Maroesja

Marko Vovtsjok
Maroesja (1862)
Маруся – Марко Вовчок
Vertaling Rien Hamers

I
Wat ik u ga vertellen, speelde zich lang, heel lang geleden af in Oekraïne, in een afgelegen uithoek, en tot op de dag van vandaag is het verhaal nog niet over de wereld verspreid. Grootmoeder, die het mij vertelde, verzekerde mij dat er in zulke afgelegen streken heel wat eerlijke, grootse gebeurtenissen te vinden zijn, net als prachtige bloemen. En zo vertelde grootmoeder, zij was al zeer oud en had veel geleefd in deze wereld:
“Veel heb ik gezien en veel heb ik meegemaakt,” zei ze, “maar niets ter wereld kan zich meten met die bloemen die in de eenzaamheid groeien. Met die gebeurtenissen die verborgen blijven in de wildernis. Eeuwen komen en gaan, maar even weelderig en fris blijven die bloemen het oog lokken met hun pracht, en die stille, verheven gebeurtenissen verzachten en kalmeren het menselijke hart.”
Lang, heel lang geleden stond er in Oekraïne een hoeve, en op die hoeve woonde de kozak Danylo Tsjaban met zijn vrouw en kinderen.
De hoeve waar zij leefden was zo mooi dat zelfs de meest veeleisende mens zich niets beters had kunnen wensen. Ze was Danylo toegevallen na door de handen van ontelbare overgrootvaders en -moeders te zijn gegaan. En iedereen weet: waar een Oekraïner en een Oekraïense vrouw zich vestigen, daar bloeit meteen een kersentuin naast het witte huisje, verspreiden allerlei bloemen hun geur, slingeren kromme paadjes door steppe en bos, en klinken melodieuze liederen. Je kunt je dus voorstellen wat voor tuin het was, gekoesterd door zoveel generaties van de Tsjabans; hoeveel bloemen er groeiden, hoeveel geliefde plekjes er waren, in de steppe, in het bos en op de aangrenzende weide, en wat een rijkdom aan liederen!
Zelfs God had deze hoeve gelukkig geplaatst tussen steppe en bos, rivier en weide, berg en dal. Aan de ene kant verdween de groene, eindeloze, geurige steppe uit het zicht, golvend van groen; aan de andere kant rezen bergen op naar de hemel, soms begroeid met bomen en zacht gras, soms rotsachtig en kaal. Aan de derde kant bloeide een prachtige vallei, geheel verlaten, zonder sporen of wegen. Aan de vierde kant stroomde een rivier: soms rustig door de weide, langs zachte oevers, waarin zij alleen de hemel en zijn sterren weerspiegelde en het wuivende riet, dan weer plots tussen twee rotsige kloven terechtkwam en onder hun machtige boog luid ruiste.
O God, hoe mooi was het op een zomerse ochtend, wanneer de zon opkwam, de weide fonkelde van dauwdruppels, vogels opvlogen uit het riet en een lichte nevel boven de rivier opdook! Hoe zoet waren in die zorgeloze vallei, bij de eerste zonnestralen, de vroege geuren van gras en bloemen! En hoe fris stonden de bergen na de stille nacht, verguld door licht en glans! En de bossen, die zacht ritselden met hun bladeren! En de eindeloze steppe, geheel bedekt met schaduwen en stromend licht!
Dit was de ochtend — maar wat voor een dag! Een dag waarop alles in de natuur ontwaakt was en leefde in volle overvloed van licht, leven en bedrijvigheid. Hoe ruiste het frisse bos, hoe straalde de zorgeloze vallei. Hoe koesterde de weelderige steppe, en wat deed het diepe geruis van de rivier, samen met het trillen van het heldere riet, met de menselijke ziel!
En de avond! Die stille, roze avond die de aarde omhult met duisternis en koelte. En de sterren die de hemel vullen, en de maan boven de horizon, een strook maanlicht over de donkere steppe, het bosrandje verzilverd door glans, de kelken van nachtelijke bloemen in de vallei zacht verlicht door het maanlicht; sterren fonkelen in de diepte van de rivier en murmelen in stille beekjes; de ene berg geheel in nevel gehuld, de andere opgelicht, en een helder lichtje in het huisje dat verzonken ligt midden in de bloeiende tuin!
En naast dit dankbare samenzijn van zachte weide en diepe rivier, van majestueuze bergen en bloemrijke vallei, van ruisend bos en golvende steppe, was er nog het goede nabuurschap: dat van goede mensen van kozakkenafkomst.
Op elke feestdag trokken de Tsjabans ofwel zelf op bezoek, ofwel moesten zij speuren wie daar over het steppepad naar hun huis kwam: Semen Vorosjylo of Andrij Kroek; of ze gingen ze tegemoet wanneer ze in de vallei het luide gepraat hoorden van de vrolijke en knappe Hanna, die voorop liep bij de andere meisjes en jonge vrouwen, met een enorme, kleurrijke, pas gevlochten krans op haar hoofd; of ze wachtten aan de oever tot het wankele bootje van Ivan Hrom naderde.
Maar wat heeft het voor zin om alle vrienden en kennissen op te sommen, om te vertellen over al hun vermaken en spelletjes, hun hartelijke ontmoetingen, lieve weerziens en zachte afscheid?Onder vreemden kan het liefste vermaak saai lijken en de grootste vreugde onbegrijpelijk. Dat is bekend, net als het feit dat soms geen enkel aantrekkelijk feest kan tippen aan een rustig gesprek tussen goede bekenden, en geen welsprekendheid het zwijgende gezelschap van een trouwe vriend kan vervangen. Het lijkt mij daarom het beste eenvoudig te zeggen dat het leven op de hoeve zeer goed was, zo goed, dat niemand er ooit aan dacht iets te veranderen of te verfraaien.
Maar het menselijke leven is, zoals men zegt, geen eenvoudige, gladde weg. O, hoeveel kuilen, afgronden en avonturen zijn er!
En zo ging er door Oekraïne een slechte geruchtenstroom, en wat erger was: er begonnen lelijke dingen te gebeuren. Hoe geuriger en frisser de bloem, hoe sneller men ernaar reikt en haar “om haar schoonheid plukt”. Mooi was Oekraïne, en daarom stroomden Tataren en andere vijanden toe, die haar verscheurden en elkaar overtroffen in bedrog, hebzucht en verraad.
Er waren vele bloedige, dreigende veldslagen, zware omwentelingen, droevige en angstaanjagende gebeurtenissen, het zou lang vergen om ze allemaal te vertellen.
Onder Bohdan Chmelnytsky — ik hoop dat u allen wel eens van hem hebt gehoord en een beetje weet wat voor hetman hij was — leek Oekraïne even op adem te komen. Maar na zijn dood begonnen opnieuw zulke verwoestingen en zo’n rampspoed, dat men zegt dat toen zelfs de felste ogen huilden en de wijste hoofden beneveld raakten.
Het Oekraïense volk viel uiteen in groepen: sommigen kozen de kant van de Groot-Russen, anderen die van de Polen, weer anderen zochten vriendschap met de Tataren. Zoals helaas zo vaak gebeurt, raakten persoonlijke belangen vermengd met het gemeenschappelijke doel; er ontstonden ruzies en twisten, en uiteindelijk gebeurde wat het spreekwoord zegt: “Ze spanden het paard recht in, maar reden toch scheef.”

II
Op een avond verzamelden zich gasten bij Danylo Tsjaban. De avond was stil en donker; de gasten waren in gedachten verzonken en somber, de gastheer en -vrouw niet bedrijvig en niet vrolijk. Men sprak meer met de ogen dan met woorden. Het leek alsof allen door dezelfde gedachten werden omhuld en alsof dezelfde zorgen als een last op ieders hart drukten. Af en toe richtte men zich met vragen tot Andrij Kroek over de stad Tsjyhyryn, en wanneer men sprak, ging het steeds weer over die stad Tsjyhyryn.
Het was duidelijk dat Andrij Kroek die stad goed kende: zonder te aarzelen antwoordde hij, en met zijn verhaal leek hij als het ware de muren van Tsjyhyryn te tekenen, haar straten en haar vestingwallen.
De vrouwen luisterden bedrukt naar het gesprek van de mannen; wanneer dat gesprek verstomde en rookwolken de snorrengezichten begonnen te omhullen, fluisterden zij zachtjes onder elkaar. In dat gefluister ging het telkens over veldslagen, over verbrande steden, verwoeste dorpen, over mensen die in de strijd waren gesneuveld. Steeds bleker werden de vrouwen gezichten, steeds vaker glansden tranen in hun ogen.
Eén oude vrouw zat erbij alsof zij versteend was, onbeweeglijk; slechts af en toe, wanneer iedereen zweeg, sprak zij, alsof zij plots ontwaakte:
— Mijn beide mannen zijn gegaan. Ik heb ze zelf uitgezwaaid!
— De jouwe is ook gegaan? — vroeg een jong meisje zacht aan haar vriendin, van wie het bleke gezicht en de koortsachtige levendigheid verrieden dat ook zij pas kort geleden “de hare” had uitgezwaaid.
— Hij is vertrokken. Gisteravond hebben wij…
Ze wilde iets vertellen, maar haar lippen begonnen te beven en verstijfden, ze vertelde niets, en haar vriendin vroeg niet verder.
De kinderen ravotten niet en maakten geen lawaai; ze kropen ergens in een hoekje weg en dachten met gefronste gezichtjes hun eigen gedachten, of ze gingen dicht bij de ouderen zitten, spitsten hun oren en probeerden elk woord en elke blik op te vangen.
Alleen één heel klein meisje, met een blond hoofdje, enorme glanzende ogen en rode lipjes, was ijverig met haar eigen bezigheid bezig. Van concentratie en drukte stak ze zelfs haar puntige tongetje uit en, het hoofdje schuin gehouden, bond ze kleine bosjes gras samen.
Het werd steeds later, en in huis werd het steeds stiller. Al snel lag ook het kleine meisje, de bosjes uit haar handjes gegleden, zelf als een bundeltje aan de voeten van haar moeder, stevig omhelsd door de slaap en geheel bedekt met lange lokken lichte krullen.
Buiten was het donker, en binnen werd het doodstil. Plotseling klopte iemand op het raam…
Het gebeurde zo onverwacht dat niemand het eerst geloofde. Maar er werd nog eens geklopt, en nog een keer, duidelijk, helder en luid.
De gastheer stond op en ging de deur opendoen; zijn gasten en vrienden bleven, zoals tevoren, rustig aan hun pijpen trekken; de vrouwen schrokken, de kinderen sidderden.
Danylo deed de deur op een kier en vroeg wie er klopte. Hij kreeg antwoord met een stem waarvan het raam rinkelend meeklonk: een vermoeide reiziger vroeg de vriendelijke gastheer om toestemming even te mogen rusten.
Danylo antwoordde: “Wees welkom,” en zette de deur wijd open om de reiziger binnen te laten.
Door de open deur stroomde geurige avondlucht naar binnen en een paar bleke sterren flitsten even op; toen werd de deuropening gevuld door een reusachtige menselijke gestalte. In alle hoeken klonk het zwaar en galmend: “God helpe,” en met diep gebogen hoofd, zijn machtige schouders zijwaarts dragend, stapte de reiziger het huis binnen.
Als er in huis mensen met een zenuwachtiger aard waren geweest, zouden zij ongetwijfeld van hun stuk zijn gebracht en niet hebben geweten hoe deze reiziger te begroeten. Hoewel krachtige, schitterende kozakkenschoonheid in Oekraïne geen zeldzaamheid was, zou het toch moeilijk zijn geweest een gelijke te vinden aan deze reiziger die Danylo Tsjabans huis betrad. Zijn enorme lengte, samen met een wonderlijke slankheid en slangachtige soepelheid; zijn zongebruinde, strenge gezicht met vurige ogen; zijn opmerkzaamheid voor alles en tegelijk zijn vrije, rustige kalmte, dit alles had iedereen doen huiveren.
Maar in Danylo’s huis hadden zich mensen verzameld die niet snel in paniek raakten. Daarom begroetten zij de vermoeide reiziger zoals het een vermoeide reiziger betaamt: men nodigde hem vriendelijk uit te gaan zitten en onthaalde hem hartelijk met wat God had gegeven.
De reiziger onderscheidde zich door eenvoud, bescheidenheid, welwillendheid en natuurlijkheid. Als een doortrekkend man, hier aan niemand bekend, viel hij geenszins op; evenmin liet hij zijn nieuwsgierige blik door alle hoeken van het huis dwalen, noch stelde hij sluwe of ijdele vragen over het leven van de gastheer. Helemaal niet. Geen moment. En als hij sprak, dan alleen over de gemeenschappelijke zaken die iedereen toen bezighielden en verontrustten: over vijandelijke plunderingen, over de verwoesting en verarming van Oekraïne, over roof en geweld die hij onderweg had gezien. Hij vroeg de gastheer of het hier voorlopig rustig was en of de omliggende wegen veilig waren.
De gastheer en zijn gasten toonden zich op hun beurt voorbeeldig. Bij het zien van zo’n reiziger kwamen hun ongetwijfeld vragen op die hen de tong deden jeuken: waar kwam hij vandaan en waarheen was hij onderweg? Hoeveel bergen en dalen had hij doorkruist voordat zijn sterke lichaam vermoeid raakte? Reisde hij uit gelofte, uit noodzaak of uit een bevlieging? Waar was hij geboren en gedoopt, als hij sprak over de ongelovige Turk als over een vaak gevangen wild dier, over de Polen als over heren die hij herhaaldelijk had meegemaakt, over de Moskovieten als over bojaren die hij goed kende? Hij kende ongetwijfeld ook de Zaporozjer Sietsj en had heel Oekraïne van rand tot rand gezien.
Maar niemand stoorde de reiziger, en niemand verlaagde zichzelf met sluwe of open vragen. Terwijl zij spraken, keken zij slechts naar hem, naar zijn eenvoudige kleding, en vroegen zich in stilte af waar die rustige akker lag, door zijn handen bewerkt, waarop hij het grote litteken had opgelopen dat van zijn gebogen neus tot aan zijn waakzame oor liep.
Hoe langer het gesprek duurde, hoe spraakzamer de reiziger werd. Aangemoedigd door de aandacht van allen en het zwijgende medeleven begon hij de recente gevechten zo levendig en fel te beschrijven dat iedereen de adem inhield, alsof zij zelf met eigen ogen de echte veldslagen zagen. De ogenschijnlijk rustige kozakken raakten opgewonden; de vrouwen riepen uit en huilden; de kinderen, die de alles overwinnende slaap hadden verloren, zaten met half geopende mondjes en wijd open ogen roerloos op hun plaats, alsof zij betoverd waren.
Plotseling klonken scherp twee pistoolschoten, kort na elkaar. Iedereen in huis werd stil en spitste de oren. De schoten kwamen ergens uit de verre steppe, en opnieuw keerde dezelfde kalme stilte terug. Het zwijgen hield aan; geen enkel geluid volgde, behalve het waaien van geurige lucht door de bloeiende takken van de tuin die het huis omringde.
— Zelfs tot jullie hoeve reikt dat stemmetje, — zei de reiziger.
— Is dat soms van de weg naar Tsjyhyryn? — vroeg Andrij Kroek.
— Het is van alle kanten te horen, — antwoordde de gastheer.
Intussen begonnen de vrouwen zachtjes van de gastvrouw afscheid te nemen om naar huis te gaan. Sommigen leidden de kinderen, anderen droegen ze.
Onder de vrouwen waren oude, jonge en heel jonge, maar op al hun verschillende gezichten, toen het heldere licht erop viel bij het afscheid, tekende zich in talloze nuances dezelfde onwrikbare wil af die zich ook met vurige trekken op de gezichten van de mannen had geprent.
Het huis zonk weg in de geurige, bloeiende tuin; het trillende licht van de olielamp weerspiegelde zich op de snorrengezichten; op de drempel van de halfopen deur stond de gestalte van de gastheer, die de gasten nakeek terwijl zij stil verdwenen op de omliggende paadjes; de binnenplaats die uitliep in de steppe; nergens een hek of omheining, alleen het ruisen van bomen, alles samen vormde het, zo leek het, een vredig landelijk tafereel, maar tegelijk ademde dit tafereel ook een bijzondere, stille, zwijgende en toch dreigende kracht.
Van de gasten bleven alleen Andrij Kroek en Semen Vorosjylo achter.

