde.
— Mijn hart, wat moet ik doen? Waar moet ik het vandaan halen? Ik heb nooit naar rijkdom verlangd, maar nu wens ik alle weelde voor jou, tot jouw vreugde… Wat kan ik doen? Ik zou de hemel willen neerhalen, — zei hij, — maar hij buigt niet!
En zo zaten ze samen te treuren.

XV
Ze hield van hem, maar op een vreemde manier, niet zoals gewone mensen liefhebben.
Wanneer er buurmeisjes op bezoek kwamen, vroegen ze nieuwsgierig:
— Is het waar dat die trotse man verliefd op je is?.. Heeft hij je ten huwelijk gevraagd?.. Is hij jaloers?.. Wat voor geschenken geeft hij je?.. Heb jij respect voor hem, of luistert hij naar jou?
— Oordeel zelf maar, — antwoordde de jonge meesteres glimlachend. En dan begon ze hem in hun bijzijn te bespotten.
— Luister, — zei ze tegen hem, — rijd naar de stad en koop voor mij dit en dat — en vlug! Schiet op, anders word ik boos!
Hij reed meteen weg en kocht wat ze had gevraagd.
— Mijn God! Wat hebt u nu weer gekocht? Dit wil ik niet! Ga het omruilen! Dat heb ik niet nodig! Wat een keuze!
En weer reed hij terug om alles te ruilen.
Of zo: hij wilde water drinken — zij zei:
— Drink niet!
— Waarom?
— Omdat ik het niet wil! Drink niet!
— Maar ik heb dorst!
— En ik wil het niet! Hoor je? Ik wil het niet!
En ze keek hem dan zo aan, of glimlachte zo, dat hij gehoorzaamde. Soms werd ze boos, keerde zich van hem af en sprak geen woord meer. Dan smeekte en verontschuldigde hij zich — bijna tot tranen toe.
De bezoekende jongedames verbaasden zich:
— Wel! Wie had zo’n liefde van hem verwacht! Wat heb jij gedaan? Hoe heb jij God daarom gesmeekt?
Onze jonge meesteres glimlachte slechts.
Wanneer ze vroegen wat hij haar had geschonken, spreidde ze voor hen fluweel en satijn uit — stoffen die ze van de oumevrouw had gekregen — en pochte:
— Dat heeft hij mij gegeven!
Wat een wonderlijke liefde van de adel!
En hij keek die buurmeisjes donker aan: dat hun spoor maar mocht vergaan!
Intussen informeerde de oude vrouw naar hem, hoe hij leefde — en ontdekte dat hij een boerderijtje bezat.
— Mijn kind! Hij heeft een landgoedje!
— Echt? — riep de jonge meesteres opspringend. — Waar? Wie zegt dat?
— Niet ver van de stad. Onlangs heeft hij het geërfd van een tante. Zij had geen kinderen; hij is bij haar opgegroeid.
— Ach, lieve hemel! Waarom heeft hij me dat niet verteld? Het zal wel een klein boerderijtje zijn — niets om trots op te zijn. Maar toch een landgoed! Toch bezit!
Ze ontving hem die dag vrolijk en hartelijk, en hij verheugde zich — niet wetend dat men niet hém begroette, maar zijn landgoedje.

XVI
Met Kerstmis werden ze officieel verloofd. Er kwamen gasten, echt een hele stoet! De jonge meesteres was zo vrolijk en spraakzaam; haar ogen straalden, en ze liep arm in arm met haar verloofde. En hij kon zijn ogen niet van haar afhouden, hij struikelde bijna tijdens het lopen. Het feest duurde de hele dag.
Maar zodra de verloofde en de gasten van het erf vertrokken, barstte de jonge meesteres in tranen uit. Ze huilde en klaagde over haar lot:
— Wat heb ik gedaan! Wat heb ik veroorzaakt! Wat voor armzalig leven wacht mij! Waarom ben ik ooit geboren! Mijn arme hart! Mijn weeslot!
De oude vrouw was niet blij met de verloving, maar troostte haar kleindochter:
— Waarom huilen, mijn kind? Genoeg nu, echt genoeg!
— Waarom heeft God hem geen rijkdom en bezit gegeven! — riep de jonge meesteres en begon helemaal te huilen, liep door de kamer en sloeg haar handen ineen.
— Mijn kind! Mijn hart! Huil niet! Je zult niet rijker zijn dan iedereen, maar je zult ook niet arm zijn. Alles wat ik bezit, is voor jou.
Ze sprong naar de oude vrouw, omhelsde haar en kuste haar:
— Mijn grootmoeder, mijn moeder! Dank u uit mijn hart en ziel! Mijn wereld is omhooggestegen! U hebt me opnieuw tot leven gewekt, lieve moeder!
— Genoeg nu, genoeg, anders word ik ook emotioneel! — zei de oude vrouw, terwijl ze zelf ook huilde en lachte.
— Grootmoeder, liefste! Blijft u bij ons wonen?
— Waarom zou ik dat wensen? Het gaat niet. Ik denk: ik blijf hier, in Doebtsi, zorg voor het huishouden, en jij beheert de boerderij. Want als je hier of daar vertrekt, wordt het huishouden verwaarloosd en vind je geen rust. Het oog van mijnheer houdt toezicht wordt niet voor niets gezegd.
— Goed, goed, grootmoeder! Zo zal het zijn! Ah, grootmoeder, u hebt me opnieuw tot leven gewekt!
— Wees vrolijk, mijn kind — niet huilen…
— Ik zal niet huilen, grootmoeder, nee ik zal niet huilen!
Op dat moment kwam de verloofde op de drempel, en de jonge meesteres zei tegen hem:
— Grootmoeder geeft ons Doebtsi! Grootmoeder geeft Doebtsi!
Hij glimlachte rustig en zei vriendelijk:
— Jij bent blij, en ik ben blij. Ik hou zelf ook erg van Doebtsi. Hier ontmoetten we elkaar en werden we verliefd… Weet je nog hoe groen en bloemrijk de tuin was, toen we daar samen wandelden en praatten?
En zij zei hem:
— De tuin was groen, de tuin was bloemrijk… Denk eraan, lieverd, hoe productief Doebtsi is!
De jonge man schrok een beetje en keek haar aan, alsof iets hem tegelijk verbaasde en pijn deed in zijn hart.
— Wat is er? — vroeg de jonge meesteres. — Waarom kijk je zo naar mij? Heb ik iets onnatuurlijks gezegd? Wil je niet met me zorgen voor ons huis?
Ze pakte zijn hand en glimlachte liefjes. En hij glimlachte terug:
— Jij bent van mij, — zei hij, — mijn geliefde eigenaresje!

XVII
De jonge meesteres werd steeds vrolijker en druk met haar bruidsschat; ze ordende alles, regelde van alles en nam zelf overal de leiding. Er kwamen schoenmakers, kleermakers, naaisters, handelaars uit de stad. Zelf rende ze overal achteraan, hielp haar verloofde, kocht, knipte, stapelde… Het was alsof alles tegelijk in een kookpot kookte! Voor ons was het zwaar werk, want zo ging het bij ons: of mevrouw en mijnheer nu rijk waren of verdriet hadden, voor ons was het altijd hetzelfde: wie het huwelijk viert, wie de strijd draagt!
Op de bruiloft van mevrouw en mijnheer kwam er een menigte, het huis gonste als een bijenkorf. Nieuwsgierige jonge dames bekeken de bruidsschat, bewonderden alles:
— O, wat mooi! O, hoe prachtig! Kijk dit! En dat, dat moet wel erg kostbaar zijn!
De ene sloot haar ogen van verbazing bij het zien van een sjaaltje of jurk, alsof haar hart werd gegrepen. Zo kleefden ze eraan zoals vliegen aan honing. Het kostte ons moeite ze allemaal weg te leiden.