III
— En hoe kan men nu in Tsjyhyryn geraken? — vroeg de reiziger, terwijl hij zijn stem dempte, zoals een man in onzekere tijden onwillekeurig doet wanneer hij een gesprek aansnijdt over iets wat voor hem van groot belang is.
— Heel moeilijk, — antwoordde de gastheer. — Overal Poolse benden…
Zonder een woord te zeggen bliezen de vrienden van de gastheer grote wolken rook uit hun mond; daarbij gingen hun dikke wenkbrauwen even omhoog, en dit alles samen sprak zonder woorden duidelijk uit dat hun gedachten geheel overeenkwamen met die van de gastheer.
De reiziger richtte zijn blik op de gesprekspartners en liet zijn ogen rusten op het ene onverstoorbare gezicht na het andere. Alleen al die vurige, waakzame ogen vertelden hoeveel gevaren hij al had doorstaan, hoeveel moeilijkheden hij had overwonnen, hoezeer hij eraan gewend was het onheil te trotseren en hoe bedreven hij was in de strijd met het lot.
— Maar mijn weg gaat recht naar Tsjyhyryn, — zei de reiziger.
— Nu vliegt zelfs geen kraai daar nog rechtdoorheen, — merkte Andrij Kroek op.
— Is het ver naar Tsjyhyryn? — vroeg de reiziger.
— Was het maar ver en makkelijk, maar het is dichtbij en glad! — antwoordde Vorosjylo, terwijl Andrij Kroek de reiziger scherper aankeek en de gastheer Andrij Kroek.
— Voor iemand van ons slag, een zwerver, is er geen kiezen van wegen, — zei de reiziger. — Soms valt de weg lastig uit, maar je neemt haar zoals ze komt… Het is goed als je een trouwe kameraad ontmoet, heren! Ik heb zo’n kameraad gehad, met hem had ik goed overleg en eerlijke waarheid!
Bij deze laatste woorden flitste iets bijzonders over de gezichten van zijn toehoorders.
— Dat spreekt, — zei de gastheer, — goed broederschap is beter dan grote rijkdom.
— De Polen hebben heren, de Turken sultans, de Moskovieten knechten, maar wij hebben broeders! — zei Andrij Kroek.
— Niet elke heer herken je aan zijn kaftan! — voegde Vorosjylo toe.
— Slecht is die priester die de feestdagen raadt als ze al voorbij zijn! — antwoordde de reiziger, terwijl hij hen met zijn fonkelende ogen aankeek.
Zij beantwoordden hem met niet minder veelzeggende blikken.
Een tijdlang duurde dit woordeloze gesprek, zo welsprekend dat woorden overbodig waren: zij hadden elkaar herkend.
— Het gezelschap van de Sietsj groet u, — zei de reiziger, — en mij hebben zij als bode naar Tsjyhyryn gestuurd.
— Wij zijn u trouwe vrienden en dienaren! — antwoordden de kozakken eensgezind.
— Wat is er voor nieuws? — vroeg de man van de Sietsj.
— De een heeft zich met Moskou verzoend, de ander onderhandelt met Polen en heeft de Turken om hulp geroepen. Het zijn wrede tijden!
Diepe droefheid overschaduwde de gezichten van de kozakken. De zorg, tot dan toe verborgen onder uiterlijke kalmte, brak los en toonde zich in volle kracht.
— Ik moet Tsjyhyryn binnen zien te komen, — zei de man van de Sietsj na een korte stilte.
— Alle wegen zijn afgesneden.
— En het pad van Hoenyn?
— In hun handen!
De Sietsj-kozak dacht na; het was duidelijk dat niet bedrieglijke hoop hem bedroefde en ook de moeilijkheid hem niet afschrikte, hij zocht eenvoudig in zijn hoofd naar nieuwe manieren en middelen om zijn doel te bereiken.
— Luister, kameraden, — zei hij na enig nadenken, — ik moet in Tsjyhyryn zien te komen, naar Petro Dorosjenko. Het gaat hier niet om één hoofd, maar om heel Oekraïne… Als ik te laat kom in Tsjyhyryn, dan…
Hier liet de Sietsj-kozak zijn blik door de ruimte gaan. De huisvrouw was niet in de kamer, de kinderen waren zittend in slaap gevallen, en hij wilde zijn woorden vervolgen toen hij plots twee ogen ontmoette, als twee grote diamanten, die brandden van medeleven en aandacht. Ze glansden vanuit een donkere, onverlichte hoek van het huis, en pas bij nauwkeuriger kijken onderscheidde hij daar de slanke gestalte van een meisje, onbeweeglijk in de schaduw: steunend op haar gevouwen handjes, het hoofdje naar voren gestoken, de ogen strak gericht, zij stond daar als versteend, geheel luisterend.
— Dat is mijn jongste dochter, — zei de gastheer, de blik van de Sietsj-kozak volgend.
— Maroesja, kom eens hier.
Maroesja kwam naar haar vader toe. Het felle licht viel haar recht in het gezicht en gleed over haar hele slanke gestalte. Het was een echt Oekraïense meisje: met donkere, fluwelen wenkbrauwen, zongebruinde wangen, een geborduurd hemd met wijde mouwen, een blauw schort en een rode gordel. Haar dikke, blonde haar was in vlechten gelegd; in de vlechten krulde het licht en glansde als zijde. Op haar hoofd droeg zij een bloemenkrans: sommige bloemen waren al verwelkt, andere nog fris en licht geurend.
— Maroesja, — zei haar vader, — wat heb je van ons gesprek gehoord?
— Alles, — antwoordde Maroesja.
— En wat dan?
Maroesja richtte haar ogen op de Sietsj-kozak.
— Hij moet naar Tsjyhyryn, — zei ze, — naar de heer hetman…
— Luister, dochter, — sprak haar vader langzaam en zacht, — over wat je gehoord hebt, mag je tegen geen levende ziel spreken, alsof je het niet gehoord had. Begrijp je dat?
— Ik begrijp het, vader! — antwoordde Maroesja.
De vader hoefde het geen tweede keer te zeggen, en Maroesja gaf geen belofte, maar aan haar onwrikbare oprechtheid bestond geen enkele twijfel.
— Je hoeft niet naar onze gesprekken te luisteren, Maroesja, — zei Danylo. — Ga je moeder uit de tuin halen en zeg haar dat de broeders in slaap zijn gevallen.
Maroesja gehoorzaamde en liep naar de deur, maar op datzelfde moment klonk plots hoefgetrappel; het leek alsof een hele ruiterbende naderde. Er klonk ruw, veelstemmig geschreeuw, en het doodsbleke gezicht van de huisvrouw verscheen in de deuropening.
— Ruiters… een bende… — zei ze. — Recht op ons huis af… daar zijn ze…
— Alles is verloren! — riep Danylo dof.
De Sietsj-kozak stond al rechtop en hield zijn muts in de hand. De kozakken stonden zwijgend. Er was geen spoor van paniek, maar het was duidelijk dat ieders gedachten tot het uiterste gespannen waren en dat duizend plannen en besluiten in elk hoofd rondtolden.
De huisvrouw sloot de buitendeur naar de voorhal en vandaar naar de kamer en bleef staan, zonder haar ogen van haar man af te wenden, wachtend op bevelen.
Naast haar stond Maroesja, even bleek en even verward.
— Jullie slapen! — zei Danylo tegen de kozakken.
— Jij doet iets, naai wat! — zei hij tegen zijn vrouw. — Ik ben al vóór de avond naar een kameraad gegaan… De kozakken zijn gekomen om de ossen te bekijken, ik ben met hen aan het onderhandelen…
— Er is een uitgang uit de kamer naar de steppe, — fluisterde hij tegen de Sietsj-kozak. — Ga met mij mee!
Alles werd snel gezegd, en nog sneller uitgevoerd.
In één ogenblik lagen beide kozakken op de banken en sliepen een benijdenswaardige slaap, met hun pijpen en mutsen onder het hoofd. Het licht speelde over hun gezichten en verstoorde hun diepe slaap geen moment; hun ademhaling was zo gelijkmatig dat men er de tijd op had kunnen tellen. De huisvrouw zat over haar werk gebogen; Maroesja ook, beiden verdiept in het fijne borduurwerk van de mouwen.
Danylo en de Sietsj-kozak stapten snel door de donkere voorhal, openden en sloten achter zich de deur naar de kamer.

IV
Intussen was de bende aangekomen en stond al bij de veranda; het gesnuif van de paarden en het onderlinge geroep van de ruiters waren in huis duidelijk te horen. Daarna sprongen enkele mannen van hun paarden, en meteen daarop werd er heftig op de deur gebonsd, terwijl iemand met een ruwe stem schreeuwde:
— Hé, jullie daar!.. Doe open!
Nog vóór de huisvrouw kon opstaan en vragen wie daar was, dreigden de deuren al uit de posten te springen door nieuw gebeuk, en een ingeslagen ruit rinkelde de kamer in toen hij samen met het raamkozijn op de grond viel. Een gezicht met stugge snorren en brede jukbeenderen keek razendsnel, achterdochtig het raam binnen, nam alles in zich op en riep:
— Waarom doe je niet open?..
De huisvrouw liet haar werk uit haar handen vallen, maar bleef nog steeds aarzelend op dezelfde plek staan.
— Openmaken! — klonken ineens meerdere dreigende stemmen, en de deur beefde zo hevig onder de slagen dat het hele huis ervan dreunde.
De huisvrouw deed de deur open. Een bende vreemde soldaten stormde het huis binnen en begon met lawaai en geschreeuw alle hoeken af te speuren.
De huisvrouw verzamelde de kleine kinderen om zich heen, die abrupt uit hun slaap waren gewekt, geschrokken en verbijsterd, met ogen vol tranen, alles gadegeslagen. Zijzelf stond terzijde en keek gereserveerd toe hoe al haar huisraad, al haar bezittingen op de grond werden gesmeten, kapotgeslagen en vernield.
Terwijl sommigen Andrij Kroek met vragen bestookten, hij gaapte slechts breeduit in plaats van te antwoorden en slingerde, als beneveld door de slaap, van de ene kant naar de andere, zoals een jas op een paal in harde wind, stootten anderen Semen Vorosjylo in zijn zij. Die richtte zich half op, keek hen aan, hield hen nu eens voor zijn vriend Herasym, dan weer voor zijn vriend Javdokym, en zakte vervolgens opnieuw op de bank neer alsof hij neergeschoten was.
— Hij is het! Diezelfde!.. Nee, toch niet!.. Nee, hij is het! — schreeuwde de militaire bende, ruziënd onder elkaar terwijl zij beide kozakken door elkaar schudden.
— Waar is de gastheer?.. Breng de gastheer hier! — schreeuwde de aanvoerder, duidelijk buiten zichzelf.
— Vanmorgen is hij naar een vriend gegaan, op bezoek, — antwoordde de huisvrouw.
— Op bezoek?! Ik zal jullie wel eens bezoek leren! Verraders! Oproerkraaiers!.. Wat zijn dat voor mensen?
En in plaats van te wijzen, haalde hij met zijn zweep eerst uit naar Kroek en daarna naar Vorosjylo, en trad toen met zo’n dreigende houding op de huisvrouw toe dat zij achteruit week alsof zij voor een woedend dier stond.
— Bekende mensen, — antwoordde zij, haar schrik overwinnend. — Ze zijn gekomen om bij ons ossen te verhandelen en wachten op mijn man.
— Ja, ja, edele heer, — mengde Andrij Kroek zich erin terwijl hij opstond en zogenaamd de laatste slaap uit zijn ogen wreef. — We zijn ossen komen kopen en hebben de baas niet thuis getroffen. Wat moet je dan, zeg ik tegen mijn kameraad hier, hij wees op Vorosjylo, die ook wakker leek te worden en nederig met zijn ogen langs alle gezichten ging, zorgvuldig vermijdend iemands blik te kruisen. — Wat dan, kameraad, zeg ik… De baas is niet thuis, hè? Niet thuis, dan niet thuis. Wat er niet is, daar valt niet over te oordelen…
— Houd je mond, dwaas! Bedriegers! Verraders! Wij kennen jullie wel! Bind ze vast! — brulde de aanvoerder naar zijn mannen, en meteen stortten zij zich als wouwen op de kozakken.
Juist op dat moment ging de deur open en trad Danylo het huis binnen.
— Wie ben jij? — schreeuwde de aanvoerder, op hem afstormend.
— Ze noemden mij vroeger hier de eigenaar, — antwoordde Danylo.
— Hé, jullie daar! Staat er wacht bij het erf? Niet slapen! Horen jullie?
— Als je leven je lief is, — begon hij, zich weer tot Danylo richtend, — antwoord me nu meteen, zonder omwegen: waar is die opstandige Zaporozjer? Antwoord rechtuit!.. Anders maak ik je tot as.
Het werd luid en opschepperig gezegd. Danylo keek naar de tamelijk grove gestalte tegenover zich, die hem nauwelijks tot aan de kozakken-schouder reikte, en antwoordde kalm:
— Ik weet van geen enkele opstandige Zaporozjer.
— Ik verbrand je huis tot as! Ik laat er geen spoor van over! Hoor je?!
— Dat is uw wil en uw macht, — antwoordde Danylo even rustig.
— Hij ontsnapt ons toch niet! Is het de moeite waard je zo op te winden?! — zei een ander, kennelijk ook een officier, die zich, nauwelijks het huis binnengekomen, al op een bank had geïnstalleerd en aan een pijp met een amberkleurig mondstuk trok. — We hebben sinds vanmorgen bijna niets gegeten! — voegde hij er met een zucht aan toe.
— Wat is er te eten?! — brulde de aanvoerder woedend, terwijl hij plots woest rondliep en aan de lucht snoof. — Wat is er? Breng het hier! Vlug! Breng het!
En hij stampte met zijn voeten en sloeg met zijn sabel op tafel.
— Vrouw, — zei Danylo, — maak haast met het avondeten.
De huisvrouw ging snel aan het werk. Haar ogen gleden door het hele huis, langs alle hoeken, alsof zij iemand zocht, en het leek alsof er even een onrustige schaduw over haar verder onbewogen gezicht trok.
Zij zocht naar Maroesja — en merkte nu pas dat het meisje tijdens de verwarring ongemerkt was verdwenen.