XVIII
Door al dat gedruis, de drukte en het getoeter, had ik nauwelijks een moment om afscheid te nemen van mijn mensen. De paarden stonden al gespannen toen ik eindelijk wegrende. Ik kon nauwelijks een woord zeggen, omhelsde alleen de ouderen en de kinderen.
De jonge meester kwam zijn vrouw ophalen met een vierspan. Zwarte, sterke paarden. De koetsier was breedgeschouderd, had een snor en droeg een hoge hoed. Hij was een van onze mensen, maar opgeleid tot dienst bij de adel. Terwijl de dames en heren afscheid namen, kletsten en huilden, zat de koetsier als van ijzer: hij draaide zich niet om, keek niet achterom.
De dame en heer gingen in de koets zitten. Ik werd achterop neergezet, op een hoge bijwagen.
— Met God, Nazar! — riep mijnheer vrolijk.
Op die heldere, koude ochtend vertrokken we uit het dorp. De vorst kraakte; de wilgen waren met rijp bedekt; de takken glommen in de zon. De meisjes stonden langs de weg en zwaaiden naar me… De paarden renden snel, alles flitste voorbij. Het dorp was verdwenen. Alleen de weg bleef, een verlaten, eindeloze weg voor me…

XIX
Ze reden snel de stad in, alsof we tussen een zwerm insecten kwamen. Overal liepen mensen en paarden, er werd verkocht en gekocht. Mensen, adel, Russische soldaten, handelaars. En overal, waar je ook keek, liepen lange joodse mannen, als torren die overal rondscharrelen.
Mijnheer beval de paarden te stoppen bij een herberg en bracht zijn bruid naar de kamers. De koetsier kreeg geld — om te lunchen — maar aan mij dacht hij niet.
Ik zat daar en keek om me heen. Alles was vreemd, alles onbekend. Toen riep iemand:
— Hé, mooie, knappe!
Ik schrok op. Het was de koetsier die riep. Ik keek goed naar hem: donkerharig, zoals een raaf, moeder! Hij lachte, zijn tanden waren ontelbaar, en zo wit als room.
— En wie zoeken jullie? — vroeg ik.
— Eh, wie? Hoe heet je ook alweer… Oestyna, toch? Kom met mij, met Nazar, lunchen.
Ik was zo koud, maar hoe kon ik gaan? Mevrouw zou dan een ophef maken!
— Dank u, zei ik, ik wil niet eten.
De koetsier glimlachte: “Zoals je wilt, meisje!” — en liep weg.

XX
Ik zat een hele tijd te wachten tot mevrouw en mijnheer naar buiten kwamen. Mijnheer keek toen naar mij:
— Waarom zit je hier, Oestynko? Heb je al gegeten?
— Hé! — riep hij naar de baardige huisheer, die geld in zijn handen telde op een kast. — Geef het meisje te eten!
De huisheer stak het geld in zijn zak en rende weg.
— Wat is dit? — riep mevrouw geschrokken. — Gaan we op haar wachten?
— Natuurlijk, liefje, zei mijnheer. Ze is hongerig en verkleumd.
— Wat dan? Ze zijn eraan gewend. Als we te laat komen, zullen ze bang zijn.
— Ren, meisje, snel! — zei mijnheer. — Blijf niet achter, anders moeten we op je wachten.
Mevrouw bloosde tot in haar haarwortels.
— Tijd om te gaan!
— Maar ze is hongerig, liefje… kijk hoe koud ze het heeft!
— Ik heb het koud! — riep ik uit.
— Ga zitten! — riep ze streng en sprong zelf in de koets.
Mijnheer keek verbaasd, wist niet wat hij denken of zeggen moest.
— Wat nu? — vroeg mevrouw. — Snel!
Toen ging mijnheer naast haar zitten…
En de baardige huisheer:
— Gaan jullie het meisje geen eten geven?
Mevrouw en mijnheer praatten lang met elkaar, en daarna zwegen ze nog langer.

XXI
Bij schemering kwamen we bij het landgoed aan. In sommige huizen van de dorpelingen brandde licht. Ze liepen door de straat en stopten bij het huis. Op de veranda stonden mensen in een groepje met lichtjes en heilig brood. Ze bogen en begroetten de pasgetrouwden.
— Dank u, dank u, — zei mijnheer terwijl hij het brood in zijn handen nam. — Ik heb u mijn jonge vrouw gebracht, bevalt ze u?
Hij lachte en straalde van vreugde; sommige mensen zouden misschien zo’n schoonheid niet waarderen!
Mevrouw keek naar hem, vonken sprongen uit haar ogen, haar gezicht veranderde. De mensen wilden haar op hun manier groeten; maar zij greep een kaars uit iemands handen en sprong door de deur naar binnen! De mensen schrokken zo dat ze haast wegvlogen, maar ze weigerden niets aan mijnheer.
Mijnheer, onrustig en ernstig, liep naar binnen, het hoofd gebogen.
Ik ging naar binnen en keek rond. De kamer was klein maar mooi en schoon. Stoelen, tafeltjes, alles nieuw en glanzend. Ik hoorde mijnheer praten. Mevrouw snikte, en mijnheer smeekte haar, smeekte zo intens!
— Niet huilen, niet huilen, mijn leven, mijn dierbaar hart! Als ik had geweten dat ik je zou kwetsen, zou ik het nooit hebben gezegd!
— Jij hebt vast alle mannen zo opgevoed dat ze zich met jou bemoeien! Wat een schoonheid! Ze bekijken me, glimlachen naar me, willen me bijna omhelzen… Oh, ik ben ongelukkig! Hoe durven ze dat! — riep ze tenslotte.
— Mijn hart! Goede mensen, eenvoudige mensen…
— Ik wil niets weten, horen of zien! — stamelde mevrouw. — Wil je me uit deze wereld verdrijven of wat? — riep ze snikkend.
— Rustig maar, liefje! Je wordt nog ziek… O, niet huilen, niet huilen! Ik zal alles doen zoals jij het wilt. Geef me de kans.
— Jij houdt niet van me, je bemint me niet… God zij met je!
— Zonde om zo te spreken! Ik hou van je! Jij weet zelf hoe het werkelijk is!
Ze kusten elkaar.
— Kijk, — zei mevrouw, — als je niet doet zoals ik wil, zal ik sterven!
— Ik zal doen wat je wilt, mijn liefste, zeker!

XXII
Ik liep door alle kamers, er was helemaal niemand. “Zijn ze allemaal van ons weggerend?” dacht ik bij mezelf. Ik stapte de veranda op, de nacht was maanlicht en vol sterren. Ik stond daar te kijken, toen ik plotseling hoorde:
— Gezondheid, jongedame!
Het klonk als een snaar die naast me trilde. Ik schrok, keek op en zag een lange, statige jongeman die glimlachte. Ik voelde me zowel verlegen als bang; ik stond stokstijf, sprakeloos, en keek alleen maar in zijn ogen.
— Je staat hier helemaal alleen, — zei de jongeman opnieuw, — je weet vast niet waarheen te gaan?
— Als ik het niet wist, zou ik het u gevraagd hebben, — antwoordde ik, nu wat moediger. — Wees gezond!
En ik haastte me de kamer in.
— Wees gezond, mijn lief! — riep hij mij na.

XXIII
Mevrouw en mijnheer liepen ondertussen door de kamers. De jonge mevrouw keek in elke hoek, om te zien wat er stond en hoe het was. Ze zag wat kruiden bij de iconen staan:
— Wat is dit?
— Dat heeft de vrouw van de godendienst hier versierd, — werd geantwoord.
— Wat?.. Dus zij regelt hier alles? Gooi die kruiden weg, liefje! Dat is echt te boerachtig.
— Goed, liefste.
Daarna kuste ze hem:
— Mijn lief!
Zo vonden ze elkaar, praatten wat bij.
— Wat is dit? — vroeg mijnheer, — is er niemand hier? Waar is de vrouw gebleven?
— Zie je dat? — tikte mevrouw met haar vingers, — hoe losbandig ze hier rondloopt! Ze wilde gaan, dus ze ging.
— Ze kan toch niet verdwijnen! Ik zal haar roepen. — En hij begon te roepen:
— Babs! Babs! Babs! — zoals een gehoorzaam kind. — Ze komt zo, liefje, — zei hij tegen mevrouw om haar gerust te stellen.
— Waar was ze dan?
— Waarschijnlijk iets aan het doen, liefje. Ze is mijn hele personeel.
— En waar is mijn Oestyna? Is ze zomaar gaan rondrennen zonder te vragen? Oestyna! Oestyna!
Ik verscheen voor hen.
— Waar was je?
— Hier in deze kamer, — antwoordde ik.
Ik ging weer achter de deur staan: keek, luisterde, en hield alles in de gaten.

XXIV
De oude grootmoeder kwam binnen, zo oud dat ze bijna tot de grond gebogen was, helemaal gerimpeld; alleen haar zwarte ogen waren nog levendig en helder. Ze liep zachtjes naar binnen, boog voor mevrouw en vroeg:
— Wat heeft u nodig, mevrouw?
De jonge mevrouw schrok zo van haar moed dat ze bijna opstond.
— Waar was je, vrouw? Ik moest je al zelf roepen, — zei mijnheer.
— Bij de oven, jongeheer: ik hielp Hanna zodat alles klaar zou zijn voor een goede avond voor u.
Mijnheer zag dat de vrouw zwaar ademhaalde, maar hij kon haar niet berispen; hij keek haar streng aan, hoestte wat, liep wat heen en weer, niet wetend wat te doen. Mevrouw wendde zich van hem af. De grootmoeder bleef bij de deur staan.
— Is het avondeten klaar? — vroeg mijnheer nu wat streng.
— Ja, het is klaar, jongeheer, — antwoordde de grootmoeder zachtjes en rustig.
— Liefje, zullen we dan gaan eten? — vroeg mijnheer aan mevrouw.
— Ik wil niet eten! — antwoordde mevrouw en rende weg, de deur hard dichtgooiend.
— Dan zal ik ook niet eten, grootmoeder, — zei mijnheer nu bedroefd.
— Dan ga ik maar. Goedenacht, jongeheer!
— Ga maar. Maar zorg dat ik je niet zelf achterna hoef te lopen! — riep hij, maar hij kalmeerde meteen toen grootmoeder hem op haar gebruikelijke rustige manier antwoordde:
— Goed, jongeheer.
Ze boog en ging weg.

XXV
Mijnheer liep heen en weer door de kamer. Men hoorde duidelijk dat mevrouw achter de muur huilde. “Mijn God! — zei hij tegen zichzelf — waarom huilt ze?” En zo sprak hij dat woord zacht, bijna weemoedig.
Hij kon het niet verdragen en ging naar haar toe; hij kuste haar en probeerde haar gerust te stellen. Een flinke tijd smeekte hij haar totdat ze ophield met huilen.
— En ik wil niet eten, — zei mevrouw tegen mijnheer. — Ik kan niet eens naar jouw bedienden kijken! Ze behandelen je alsof je hun broer bent… of familie, niets méér!

XXVI
Ik zit alleen in de meisjeskamer; zo stil en droevig… Wat zal mijn leven worden! Alles om me heen is mooi… “Nu, — denk ik bij mezelf, — onze meisjes zullen genieten zonder onze jongedame! Zo vrolijk en fijn samen… En ik — een vreemde plek, en geen levend hart hier…”
Plotseling klinkt er iets tegen het raam: tok-tok… Ik schrik heel erg! Ik weet zelf niet hoe, maar ik begreep meteen wie het was… Ik zit stil, alsof ik niets hoor.
Het stoten hield even op, en dan weer, opnieuw kloppen. Ik spring op en sluit alle deuren, zodat mijnheer en mevrouw ons niet horen.
— En wie is daar? — vraag ik.
— Ik, meisje-liefje!
— Misschien… — zeg ik — ben je niet bij het juiste raampje aan het kloppen!
— Nee, dat is het niet! Waarom dan ogen in je hoofd, als je niet ziet wie nodig is!
— Niet alles hoeft perfect… O, zo’n gesprek door dubbel glas! Weg! mijnheer en mevrouw mogen het nog horen! — en ik wijk van het raam weg.
Maar hij roept toch:
— Meisje! Meisje!
— Waarom sta je daar onder het raam, Prokip? — fluistert iemand zacht. — Het avondeten is al een tijdje klaar, en je bent er nog steeds niet!

XXVII
Iemand komt binnen in de gang. Ik doe de deur open, en het is de grootmoeder.
— Gezondheid, meisje, — zegt ze tegen mij. — Kom aan tafel voor het avondeten, kleintje!
— Dank u, grootmoeder!
— Laten we gaan.
— Ik zal het mevrouw vragen.
— Waarom vragen, liefje? Het is avondeten!
De grootmoeder zwijgt een moment en zegt dan:
— Ga maar, mijn kind. Ik wacht hier op je.
mijnheer en mevrouw zitten gezellig bij elkaar en praten wat. Ik kom binnen, en mevrouw zegt:
— Waarom kom je hier zo aan?
— Laat me, — zeg ik, — mevrouw, om te gaan eten.
— Ga maar — eet maar!

XXVIII
Ik volgde grootmoeder door de binnenplaats naar het huis.
— Hier is het meisje dat ik jullie bracht, — zei ze terwijl ze me binnenleidde.
Binnen aan de tafel zat de zwarte Nazar en een mooie jonge vrouw, Nazars echtgenote. Het vuur in de oven brandde fel, als in een smeltoven. De witte muren en het huisaltaar weerkaatsten het licht vrolijk, versierd met geborduurde doeken, gedroogde bloemen en kruiden. Op de plank stonden schalen, kommen en schaaltjes, groen, rood en geel, alsof het edelstenen waren. Alles in dat huis was vrolijk, netjes en stralend: de zachte vlaswol hing over de stok, een zwarte jas hing over een haak, en een gevlochten wiegje met een kind stond klaar.
— Kom aan tafel! — begroetten ze me en maakten een buiging.
— Misschien kan zo’n schoonheid naast mij zitten, hè? — zegt Nazar.
— Bent u hier niet de beste, oom? — antwoordde ik. Terwijl ik me omdraaide, keek die jongeman ineens vanuit de hoek naar me, en het werd me heet vanbinnen.
— Zie je wel? — zegt Nazar. — Kijk goed naar mij: zie je, ik ben knap! zie je, ik ben goed!
— Maar niet ’s nachts! — antwoordde zijn vrouw vrolijk.
De vrouw heette Katrja: blond, een beetje kromneusig, heldere blauwe ogen, rond en fris als een appel. In een rode kap en groene jas. Ze was levendig en trots, praatte en werkte, wiegde haar kind; haar geborduurde mouwen schitterden bij de tafel, haar ringen fonkelden bij de oven.
— Nou, nou! — zegt Nazar tegen haar — als die dumplings er niet waren geweest, had ik je iets anders gezegd…
Op dat moment zette Katrja een kom dumplings op tafel voor hem. Nazar knipoogde naar mij.
— Niet kwaad om goed te eten, wie nog niet gegeten heeft!

XXIX
Katrja praatte en grapte, maar leek toch een beetje verdrietig en onrustig. Grootmoeder zat stilletjes aan tafel, in gedachten verzonken. Alleen Nazar maakte grapjes, verzon dingen en lachte luid, zijn tanden glanzend als room! Ik keek niet meer naar de jongeman.
— En jij, vogeltje, — vroeg grootmoeder, — dien je al lang de jonge mevrouw?
— Wat is ze mooi! — riep de jonge vrouw.
— Ze helpt ook, dat is mooi! — riep Nazar, — als ze kijkt alsof de melk zuur wordt!
Grootmoeder zuchtte diep:
— Genoeg, genoeg, Nazar!
— Onze heer is zo gewoon, — zei de jonge vrouw, — hij heeft waarschijnlijk nooit iemand beledigd.
— God geef hem hetzelfde terug! — zei grootmoeder.
— Hoe zal het nu met ons gaan! — zei de jonge vrouw droevig. Ze zuchtte en staarde naar mij, alsof ze met haar ogen iets wilde vragen.
Ik zei niets.
— Het zal zijn zoals de Heer het geeft, lieve — zei grootmoeder.
— Wat er ook gebeurt, we zullen het doorstaan! — riep Nazar. — Nu, laten we de dumplings nemen. En jij, Prokip, waarom ga je niet? Beviel de jonge mevrouw je? Of misschien deze schoonheid? — en hij knipoogde naar mij.
— Laat mevrouw me maar niet dromen! — antwoordde de jongeman terwijl hij tegenover mij ging zitten. — Hoe kan ze zo onaardig geboren zijn!
Toen zei de jonge vrouw tegen mij:
— Meisje-liefje! Vertel ons de hele waarheid, hoe je je voelt…
Ze stopte. Iedereen keek aandachtig naar mij… En de jongeman nam zijn ogen niet van mij af. Als hij er niet was geweest, zou alles prima zijn geweest, maar bij hem schaamde ik me en bloosde, bijna huilend.
— Meisje! Is onze jonge mevrouw slecht? — vroeg Katrja.
— Zij is niet goed! — antwoordde ik haar.
— Barmhartige Heer! — riep ze. — Mijn hart heeft het gehoord, mijn hart! Mijn kind! — ze boog zich over de wieg van het kind: — Had ik dat gedacht toen ik trouwde! Ze heeft ons al met haar ogen verslonden! En ze huilt, tranen op tranen.
— De duivel is niet zo eng als hij wordt geschilderd! — zei Nazar. — Waarom bang zijn? Eerst goed kijken.
En zij huilde en zuchtte, alsof de mevrouw haar kind echt met haar ogen had opgegeten.
— Genoeg, lieve! — suste grootmoeder Katrja. — Waarom ons te veel zorgen maken? Is er geen barmhartige Heer over ons?
De jongeman zei geen woord; maar waar ik ook maar keek, viel zijn blik op mij.

XXX
Na het avondeten, nadat we elkaar de zegen hadden gegeven, rende ik terug naar het huis, en achter me hoorde ik:
— Goedenacht, meisje!
— Goedenacht voor u! — antwoordde ik en sprong de gang in.
Ik ging naar de meisjeskamer — mijn hart bonkte en bonkte! Ik dacht en dacht… wat als hij zo naar me keek! En mijn mevrouw kwam ook in gedachten: nauwelijks kwam zij de binnenplaats op, en ze verveelde iedereen… En waarom kleeft die jongeman zo aan me? Och, laat hem maar, wat een knappe jongen… De maan stond vol aan de hemel tegenover mij.