V
De prachtige, donkerblauwe, doorzichtige en warme nacht straalde geheimzinnig, toen Maroesja haastig het huis verliet, onder het takkendak van een bloeiende kaliniboom dook die over de grond kronkelde, en zich in de tuin bevond. Daar werd ze verborgen door krullende appelbomen en dikke, netachtige kersenbomen.
Ze bleef even staan, wachtend tot haar hart tot rust kwam. Iedere ader in haar lichaam bonkte, haar benen voelden zwak, gedachten fladderden door elkaar; glinsterende beelden dartelden voor haar ogen en brandende tranen rolden uit haar ogen door een nieuwe, tot dan onbekende pijn, een mengeling van verdriet en een lichte, hoopvolle vreugde.
Door de frisse nachtelijke lucht keerde haar bewustzijn terug, de tranen hielden op en haar gedachten waren weer op orde.
Alles om haar heen rook zo heerlijk, zo vers en bloeiend! Alles was zo lief en dierbaar voor het hart! Vol liefde en droefenis boog ze zich neer en kuste hartstochtelijk het gras, de bloemen, de gebogen takken, terwijl ze haar ogen heen en weer wendde en met heel haar wezen zowel twijfel als oprechte genegenheid toonde voor iets dat nog niet helemaal duidelijk was, maar haar ziel al volledig in beslag had genomen.
Een zacht geruis tussen de bomen joeg haar een rilling over het lijf en deed haar gloeien. Ze drukte zich tegen de aarde en haar hele witte gestalte verdween tussen de bloeiende witte takken.
Alles werd weer stil.
Voor een korte tijd leek ze vast te zitten aan de grond in deze stille tuin, onder het zachte licht en de twinkelende sterren, omgeven door de kalme geuren van bloemen en gras, overal om haar heen was het stil, en de kreten die vanaf het erf kwamen, trilden scherp door de warme lucht.
Ze wilde net de takken opzij duwen die haar verborgen, toen opnieuw een zacht geritsel klonk, hetzelfde als eerder, en recht voor haar verscheen plots de reusachtige gestalte van de Zaporozjer krijger, tussen twee hoge kersenbomen.
Maroesja’s hart trilde van vreugde en vervolgens angstig en beangstigend.
Na een korte stilte zette de krijger zich verder in beweging, blijkbaar op weg naar de uitgang van de tuin richting de rivier. Zijn enorme gestalte leek een gigantische schaduw, zo licht, zo stil en soepel sloop hij tussen de dicht verweven kersen en krullende appelbomen door: geen geritsel, geen beweging was merkbaar.
Zelf begrijpend noch wetend waarom of waarvoor, volgde Maroesja de krijger, slechts af en toe stilstaan bij het bonzen en bevriezen van haar hart.
Zo gingen ze samen door de hele tuin, kwamen buiten de levende, kronkelende groene afscheiding en stonden bij de rivier.
De rivier wiegde tussen de oevers met een zorgzaam geruis. Het riet langs de oever glinsterde in de duisternis; gouden sterren fonkelden op de golven en schitterden aan de hemel. Aan een iep, waarvan de lagere takken in de rivier hingen, was een boot vastgemaakt, licht en kwetsbaar als een schelp. De aangrenzende weide, de bergen, alles was gehuld in stilte, warmte en doorzichtige, zachte mist.
Hier bleef de krijger stilstaan, keek om zich heen en dacht na, toen hij plots een zachte, kinderlijke stem achter zich hoorde en tegelijk het aanraken van tere kinderhandjes voelde. Hij draaide zich om, een man die door niets te verrassen of te schokken was, en zag Maroesja voor zich.
— En wat is er, meisje? — vroeg hij met een rustige stem, alsof er geen dreiging of gevaar in de lucht hing.
Maroesja kon geen woord uitbrengen, maar greep zijn hand en keek smekend in zijn ogen.
Haar ogen spraken echter zo overtuigend en veelzeggend dat de krijger haar over het hoofd streek. Haar gebogen gestalte toonde iets van tedere zachtheid, iets van medelijdend medeleven.
— We kunnen naar Tsjygyryn komen! — sprak Maroesja.
— Hoe kunnen we dat doen, jongedame? — vroeg hij zacht glimlachend.
— In het veld staat vaders wagen met hooi, — zei Maroesja, — de ossen grazen ook in het veld… Ik weet alles, waar en wat… We spannen de ossen in… Jij gaat liggen in het hooi… Ik breng je naar de boerderij van Knysj… Daar is de rivier… en aan de overkant is al de macht van Tsjygyryn!
De krijger keek in haar schitterende ogen, naar haar trillende, lichte gestalte, en hoorde haar hartje bonzen. Plots voelde hij dat zijn sterke, geharde hart in zijn borst leek te smelten, en iets gebeurde met hem dat hij later niet goed kon uitleggen, alleen herinneren.
— Wie gaf jou dit idee, lieve Maroesja? — vroeg de krijger.
— Ik ken een verhaal, — antwoordde Maroesja, — over een meisje dat ontsnapte aan rovers.
— Vertel me dat verhaal, Maroesja, — zei de krijger.
— Gaan we ook naar Tsjygyryn? — vroeg Maroesja verlegen.
— Naar Tsjygyryn gaan we ook, — antwoordde de krijger, alsof hij haar een traktatie beloofde. — We nemen de oever deze kant op, door het veld… Dat kunnen we doen. En onderweg gaan we het verhaal horen.
Hand in hand begonnen ze langs de oever te sluipen. Eerst hoorden ze nog het rumoer en de stemmen vanaf Danylo’s erf, maar daarna omringde hen volledige stilte, zoals alleen ’s nachts kan op een verlaten rivierbank, wanneer zelfs het klotsen en de glans van de golven de stilte niet verstoort, maar slechts versterkt.
— Kom, vertel het verhaal, Maroesja, — zei de krijger, toen ze de rivier bereikten.
Veel zorgen, hoop en angst vulden Maroesja, en ze keek met een aarzelende blik naar de krijger; hij glimlachte naar haar. Zelfs in het schijnsel van de flikkerende nachtlichtjes was er in hem zoveel tederheid en moed te zien, dat Maroesja meteen een last van haar hart voelde vallen en al haar trillers verdwenen.
— Goed, begin, lieve Maroesja, begin! — zei de krijger. — Ik luister heel graag naar verhalen.
Maroesja begon:
— Er was eens een kozak, en hij gaf zijn dochter ten huwelijk.
— Als het met een goede man is, dan is het goed! — merkte de krijger op.
— De jonge vrouw hield niet van de bruidegom, — vertelde Maroesja verder, — maar ze gehoorzaamde haar vader, trouwde en de jongeman bracht haar naar zijn boerderij.
— Arme vrouw! — voegde de krijger toe.
— Maar het huis van de jongeman was bijzonder, — vervolgde Maroesja. — Het stond midden in een dicht bos, er waren geen paden, en niemand kon er wegkomen: overal rondom was woestijn. Het jonge meisje was zwaar bedroefd.
— Ze mocht wel verdrietig zijn! — merkte de krijger op.
— Eerst keek ze naar niets, ze bleef zich zorgen maken, maar daarna begon ze alles te bekijken en te onderzoeken… Alle rijkdommen… maar zij had geen behoefte aan rijkdom, ze wilde alleen weten waar haar man iedere avond met zijn kameraden heen ging. Maar zodra ze opstapten, verdwenen ze meteen in het bos, slechts even het geluid van paardenhoeven, en dan weer stilte…
Ze liep door het hele huis, en had overal sleutels van. Alleen één kelder mocht ze nooit betreden. Die kelder stond onder dikke, takkenrijke eiken; de deur was zwart onder het groene loof, als de muil van een beest.
“Wat verbergen ze daar?” — dacht het meisje.
Ze dacht eraan en liep meteen naar de kelder. Ze zag op de sluiting een slot dat zelfs met tien mensen niet te openen was.
Ze klopte op de deur, maar het klonk dof, alsof ze tegen steen sloeg. Ze keek door een kier — het was donker als in een put.
Plotseling flitste er iets onder de drempel, als een vonkje. Ze boog zich naar de grond. Iets glinsterde.
“Wat zou dat zijn?” dacht ze bij zichzelf.
En hoewel ze bang was, stak ze toch haar hand naar binnen en greep het vast.
Ze voelde, iets kouds. Ze keek, het was een afgehakte, witachtige pink met een ringetje eraan.
“Nu weet ik het,” dacht de jonge vrouw, “ze trekken rond om te roven.”
En haar man was nog wel zo vriendelijk geweest.
— Probeer maar eens een mens op het uiterlijk te beoordelen! — zei de Sietsj-kozak.
(Intussen begon het al dag te worden. Een vroege ochtendbries streek over de steppe. Ze liepen nog steeds hand in hand langs de stille oevers.)
De jonge vrouw begon te piekeren wat ze moest doen; ze dacht zo diep na dat het in haar hoofd begon te suizen alsof ze onder een molenrad stond. Rondom zwartten de bossen, dicht als muren. Zo’n wildernis overal, dat je er alleen maar in kon verdwalen, geen schuilplaats te vinden, geen weg naar de bewoonde wereld.
Waar moest ze heen vluchten?
Lang dacht ze na en bleef maar denken. De zon was al ondergegaan, en zij dacht nog steeds. De sterren verschenen aan de hemel, en zij dacht nog steeds.
Toen hoorde ze: ze komen eraan!
De man kwam binnen en was zo blij haar te zien.
— Ik heb je gemist! — zei hij.
Hij strekte zijn armen naar haar uit, maar zij zag bloed op zijn mouw.
— Wat is dat op je mouw? — vroeg ze.
— Ach, ik heb op een prachtig dier gejaagd, — antwoordde hij lachend.
Zijn kameraden hoorden het en lachten ook.
Ze keek naar haar man, hij was haar al niet lief, en nu leek hij nog angstaanjagender.
Ze keek naar zijn makkers, geen enkel vriendelijk gezicht.
Ze dacht na hoe ze met hen moest leven, vergat alle angst en besloot te vluchten.
— Ik vlucht, waar mijn ogen me ook brengen!
De Sietsj-kozak luisterde graag naar het verhaal; hoezeer zorgen zijn hoofd ook bezighielden, hij keek naar Maroesja en glimlachte alsof men hem met zoete honing onthaalde.
Zodra ze had gewacht tot iedereen het huis uit was, sloot ze snel de poort, de deuren en de ramen stevig af en rende het bos in.
Er waren geen wegen, geen paden, geen enkel spoor, alleen de avondster scheen haar bij, en daaraan hield ze haar richting.
De hele nacht liep ze maar door, en het bos werd steeds dichter en donkerder.
Eindelijk begon het heel langzaam licht te worden, en stilletjes drongen rode zonnestralen het bos binnen. Ze dacht dat het bij het aanbreken van de dag wat vrolijker voor haar zou zijn, toen hoorde ze achter zich een achtervolging, steeds dichterbij. Takken kraakten, paarden snoven, de stem van haar man klonk dreigend: “Ik zal haar vinden!” Zijn makkers riepen naar elkaar: “Hier is ze! Daar is ze! Ze vlucht deze kant op!”
Ze keek om zich heen, nergens een schuilplaats!
Alleen één boom stond daar, met een ruige kruin uitgespreid. Ze snelde erheen, klom tot helemaal in de top en hield zich stil verborgen.
Maar in haar haast liet ze haar hoofddoek vallen. Toen de achtervolgers daar aankwamen, zagen ze meteen de witte doek op de grond…
— Ach! — riep de kozak levendig uit.
Ze begonnen allemaal te roepen: “Haar doek! Haar doek! Ze is hier! Ze is niet ver! Ze is deze kant op gevlucht!”
Ze begonnen te zoeken, te snuffelen, takken met hun sabels af te hakken, struiken met hun paarden te vertrappen.
Toen zei haar man: “Zou ze misschien in een boom geklommen zijn?”
Hij greep zijn speer en begon met alle kracht tussen de takken te steken.
— Ach! — zei de kozak. — Arme jonge vrouw, wat heeft ze geleden!
De scherpe speer drong in haar zij, trof haar arm, schampte haar schouder — ze schreeuwde niet, gaf geen kik, maar warm bloed druppelde, druppelde van de boom…
De kozak kreeg opnieuw medelijden met de arme jonge vrouw; hij zuchtte en jammerde vol medelijden.
Druppels van haar bloed vielen recht op het hoofd van haar man.
— Wat een warme dauw druppelt er van deze boom! — zei hij.
— Ze is vast verder gevlucht, — zeiden zijn makkers.
— Verder, haar achterna!
En ze verspreidden zich in het dichte woud.
Toen klom zij zachtjes uit de boom en rende opnieuw weg.
Lang rende ze, heel lang, tot ze op een weg uitkwam. Daar zag ze een oude kozak lopen met een wagen vol hooi. Ze snelde naar hem toe en smeekte: “Neem me mee, goede man, verberg me ergens! Ze zitten achter me aan! Ze willen me vangen en doden!”
De kozak zei: “Ik vervoer hooi; ga op de wagen liggen, kruip zo diep mogelijk weg en blijf stil.”
— Dappere kozak! Moge God hem gezondheid schenken voor wie weet hoe lang! — zei de tevreden kozak.
Nauwelijks had de oude kozak haar in het hooi verstopt en de ossen met de zweep aangespoord, of daar kwamen de achtervolgers al aan.
— Heb je soms een jonge vrouw gezien? — riepen ze hem toe. — Welke kant is ze op gegaan?
— Niet gezien, — antwoordde de kozak.
— Wat vervoer je daar?
— Hooi.
— Is het goed hooi? Geef eens wat aan onze paarden.
De kozak hield de wagen stil en gooide wat hooi af voor hun paarden.
— Je pijp is zeker nog niet uit? — vroeg een van de rovers.
— Nee, hij brandt nog, — antwoordde de kozak.
— Geef eens vuur.
De kozak gaf hun zijn pijp, en ze gaven die aan elkaar door en staken hun eigen pijpen aan.
Maar de aanvoerder stak zijn pijp niet aan en voedde zijn paard niet. Hij kwam bij de wagen staan, boog zijn dreigende hoofd erover en mompelde dof: “Ik zal haar vinden! Ik zal haar vinden!”
En zij hoorde dit alles, ze voelde zelfs zijn hete adem.
Zo verstreek een heel uur, tot zijn makkers riepen:
— Aanvoerder! Te paard! Te paard! Het wordt al licht!
En allen sprongen op hun paarden en galoppeerden het donkere bos in…
De oude kozak reed verder en bracht de jonge vrouw naar het erf van haar vader.
— Moge het geluk haar gunstig zijn! — zei de kozak. — Wat een prachtig verhaal, lieve Maroesja, en veel dank ervoor! Een prachtig sprookje! Zo mooi dat je het met woorden niet kunt uitdrukken!

VII
Ze hielden geen moment halt en waren al een flink eind verder.
De dageraad was nog niet aangebroken, maar de zachte, warme nachtlucht was al frisser geworden. Vanuit een ver klooster, dat achter de vage contouren van de verre bossen nauwelijks zichtbaar was, klonk zacht het luiden van de klokken. Een bijzonder, gedempt gerinkel gleed door het riet langs de oever. De rivier, die zich ver in een zachte bocht had teruggetrokken in een slaperige inham, keerde vandaar terug alsof ze plotseling was opgeschrikt, ze rolde haar golven onrustig en luid vooruit, bedaarde daarna steeds meer en verdween uit het zicht, alsof ze dof mopperde.
Bij deze inham sloegen zij een andere richting in.
Er was geen weg en geen pad, maar Maroesja kende de streek goed en al spoedig leidde zij de Sietsj-kozak naar de open steppe.
De scherpe, frisse geur van pas gemaaid steppegras en bloemen, afkomstig van de enorme hooibergen die overal verspreid lagen, omgaf hen. De Sietsj-kozak liet zijn blik waakzaam in alle richtingen gaan. Niet ver achter zich zag hij in de schemering een woning, overschaduwd door een dichtbegroeide boom.
— Dat is ons huis, — zei Maroesja. — De omheining is dichtbij, daar voor ons.
— Ga voor, Maroesja, — zei de Sietsj-kozak.
Hoewel er nergens een teken van een omheining te zien was, volgde hij zonder aarzelen haar lichte voetstappen.
Nauwelijks hadden ze vijf passen gezet of Maroesja zei: “Hier!” Ze bevonden zich boven iets dat leek op een ruime kuil midden in de vlakke steppe. Ze daalden af, en onderaan zag de Sietsj-kozak een wilgenomheining, met daarin twee paar prachtige, steil gehoornde ossen, die op de vlakke grond leken op donkere heuvels.
Maroesja opende de omheining en streelde met bevende hand eerst de ene, dan de andere gehoornde kop. Een zacht, vriendelijk geloei was haar antwoord. Alsof ze begrepen dat voorzichtigheid en stilte nu het belangrijkst waren, stapten de ossen, eenmaal naar buiten geleid, over de steppe als zware boten op stille golven, geruisloos, gelijkmatig, snel.
De wagen stond niet ver van een hooiberg, hoog beladen met hooi.
— Wat is er? — vroeg Maroesja toen ze zag dat de Sietsj-kozak stilhield en haar aankeek.
— Wat ben jij klein, Maroesja! — zei hij. — Wat ben jij klein! Iedereen zou je eerder voor een steppeleeuwerik houden dan voor een verantwoordelijke voerman!
En inderdaad, Maroesja was tenger; in de eindeloze steppe, naast de enorme wagen en de krachtige ossen, en naast de reusachtige Sietsj-kozak leek zij nog kleiner en breekbaarder.
— We hebben mama’s hoofddoek bij de wagen laten liggen, — antwoordde Maroesja. — Ik zal hem op z’n boers ombinden, en als ik op de wagen zit, lijk ik een oude vrouw…
Al keken haar grote ogen onder de boerenhoofddoek uit, waaronder haar lichtkrullende zijden haar en haar rozige schouders verdwenen waren.
De Sietsj-kozak glimlachte en kon of wilde enkele minuten geen woord zeggen. Toen hij weer sprak, was zijn stem heel zacht.
— Ken je de weg goed, Maroesja?
— Ja. Het is rechttoe rechtaan tot aan het meertje. Bij het meertje buigt de weg naar rechts, dan zie je de boerderij van heer Knysj, en daarachter is de weg vrij tot aan Tsjyhyryn, zei mijnheer Kroek tegen vader…
— Ken je heer Knysj?
— Ja. Hij komt soms bij vader om dingen te kopen.
— En hoe denk je dat hij je zal ontvangen?
— Dat weet ik niet.
— En als hij je slecht ontvangt?
— Zou hij ons verraden? — antwoordde en vroeg Maroesja tegelijk. — Hij komt bij vader… hij is een vriend…
— Weet je, Maroesja, dat er nu overal troepen staan, dat overal vijanden rondzwerven? Weet je dat er nu, in plaats van bloemen, aan weerszijden van de weg misschien rookwolken opstijgen van geweervuur, dat er bloedvergieten zijn?
— Dat weet ik! — antwoordde Maroesja.
— Boze, vijandige ogen zullen je in het gezicht kijken, en als je één woord verkeerd zegt, als je maar even beeft, dan is alles verloren!
— Ik zal me niet verspreken, niet beven… Ik ben niet bang voor de vijand, ik ben alleen bang voor mislukking!
— Maroesja, weet je, misschien wacht ons de dood…
— O, eerst moet jij in Tsjyhyryn zien te komen! — zei Maroesja.
Hoeveel smeekbede en vastberadenheid lag er in haar zachte woorden! Daarmee eindigde hun gesprek. De ossen waren spoedig ingespannen.
— Maroesja, — zei de Sietsj-kozak, — als iemand je aanhoudt, blijf dan niet bij de wagen hangen als een vogeltje bij zijn nest… begrijp je?
— Ik begrijp het! Ik moet zijn zoals jij.
— Zeg tegen iedereen dat je hooi naar heer Knysj brengt. En als we geluk hebben en zijn erf bereiken, zeg dan tegen wie je tegemoetkomt: “Mooie vachten hebt u, al zijn ze nog niet rijp om te maaien, ze zijn goed!” Hoor je?
— Ik hoor het, — antwoordde Maroesja.
De Sietsj-kozak begroef zich in het hooi op de wagen. Maroesja nam plaats als voerman, de ossen zetten zich in beweging, en de wagen reed schommelend door de met dauw bedekte steppe.
De sterren begonnen te verbleken; de wind werd levendiger, en de dauwdruppels schitterden helderder in het gras.
Langzaam bewoog de enorme wagen over de steppeweg. In het licht van de uitdovende sterren flitste de steppe voorbij, pas gemaaid en al weer zacht begroeid met jong gras en bloemen, bezaaid met nog geurige hooibergen. Alles was stil rondom, en twee of drie verre roepen, twee of drie verre schoten, maakten de stilte nog voelbaarder.
Voor Maroesja strekte het landschap zich wijd en ver uit. Elk geluid ving haar scherpe oor; elk geritsel van gras of vogelvleugels, en onophoudelijk dwaalden haar ogen rond, elke stip volgend. In het halfduister van de zomerochtend was haar gezicht niet duidelijk zichtbaar; ze toonde geen enkele gedachte of emotie, maar haar hele kleine gestalte boven op de ruige groene wagen sprak van waakzaamheid en gespannen onrust.
Plotseling klonk het hoefgetrappel van een grote ruiterafdeling; rechts verscheen een menigte ruiters die in razende vaart op haar wagen afstormden.
— Halt! Halt! — riepen hees enkele stemmen van verre.
Ze hield de wagen stil.
In een oogwenk waren ze om haar heen, en ruwe vragen in een voor haar vreemde taal regenden van alle kanten neer:
— Waarheen? Waarvandaan? Van wie ben je?
— Van de hoeve, — antwoordde Maroesja. — Ik ben de dochter van schaapherder Danylo. Ik breng hooi naar het landgoed Hony, naar heer Knysj.
De ruiters leken gerustgesteld en weken wat uiteen. Een hese stem zei geërgerd:
— Ik zei jullie toch dat het loos alarm was, en jullie schrikken als steppevogels! Waar zijn jullie Poolse spionnen dan?
— Maar er is geen kwaad gebeurd doordat we een halve verst zijn omgereden! — antwoordde een tweede stem, blijkbaar van een jonge, beweeglijke en zorgeloze man.
— Als er wind in je hoofd waait, is niets een probleem! — mopperde de eerste ontevreden.
Het verdere gemopper werd overstemd door het geklap van een zweep en het getrappel van een paard dat vooruit schoot.
— O, wat een driftkop! — zei de tweede stem met een lichte lach. — Volg mij, jongens! Neem de wagen mee!
De troep reed verder, en onder hun toezicht reed ook Maroesja’s wagen mee.
Waar zij ook keek, overal zag ze om zich heen sombere, dreigende gestalten, ruwe en strenge gezichten. Ze reden in rustig tempo, alsof ze uitrustten, verzonken in hun gedachten. Op sommige gezichten lag droefheid, op andere zorg, ontembare moed of gereserveerdheid.
Voorop reden twee officieren die blijkbaar ruzieden. Zonder hun woorden te horen, begreep Maroesja dat de een vrolijk en jong was — te zien aan zijn levendige bewegingen — en de ander een zwaarlijvige, ontevreden man, die als een loodzware last op zijn ongeduldige paard zat.
Ze probeerde geen enkel woord te missen dat in de groep werd gewisseld en vroeg zich af waarover de officieren twistten, misschien over haar wagen? Waren ze hem vergeten? Wat zou er gebeuren? Hoe zou heer Knysj haar ontvangen? Zou ze hem bereiken? Zou hij Tsjyhyryn bereiken?
De wagen schommelde zacht verder. De laatste nachtschaduwen verdwenen; de frisse ochtendlucht was voelbaar. De ossen stapten nu opgewekter, de paarden kwamen dichterbij en rukten met genoegen plukken geurig hooi uit de lading.
Plotseling dwong iets haar om haar blik naar links te wenden, en ze ontmoette een onderzoekende, doordringende blik van fonkelende ogen die haar aandachtig en wantrouwig volgden.
Vlak naast de wagen reed een niet meer jonge ruiter. In het schemerlicht zag zij duidelijk zijn ruwe, intelligente trekken. Zijn blik leek te zeggen: “Wat een vreemd klein meisje! En vreemd is ook hij die zo’n breekbaar wezentje ’s nachts, in deze onzekere tijden, als voerman laat rijden!”
— Heb je, meisje, nog vader en moeder? — vroeg hij plotseling. Toen hij merkte dat ze hem niet begreep, herhaalde hij het in gebroken Oekraïens.
— Ja, vader en moeder leven nog, — antwoordde Maroesja.
Zijn blik werd nog onderzoekender. Een ijzige kou trok door haar lichaam; de steppe leek te kantelen voor haar ogen, haar hoofd tolde. Maar ze herinnerde zich de woorden van de Sietsj-kozak en sprak rustig:
— Leven uw vader en moeder nog? Heeft u veel familie? Heeft u kinderen? Dochters of zonen?
Of het nu haar zachte stem was of de gewone vraag, maar iets in hem ontwaakte. Herinneringen, beelden, verdriet en hoop leken zijn sterke gestalte te beroeren.
— Ja, ik heb een dochter, — zei hij na een lange stilte.
— Groot? — vroeg Maroesja.
Hij glimlachte, alsof hij een klein, broos figuurtje voor zich zag.
— Ongeveer zo groot als jij, misschien nog kleiner, — antwoordde hij peinzend.
Voorop kibbelden de officieren nog steeds.
Plotseling begon iemand achteraan zacht te zingen: “Vspomni, vspomni, moja ljoebeznaja, nasjoe prezhnejoe ljubov…” (“Herinner je, herinner je, mijn liefste, onze vroegere liefde…”).
Maroesja huiverde. Haar ondervrager neuriede zacht mee; zijn stem werd een hartstochtelijk, bitter gefluister. Eén voor één vielen stemmen in, tot de hele troep zong en de zang ver over de steppe rolde.
Toen het lied verstomde, werd het licht. Het was alsof de dageraad plotseling een deur had opengegooid. Niet ver van de weg lag een klein stil meertje, bedekt met ochtendmist. Vanaf het meer boog een zwarte weg naar rechts, naar een hoeve waar een dunne rookpluim omhoogsteeg.
Dat was de hoeve van heer Knysj.
Huiveringwekkend was het in de schemering van de warme nacht, in het halfduister van de dageraad, maar in het schitterende licht van de gezegende ochtend werd het nog huiveringwekkender. De vrolijke grootsheid van de natuur werkte vreemd op de ziel: nu eens wond zij haar op, dan weer kalmeerde zij haar, dan weer vervulde zij haar met een dubbel gevoel, van angst en hoop, die elkaar aangrepen en bevochten zonder elkaar te overwinnen, zoals twee even sterke krachten — vuur en water — die nooit ineen kunnen vloeien.
Maroesja zocht met haar ogen de oudere ruiter die van haar was weggereden en in de menigte was verdwenen. Al spoedig vond zij hem terug; hun blikken kruisten elkaar. In zijn ogen lag geen nieuwsgierigheid of scherpe oplettendheid meer, een zekere aarzeling, onzekerheid en zelfs vrees hadden zich over zijn ruwe, roofzuchtige gelaat verspreid en het op wonderlijke wijze verzacht.
— Mijn hemel, wat een kleintje! — zei een van de ruiters toen hij Maroesja in het zonlicht zag. — En ze rijdt maar voort, gereserveerd, niet bang voor kruit of kogels.
— Zo’n kleintje zal geen enkele kogel raken, denk ik, — antwoordde een ander. — Net een maanzaadje!
— Bij hen zijn zelfs de meisjes niet bang, zo is dat volk nu eenmaal, — viel een derde in. — Ik heb gezien hoe, midden in het gevecht, wanneer het bloed stroomt en de aarde beeft, er een tussen hen doorloopt en haar eigen mensen verzamelt alsof ze bessen plukt in een tuin, bij God!
— En hoeveel van hen sterven er niet! — zei nog iemand die zich bij het gesprek voegde.
— We zullen toch allemaal sterven, op de een of andere manier, — klonk het van opzij. — Het komt er alleen op aan op de beste manier te sterven! Dat is het!
Vanuit de verte klonken enkele schoten, en hun echo joeg als een toverspreuk alle andere gedachten uiteen. Een begonnen overweging, een half uitgesproken zin, alles brak af als een draad die met een scherpe schaar werd doorgesneden. De hele troep werd als één wezen dat waakzaam de oren spitste en klaarstond voor de tegenaanval.
Ook de officieren hielden hun paarden in; ze hielden op met ruziën en elkaar te plagen.
Opnieuw klonken schoten.
— Dat is van onze kant! Zeker van onze kant! — riep de jonge officier.
— Vooruit! Vooruit! Te hulp! Onze mensen vechten! Hé, Ivan! Breng de wagen naar de hoeve en regel het daar… Vooruit!
Maroesja had nog niet goed begrepen wat er gebeurde of de troep stormde als een wervelwind weg. Al spoedig waren ze uit het zicht verdwenen, allen behalve Ivan, aan wie was opgedragen “de wagen te brengen en orde op zaken te stellen”. Als wilde vogels vlogen ze weg zonder om te kijken; alleen de oudere Moskoviet die met haar had gesproken, keerde zich nog eenmaal om en keek naar haar.
— Rijden, kleintje, rijden! — zei Ivan terwijl hij zijn korte pijp aanstak.
Maroesja wierp een blik op hem. Hij deed haar denken aan een egel…
— Rijden! Rijden! — herhaalde hij strenger.
De wagen bewoog zich langzaam voort, in de richting van de hoeve van heer Knysj.
Langs de weg flitsten ingezaaide velden voorbij, hier en daar meedogenloos vertrapt. De schoten klonken steeds vaker. Toen Maroesja ongemerkt een heuvel opreed waarover de weg verder slingerde, zag zij tenten en kampdoeken; erboven kringelden zwarte rookpluimen en af en toe sloegen vurige tongen van rood vuur omhoog. In de heldere ochtendlucht klonken menselijke stemmen en kreten, het zwakke, klagende loeien van vee, kindergehuil, het ratelen van geweren en het gekraak van verwoeste huizen.
Boven op de heuvel zag Maroesja het slagveld als in haar handpalm. Ze zag een dorp in vlammen; twee kindergestalten die hand in hand wegrenden zonder te weten waarheen; enkele vrouwenfiguren die roerloos in de steppe lagen uitgestrekt. Voor haar ogen vielen mensen kreunend neer; verschrikte paarden zonder ruiters stormden rond; de woeste benden dunden uit; de aarde raakte bedekt met doden en gewonden; het gras, doordrenkt met warm bloed, werd donkerder. De hemel kreeg een dreigend roodblauwe kleur. Wolken stof draaiden in golven omhoog.
En recht voor haar lag groen en geurig de kleine hoeve van heer Knysj; de wagen reed er langzaam heen. In de dichte tuin tekenden zich al bomen en struiken af met hun kantachtige bladeren en bloemen. Door de open poort zag zij donkergele, gevederde kippen die rondliepen op het brede erf, begroeid met zacht, fluweelachtig gras en vol landbouwwerktuigen. Bij de poort zat een enorme, ruige hond. Hij had de wagen al opgemerkt en wachtte hem gereserveerd maar aandachtig af, als iemand die in zijn leven al veel heeft gezien en zich heeft voorgenomen zijn gevoelens niet te haastig te tonen.

IX
Nauwelijks was de wagen bij de poort tot stilstand gekomen of er stond een jongetje van een jaar of vijf voor Maroesja, roodwangig, stevig, als een arendsjong. Was hij werkelijk een arendsjong van de steppe geweest, dan nog had hij niet sneller kunnen toesnellen, niet moediger zijn blik in de hare kunnen boren, niet vlugger haar, de wagen en de ossen kunnen opnemen.
— Is heer Knysj thuis, jongen? — vroeg Maroesja.
— Komt u bij grootvader op bezoek? — vroeg het kind in plaats van te antwoorden.
— Ja, bij grootvader. Is hij thuis?
— Ja.
— Waar is hij dan?
— Daar in de tuin, of misschien in huis, of misschien op het erf.
— Roep je grootvader dan, jongen.
Maar grootvader kwam al naar de poort toe.
Een wat gebogen, goedhartige oude man in eenvoudig linnen boerenkledij, in hemd en wijde broek, met een strooien hoed op. Hij maakte een beleefde buiging voor de aangekomen soldaat en herkende meteen Maroesja, zonder ook maar een zweem van verbazing te tonen, alsof hij haar verwachtte, alsof zulke bezoeken de gewoonste zaak van de wereld waren.
— Ach, klein meisje! — zei hij. — Gezond en vrolijk? Wees welkom in huis! En als je je binnen verveelt, dan weet Taras wel waar de aardbeien groeien en waar de frambozen rijp zijn. We kunnen ook pampoesjki of maanzaadbroodjes eten. En er zijn pasteitjes op voorraad, zulke pasteitjes dat ze een hongerige ziel kunnen opvrolijken!
Ivan hoorde de woorden maanzaadbroodjes, pasteitjes.
— Het ontbreekt je zeker niet aan proviand in huis? — zei hij streng, maar in zijn stem klonk al een zachtere toon, gewekt door de gedachte aan gebak en spijzen.
— God zij dank! — antwoordde de gastheer. — Wees welkom, wees welkom in huis!
Wat een hartelijke, oprechte, ongekunstelde man leek heer Knysj!
— Wees welkom, waarde gast… niet verwacht, maar God heeft u gezonden… gezonden! Onverwacht, maar des te dierbaarder! Wees welkom!
De onverwachte maar “dierbare gast”, moe en hongerig, begon geen uitleg of gesprek en volgde de gastheer naar binnen, zijn vermoeide lichaam strekkend, geeuwend, zich krabbend, kortom, genietend van de zeldzame gelegenheid om lichaam en ziel wat te laten rusten. Hij had voor zichzelf al uitgemaakt dat de gastheer een eenvoudige, goedige boer was, en dacht vooral aan wat voor pasteitjes en dranken hem wachtten.
Maroesja reed de binnenplaats op en volgde hen; achter haar liep Taras.
— Heer Knysj! — zei Maroesja. — Wat een prachtige oogst hebt u. Al zou men hem onrijp maaien, dan nog is hij goed!
— God zij dank, meisje, God zij dank! Dit jaar is alles goed gegroeid! — antwoordde heer Knysj zonder zich om te draaien.
Geen trilling in zijn stem, geen verandering in toon of houding, geen versnelling of vertraging in zijn kleine, haastige pas; niets veranderde aan zijn ijverige, enigszins trotse uitstraling van een boer die met stille voldoening zijn gast wilde verrassen met zijn gerechten, die hij wellicht hoger achtte dan wat ook ter wereld.
“Wat is er aan de hand? Heeft hij het niet begrepen?”
Maroesja voelde haar hart zwaar samentrekken. Ze wist niet wat te denken of te doen en besloot opnieuw hetzelfde: te zijn zoals hij.
Ze zei niets meer en ging het huis binnen.
Het was een ruime, koele, sneeuwwitte boerenhut met brede banken, een tafel met een wit kleed en een lemen vloer. Aan de muren hingen bossen halfverwelkte, geurige steppekruiden; in de hoek, achter de met witte doeken versierde iconen, hingen ook kruiden, vermengd met gedroogde bloemen van vorig jaar, gewijde wilgentakken en groen van Pinksteren.
De gastheer nodigde hen uit te gaan zitten en was geheel in beslag genomen door de maaltijd. In zijn ijver om zich niet te schamen en zijn huishouden van de beste kant te tonen, liep hij heen en weer, dekte de tafel, rende naar de kelder, rommelde in de voorraadkamer, liet lepels vallen, goot drank van de ene fles in de andere, klom naar de zolder voor gerookte worst. Door al die oprechte drukte liet hij de hongerige gast wachten, maar vulde diens gedachten tegelijk met dankbaarheid, vermengd met lichte ergernis en ongeduld, die echter niet de overhand kregen.
— Maak u toch niet zo druk om mij, gastheer! — zei de gast af en toe.
— Dat kan niet… dat kan niet… staat u mij toe, heer… hoe heet u, edele heer? — antwoordde de oprechte gastheer.
— Ik heet Ivan, — zei hij zuchtend.
— Welnu, heer Ivan, sta mij toe u te onthalen met wat God ons heeft geschonken. Sta het mij toe!
— Wij zijn militairen, wij zijn niet gewend zoet te eten; als we maar niet hongerig blijven, is het goed! — probeerde heer Ivan voor zijn eigen bestwil tegen te sputteren.
— Nee, nee, u moet het toestaan! — hield de gastheer vol.
Maroesja zat op de bank, uiterlijk rustig en stil, zoals hij, maar zulke golven van hoop en angst overspoelden haar dat niemand ze met woorden zou kunnen beschrijven.
Taras keek vanuit een hoek naar de gasten en telde bij het raam de schoten die duidelijk tot aan de hoeve doordrongen.
Eindelijk stond alles voor het ontbijt klaar. Heer Ivan stortte zich erop met een bijna vijandige vastberadenheid, als een soldaat die geen acht slaat op smaakgenot. Maar al snel werd hij zachter, zelfs beleefder; na enkele glaasjes likeur werden zijn ogen glazig en speelde er een vage glimlach om zijn mond.
De gastheer herinnerde zich telkens nieuwe lekkernijen en liep weer naar de kelder of de zolder, steeds eerst toestemming vragend aan heer Ivan.
En heer Ivan verzette zich niet meer, maar knikte alleen goedkeurend.
— En jij, Taras, tel je de kauwen? — zei de gastheer tegen zijn kleinzoon. — Ga wat hooi bij de ossen gooien. Dat is me een werker, al reikt hij nog niet tot aan de hemel! — voegde hij eraan toe tegen heer Ivan.
Heer Ivan wilde iets gewichtigs antwoorden, maar bracht niets gewichtigs uit; hij glimlachte slechts langzaam en vaag.
Taras sprong van de bank en liep naar buiten.
Maroesja kon de spanning niet langer verdragen, stond ook op en zei:
— Ik ga met Taras mee.
— Ga maar, kleintje, — zei de gastheer. Toen ze langs hem liep, streek hij haar even over het hoofd, slechts een lichte aanraking, maar alsof hij haar daarmee door een toverspreuk weer zekerheid en moed gaf.
— Gastheer! — begon heer Ivan plotseling, met moeite zijn gedachten verzamelend. — Ons hooi… het genomen hooi… krijgsbuit… geef losgeld… groot losgeld… dat is goed… heel goed…
— Zoals u wilt, heer Ivan, — antwoordde de gastheer. — Neem het hooi of neem losgeld, wat u verkiest.
— Ja… dat is goed… dat is… goed… — mompelde heer Ivan.