O maan, maantje,
Schijn voor niemand…

Het lied raakte mijn ziel… Ik wist zelf niet wat mijn hart verlangde: dat hij weer bij het raam zou komen, of dat hij juist wegbleef…

XXXI
De dagen, weken, maanden, een half jaar vloog voorbij. Het leek stil en vredig op het erf; alles bloeide en groen was het. Maar wie zou hebben kunnen zien wat er werkelijk gebeurde! De mensen stonden op en gingen slapen met tranen en vervloekingen. Alles werd naar de zin van de jonge mevrouw gedaan; iedereen had zwaar werk, en overal vond ze iets om te straffen of te berispen. De ongelukkigen, de kinderen, zelfs die mochten niet spelen. Ze liet hen de tuinen vegen, de kalkoenen hoeden; de ongelukkigen zaten op het land, joegen de vogels weg — maar hoe ze alles organiseerde met haar berispingen en trots, leek het alsof elk werk een marteling was. Ze leek alles te zien, overal rond te kruipen als een hagedis, en God weet wat ze allemaal deed; slechts een blik van haar voelde alsof ze je hart in haar hand kneep.
De buren prezen onze mevrouw: wat een beheerster! Wat een verstandige vrouw! Ook al is zij jong, — we kunnen allemaal van haar leren!
Aanvankelijk hoopten de mensen nog op mijnheer, maar al snel gaven ze hun verwachtingen op. Hij was een goedhartige, barmhartige heer, maar volkomen zwak — niets van hem telde. Hij probeerde zijn vrouw te overreden, maar ze luisterde niet. Soms durfde hij er nog niet eens aan te denken, alsof hij niets zag of hoorde. Een goed heer — hij sloeg niet, schold niet, maar zorgde ook nergens voor. Als mevrouw begon te kreunen en te klagen, kust hij haar handen en voeten, huilt en berispt hij zijn mensen: “Ach, jullie! Ach, jullie!.. Ze zullen mijn vriendje nog kapotmaken!”
— Hij zal nooit iets bereiken, — zei Nazar. — Ik zag het meteen: een kip, toen hij Oestyna te eten gaf… Als ik zo’n vrouw had, zou ik haar in de steek laten, laat haar maar puffen!
En hij lachte luid door het hele huis. Zo’n man was Nazar: altijd grappen en plezier.
Wat Katrja ook huilde, tranen waren er nauwelijks. Ze nam haar kind op en huilde hardop. Prokip was ook erg bedroefd. Hij dacht na, en maakte geen grapjes meer met mij.
— Zo bedroefd! — zei ik op een avond tegen hem, bij schemering. — Waarom zo somber?
Hij pakte mijn hand, trok me naar zich toe en kuste me. Voordat ik het doorhad, was hij alweer verdwenen.

XXXII
Alle mensen waren uitgeput, uitgemergeld; alleen grootmoeder bleef even statig als altijd. Hoe mevrouw ook op haar schold en tegen haar schreeuwde — grootmoeder werd niet bang, raakte niet in paniek: ze liep rustig, sprak kalm, keek helder met haar heldere ogen. En voor je het wist, kroop je tegen haar aan en begon je te huilen — zoals een kind zich tegen zijn eigen moeder aandrukt.
— Huil niet, mijn kind, huil niet! — zei grootmoeder zacht en vriendelijk. — Laat de slechten maar huilen, en jij moet alles verdragen, je ongeluk uithouden!.. Kan men het dan niet verdragen?
Heer! Wat was het verdrietig en somber om te leven! Geen gelach te horen, geen menselijke stem. Geen levende ziel kwam de binnenplaats op — behalve voor werk — en dan keek men zo angstig om zich heen, haastte zich zo, alsof men uit het bos wilde ontsnappen aan een woest beest.
Eens was ik wat laat na het avondeten en rende snel weg. “Waarom is Prokip niet komen eten?” dacht ik. En plotseling stond hij voor mijn ogen! Hij hield me tegen en liet me niet voorbijgaan.
— Oestyna, zeg me de waarheid: houd je van me?
Ik wilde weglopen, maar mijn benen droegen me niet. Ik stond daar, brandend van schaamte… Toen pakte hij mijn hand!.. Hij omhelsde me, drukte me tegen zich aan en bleef maar vragen: “Hou je van me?” Wat was hij vreemd!..
We gingen zitten, praatten, hadden elkaar lief — en al het leed werd vergeten. Mijn ziel werd vrolijk, de wereld werd me dierbaar, alles in de wereld leek zo mooi, zo prachtig!.. Tot zelfs de mevrouw het merkte: “Wat is er met je?” zei ze. “Waarom ben je zo rood, alsof iemand je geslagen heeft? Heb je soms iets gestolen?!”

XXXIII
Mijn lieve God! Hoe wachtte ik die beschermende, donkere avond af!.. Zodra mevrouw me opdroeg naar het avondeten te gaan — wachtte Prokip op mij. Hij hield me tegen en we stonden samen, treurden samen… Want overdag, zelfs als we elkaar ontmoetten, keken we elkaar alleen maar aan, wisselden geen woord en gingen weer uiteen.
— Tot ongeluk hebben jullie elkaar liefgekregen! — zei Katrja dan.
— Wat ben jij slim, mijn liefste! — plaagde Nazar haar. — Als jij nu nog eens verliefd op me werd, zou je zelfs mijn handjes likken!
— Alsof ik aan liefde denk!.. Zij tweeën doen mijn hart al pijn genoeg als ik erover nadenk…
— Waarom kwellen en maken jullie het meisje bang? — zei grootmoeder. — Als ze al liefheeft, laat haar liefhebben: dat is het lot dat haar is toebedeeld.

XXXIV
En mevrouw werd met de dag hatelijker, steeds woedender: als ik me maar een beetje versliep of vertraagde — “Waar was je?” — en ze kwam me al tegemoet op de drempel van het herenhuis, als een noodlottig onheil.
Eerst leed ik zwaar onder verdriet, maar later verbaasde niets me meer, elke vernedering werd me onverschillig. Men zegt: sta op, ongeluk — en ga niet meer liggen!.. Terwijl ze me uitschold en uitfoeterde, kon ik het niet verdragen, de tranen stroomden; maar als ik goed had uitgehuild, mijn gezicht had afgeveegd — dan was ik weer opgewekt, maakte grapjes, deed dwaas!.. Mijn vlecht was netjes fijn ingevlochten, mijn hemd was wit — maar tegen niemand klaagde ik. Wat zouden ze me kunnen helpen? Ze zouden alleen hun eigen zware leed weer herinneren!.. En Prokip liep rond als een donkere nacht, en dan had hij geen trek meer in eten of drinken, noch in praten.
Lieve Heer! Eigen leed, andermans leed — je weet niet wat te doen, waar te beginnen. Katrja’s kindje werd ziek: en ondertussen moet je voor mijnheer en mevrouw het middagmaal koken, het avondmaal koken, en de moestuin omspitten en inzaaien — en bovendien buldert mevrouw: “Je doet niets, luiaard! Je eet mijn brood voor niets! Ik zal je wel leren werken!”
De hele nacht waakte Katrja bij haar kind. Zodra het dag werd — aan het werk. Grootmoeder paste dan op de kleine, troostte Katrja; ze bracht het kindje even naar haar toe, of kwam zelf naar buiten om te zeggen: “de kleine is rustiger!” of “de kleine slaapt!” En zo hielp ze, als een goddelijke zegen, onvermoeibaar, zonder ooit te slapen.
— Waarom span je je zo in, Katrja, zonder rust? — vroeg ik haar.
— Ik zal werken, werken zolang ik kracht heb. (En haar ogen brandden diep in hun kassen.) Misschien stel ik haar tevreden, misschien wek ik medelijden!
Maar ze stelde haar niet tevreden en wekte geen medelijden. Ze werkte en sliep niet, tot een gevoelloze slaap haar bij de wieg overviel. Ze werd wakker — naar het kind, maar het kindje was al op Gods weg. De arme moeder keek er slechts naar, nam het aan haar hart — en het was al heengegaan.
Wat heeft Katrja gejammerd, geleden, en tegelijk ook vreugde gevoeld:
— Laat mijn kind, mijn liefste, dierbare kind, nu een engeltje van God zijn — mijn eigen zal geen kwaad meer kennen! — En dan barstte ze weer in huilen uit: — Maar wie zal zijn handjes naar mij uitstrekken? Wie zal mij in deze wereld verblijden?.. Mijn kind! Je hebt me verlaten, mijn dochter!
Nazar deed alsof er niets was, probeerde zijn Katrja te troosten, haar met haar jonge leeftijd gerust te stellen, maar zijn eens zo krachtige stem was al zachter geworden — in het geheim treurde hij meer dan allen.
Na dit verdriet verzwakte Katrja helemaal, ze kwijnde weg. Niet alleen kon ze niet meer werken, ze had zelfs geen kracht meer om rond te lopen. En toch bleef mevrouw maar:
— Waarom doe je je werk niet? Ik zal je dit! Ik zal je dat!
— Nu ben ik niet meer bang voor u! — antwoordde Katrja. — Al eet u me levend op!
En toen liet mevrouw haar voelen wie ze was!..
— Prokip! — zei ik. — Wat zal er nu van ons worden!
— Oestyna, mijn hart! Je hebt mijn handen gebonden!..