X
Toen Maroesja naar buiten kwam, zag ze haar wagen nog op dezelfde plaats staan; Taras trok er met armenvol hooi van af en gooide het voor de ossen neer, en de ossen namen die verdiende hulde waardig en statig in ontvangst.
Bevend liep Maroesja onopvallend om de wagen heen, in een poging te raden wat haar zo kwelde.
Lang bleef ze zo rondcirkelen, als een gewonde vogel boven een verwoest nest; Taras, die zijn taak had volbracht, begon met haar over van alles en nog wat te praten, maar zij antwoordde kort, haar hele wezen was vervuld van zorg, onrust en hoop.
Overwegend dat dit rondlopen om de wagen argwaan kon wekken, ging ze bij hem vandaan en dwaalde over de brede binnenplaats; ze keek in de dichte boomgaard en staarde in de verte, over het veld.
“Wat moet ik doen? Wat zal er gebeuren?” dacht ze.
Toen ze langs een hoop stenen liep die op het erf was opgestapeld, hoorde ze plotseling een stem die duidelijk zei:
— Dank je, kleine Maroesja! Wees nergens bang voor, alles is in orde!
Onmiddellijk herkende ze die stem. Door vreugde getroffen als door een pijl, tegelijk betoverd en verzwakt door de angst en kwelling die nu ineens verdwenen waren, wankelde ze, viel bijna en ging op de grond zitten, niet in staat nog een stap te zetten.
Langzaam kwam ze weer bij zinnen en keek aandachtig rond: de stenenhoop waar ze bij zat, was kennelijk lang geleden opgeworpen, toen men de kelder had gemetseld; een luchtopening tussen de stenen gaf uit op het erf, en de overtollige stenen waren sindsdien blijkbaar niet aangeraakt, want ze waren overal met gras en brandnetels overgroeid.
“Heb ik het me misschien verbeeld?” dacht Maroesja, terwijl ze bijna bezweek van zwakte.
Maar de stem, die van onder de grond kwam, klonk opnieuw:
— Mijn trouwe meisje! Stel je hart gerust! We hebben de grootste stroom al overgestoken; aan de oever zullen we, met Gods hulp, niet verdrinken!
Maroesja bleef nog lang onbeweeglijk zitten, luisterend. Door zijn woorden, als door een toverspreuk, vulde haar hart zich met levende vreugde, en op haar gezicht speelde zo’n stralende blos, haar ogen straalden zo helder, dat Taras, die over het erf van zijn grootvader galoppeerde, nu eens in de trotse gedaante van een hetmanspaard, dan weer als een dreigende hetman zelf, dan als een dappere kozakkenleider of kolonel, en ten slotte, opgezweept door zijn roemrijke rollen, vrijuit springend en dartelend als zichzelf, plots voor het vreemde meisje stond en verbaasd was over de verandering in haar. Hij bleef aarzelend voor haar staan en liet zijn arendsblik op haar rusten.
“Wat heeft grootvader haar gegeven?” dacht hij. “Wat?”
Voor zijn ogen begonnen vage visioenen te fladderen: heerlijke maanzaadkoeken in honing, lekkernijen, peperkoekpaardjes, geroosterde noten en allerlei ander lekkers. Hoe langer hij naar het meisje keek, hoe fantastischer en verleidelijker die beelden werden, en tegelijk des te meer prikkelden en beroerden ze hem. Zonder het te begrijpen, maar vol verwachting, stond hij daar te kijken, meer dan ooit lijkend op een roofzuchtig arendsjong dat zijn vleugels spreidt, zijn snavel scherpt en scherp toeziet in welke richting het moet vliegen om prooi te zoeken.
Hij schrok op toen Maroesja begon te spreken.
— Zeg eens, jongen, zullen we samen naar de boomgaard gaan?
— Ja, dat doen we, — antwoordde hij, licht aarzelend, als iemand die nog niet zeker weet of hij er beter of slechter van zal worden. — Wat heeft grootvader jou gegeven?
— Aan wie? — vroeg Maroesja.
— Aan jou!
— Niets.
— Heeft hij dan iets beloofd? Wat heeft hij beloofd?
— Niets.
Taras keek de gast scherp en wantrouwig aan.
— Waarom ben je dan zo blij? — vroeg hij.
— Ik?
Ze wilde zeggen: “Ik ben niet blij,” maar zweeg en zei alleen:
— Laten we naar de boomgaard gaan.
En ze gingen naar de boomgaard, wandelden daar, plukten bessen en bespraken van alles.
De jongen Taras hield van redeneren; vooral over hoe hij dit of dat zou regelen als hij hetman was. En niemand — zelfs geen sterrenkundige — zou kunnen tellen hoeveel ongelovigen hij in woorden versloeg, hoeveel steden hij beveiligde, hoeveel dorpen en nederzettingen hij verrijkte. De woorden van Taras waren zo zoet als honing; en als men hem zo zag, kon men er zeker van zijn dat zijn daden geen alsem zouden zijn.
Ik weet niet of er op de wereld veel is dat mooier is dan wandelen in een geurige, fris ruikende, dichte boomgaard, wanneer het hart speelt en heel je wezen, na brandend wachten en kwellende twijfel, als het ware lacht! Moge God ieder goed mens ten minste eenmaal in zijn leven zo’n wandeling schenken!
Zo wandelde Maroesja, Taras volgend door alle hoeken en paadjes van de boomgaard en met hem pratend over dit en dat.
En Taras, die zijn gast rondleidde, haar met bessen onthaalde en haar met gesprekken vermaakte, keek haar toch af en toe onzeker aan. Hij kon die vage, verleidelijk zoete visioenen van geheimzinnige maanzaadkoeken, ringvormige broodjes, lekkernijen en allerlei smakelijke dingen, die ergens dichtbij moesten zijn en telkens weer voor hem verschenen zodra het stralende gezicht van het meisje zich tot hem wendde, maar niet uit zijn gedachten verdrijven.

XI
Intussen was de zon hoog geklommen en stond zij zo stralend aan de hemel dat er haast nergens schaduw was; en waar die al verscheen, werd zij toch hier of daar doorboord, doordrongen of aangeraakt door een zonnestraal. Haar warme en heldere licht viel schuin door het raam van de hut, bij hetwelk de gevoede heer Ivan in slaap was gevallen, en wekte hem waarschijnlijk met zijn zachtheid en warmte, hem, die niet gewend was aan, of al lang ontwend was van, elke vorm van zachtheid en warmte op deze wereld.
Heer Ivan werd wel wakker, maar hield een poos zijn ogen gesloten; hij zuchtte slechts en glimlachte wat weemoedig. Met die glimlach leek hij te willen zeggen: “Ik weet immers heel goed dat van al deze huidige vertroetelingen geen spoor zal overblijven zodra ik mijn ogen open; dat weet en begrijp ik maar al te goed!”
Maar plots sprong hij op alsof hij zich had verbrand; zijn gezicht nam weer de gewone, gereserveerd sombere en zelfs wat vijandige uitdrukking aan. Snel zijn kleren rechttrekkend en zich verzamelend, keek hij vijandig rond naar de witte muren waarop het vrolijke zonlicht speelde.
In de hut was niemand. Hij riep luid en kortaf:
— Hé, gastheer!
Zijn stem was krachtig en rolde over het erf tot in alle hoeken. Maroesja en Taras snelden naar de hut en, zich verschuilend achter seringen- en viburnumstruiken, wachtten zij af wat er zou gebeuren.
Rondom was het stil; men hoorde niets behalve het geruis en de beweging van een heldere zomerdag.
Heer Ivan riep opnieuw, nog luider en korter dan tevoren:
— Hé, gastheer! Ben je soms doof?
Klaar voor vertrek, met zijn muts op en zijn speer zo handig mogelijk schikkend, gaf heer Ivan met zijn hiel een stoot tegen de deur, zwaaide haar open en bleef staan, niet wetend welke kant hij op moest: de gang liep door, aan beide zijden liepen paadjes door het gras, overal stond landbouwwerktuig. Aan de derde kant stond een deur halfopen naar de kamer.
Toen klonk al het vriendelijke antwoord van de gastheer, onderbroken door een lichte, aangename hoest en een vlugge, haastige tred.
— Ik kom, heer Ivan, ik kom! — klonk het oprecht en hartelijk van ver.
Maar heer Ivan kon niet begrijpen vanwaar de stem naderde; vergeefs draaide hij zijn hoofd naar links en rechts, en ongeduldig stapte hij een willekeurige deur binnen, waar hij recht tegenover de vriendelijke, enigszins buiten adem geraakte gastheer kwam te staan.
— Goed gerust, heer Ivan? — vroeg de gastheer eenvoudig en meelevend, terwijl hij in de ontevreden ogen van zijn gast keek. — Hebben de vliegen u niet gebeten?
— Laat de duivel ze halen, al beten ze ook! — antwoordde Ivan, die zich na rust en slaap wat onpasselijk voelde.
— Ja, de duivel hale ze, heer Ivan, — zei de gastheer, bereidwillig instemmend. — Toch, moet ik zeggen, soms kan zelfs tijdens een zoete slaap ergernis een goed mens overvallen door dat gespuis…
— Door wat? — vroeg heer Ivan, uit zijn gepeins opgeschrikt.
— Door de vliegen, edele heer. Je zou denken dat een goed mens voor hen soms zoeter is dan honing…
— Mijn hoofd doet pijn, — onderbrak heer Ivan somber. — Schenk liever een glas wodka in dan nutteloos te kletsen…
— Met genoegen, met genoegen, heer Ivan! — viel de gastheer in, zich haastend alsof hem een heel dorp met akkers was geschonken.
Met kleine, opgewekte pasjes ging hij voor heer Ivan uit naar binnen, terwijl deze hem volgde met dezelfde sombere en norse blik, maar ondertussen zijn borstelige snor gladstrijkend.
— Gaat u zitten, heer Ivan, ik schenk meteen een glaasje in, — zei de gastheer, druk rondlopend.
— Geen tijd om te zitten, — antwoordde heer Ivan onvermurwbaar. — Schiet op, ik drink het wel staand. En heb je het geld al klaarliggen? Ik kan niet wachten…
— Jammer, heel jammer dat u zo’n haast hebt, heer Ivan, — zei de gastheer. — Zo’n wodka moet men drinken en savoureren, om eerlijk te zijn…
— Is het geld klaar? — vroeg heer Ivan.
— Klaar, heer Ivan, al valt het ons zwaar.
Hier zuchtte de gastheer en keek weemoedig naar de beurs die hij uit zijn zak had gehaald, en daarna naar heer Ivan.
— Geen reden om daarover te praten, — zei heer Ivan, die inmiddels een groot glas wodka had doorgeslikt als ware het een bes.
De gastheer zuchtte opnieuw, berustte en zweeg. Stil haalde hij het geld tevoorschijn, de hryvna’s, draaide ze om en bekeek ze, en begon ze daarna zachtjes te tellen.
— Kun je tot driehonderd tellen, of gaat dat je boven je macht? — vroeg heer Ivan, niet al te boos, want terwijl hij sprak, schonk hij een tweede glas in; hij sprak eerder spottend, zelfs wat schertsend. — Hoe tel jij eigenlijk?
— Ik tel altijd per zestigtal, heer Ivan, — antwoordde de gastheer. — Vijf, zes… er is geen betere manier dan per zestigtal… zeven, acht… mijn zalige vader vergiste zich nooit… negen… elf…
Het tellen van de gastheer werd achteloos onderbroken door heer Ivan, die een derde glas inschonk en opdronk. Een tijdlang luisterde hij zwijgend naar het gemompel van de gastheer, onderbroken door het tellen van de munten, die hij in stapeltjes op tafel legde.
Maar na het vierde glas keerde alle strengheid van heer Ivan dubbel en dwars terug: zijn voorhoofd fronste zich, zijn gezicht werd donker. Op het vriendelijke groeten van de gastheer antwoordde hij niets; hij telde het geld streng na, stopte het ongeduldig in zijn zak, verliet met snelle tred het huis, maakte het paard los dat stond te grazen — het uitscheldend voor veelvraat — hief streng zijn muts op bij alle begroetingen, trok haar meteen weer bijna over zijn ogen, en liet het paard in draf het erf verlaten. Weldra verdween hij in de wijde steppe, die helder groen glansde onder de stralen van de vrolijke zon.