XXXV
Mevrouw joeg Katrja van het erf weg, naar de herendiensten — ze had zelfs geen medelijden met haar man, die koetsier was.
Mijnheer gaf haar heimelijk, buiten medeweten van zijn vrouw, een roebel, maar Katrja nam hem niet aan; hij legde het geld op haar schouder — ze schudde het van zich af alsof het een pad was. De roebel viel in het gras — en bleef daar liggen tot hij zwart werd; niemand raakte hem aan. Pas later zag mevrouw hem, toen ze over het erf liep, en raapte hem op.
— Jij zaait zeker geld? — zei ze tegen mijnheer. — Ach, mijn God, mijn God!
Mijnheer antwoordde niets, maar werd erg rood.
Katrja wilde niet meer leven. Na die vernedering overkwam haar iets. Ze rende door bosjes en moerassen, op zoek naar haar kind — en uiteindelijk verdronk de arme ziel.
Mijnheer was zeer bedroefd; maar mevrouw zei:
— Waarom zou je je bedroeven om ik-weet-niet-wat? Heb je niet gemerkt dat ze al lang niet goed bij haar verstand was! Wat had ze voor angstaanjagende ogen, en als ze sprak, was het allemaal onzin…
— Inderdaad, — greep mijnheer dat woord aan, — ze was niet helemaal bij haar verstand!
Gek was ze, en gek bleef ze… Wat wil je nog meer! Zo overlegden ze samen, en waren weer gerust…

XXXVI
Op een dag namen ze een soldaat uit de stad aan als kok. Wat was dat een zonderling! Als hij voor mijnheer en mevrouw had gekookt en zelf gegeten had, ging hij op de bank liggen en floot maar, floot en floot, en ineens begon hij te zingen — helder en dun, alsof een haan kraaide. Ons leed liet hem onverschillig; alleen vroeg hij soms: “Is er vandaag geslagen?” — en voegde eraan toe: “Het kan niet anders: dat hoort bij de dienst!”
Nazar was niet meer dezelfde, ook hij was somber geworden, maar hij bleef grappen maken:
— Als iemand mij eens één dag zou dienen, zou ik dat mijn leven lang herinneren!
Mevrouw prees die kok zeer, zei dat hij zo’n goede man was en haar zo respecteerde! En wanneer hij voor haar stond, strekte hij zich uit als een pijl, liet zijn handen zakken, sperde zijn ogen op haar en ratelde: “Ik ving een bont biggetje; het bont biggetje liep de struiken in; toen ging ik achter het zwarte biggetje aan; ik ving het zwarte biggetje, schroeide het zwarte biggetje, bakte het zwarte biggetje…” Zo dreunde hij alles op en wachtte wat mevrouw zou antwoorden; zelf knipperde hij alleen met zijn ogen!
En mevrouw zei telkens weer:
— Goed! Goed! Alles goed!.. Maar kijk uit, word niet lui tussen mijn wolfszielen.
— Dat zal ik nooit durven, uwe hoogedelheid! — hij boog diep, schuifelde naar rechts, naar links, en weg uit het huis, naar de bank — en floot weer.
— Och, hou toch op! — zei ik eens tegen hem. — Wanneer houdt u eindelijk op met dat gefluit! Hier is verdriet, hier is rampspoed, levende kwellingen, en u…
— Treur niet, meisje, treur niet! Daarom heet het dienst. Kijk eens hoeveel tanden ik nog over heb… In de dienst verloren!.. We hadden een kapitein… oeh!
Maar hij zei alleen maar “oeh”.
— Wat dacht je dan? Hoe moet je leven in de wereld? Hoe te dienen? Hoe je omhoog te dienen? Ze slaan je, scheuren je, maken je gek, maken je zwart, en jij moet blijven staan, niet eens knipperen!.. Ach! God behoede!
Na dat gezegd te hebben, floot hij weer. En Prokip sloeg uit woede zijn pijp op de grond stuk.
— Zelfs ossen in het juk loeien, en zou een christenziel elke smaad, elk onrecht verdragen en zwijgen! — bulderde hij tegen de soldaat, zodat die ophield met fluiten. Hij keek hem aan als een bok naar een nieuwe poort. — Zo ben ik niet! — zei Prokip. — Ik zeg: of je redt je, of je gaat ten onder!
— En ik heb weer een ander lot: vluchten! — lachte Nazar. — De omzwerving is mijn eigen tante.
— Ze pakken je! — riep de soldaat, opspringend. — Ze pakken je — en dan ben je verloren!
Wat ieder ook in zijn hart droeg, ze lachten allemaal.
— Niet elke kapitein is even snel, — zei Nazar, — de een rent en struikelt. Maar zeg jij liever: waarheen vluchten? Van de ene meester loop je weg, en je ontmoet een andere. Van vodden kleed je je in lappen…
Altijd heren, altijd rijken… — zong hij, als sloeg hij een klok.

XXXVII
In dat jaar stierf de oude mevrouw. Ze wilde helemaal niet sterven! Ze las voortdurend gebeden en de Heilige Schrift, liet in de kerken dankdiensten opdragen; kaarsen brandden onafgebroken voor de iconen. Eens had een meisje niet goed opgelet en een kaarsje was uitgegaan — ze liet het meisje geselen:
“Jij, zondares, schaadt zelfs mijn redding!”

XXXVIII
Onze mevrouw treurde en huilde erg om de oude.
— Nu ben ik helemaal alleen in de wereld! Ze zullen me uitkleden als een lindeboom! Mijn oog kan niet alles overzien; en op jou, — zei ze tegen mijnheer, — welke hoop kan ik op jou stellen? Jij zult niets voor me verwerven, je zult alleen verkwisten wat we hebben. Je denkt er niet eens aan dat God ons binnenkort een kind zal geven. Als het al niet voor mij is, bezin je dan voor het kind, mijn vriend! Wees een goede beheerder, houd overal toezicht op, en vooral — bederf mijn mensen niet.
— Wat zeg je toch, liefste, God behoede! Daar ga je weer, je maakt je overal zorgen om! Ik zal alles doen wat je wilt, alles! — zo probeerde hij haar te sussen.
Eens wilde hij haar opvrolijken en zei:
— Genoeg, mijn duifje, maak je niet zo druk. Luister eens wat ik je zal zeggen: ik heb al een peet gevraagd.
— Wie heb je gevraagd? — onderbrak mevrouw hem.
— Mijn kameraad. Een voortreffelijke man, goed van hart.
— Mijn God! Ik wist het meteen!.. Je hebt zeker een of andere armoedzaaier uitgenodigd!.. Ik wil daar niets van horen! Dat zal niet gebeuren! Dat zal niet gebeuren!
En ze barstte in hevig huilen uit.
— Hartje, huil niet! — smeekte mijnheer. — Je wordt nog ziek! Er komt geen peet; ik zal hem afzeggen, en daarmee uit. Zeg me alleen wie jij wilt, en die zal ik uitnodigen.
— De kolonel moet gevraagd worden!
— De kolonel, dan de kolonel. Morgen ga ik naar hem toe. Vergeef me nu, liefste, dat ik je verdriet heb gedaan!
— Dáár gaat het om, je hebt helemaal geen medelijden met me: je bezorgt me alleen maar zorgen!
— Mijn duifje, — zei mijnheer zacht, — heb jij ook eens medelijden met mij. Jij wordt altijd boos, je schreeuwt, je maakt ruzie; en ik had gehoopt…
En plots begon hij te snikken.
mevrouw ging naar hem toe:
— Wat is er met je, wat is er?
Ze wilde zijn handen pakken, maar hij bedekte zijn gezicht met beide handen en huilde maar door!.. Met moeite kreeg ze hem aan het praten, ze kuste hem, omhelsde hem, en nauwelijks kalmeerde hij.
— Zeg me dan toch waarom je huilde? Kom, zeg het! — vroeg ze.
— Ik weet het zelf niet, mijn liefste, — antwoordde mijnheer, alsof hij glimlachte, — zomaar… Ik voel me wat onwel. Denk er maar niet aan, lach me liever uit dat ik als een klein kind heb gehuild.
Maar hij zuchtte.
— Misschien denk je dat ik niet meer van je houd? — zei mevrouw.
— Nee, je houdt van me.
— Ik houd van je, en hoe!.. Maar we kunnen niet altijd samen zitten: er moet ook gewerkt worden, mijn hart!
En ze kuste hem.
’s Morgens vertrok mijnheer en nodigde de kolonel uit om peet te worden.