XII
Terwijl de arendsogen van Taras gulzig het spoor volgden van heer Ivan, die over de steppe voortjoeg, richtten Maroesja’s ogen zich, nadat zij de ruiter van het erf had uitgeleide gedaan, op de gastheer.
De gastheer stond bij de poort en keek, blijkbaar zonder doel en zonder gedachten, heer Ivan na; net als Taras volgde hij diens snelle rit en luisterde hij werktuiglijk naar het geluid van de hoeven over de steppe. Met de ene hand aaide hij de hond die naar hem toe was gekomen, met de andere schermde hij zich als met een parasol tegen de zonnestralen die hem in het gezicht vielen. Toen, alsof hij zich genoeg had verlustigd aan het schouwspel, keerde hij zich langzaam en kalm van de poort naar het huis, terwijl hij hier en daar over het erf keek met die onderzoekende blik waarmee een zorgzame, ijverige en waakzame boer soms rondziet, om te ontdekken of er in zijn ordelijke en onberispelijke huishouden misschien iets is waaraan hij zich kan wijden en waarop hij zijn bedrijvige ijver kan richten.
— Grootvader! — riep Taras eindelijk, zich losrukkend uit zijn hardnekkige staren naar de ruiter die allang verdwenen was. — Waar staat het vijandelijke leger? Ik dacht, in het Grote Ravijn, maar…
— Ach, kinderen, wandelen jullie hier in de boomgaard? — zei heer Knysj vriendelijk, zijn pas inhoudend en knikkend. — Als jullie genoeg gewandeld hebben, ga dan naar binnen; laat het heilige brood niet tevergeefs groeien!
En glimlachend ging hij naar binnen; zij volgden hem.
In een oogwenk waren fles en glas, die voor heer Ivan hadden klaargestaan, weggeruimd; op tafel verschenen varenyky en platte koeken, en in plaats van de scherpe geur van wodka rook men nu de frisse geur van zure room.
Taras, hoewel in gedachten verzonken over de vraag waar het vijandelijke leger nu zijn kamp had opgeslagen, werkte de varenyky naar binnen met niet minder ijver dan wie ook; hij at zo snel alsof hij ze achter zich wierp. Maar Maroesja dacht niet eens aan eten; terwijl haar dunne vingers de koeken braken en verkruimelden, weken haar ogen niet van het gezicht van de gastheer.
— Grootvader, grootvader! — begon Taras weer. — Als hij naar de Kromme Kruisen reed, dan staat het leger dus niet meer in het Grote Ravijn?
— Waarschijnlijk niet, jongen, waarschijnlijk niet, — antwoordde de oude man vriendelijk, terwijl hij hun oprecht eten toeschoof. — Maar je doet me aan iets denken, Taras: we zouden eens moeten kijken hoe het met onze visfuiken bij het Grote Ravijn staat.
— Ik ben ze helemaal vergeten! — riep Taras uit, opspringend alsof iemand hem met één zwaai had opgetild.
— Dat is me een gastheer! — zei heer Knysj glimlachend.
— Maar grootvader! — zei Taras. — Ik begrijp niet hoe ik dat kon vergeten!
Hij stond onzeker voor zijn grootvader, alsof het hem niet betaamde zulke zaken in het huishouden uit het oog te verliezen.
— Ik ga meteen kijken, — zei hij tenslotte, zich herstellend van zijn verbazing en zijn verwarring verdrijvend met het besluit de zaak zo snel mogelijk in orde te brengen.
Hij schoot het huis uit; even hoorde men zijn luide gestamp, toen klonk in de verte zijn stem die Rjabko riep, en daarna werd het stil.
Maroesja bleef alleen achter met de gastheer. Nu stond hij voor haar en keek haar aan, met een andere blik, bij het zien waarvan haar hart heftig begon te kloppen en te fladderen.
Voor haar ogen voltrok zich plots een wonderlijke verandering, of beter gezegd: een gedaanteverwisseling. Heer Knysj was als herboren. In plaats van het sluw-eenvoudige, goedmoedig-bezorgde gezicht van een huisvader blonken haar scherpe, doordringende ogen tegemoet, als een vlijmscherpe dolk; alle zachte rimpels waren verdwenen, zijn gelaatstrekken stonden anders, duidelijker; geen spoor van speelsheid of zorgeloosheid bleef over. Hij leek zelfs groter, breder in de schouders, zijn armen krachtiger.
Enkele minuten keek Knysj naar Maroesja, en Maroesja naar hem, als een betoverde vogel. Toen sprak hij, en ook zijn stem was veranderd: zoveel helderder en steviger, dat zij zich tot de vorige verhield als een viool met gebroken snaren tot een goedgestemde, zingende viool onder de hand van een meester.
— Maroesja, — zei hij, — niet ver van hier verblijft een vriend van je die graag een paar woorden met je wil spreken. Misschien wil je snel naar hem toe?
Hij begreep haar antwoord zonder woorden — woorden die door grote vreugde als met een scherp mes waren doorgesneden — en gaf haar een teken hem te volgen.
Hij ging naar buiten. Maroesja’s ogen bleven blij en onzeker rusten op de oude stenenhoop, vlakbij de plaats waar zij de stem had gehoord die haar moed en vreugde had teruggegeven. Maar Knysj zette geen stap in die richting; hij bleef staan, keek aandachtig om zich heen en floot. Voron, die bij de poort de wacht hield, was met twee sprongen bij hem, ging op zijn achterpoten zitten, hief zijn kop en keek verstandig en oplettend in de ogen van zijn meester, wachtend op een bevel.
— Is er geen vreemde in de buurt, Voron? — vroeg Knysj.
Voron gaf een zacht, maar duidelijk geluid, alsof hij wilde zeggen: “Wees gerust!” En als extra bewijs dat men zich veilig kon voelen, begon hij vliegen te vangen en in te slikken, gebruikmakend van een vrij ogenblik tussen gewichtige zorgen en belangrijk werk.
Knysj leidde Maroesja opnieuw de gang in, maar in plaats van de deur naar de woonruimte te openen, deed hij de tegenoverliggende deur open, naar de voorraadkamer, waar het vol lag met alles wat het menselijk leven ondersteunt. Men kon zich nauwelijks tussen de talloze zakken meel, grutten, gierst, erwten, maanzaad en bonen doorwringen; slingers hop, worsten en gedroogde appels ontnamen het licht; manden met eieren, die bij een onvoorzichtige stap zo konden omvallen, dwongen tot behoedzaam lopen; en hele rijen flessen en kruiken versperden eveneens de weg.
Toen Maroesja binnenging, zocht zij voorzichtig waar zij haar voet kon zetten, overal dreigde gevaar. Zij keek naar Knysj, die de deur achter zich sloot, en zag plots vlak bij de drempel een opening in de vloer en een ladder die naar een onderaardse ruimte leidde.
— Ga stilletjes naar beneden, meisje, — zei Knysj. — Let goed op je voetjes!

XIII
Zij begonnen langs de wankele ladder naar beneden te klimmen, die onder hen doorboog en trilde alsof zij leefde.
Maroesja merkte niet hoe het onderaardse vertrek zich opende of hoe het zich weer sloot; zij bemerkte het slechts doordat zij plots in het donker stonden.
Hoe verder zij afdaalden, des te frisser en vochtiger werd de lucht, zoals in een kelder waar nooit een warme, heldere zonnestraal binnendringt. Af en toe voelde zij hoe een zekere, vaste hand haar aanraakte en zorgzaam ondersteunde.
Eindelijk hield de ladder op en bevond Maroesja zich op de bodem van een diepe kelder.
Op datzelfde ogenblik nam haar begeleider haar bij de hand en leidde haar verder.
Zij gingen niet ver; nauwelijks hadden zij enkele stappen in de duisternis gezet of een brede strook daglicht viel fel van boven naar binnen en verlichtte een ruime onderaardse ruimte, waar de kozak van de Sietsj rustig heen en weer liep. Hij was geheel verdiept in gedachten, maar had niets van zijn gewone waakzaamheid verloren en merkte de bezoekers meteen op.
— Ach, kleine Maroesja, trouwe raadgeefster! — zei hij, hen met een kalme glimlach tegemoet tredend, alsof hij gasten op een vreedzaam feest ontving.
Hij toonde geen ontroering; slechts één ogenblik, niet langer, verzonken zijn schitterende ogen in de hare, die vol vreugde en hoop op hem gericht waren.
Maar er bestaat een geheimzinnige kracht die op bepaalde ogenblikken van het leven zelfs het diepst verborgen kloppen van het hart verraadt. Heer Knysj begreep en doorzag dat het kleine meisje voor de Zaporozjer kozak reeds alles was geworden wat het zware, sombere, eenzame en gevaarlijke leven verfraait en verlevendigt, wat het betovert en met tederheid vervult.
En toen hij dit begreep, gleed er over zijn gezicht die bijzondere uitdrukking van weemoed en verlangen om iemand te koesteren, een bittere uitdrukking die vroeg of laat op het gelaat verschijnt van elke eenzame mens, hoe sterk van geest en karakter ook.
— Laten we verder gaan, — zei Knysj. — Daar kunnen we beter gaan zitten en spreken; daar horen we het ook eerder als er onverwacht iemand komt…
Zij liepen verder door het onderaardse gangenstelsel, dat nu eens nauwer, dan weer breder werd; soms liet het geen vonkje licht door, dan weer werd het helder verlicht doordat het licht van boven viel in cirkels, stroken, sterren, driehoeken en allerlei vormen, afhankelijk van de openingen die de natuur had gemaakt. Soms viel het licht door een spleet als door een rond venster; soms drong een bundel stralen door kleine luchtgaten of trilde een smalle lichtstreep over de zwarte aarden wand.
Overal waar licht naar binnen viel, waren kleine ladders aangebracht, zodat degene die zich in het ondergrondse verschool niet alleen van het daglicht kon genieten, maar ook kon zien wat er buiten gebeurde, terwijl hijzelf onzichtbaar bleef.
Allen zwegen een tijdlang, zoals vaak gebeurt wanneer een gedachte of gevoel het hart diep raakt.
— Aan tijd hebben wij geen overvloed! — zei Knysj, zich tot de Sietsj-kozak wendend.
— Maar aan vindingrijkheid ontbreekt het ons niet, — antwoordde de Sietsj-kozak. — Wij zullen noch moed noch gezondheid aan de deurpost hoeven te bedelen…
— Wat mij betreft: als het tijd is om te gaan, dan gaan we!
— Zeker! Maak mij gereed, vriend, ik ben zo bereidwillig als een pastoorsdochter om te trouwen!
— Welnu, aan het werk! — zei Knysj.
Hij liep enkele stappen opzij en keerde terug met een flinke bundel versleten boerenkleren, een valse grijze baard, snor en wenkbrauwen, een bedeltas en een bandoera — alsof hij dit alles uit de aarde zelf had opgegraven.
— Gaat het meisje met je mee? — vroeg Knysj, terwijl hij de bundel uitspreidde.
— Maroesja, ga je met mij mee? — vroeg de Sietsj-kozak.
— Ja, ik ga mee, — antwoordde Maroesja.
— Weet je dan waar we heen gaan, meisje? — vroeg Knysj.
— Weet je waarheen? — herhaalde de Sietsj-kozak.
— Nee. Ik ga waar jij zegt, — zei Maroesja. En haar hart was blij, warm en moedig bij de gedachte dat zij zou gaan.
— Hier is kleding voor het meisje; laat haar zich verkleden als zij werkelijk mee wil gaan, — zei Knysj, terwijl hij meisjeskleren uit de bundel haalde en haar aanreikte, als een goochelaar die uit een ei een boeket bloemen tevoorschijn tovert.
— Je zult een voortreffelijke bandoerist zijn, mijn vriend! — zei Knysj, terwijl hij toekeek hoe de Sietsj-kozak zich hulde in de kleren van een rondtrekkende zanger. — En je hebt een trouwe gezellin! — voegde hij eraan toe, glimlachend bij het zien hoe ijverig Maroesja haar mooie kleren ver weg legde en zich levendig hulde in oude, gescheurde lompen.
— We gaan naar de hetman zelf, Maroesja! — zei de Sietsj-kozak.
Haar vrolijke blik bracht hem even tot nadenken, maar niet lang.
— Terwijl wij ons gereedmaken voor de reis, vriend, — zei hij tot Knysj, — onderricht ons eens goed. Vertel ordelijk wat er hier gaande is. Ik zwerf al meer dan een maand onder het volk, maar heb nog niets zekers of deugdelijks vernomen: er is meer eensgezindheid onder marktvrouwen op een grote jaarmarkt dan hier in het roemrijke Oekraïne!
Knysj volgde zwijgend hun verkleedpartij en, als iemand die meer vertrouwd was met voorzichtigheid dan met openhartigheid of overmoed, stemde hij noch toe noch sprak hij tegen, maar tokkelde af en toe zacht op de snaren van de bandoera die hij in handen hield.
— Wat voor nieuws heb je? Spreek vrijuit en zonder haast; mijn werk is als een spontane kus… jij begrijpt en doorziet meer dan ik, — ging de Sietsj-kozak verder.
— Ach, wat zal ik zeggen, — antwoordde Knysj. — Het volk moppert… De ene oever vertrouwt men al lang niet meer, en op de andere begint men het vertrouwen ook te verliezen… Onzekere tijden… Aan de ene kant de Moskovieten, aan de andere de Polen, aan de derde de Tataren, en in eigen huis twee hetmans die elkaar bestrijden…
— Men vertelde dat de onze zwak is van gezondheid; is dat waar?
— Ziek is hij niet geweest, maar hij is vermagerd; en geen wonder: verdriet verfraait slechts de kreeft! — antwoordde Knysj.
— En die andere?
— Die? Als je goede geruchten over hem wilt verzamelen, doorkruis dan heel Oekraïne en keer met lege handen terug; verzamel je slechte, dan kun je overal waar je komt doof worden.
— Wie van de onzen is bij hem?
— Antin houdt nog stand, maar ook hij zegt dat het hem te zwaar wordt: “Zo’n nietsnut ben ik nog nooit geweest,” zegt hij. In elk geval, onthoud dat zijn vrouw een goede vrouw is.
— Werkelijk? Die grote dame?
— Ja, die grote dame. Zelfs tussen brandnetels kan een lelie groeien.
— Waar komt zij vandaan?
— Dat weet ik niet.
— Als zij een bes van hun veld is, vertrouw haar dan niet: het zal hetzelfde dier zijn, slechts met een andere smaak. Dus de onze is sterk verzwakt?
— Ja, verzwakt.
— Wie is nu zijn raadgever?
— Niemand. Hij zit alleen, als een neergeschoten arend.
— Dat moet zwaar voor hem zijn.
— Jazeker.
De Sietsj-kozak was gereed en nam de bandoera uit Knysj’ handen. Maroesja was ook klaar, en allen verlieten het onderaardse.
Reizende troepen die langs de hoeve trokken, zagen een waardige bandoerist die op de drempel van heer Knysj’ huis zat, zacht de snaren tokkelend en met lange uithalen goddelijke psalmen zingend; terwijl zijn gezellin, gebruikmakend van de rust, op het gras sliep, en heer Knysj, het hoofd gebogen, nederig en enigszins schuchter luisterde naar deze heilige gezangen, als iemand die vaag voelt dat hij niet altijd het pad heeft bewandeld dat in de psalmen wordt gewezen.

XIV
Toen het ging schemeren waren de bandoerist en zijn gezellin al bij het militaire kamp, dat zijn tenten had opgeslagen niet ver van de rivier, op een heuveltje, te midden van een uitgestrekt, geurend, fris veld.
De avondschaduwen werden steeds dichter, en alleen in het westen scheen een felrode strook van de avondster.
Het was erg stil in het kamp. De wachters, door het avondlicht verguld, leken door hun stilstand en glans alsof ze uit metaal waren gegoten. Een paar figuren bewogen zich snel en gehaast, andere zwierven langzaam rond; in één tent, ondanks dat het daglicht nog niet helemaal was verdwenen, was door het witte tentdoek te zien dat er een kaars brandde; af en toe klingelde ergens een wapen, of klonk er een kreet.
De bandoerist werd van veropgemerkt, maar hij naderde langzaam tot midden in het kamp en riep daardoor geen haat of voorzichtigheid op.
Zijn verschijning was voor velen zelfs aangenaam: toen hij op de bandoera speelde en langzaam, plechtig een goddelijk psalm zong, luisterde iedereen aandachtig.
Heel wat hoofden, verbonden met bebloede verbanden, kwamen overeind met de duidelijke intentie een aalmoes aan de zanger te geven, maar gevoelens van zwakte dwongen sommigen om frustratie te uiten of treurig te glimlachen; één knikte naar de gezellin om dichterbij te komen, hem van ver een stap te tonen.
Het meisje stond echter aarzelend, de bandoerist zei niets tegen haar, waarschijnlijk omdat hij met zijn oude ogen dat knikje niet had opgemerkt.
“Kom dichterbij, mooi meisje,” sprak de gewonde man, “ik zal je niets doen, en je krijgt een centje!”
Andere handen riepen ook het meisje, en zij liep rond, buigend en met trillende handen aalmoezen verzameld, terwijl ze vriendelijke blikken ontmoette en speelse groeten hoorde.
En toen klonk de bandoera zo krachtig in de handen van de bandoerist dat alle aandacht erop gericht werd.
Wat voor een lied het was, was moeilijk te ontcijferen; het leek soms een dreigend onweer, soms een pijnlijke kreet.
Alles viel stil, luisterend, gegrepen door een onbegrijpelijke kracht; men vergat helemaal het verlegen meisje met het hoofd naar de grond en de trillende hand. Iedereen werd betoverd door de bandoerist.
In de transparante, stille lucht, in de helder-glanzende nevel van de roze avond, dreunde, trilde en ontbond het:

Oj, jij rietvink, oj, jij kleine rietvink,
Bouw geen nesten boven de Desna!
Want het water in de Desna stijgt elke dag,
Het zal je kinderen onder water zetten!

Een jonge officier, mooi als een schilderij, zelfvoldaan, dapper, met militaire manieren en een militaire uitdrukking op zijn gezicht, kwam uit een tent.
Hij kwam kennelijk uit verveling, zonder werk, maar toen hij de zang van de bandoerist hoorde, bleef hij stilstaan, liet hij de rook van zijn pijp niet langer in ringen ontsnappen; hij vergat de pijp, verloor de militaire uitdrukking op zijn gezicht en in zijn houding.
Iets dat lang was onderdrukt, iets dat lang vergeten was, kwam bij hem terug.
In één minuut verander je wonderbaarlijk, menselijke gestalte!
Op het gezicht van de officier, dat enkele minuten eerder nog een militaire parade leek uit te stralen, verscheen nu iets totaal anders.
Zelfs de gelaatstrekken leken veranderd. Op het gladde, hellende voorhoofd verzamelden zich misschien rimpels die daar nog nooit waren geweest; de lippen, trots als de beste versiering, met een zelfvoldane en enigszins brutale glimlach, werden samengeknepen; de ogen, die gewoonlijk alleen militair keken, verzachtten merkwaardig.
De dreigende, sinistere zang van de bandoerist veranderde in een andere, vol van zo’n hopeloze, machteloze weemoed dat een gewonde soldaat zei:
— Oj, ze trekken het leven uit me!