XXXIX
Mevrouw kreeg een zoon. Wat een gasten kwamen er naar het doopfeest! Ze hielden een uitbundig banket. De peetvader, de kolonel, reed het erf op met grijze paarden, terwijl de belletjes klingelden en rinkelden. Zelf was hij gezet, rond van gezicht, rood aangelopen; met zijn rechterhand draaide hij voortdurend zijn snor op, met zijn linker hield hij zijn sabel vast en hij zette zijn schouders steeds hoog op.
Ik was blij dat ik het wat vrijer had — ik rende naar Prokip en stond met hem te praten bij de galerij. Opeens verscheen mijnheer — zo vrolijk als in de tijd dat hij nog met mevrouw vrijde.
— Wat staan jullie hier samen te praten? — lachte hij.
En Prokip zei tegen hem:
— Heer, geef het meisje aan mij tot vrouw!
— Goed, neem haar, Prokip! Ik verbied het niet. Trouw en leef gelukkig samen.
— En mevrouw? — vroeg Prokip.
Mijnheer zuchtte en werd bedachtzaam, en zei toen:
— Kom met mij mee! Neem haar bij de hand, Prokip!
Hij ging zelf de kamers in, en Prokip leidde mij achter hem aan, terwijl hij mijn hand stevig vasthield.
— Liefste! — zei mijnheer tegen mevrouw. — Ik heb hier een jong paar bij je gebracht. Sta je het toe?
En in de kamer waren heren en dames!.. En de kolonel liep tussen allen rond als een kalkoen, snoof af en toe luidruchtig.
Onze mevrouw zat in een leunstoel. Ze keek naar ons en wendde zich af. Haar vrolijke glimlach verdween; boos keek ze naar mijnheer en vroeg:
— Wat betekent dit?
Prokip boog en vroeg om toestemming.
— Ik heb het al toegestaan, — zei mijnheer, — verbied jij het ook niet, mijn geliefde. De Heer heeft ons geluk gegeven — laat ook hen gelukkig zijn!
Mevrouw zweeg, beet op haar lippen. Maar de kolonel kwam naar voren en bulderde als een trompet:
— Ze passen bij elkaar, duivelskinderen, ze passen bij elkaar! Allebei knap! Ze moeten getrouwd worden, mijn lieve peettante. Wil je trouwen, meisje? — vroeg hij mij, en telkens als hij wilde knipogen, kneep hij zijn ogen helemaal dicht; knipogen lukte niet meer — hij had al veel gedronken.
Alle heren vielen hem bij:
— Laat ze trouwen, laat ze trouwen! Hoort u, uw peet, de kolonel, zegt dat ze bij elkaar passen…
Toen zei ook mevrouw:
— Laat ze dan maar!
En voor we het beseften, stonden we al buiten de drempel. Vol vreugde haastten we ons, regelden niets bijzonders en lieten ons snel in de echt verbinden, opdat mevrouw ons niet alsnog uit elkaar zou halen.
Ze was erg boos op mijnheer:
— Hoe kon je me zo in verlegenheid brengen! — verweet ze hem. — Dat zal ik je niet vergeven!
— En jij, — snauwde ze tegen mij, — jij zult het merken!
“Laat maar komen wat komt,” dacht ik, “wij zijn nu toch getrouwd!”
Wat mij het meest verblijdde, was dat ik nu in het openbaar tot hem mocht spreken, hem mocht aankijken — want hij was nu van mij!

XL
Ik bleef bij mevrouw in dienst zoals voorheen. Ze kwelde me nog erger dan vroeger, kookte als het ware water van me en zei er telkens bij:
— Nou? Hoe is het in je huwelijk? Is het beter geworden?
Als mijn man me niet aansprak of me niet troostte, dan kwam er soms zo’n benauwdheid over me dat ik wel door de grond had willen zakken. Maar als ik bij hem was — dan was het vrolijk en goed; ik vergat al het leed. Alleen liep mijn man met de dag somberder rond, en dat deed mijn hart pijn.
— Houd je soms niet meer van me, Prokip?
Hij sloeg zijn arm om me heen en keek me zo liefdevol in de ogen dat ik voelde alsof me vleugels groeiden.
— Waarom ben je dan altijd zo somber, Prokip? Nu zijn we toch voor altijd samen.
— O, mijn hartje! Zonder jou was het zwaar, maar met jou is het nog zwaarder… Telkens weer van God te moeten verwachten dat jij vernedering en kwelling te verduren krijgt!.. En je niet kunnen beschermen… Het is zwaar, Oestja!
— Hoe dan ook, samen zullen we het ongeluk dragen, Prokip. Voor mij is het met z’n tweeën altijd lichter.
— Misschien heb je wel gelijk, mijn visje!
Dan glimlachte hij en streelde me.
Wat was ik toch blij als ik hem aan het praten kreeg, hem kon opvrolijken!

XLI
Zo leefden wij met verdriet en zorgen tot de herfst. En toen gebeurde het…
Op een dag schudden we in de tuin appels in manden. Mijn man schudde de boom en keek steeds vanachter de ene tak en dan weer vanachter de andere naar mij. Grootmoeder was al wat moe geworden en ging zitten rusten.
— Zie je, de mooie zomer is al voorbij, — zei ze. — De zon schijnt nog, maar verwarmt niet meer.
Terwijl ze dat zei, keek ze rond.
— Oestja-duifje! Het lijkt wel of daar kinderen achter het bosrandje vandaan kijken? — vroeg ze.
Ik keek — en inderdaad, bij het hek stond een groepje kinderen.
— Wat is er, kindertjes? — vroeg grootmoeder. — Waarom zijn jullie gekomen, mijn valkjes?
De kleintjes zwegen en wierpen alleen blikken naar de manden met appels.
— Kom maar dichterbij, jongetjes: ik zal jullie ieder een appeltje geven! — zei grootmoeder.
De kinderen stroomden meteen toe. Ze omringden de oude vrouw als mussen een lijsterbes, en zij deelde uit, en deelde uit… Het werd luidruchtig en vrolijk bij ons — zoals dat bij kinderen gaat.
En plotseling donderde mevrouw:
— Wat is dat?
De kinderen schrokken. Sommigen barstten in huilen uit, anderen zetten het op een lopen — het fladderde alle kanten op. Ook mijn hart begon te bonzen. Grootmoeder antwoordde rustig:
— Ik heb de kinderen elk een appeltje gegeven.
— Jij hebt gegeven? Jij durfde? — gilde mevrouw, trillend van woede. — Jij, boerenvrouw, steelt mijn bezit!.. Dievegge!
— Ik — een dievegge!? — zei de oude vrouw. Ze werd bleek als een doek, haar ogen begonnen te glanzen en de tranen rolden over haar wangen.
— Je zult niet meer stelen! — schreeuwde mevrouw. — Ik waarschuw je al lang — en nu ben je eindelijk betrapt… De appels van mijnheer uitdelen!
— Nooit in mijn leven heb ik gestolen, mevrouw, — antwoordde de oude vrouw kalm, al klonk haar stem als een bel. — Mijnheer heeft het nooit verboden, hij deelde zelf ook uit aan kinderen. God laat het voor iedereen groeien. Kijk toch — is er voor uw ziel soms te weinig?
— Zwijg! — krijste mevrouw en sprong op haar af.
Takken kraakten. Vanachter het groene blad keek mijn man tevoorschijn — en wat was zijn blik angstaanjagend! Ik smeekte hem alleen met mijn ogen.
— Dievegge! Dievegge! — schold mevrouw, greep de oude vrouw bij de schouder, duwde en stootte haar.
— U beschuldigt mij onterecht! Ik ben geen dievegge, mevrouw! Ik heb mijn hele leven eerlijk geleefd!
— Durf je mij nog tegen te spreken?
En met volle kracht sloeg ze de oude vrouw in het gezicht, als met een bijl.
De oude vrouw wankelde; ik snelde naar haar toe; mevrouw naar mij; mijn man naar mevrouw.
— Dank je, mijn kind, — zei grootmoeder tegen mij. — Maak je niet druk, maak mevrouw niet boos.
Maar mevrouw had al mijn vlechten vastgegrepen.
— Genoeg, mevrouw, genoeg! — bulderde mijn man, haar beide armen grijpend. — Dit gebeurt niet meer! Genoeg!
Mevrouw, woedend en verbijsterd, kon alleen uitroepen:
— Wat? Hoe? Hè?
Toen ze enigszins bijkwam, richtte ze zich tot Prokip. Maar hij bleef bij zijn woord:
— Nee, genoeg!
Toen begon ze te gillen. Mensen kwamen toegesneld en keken toe. Mijnheer kwam aangerend zo snel hij kon.
— Wat is hier aan de hand?
Mijn man liet toen mevrouw los.
— Kijk eens naar je trouwe zielen! — bracht mevrouw met moeite uit. — Dank je!.. Waarom zeg je niets? — schreeuwde ze nog harder. — Ze hebben me bijna de armen gebroken en jij zwijgt!
— Wat is hier gebeurd? — vroeg mijnheer angstig aan alle kanten.
Mevrouw begon te vertellen: dat de oude haar had bestolen, dat ze allemaal haar naar het leven stonden — wat verzon ze niet! Ze snikte, schreeuwde en vloekte, totdat ook mijnheer woedend werd. Hij sprong op mijn man af.
— Schurk!
— Kom niet dichterbij, heer, kom niet dichterbij! — zei mijn man somber.
— Aha, ik zie het al, — zei mijnheer, — hier is te weinig plaats voor jou. Wacht maar: je kunt je als soldaat uitleven — zoveel je wilt!
Mevrouw gilde:
— Naar het leger met hem, naar het leger!.. Nu is er toch een lichting in de stad; breng hem meteen weg!
— Pak hem! — riep mijnheer tegen de mensen. — Bind zijn handen!
Prokip verzette zich niet, stak zelf zijn handen uit en glimlachte zelfs. En Nazar fluisterde me onder dat rumoer toe:
— Waarom ben je bang? Waarom huil je? Erger wordt het niet!.. Of het beter wordt — dat weet ik niet…

XLII
Ze brachten Prokip het huis in. Een wachter stond bij de deur. Op de binnenplaats werd de wagen ingespannen; Nazar spande de paarden voor mijnheer in. Mijn man dacht lang na en zei toen:
— Oestja! Kom naast me zitten!
— Wat heb je gedaan, mijn duifje! Wat heb je over jezelf afgeroepen! — zei ik tegen hem.
— Wat heb ik afgeroepen? Jij zult vrij zijn — dát is wat! Jij zult vrij zijn, Oestja!
— Vrijheid, — zei ik, — maar zonder jou! Wat werd het bitter in mijn hart!..
— Vrijheid! — riep hij uit. — Vrijheid!.. In vrijheid zijn ongeluk en rampspoed niet meer zo angstaanjagend. In vrijheid zal ik bergen verzetten! Maar een lijfeigene — hoe het hem ook meezit, alles keert zich uiteindelijk tegen hem.
Toen ratelde de wagen de binnenplaats op. Ze brachten Prokip naar buiten. Zoals ik was, sprong ik bij hem op de wagen. Grootmoeder zegende mij en hem:
— Moge de Moeder Gods jullie helpen, kinderen! — En stille tranen liepen uit haar zachte ogen.
Ze reden met ons weg. Gelukkig had mevrouw zich niet op tijd op mij bezonnen terwijl ze mijnheer voor de reis voorbereidde — anders had ze me niet laten gaan!
We reden zwijgend, hand in hand. Ik huilde niet, ik klaagde niet, alleen mijn hart bonsde, mijn hart beefde…
We naderden de stad. Mijnheer reed ons voorbij. We reden de stad binnen, ratelden snel door de straten en hielden stil bij een groot gebouw.
Prokip liet mijn hand los:
— Oestja, wees niet bedroefd.
Ze brachten hem naar de aanmelding. Ik ging op de stoep zitten, als op een graf.
— Geef je niet over aan verdriet, — zei Nazar. — De duivel zal het ongeluk wel doorstaan: één gaat voorbij, tien komen ervoor in de plaats.
En zijn haar werd al als met sneeuw bestrooid; hij probeerde mij op te beuren, maar hemzelf kon, zo te zien, niemand meer troosten.
En toen brachten ze mijn man naar buiten… Mijn God, mijn wereld! Mijn hart stond stil; en hij was vrolijk, als met Pasen…

XLIII
Ik bleef met mijn man in de stad. Die tijd ging snel voorbij, als een heilige vonk die opflitst — maar ik zal hem nooit vergeten!
Mijn man werd meteen toegewezen aan een “oom”, een echte soldaat, om de militaire kunst te leren. Die “oom” was lang van gestalte, met zwarte ogen; zijn haar en snor stonden als borstelharen omhoog; hij liep rechtop, sprak luid, gedroeg zich trots.
Wij bogen voor hem, maar hij zei niets; hij keek Prokip alleen somber aan. Prokip gaf hem geld:
— Vergeef me, oom, dat het weinig is: een lijfeigene kan niet veel bijeenbrengen.
De “oom” kuchte, spuugde:
— Kom mee!
— Laten we de stad in gaan, mijn vrouw, laten we wat wandelen! — zei Prokip tegen mij. En we gingen. We liepen door straten en steegjes, wandelden samen, en hij vroeg:
— Nou, Oestja, voel je dat je nu een vrije ziel bent?
En hij lachte terwijl hij me in de ogen keek.
Hoe onrustig ik ook was, hoe mijn hart ook treurde — ik glimlachte toch en voelde zelfs een zweem van vreugde.
Ik vond een huisje dat te huur stond, maar we hadden geen geld. En waar moesten we het vandaan halen? Niets om te verkopen. Toen ik vertrok, had ik niets meegenomen. En ik had ook geen grote schatten: een paar hemden, twee rokken, nog een jasje en een schapenvachtje. Het was me toen niet te doen om die spullen mee te nemen, en later gaf mevrouw ze niet meer terug.
Toen dacht ik: “Ik zal als dagloonster gaan werken!” Ik overlegde met Prokip en we gingen naar de vrouw die het huis verhuurde. We vertelden haar ons ongeluk en vroegen of ze het goed vond dat we haar per dag voor de huur zouden betalen.
— Goed, — zei ze, — als jullie geld hebben, betalen jullie per dag; en als jullie het niet hebben, wacht ik wel op jullie.
Zo trokken we bij haar in.

XLIV
Onze hospita was een oude weduwe, vriendelijk en hartelijk — en wat kon ze praten! Ze vertelde maar en vertelde maar, steeds over haar eigen verdriet: dat haar hele familie was uitgestorven, dat zij alleen in de wereld was overgebleven, als een grasspriet in het veld. Ze zuchtte voortdurend en moest vaak huilen. Ook om ons vergoot ze menige traan: als mijn man en ik samen zaten te praten, begon zij te huilen en zei dat wij jong waren, mooi — God zij dank — dat we moesten leven en leven en de mensen met ons geluk verblijden… Ze sprak zo en huilde. Wij probeerden haar te troosten! Pas als de “oom” binnenkwam en haar bars toesprak — “daar heb je haar weer, dat oude mens dat zit te jammeren!” — werd ze stil.
Ze was erg bang voor hem, zo’n man was hij: je kon hem niet aanspreken, niets aan hem vragen.
— Wat is dat toch voor een mens! — zei de oude vrouw vaak. — Zo streng en onvriendelijk — God beware! Heeft hij soms nooit familie gehad? Wie weet!
Vroeg in de ochtend sprong ik op en ging dagwerk doen. Laat kwam ik terug. In mijn hand had ik het verdiende geld. Vrolijk haastte ik me naar huis.
Vaak kwam mijn man me al op de weg tegemoet; hij kneep mijn hand stevig en vroeg zacht:
— Ben je erg moe geworden, Oestja?

XLV
Op een avond zaten we samen: de soldaat op de bank met zijn pijp, de hospita bij het raam, en Prokip en ik wat verderop. We zaten stil, toen er op de deur werd geklopt. En daarna klonk er:
— Goedenavond!
Het was Nazar!
Hij kwam binnen en stond voor ons, zijn hoofd bijna tegen het plafond; een pijp tussen zijn tanden; zijn grijze haren leken zich in dikke krullen te verbergen.
— Moge God de hospita en allen hier helpen!
— Dank u! U bent welkom! — begroette de oude vrouw hem.
— Waar kom jij ineens vandaan, Nazar? — vroeg Prokip. — Alsof je uit de grond bent opgestaan!
— Ik kom daar vandaan, — zei hij, — waar goede mensen hun zwerftochten beginnen.
De “oom” bewoog zich en keek naar de deur.
— Waarom draai je je zo, soldaat? We zijn van hetzelfde geloof — wees niet verlegen.
De soldaat bleef naar de ramen en de deur kijken.
— Kijk eens wat een vurige blik! Wil je soms de wind op het veld vangen? Je bent zelf ook een man van de steppe… Maar probeer het niet — je vangt hem toch niet. Geef me liever vuur voor mijn pijp… Hoe gaat het jullie hier? — vroeg hij ons. — Wat kosten de vlugge en mooie vrouwen in de stad? — en hij knipoogde naar mij.
— En hoe is het bij jullie daar? — vroeg ik hem.
— Hoe?! Ze geven je de vrije keuze, naar de wil van de mensen: verdrink je maar, of ga anders ten onder.
— Ach, mijn arme ik! Wat een tijden! — zuchtte de hospita.
De soldaat draaide slechts aan zijn snor.
— En de oude vrouw? — vroeg ik.
— Ze leeft. De oude verdraagt alles. Ze laat jullie groeten. Ik vroeg wat mevrouw over jullie zei.
— Aha! Ze gaf mijnheer flink op zijn kop: “Door jouw toegeeflijkheid,” zei ze, “zijn we twee arbeiders kwijtgeraakt! Wie is hier nu de dwaas?” — dat zei mevrouw. Maar ik zeg: dwaas of niet, toen hij voor haar stond, leek hij niet eens een beetje verstandig.
Ondertussen nodigde de hospita ons uit om te eten. Nazar haalde een fles wodka uit zijn jas en zette die op tafel.
— Laten we drinken, — zei hij, — want ons leven is kort!.. Op jullie gezondheid, met zwarte wenkbrauwen!
De soldaat zei:
— Wat voor wodka is dat? Je kunt beter water drinken dan zulke wodka!
— Wie wil, kan zelfs water drinken, — antwoordde Nazar.
— De wodka lijkt me goed, — zei de hospita.
— Moge de herbergier zo’n goed leven hebben! — bromde de soldaat. Toch dronk hij nog een glas, en nog een, en nog een. Hij dronk, spuugde, vloekte en dronk opnieuw.
De oude vrouw keek verbaasd en schudde haar hoofd, maar kon zich niet inhouden:
— Waarom scheldt u zo op de drank?
— Dat gaat je niet aan, vrouw! — riep de soldaat. — Voor vrienden drinken we alles.
— Dan op uw gezondheid!
— Zo is onze Moskouse goedheid! — voegde Nazar toe.
We aten en praatten; de soldaat bleef drinken. Hij werd bleek en boog zich over de tafel. Hij keek naar ons, naar mijn man en mij, en zei:
— Ach, jonge mensen, jonge mensen! Jullie zullen niet lang samen leven… Maar goed, treur niet!.. Jullie hebben geleefd, genoten — en dat is genoeg. Er zijn er die vanaf hun doeken geen liefde of goedheid kennen — hun hele leven onder de stok… Zo leef je dan!.. Zonder familie, zonder verwanten, zonder welkom, zonder raad — midden in alle rijkdom!
Toen vroeg de oude vrouw hem:
— En waar is uw familie, oom? Waar komt u vandaan?
— Van de kantonisten! — antwoordde de soldaat somber. — Van diegenen van wie men zei dat ze door de cholera waren uitgedund. Geen familie — ik heb ze nooit gekend.
— En uw moeder?
— Ik zei toch: ik weet het niet!.. Waarom die dwaze vragen?
— Zo ben ik nu ook zonder familie! — snikte de hospita.
— En zij klaagt nog! — riep de soldaat. — Wat is jouw verdriet! Pah! Echt verdriet is als je niemand hebt om te gedenken en niemand jou herdenkt; nergens om heen te gaan en nergens om te blijven. Alles is vreemd voor je: het huis, de mensen, je kleren… Man van de steppe! — zei hij tegen Nazar. — Ja, broer! Mij hebben ze uit de kazernes gehaald… Mooie steppen waren dat waarschijnlijk!.. Geef me wodka, vrouw! Laten we tot de bodem drinken, want op de bodem liggen onze jonge jaren!
En de tranen rolden over zijn wangen. Hij lachte tegelijk en dronk… Toen viel hij op de bank in slaap.
— Wel, op deze woorden — blijf gezond! — zei Nazar. — Vaarwel, broer Prokip!.. O ja, ik vergat bijna: ik heb wat geld voor je meegebracht — vijf roebel. Gebruik ze in gezondheid!
— Dank je, broer! Ik weet niet wanneer ik je zal kunnen terugbetalen.
— Ach! Als we maar leven! Dat is geen geld van mijnheer — dat is broedergeld; daar hoef je niet bedroefd om te zijn. Ik verdien wel weer wat: ik ben nu een half jaar vrij; zelfs met honden zullen ze me niet vangen.
En hij ging weg, na afscheid te hebben genomen. Dat was het laatste dat we van hem zagen.

XLVI
Heer, mijn God! Wat voor leven hadden wij toen! Hoewel met armoede, hoewel met verdriet — maar toch zo lief, zo gezegend! Het was licht om adem te halen, vrolijk om rond te kijken en te denken: wat ik verdien is helemaal voor mezelf; als ik zit en praat — ik ben voor niemand bang; of ik werk of niet — niemand dwingt me, niemand valt me lastig. In mijn ziel en in mijn lichaam voelde ik dat ook ik leefde.
En toen kwam in het voorjaar het gerucht: de soldaten trekken op veldtocht!
— Dat is niet waar! — probeerde ik mezelf te overtuigen; maar mijn hart voelde meteen dat het wél waar was. En toen kwam ook het bevel: gereedmaken voor de veldtocht!
Prokip probeerde me op te vrolijken, legde uit dat dit ongeluk tijdelijk was, dat hij zou terugkeren, zei hij — en dan zouden we vrij zijn.
— Ja, ja! — zei ik. — Ja, mijn liefste!
Maar mijn hart deed pijn, en de tranen stroomden.
De dag van vertrek werd vastgesteld. We gingen naar de hoeve om afscheid te nemen. Mijnheer en mevrouw waren niet thuis; alleen grootmoeder beheerde het huishouden. Ach, mijn lieve grootmoedertje! Ik herkende haar al van verre op de binnenplaats, en zodra ik haar herkende, begon ik te huilen. Alleen haar levende ziel hield haar nog in leven. Ik liep naar haar toe en omhelsde haar als mijn eigen moeder.
— Waarom huil je, mijn duifje? — vroeg ze zacht.
— En u blijft hier achter, in deze hel!
— Ja, vogeltje, hier blijf ik. Hier ben ik geboren, hier ben ik gedoopt, hier ben ik wees geworden… hier zal ik ook sterven, mijn kind.
— En zult u tot aan uw dood blijven lijden?
— Ik zal lijden, vogeltje.
Ze zegende ons als haar eigen kinderen, gaf ons wat ze kon. We namen afscheid en gingen… En meer dan eens draaiden we ons om en keken terug. Grootmoeder stond op de drempel; rondom was het stil; overal was het helder; van het veld waaide een briesje; uit de bosjes kwam koelte; ergens ruiste water; en hoog boven alles straalde en schitterde de hoge, stralende zon…

XLVII
Ik begeleidde mijn man tot in Kyiv. In Kyiv bleef ik dienen, en hij trok met het leger ver weg, naar Litouwen.
— Droog je niet uit met tranen, liefste! — zei hij. — Ik kom terug… hoop ik. Hoop jij ook. Wacht op mij!
Ik wacht… O, wat is die dienst toch lang! Het is al zeven jaar sinds hij vertrok. Zal ik hem ooit nog zien?.. In mijn eigen dorp ben ik niet geweest. Via anderen heb ik gehoord dat iedereen nog leeft. Alles gaat daar zoals vroeger. Grootmoeder leeft en lijdt, en van Nazar is er geen enkel nieuws.
Ik dien, neem werk aan, verdien wat ik kan. Wat is ons geld? Het is met bloed verdiend! En toch wordt het mij soms zo licht, zo vrolijk te moede, wanneer ik denk dat als ik maar wilde — ik die dienst onmiddellijk zou kunnen verlaten. Ik denk daaraan — en houd het weer een jaar vol. Die gedachte troost en sterkt me, dat ik vrij ben, dat mijn handen niet gebonden zijn. “Dit ongeluk is tijdelijk, niet eeuwig!” — denk ik.
Hoe zou ik mijn man ook maar één ogenblik kunnen vergeten? Hij heeft mij uit de hel, uit het juk bevrijd!.. Eerder zal God mij vergeten! Hij is mijn man en mijn weldoener. Zegen hem, Moeder Gods: ik ben vrij! En ik loop, en ik spreek, en ik kijk rond — het kan me niet schelen dat er heren in de wereld zijn!