De Oekraïne was bedroefd,
Er was geen plaats om te leven,
De horden hebben met hun paarden
De kleine kinderen vertrapt.

Wat klein was, vertrapt,
Wat oud was, geslagen,
De jonge knechten
Gevangen genomen!

Luisterend naar dit eenvoudige verslag van gebeurtenissen, leek de officier zichzelf vragen te stellen over iets waar hij eerder nooit had aan gedacht.
Het kon zeker worden gezegd dat hij op dit moment niet met dezelfde moed, als voorheen, zou hebben geroepen:
— Vuur!
Een snorrensoldaat, wiens kleur en littekens deden denken aan een oude, beschadigde bronzen standbeeld, dat brute wrede hardheid kon uitbeelden, luisterde aanvankelijk somber maar onbeweeglijk naar de zang, liep daarna verder, verdween achter een tent, ging op het gras liggen, bedekte zich met een jas, en over zijn geharde gezicht stroomden overvloedige hete tranen, tranen die zich niet verraadden door gehuil of zuchten, volledig stil, stiller dan de lenteregen in de steppe.
Plotseling stopte het gezang, de bandoera speelde sneller, sneller, en sneller, en in het militaire kamp klonken dan dansende klanken:

Oj, het meisje verkocht haar rokje,
Kocht een pijp voor de kozak,
Kocht de pijp voor het rokje—
Ze hield echt van hem!

Maar het meisje verkocht haar ziel,
Kocht tabak voor haar ziel,
Kocht tabak voor de ziel—
Ze hield echt van hem!

Het gelach verspreidde zich overal; sommigen begonnen mee te zingen, hun hoofd ritmisch te wiegen.
— Wat een bandoerist! — klonken stemmen — wat een bandoera!
De bandoerist zong nog veel grappige liedjes tot vermaak van de soldaten, en met spijt namen ze afscheid van hem, maar ook met vreugde accepteerden ze de belofte terug te komen om hen opnieuw te vermaken.
— Waar ga je heen? — zei iemand. — Het is nacht buiten, en je weet dat de wegen onzeker zijn…
— Oude mannen zijn niet bang voor rovers, — antwoordde de zorgeloze bandoerist, vertrekkend, en verdween al snel met zijn gezellin in de nevel van de zomeravond.

XV
De sterren waren al aan de hemel verschenen, en de Sietsj-kozak en Maroesja liepen nog steeds hand in hand door de stille, eindeloze, slaperige steppe.
Alles om hen heen zweeg, en zij zeiden geen woord.
Maar waarom ook praten, wanneer je hand in hand op weg bent naar een goed doel?
Het was goed om zo te lopen, hand in hand door de slaperige steppe, in de stilte van de nacht, alleen het kloppen van je overvolle hart te voelen!
Ze wisten niet hoe lang ze hadden gelopen, en wij zullen dat ook niet tellen — deze uren waren mooi, dus het was niet nodig ze te meten — ze vlogen voorbij als een vogel.
Voor hen flikkerden vage lichtjes in de nevel, en al snel tekenden zich in de mist de donkere contouren van muren en huizen af.
Deze stad zag somber en dreigend uit, zwart in de nachtelijke duisternis, slechts verlicht door kleine lichtpuntjes. Het gewone rumoer van de stad was niet te horen, de gebruikelijke bedrijvigheid niet zichtbaar; hier leefde iets anders; de echo van stappen was anders, de nagalm van stemmen was anders. Zoals men in de natuur weet wanneer een storm nadert, zo ademde deze plaats gereedheid voor strijd en verzet; hoe dat precies tot uiting kwam, kon men niet zeggen, maar het was overal zichtbaar: op de arme, lage huisjes tussen de tuinen, op de hoge klokkentoren, op de oude stadsmuren, en op de recent opgeworpen wallen. Alles leek klaar voor vastberaden verzet, hoewel nachtegalen lentekwetterend door de tuinen zongen en vrouwen rustig over de straten liepen.
Niemand riep hen toe toen ze bij de stadspoort kwamen, en ze betraden de stad zonder hinder; maar elk paar ogen leek hen op te merken en scherp in de gaten te houden.
— Hé, broertje! — zei de Sietsj-kozak, zich tot een jonge kozak richtend, die ergens op stond te wachten, leunend tegen een hek bij een huis met een verlicht raampje. — Hé, broertje, wil je alstublieft de oude bandoerist laten zien hoe hij bij de heer-hetman kan komen?
De jonge kozak hief zijn muts iets op, wees naar de straat die in het donker lag, bezaaid met vonken van de ramen, en zei:
— Als je deze straat uitloopt, is het huis van de hetman aan de rechterkant.
Ze bedankten de kozak en volgden de aangegeven straat, en konden meteen raden welk huis het hetman-huis was, omdat het helderder verlicht was, en omdat twee meisjes, lopend langs het huis, hun pas vertraagden, naar het raampje keken en zeiden: “De heer-hetman slaapt waarschijnlijk niet.”
In dat raampje tekende zich duidelijk het hoofd van een snorachtige kozak af, alsof het uit zwart steen was gehouwen, zijn hoofd steunend op zijn hand in diepe gedachten.
Als je goed luisterde, kon je mannenstappen horen in de kamer, soms langzaam, soms snel, verbazingwekkend duidelijk.
De Sietsj-kozak klopte.
Een besnorde kozak stopte met denken, stond op en deed de deur open.
De stappen in de kamer verstomden onmiddellijk, en er viel stilte.
— Vrienden komen hulde brengen aan de heer-hetman, — sprak de Sietsj-kozak, het huis binnengaand hand in hand met Maroesja.
Het was een gewone kamer, de tweede deur was gesloten.
— Dank voor jullie vriendelijke attentie! — antwoordde de besnorde kozak gereserveerd-beleefd, alsof zulke bezoeken regelmatig voorkwamen.
— Mag ik de hetman in de ogen kijken, broertje? — vroeg de Sietsj-kozak.
Maar de deur naar de tweede kamer ging al open, de hetman zelf stond voor hen, en zijn hele houding vroeg zonder woorden: waar komen deze gasten vandaan? Welke berichten brengen ze?
Het vuurlicht verlichtte hem niet geheel, maar in strepen en vonkjes: soms van boven, soms van opzij, soms van beneden. Hij was geheel gehuld in zwarte schaduwen en trillend gefilterd licht.
Zijn gelaatstrekken waren moeilijk te onderscheiden, alleen zijn scherpe, nieuwsgierige ogen schitterden in de schemering als kolen.
— Ik buig voor u, heer-hetman! — zei de Sietsj-kozak, hem ziend, en boog diep.
Maroesja boog ook diep voor de heer-hetman.
— Dank u, — antwoordde de hetman. — Welk lied zult u voor ons zingen, vriendelijke bandoerist?
Zijn stem alleen al verried iemand die gewend was te bevelen, niet bevelen te ontvangen, iemand die gewend was zijn verlangens en gedachten uit te drukken zonder te stoppen, en zonder aarzeling of vrees erom te strijden en ze te verdedigen.
— Alleen een eigen lied, heer-hetman, want ik zit niet op andermans wagen en zing niet voor de gunst van een meester.
De hetman antwoordde hier niet op, maar geen woorden konden beter verbazing, woede en spijt uitdrukken dan deze stilte.
— Waar komt u vandaan? — vroeg de hetman.
— Uit Zaporizja, — antwoordde de Sietsj-kozak. — De Zaporozjer kozakken bevelen mij nederig te buigen voor de voorname heer-hetman.
— Dank u, — sprak de hetman. — Welkom in mijn kamer.
De Sietsj-kozak volgde de hetman naar de tweede kamer, en Maroesja, nog steeds zijn hand vasthoudend, ging ook de hetmanskamer binnen.
Er was geen bijzondere versiering in deze kamer: dezelfde witte muren, dezelfde linden banken als in een gewoon kozakkenhuis, alleen hing er veel verschillend en kostbaar wapenwerk aan de muren en stond het in de hoeken; op de tafel lagen een banjoek en papieren.
De hetman-jupans hingen op haken, en hun borduurwerk glansde. Het bed leek onneembaar voor slaap en rust, en het weggeschoven kussen aan het hoofdeinde sprak duidelijk van de hitte en pijn van het hoofd dat er kort op rustte.
— Ga zitten, — sprak de hetman.
Hij ging zelf zitten en richtte zijn vurige ogen op de Sietsj-kozak.
Zijn hele lichaam trilde zichtbaar, alsof hij zichzelf bedwong, en die teugels hinderden en irriteerden hem.
— Excuseer, heer-hetman, — antwoordde de Sietsj-kozak, — zie je, ik heb een kleine gezellin, ze is moe, helemaal uitgeput; ze moet rusten, arme…
De hetman stond op en trok een weelderige jupan van een van de dichtstbijzijnde haken en wierp die naar de Sietsj-kozak. Daarna viel zijn blik op een Perzisch tapijt dat een grote bank bedekte; hij trok het met één beweging los en wierp het ook naar de Sietsj-kozak, terwijl hij ongeduldig keek hoe deze zorgde voor de gezellin.
Geen kinderjuffrouw kon tippen aan de snelheid en vaardigheid waarmee de Sietsj-kozak het Perzische tapijt over de bank legde, het hoofdeinde slim vormend, zonder kussen; en welke kinderjuffrouw had Maroesja zo voorzichtig en teder kunnen optillen, en liefdevol op het bed leggen en bedekken met de weelderige hetman-jupan?
Met welk genot raakte haar vermoeide lichaam dit bed aan, klaargemaakt door een trouwe en betrouwbare hand!
Maar slapen kon het meisje niet; de slaap kwam helemaal niet. Ze dommelde zelfs niet in; vanonder de overvloedige plooien van de hetman-jupan werden haar ogen onwillekeurig en onoverwinnelijk gevangen door de twee tafelgenoten, en ze volgde elke kleine beweging van hen, ving de kortste uitdrukking van hun gezichten op.
Ze zaten tegenover elkaar aan tafel, en het licht van de brandende kaars verlichtte hun gezichten en houdingen volledig.
Wat een machtig figuur, deze Sietsj-kozak! Zijn kracht en schoonheid vervulden het hart van het meisje met groot respect en hoop.
Maar de tweede figuur!
Haar ziel was vol mededogen en ontroering, terwijl ze keek in die vurige ogen, die somber en onrustig glinsterden onder zware wenkbrauwen, naar de ongepaste rimpels die zijn grootmoedig en trots voorhoofd markeerden, naar alle sporen van vernietiging door innerlijk vuur, een vuur dat waarschijnlijk nooit dooft en onophoudelijk en onverbiddelijk brandt.
Ze spraken beiden zachtjes. Heel zacht en beheerst.
Ze luisterde lang naar dit gesprek, zoals men luistert naar het verre geruis van de zee.
Uiteindelijk won de vermoeidheid het, haar ogen sloten zich onmiddellijk, en ze viel in slaap.

XVI
Maroesja sliep zoals men slaapt aan zee: je slaapt, en tegelijk voel je om je heen de dreiging van een diepe afgrond, en je vangt in je droom het woeste gerommel, en hoewel er veel gedachten door je hoofd malen, lijken de eindeloze golven van die zee onontkoombaar aanwezig. Ze zag in haar droom de boerderij van haar vader, de geurige kersenboomgaard, vertrouwde gezichten, maar alles leek op een vreemde manier niet te zweven, maar eerder te zinken in een mist, naar de achtergrond te verdwijnen; op de voorgrond schitterden nieuwe beelden fel.
Plotseling werd ze wakker en richtte zich snel op in haar bed.
De Sietsj-kozak zat nog steeds zoals eerst, leunend tegen de tafel, en zijn ogen straalden nog steeds als twee heldere sterren, verblindend rustig en gelijkmatig, als echt licht.
De heer-hetman stond in het midden van de kamer. Het was duidelijk dat hij zich in hetzelfde ogenblik had losgerukt toen hem plotseling een intense pijn trof, opveerde en stil stond, alsof hij was getroffen door een gerichte klap.
Ook de ogen van de heer-hetman straalden, maar op een andere manier; zijn hart leed pijnlijk, klaar om elk moment hartverscheurende tranen te laten stromen. Het trotse voorhoofd was verbleekt door zware kwelling, en de vele rimpels leken dieper en dieper te worden.
— Zou een blinde huilen, als hij het pad kon zien! — sprak hij tenslotte. — En de tijd gaat voorbij! De tijd gaat voorbij! En er is geen overeenkomst! Geen hulp! Ik weet het, ik ben het water in gegaan zonder de doorwaadbare plek te vragen, ik weet het! Maar ook jullie zullen de veilige oever niet bereiken! Ik zie het einde naderen!
Zijn stem stokte.
De Sietsj-kozak zweeg, keek alleen aandachtig naar de heer-hetman.
De hetman begon opnieuw:
— Dus jullie hadden er al op gerekend dat ik naar het geld van Judin zou grijpen, hè? Goede mensen! Goede mensen! Jullie…
— Heer-hetman! — onderbrak hem de Sietsj-kozak met respect — sta me de eer toe dat ik een verhaal vertel.
— Spreek!
— Er waren eens twee goede honden…
— Ik weet het, ik weet het, ik weet het!
De heer-hetman zakte op de bank bij de tafel, strekte zijn handen over de tafel en legde zijn hoofd erop.
Zijn gezicht was niet zichtbaar, maar aan de kromming van zijn nek, die niet kon buigen, was te raden hoe zwaar de hetman-hoed kon wegen.
Zo lag hij enkele minuten roerloos.
De Sietsj-kozak, die nog steeds aandachtig naar hem keek met zijn sterachtige ogen, leek het niet nodig te vinden om vragen, uitleg of gesprekken aan te knopen.
Eindelijk hief de hetman zijn hoofd op.
— Wat moet ik volgens jullie met mijn hoofd doen, hè?
Zijn stem was ingetogen, maar er klonk diepe, scherpe bitterheid; zijn bleke gezicht vertrok langzaam.
— Maar wij hebben gezworen, heer-hetman, ons hoofd te dragen waar nodig, voor het vaderland. De kracht zit niet in ons hoofd.
De hetman stond snel op, liep door de kamer als een gewond dier dat plots opveert en ronddraait, liep naar het raam, keek de duisternis in van de geurige, stille, warme nacht, naar de talloze fonkelende sterren, en ging weer aan tafel zitten.
Er viel lange tijd een stilte, zo stil dat Maroesja haar hartslag kon horen.
Uiteindelijk stond de hetman weer op, liep naar het plankje in de hoek, pakte daar een inktpot, veer en papier, bracht het naar de tafel, spreidde het uit alsof hij wilde schrijven, en liep terug naar het raam, keek weer in de geurige duisternis van de warme nacht, naar de fonkelende sterren, en sprak toen dof, alsof een ijzeren hand zijn keel dichtkneep:
— Ik zal hem alles schrijven wat nodig is.
— Goed werk, — antwoordde de Sietsj-kozak.
Weer viel enkele minuten stilte.
Intussen kruisten de ogen van de Sietsj-kozak die van Maroesja, en met een vriendelijke knik en glimlach liet hij haar weten dat ze moest proberen weer te slapen en uit te rusten.
Maar zij wees hem, alsof in antwoord, naar de hetman.
Hij begreep dat haar iets dwarszat en gaf haar opnieuw een teken om haar gerust te stellen.
De hetman ging naar de tafel en begon te schrijven.
Deze brief moest zwaar zijn geweest, en het schrijven viel hem moeilijk.
Toen hij klaar was, overhandigde de hetman de brief aan de Sietsj-kozak.
— Lees! — sprak hij.
De Sietsj-kozak las het bedrukte vel, vouwde het en stak het voorzichtig onder de voering van zijn bandoeristenmuts.
— Wanneer breng je het? — vroeg de hetman.
— Zo God en het lot mij leiden, zal ik het bezorgen, — antwoordde de Sietsj-kozak.
Hij stond op.
— Ga je? — vroeg de hetman.
— Ik ga, heer-hetman; moge uw leven gelukkig zijn.
Maroesja stond onmiddellijk op haar voeten.
— Laat je mij niet achter? — vroeg ze.
— Nee, ik laat je niet achter, — antwoordde de Sietsj-kozak, licht zijn donker gezicht naar haar buigend. — En als je moe bent, draag ik je in mijn armen.
Maroesja greep zijn hand.
— Ik buig voor u, heer-hetman, — zei de Sietsj-kozak, diep buigend.
— Hij zal ons verkopen! — mompelde de hetman.
— God zal het niet laten gebeuren, en het varken zal ons niet opeten, — antwoordde de Sietsj-kozak.
— Met hem valt niet te redeneren! — riep de hetman uit — onmogelijk…
— Het maakt niet uit, heer-hetman, het maakt niet uit: waar het ontbreekt aan een wolvenhuid, daar zetten wij een vos neer, — zei de Sietsj-kozak. — Wees gezond en wacht op ons! Kom, kleine Maroesja.
Ze verlieten de hetmanskamer en gingen weer naar de stadswachtpost.
Overal in de straten was het stil en donker; de kersenboomgaardjes glommen zacht wit; ergens klonk het water gedempt.
Na een paar stappen keek Maroesja nog eens naar het hetmanshuis.
In de openstaande deur waaruit ze zojuist waren gekomen stond de hetman en keek hen na.
In het vage licht van de fonkelende sterren was zijn figuur nauwelijks zichtbaar, maar zelfs dit vage silhouet straalde zo’n uitdrukking van pijn uit dat Maroesja hartstochtelijk pijn voelde.
— Ben je moe, Maroesja? — vroeg de Sietsj-kozak terwijl ze door de steile steegjes liepen.
— Nee, — antwoordde ze. — Ik kan goed lopen. Zo ver als je wilt! … Gaan we ver?
— Ja.
Een tijdlang liepen ze zwijgend. Af en toe kwamen ze stadsbewoners uit Tsjygyryn tegen die hen inhaalden, sterke, stevige mensen die hen slechts vluchtig aankeken en dan hun weg vervolgden.
Bij de wachtpost stond een reus met snor bijna een arshin lang recht op van de grond en blokkeerde de weg voor de bandoerist, als een klokkentoren.
— Waarheen leidt God u, vriendelijke heer-bandoerist? — vroeg hij.
— Daar waar goede mensen zijn, gewaardeerde landgenoot.
— En wat als we slechte mensen tegenkomen, heer-bandoerist?
— Als je bang bent voor de wolf, ga dan niet het bos in voor bessen, landgenoot.
— Als ik een dappere kozak was, heer-bandoerist, zou ik voor u buigen en vragen… maar ik ben een bange kozak!
Maroesja probeerde deze “bange” figuur beter te bekijken, maar zijn hoofd was zo hoog dat ze alleen zijn overhangende snor kon zien, als bossen verse steppegras.
— Het maakt niet uit, wees dapper, — antwoordde de bandoerist.
— Zing voor mij een doema.
— Goed.
De bandoerist speelde zacht op de bandoera en zong zacht:

O luister, o zie,
Wat in Oekraïne is gebeurd:
Onder het graf bij Soroka
Is een groot aantal Polen omgekomen.

Toen het gezang verstomde, ging de “bange” kozak opzij, en de bandoerist ging samen met Maroesja vrijuit voorbij de wachtpost.
De weg kronkelde ver en ver weg als een zwarte slang over het zachte, dichte grasveld. In de tuinen van Tsjygyryn zongen de nachtegalen.

XVII
Precies twee weken na hun ontmoeting met de heer hetman, op een stille, prachtige avond, naderden de oude bandoerist en zijn gezellin langzaam een afgebrand dorp.
Het was duidelijk dat deze reizigers niet teveel rust namen: hun ingevallen ogen glommen met een soort koortsige vuur, op hun met roet besmeurde gezichten, hun lippen waren droog en gescheurd.
Toch liepen ze levendig en rustig, pratend met elkaar. Ze kwamen onderweg geen ziel tegen; overal was stilte, rust.
Recht voor hen stonden zwarte, verkoolde huizen en tuinen, dorpen en boerderijen rookten in de verte.
Toen ze de afgebrande straat passeerden, waar hier en daar al groene vlekken van vers fluweelmos verschenen, sloegen ze af naar een ingestorte, verontreinigde put.
— Heerlijk, wat fris water uit de put drinken! — zei de bandoerist.
Hij stak zijn hand in een diepe tas die over zijn schouder hing, haalde er een houten schep uit, joeg de drijvende houtstukken weg, schepte water en bood het aan zijn gezellin aan met een vriendelijke glimlach, die duidelijk liet zien dat hij tevreden en vol geluk was met zijn metgezel.
— Alstublieft, Maroesja! — zei hij.
— Dank u,— antwoordde Maroesja.
Haar glimlach liet ook duidelijk zien dat zij tevreden en gelukkig was met haar metgezel.
Ze boog haar gebruinde lippen naar de schep met koud water, maar terwijl ze haar dorst lesde, deed ze het op een afwezige manier, terwijl haar ogen rusteloos, droevig en medelijdend de ingestorte put en het met houtblokken bedekte wateroppervlak afzochten.
Plotseling schreeuwde ze:
— Ah!
Ze schreeuwde alsof ze eindelijk had gevonden waar ze zo wanhopig op had gewacht. Haar gezicht lichtte op, haar ogen straalden en richtten zich op haar metgezel.
De blik van haar metgezel, toen hij haar geschreeuw hoorde, was niet nieuwsgierig, maar eerder een speelse triomfblik, zoals je een kind eraan herinnert dat het weer een fout heeft gemaakt, ook al had het zichzelf al meerdere keren verzekerd.
— Oh, wat een luide kreet! — zei hij. — Vast lekker putwater, Maroesja?
Maroesja lichtte weer op, maar haar ogen straalden niet meer; ze doofden meteen, haar wenkbrauwen trokken samen, en haar vertroebelde gezicht sprak duidelijk:
— Weer kon ik het niet volhouden!
— Wat van de wagen valt, is verloren,— zei de bandoerist. — Laten we het op de grond gooien! Nog zijn niet al onze meeuwen verdronken! Maroesja, genoeg! Sluit je hart niet, laat je ogen niet op de grond zakken, knijp je mond niet dicht! Hier is niemand om te luisteren of te gluren op deze verbrande plek. Laten we zitten, wat eten, en daarna verder trekken.
Hij haalde een stuk brood, een paar verse augurken en een zakje zout uit de tas, en de reizigers begonnen te eten.
Wat had Maroesja dan zo blij laten schreeuwen, alsof ze meteen een schat had gevonden, waarvan ze hoopte dat ze die zou vinden, maar niet?
Er was niets te zien bij de ingestorte, afgebrande put, behalve verkoolde houtblokken.
Alleen viel een verse krans van groene maagdenpalm op, die samen met de verschroeide houtblokken op het water dreef.
Hoe was die krans hier gekomen?
De bandoerist en zijn gezellin wisten dat blijkbaar niet, of het interesseerde hen helemaal niet, want ze spraken over de stad Batjoerin en noemden geen woord over de maagdenpalm.
Het eten was op.
— Wat, Maroesja, uitgerust? — vraagt de bandoerist.
— Ja, ja, uitgerust! — antwoordt Maroesja luid.
Ze stond nu op, gooide de reistas over haar schouder en keek met stralende ogen naar haar metgezel.
Voordat ze verder gingen, haalde haar metgezel zijn oude staf uit de put en trok de verse krans van maagdenpalm eruit.
— Maroesja! — zei hij,— een prachtige krans zal dat worden!
Maroesja greep de groene takken, schudde het water ervan af en wikkelde het snel om haar hoofd.
— Oh, wat een prachtige krans! — zei ze.
En opnieuw gingen de bandoerist en zijn gezellin levendig en rustig verder.
— Nu is het niet ver meer,— zei de bandoerist,— nog voordat de eerste ster verschijnt, zullen we het Dnipro-kozakkengraf zien. En inderdaad: nog voor de eerste ster aan de hemel verscheen, hadden ze het graf al in zicht.
De zon was ondergegaan en er kwam avondmist, maar een bijzondere mist, goudkleurig met een tint van rozen. Jonge boompjes, dichte struiken en hoog gras dat het graf bedekte, leken zachtjes te gloeien: elk takje, elk grassprietje stak zo duidelijk af tegen de horizon dat het zwaar werd om ernaar te kijken.
Het zwarte gebroken kruis werd zacht verlicht en leek fluweelachtig, en de vogels hoog in de lucht leken door een soort toverspreuk regenboogkleurig te worden, dan weer donker, dan weer regenboogkleurig, afhankelijk van waar ze vlogen.
Vanaf het graf was de Dnipro te zien.
Hij leek daar een enorme uitgestrekte stroom van grijs-zwart ijs te zijn. Aan de overkant rezen beboste heuvels op, helemaal zwart aan de voet, bovenop alsof ze bedekt zijn met gouden vuur.
Het geruis van het water kwam van beneden en het klingelende riet geritsel; overal hing een vreemde frisheid, af en toe onderbroken door het eensgezinde gekrijs van een meeuw, die zelf een nauwelijks zichtbaar stipje boven de rivier was.
— Hier zullen we zitten en zingen,— zei de bandoerist.

Maar alle heren, alle hertogen,
hebben onze velden, weiden, weiden opgeslokt!

Het rolde over het water, daverde door de spleten en echode ver over de bergen.
Na het lied speelde de bandoerist enkele minuten op de snaren van zijn bandoera, terwijl zijn scherpe ogen onverstoord in de Dnipro waren verzonken. Maroesja verloor de rivier ook niet uit het oog.
Plots kraste een meeuw ergens dichtbij in het riet.
De ogen van de bandoerist glansden helder, en opnieuw klonk over de rivier zijn gezang:

Er is voor niemand zo zwaar,
Als voor een jonge sjouwer;
Hey, hey, als een jonge sjouwer!

Wat een sjouwer doet, verdient hij,
Tot het zweet zijn ogen overspoelt!
Hey, hey, tot het zweet zijn ogen overspoelt!”

Weer kraste ergens een meeuw in het riet.
“Tot het zweet zijn ogen overspoelt,
En de meester klaagt.
Hey, hey, en de meester klaagt!

En de meester klaagt,
En de meesteres schreeuwt in het gezicht,
Hey, hey, en de meesteres schreeuwt in het gezicht!

Aan de kant waar de meeuw krastte, kwam een smalle roeiboot uit het riet, nauwelijks te onderscheiden van het donkere water, snel voortbewegend naar een kleine baai, precies tegenover het Dnipro-graf.
Bij nauwkeurig kijken kon je de vage contouren van de roeier zien, of beter gezegd, zijn hoge hoed.
Zelfs zonder hem te zien, kon men zeker zeggen dat zijn hand sterk en precies was.
De hand ging met de peddel om alsof het een speeltje was. De boot vloog over het water als een lichte veer in de wind.
— Nou, Maroesja,— zei de bandoerist,— tijd om naar de oever te gaan.
Zonder het pad te volgen — er waren hier geen aangelegde wegen — daalden ze snel van het graf, omzeilden een rotsige, steile oever en stonden aan de rivier, die zacht tegen het gras klotste en een smalle strook witte schuimrand vormde.
— Gezondheid en Gods zegen! — begroette een vriendelijke stem hen.
Een lichte roeiboot lag op het strand, en naast de boot, met zijn kin op de peddel leunend, stond een vriendelijke boer, heer Knysj.
— Eer aan u! — antwoordde de bandoerist, terwijl hij zijn hoed hief.
— En hoe gaat het, meisje? Alles goed? — vroeg heer Knysj, nauwkeurig naar Maroesja kijkend met zijn heldere valkenogen.
— Alles is goed,— antwoordde Maroesja.
Zelfs als ze niet had geantwoord, had hij haar antwoord gemakkelijk kunnen raden aan elke ader in haar levendige gezicht.
Toch, als een man die gewend is zich niet op één enkel, hoe duidelijk ook, bewijs te verlaten, en niet tevreden met het getuigenis van Maroesja’s gezicht, glimlachend en haar over het hoofd streelend, wierp hij met zijn snelle maar doordringende ogen een blik op haar metgezel.
Die keek op dat moment glimlachend naar Maroesja. Voor heer Knysj leek die glimlach behoorlijk veelzeggend, want hij stopte met hen aan te kijken en richtte zijn blik op de Dnipro.
— Gaan we straks varen? — vroeg de bandoerist.
— Nu meteen. Het zal heerlijk zijn om te varen, stil… zo stil dat je bijna geen rimpeling voelt… Zonder de frisheid van het water zou het benauwd zijn.
Het was duidelijk aan het gezicht en de stem van heer Knysj dat hij genoot van deze stilte, en onwillekeurig ontsnapten woorden uit zijn mond, zoals gebeurt wanneer iemand volledig betoverd is door een gevoel.
Plots kraste een meeuw, alsof die net achter heer Knysj vandaan schoot.
Onmiddellijk antwoordde van de overkant hetzelfde gekras van een meeuw.
— Het paar roept naar elkaar! — merkte de bandoerist op.
— Oh, deze vogels zijn erg gevoelig! — antwoordde heer Knysj terwijl hij in de boot ging zitten. — Ga zitten, meisje, — voegde hij eraan toe, naar Maroesja reikend.
— Waar is de andere peddel? — vroeg de bandoerist, zo licht en handig in de boot springend dat deze niet wiebelde.
— In de boot, op de bodem. We gaan!
De boot gleed snel het water op en schoot over de donkere Dnipro.

XVIII
Wat heerlijk om te varen over een brede rivier op een warme zomernacht!
Sterren branden boven je en sterren branden onder je; boven vaart de maan, en beneden vaart de maan.
“Oh, kijk daar de oevers!” — denk je, terwijl je in de donkere lijnen tuurt. Daar groeit vast een dennenboom, want er kwam net een harsachtige geur van daar aanwaaien, en daar verderop staan ongetwijfeld talloze bloemen, want de warme wind blies een net geplukt, door dauw besprenkeld boeket in je gezicht.
— Nou, wat is er voor nieuws? — vroeg de bandoerist.
— Niet veel, — antwoordde heer Knysj terwijl hij met de peddel stuurde.
— En hoeveel is niet veel?
— Zo weinig dat een klein kind er met twee vingers niets van kan grijpen.
— Is hij thuis?
— Ja, hij is kaploens aan het braden en verwacht gulzige gasten.
— Als hij kaploens braadt, betekent dat dat hij iets heeft bedacht: hij zal zich niet voor niets inspannen, hij is geen gewone gastheer.
— Wie kan doorgronden wat hij bedenkt: hij heeft zoveel plannen als een hond sporen.
— Nou, hij zal niet zomaar op een heilige plek terechtkomen; hoogstens per ongeluk.
— Waarschijnlijk. En die dan?
— Eh! Als iedereen zoals hij was, dan konden mensen nog goed leven. Dat is een echte man. Zijn ziel, als hij naar de hemel gaat om maanzaadkoek te eten, zal niet klagen dat er een worm in de stam zat!
— Heeft hij geschreven?
— Ja. Maar het was niet makkelijk voor hem! Zijn hele wezen krulde, alsof berkenbast in het vuur lag.
— De helft van het werk is gedaan, en daarvoor danken we God. Hij is graag bezig…
— Misschien draait hij een beetje met mij; ik ben als een karper, die spartelde aan de haak… Maroesja, je bent moe, hè? Ga maar liggen en rust even uit. Ik zal je een verhaal vertellen.
— Dat is een goed idee, — merkte Knysj op.
— Ik wil niet slapen, ik blijf zitten, — begon Maroesja.
Maar twee sterke, handige handen spreidden in één beweging een dikke wollen deken op de bodem van de boot, hielpen Maroesja voorzichtig en legden haar op het bed.
— En ik zal het verhaal vertellen, — zei de Sietsj-kozak opnieuw.
— Oh, luxe! — zei Knysj. — Ach, wat jammer dat ik maar twee oren heb: als ik kon, zou ik er twintig bij lenen en met allemaal luisteren.
— Er was eens een kozak, — begon de Sietsj-kozak, — een goede, vrome man, maar toch een dwaas. Aan de buitenkant leek hij gereserveerd, en vanaf het eerste woord deed hij gereserveerd, maar als je hem dieper bekeek, zat er zo’n dwaasheid in dat andere, verstandige kozakken er dronken van werden, als van een slecht kruid. Deze kozak besloot een huis voor zichzelf te bouwen. En hij zei tegen zijn vrouw:
— Nou, vrouw, ik zal je verbazen: ik bouw een huis zoals nog nooit eerder op de wereld is geweest. En ik zal het niet bouwen zoals anderen.
— Hoe dan? — vraagt de vrouw.
Hij knipoogde, alsof hij wilde zeggen: “Jij bent niet bij de juiste terechtgekomen, ik zal niets verklappen!” — hij lachte en ging het bos in om te hakken…
— Kijk! — fluisterde Maroesja plotseling, — kijk!
En ze wees vooruit, naar rechts.
Maar Knysj, die daar met zijn gezicht naartoe zat, knipperde al voorzichtig met zijn valkenogen, alsof hij bekende dingen herkende.
De Sietsj-kozak, toen Maroesja riep, bewoog niet, maar vroeg alleen aan Knysj:
— Wat is daar?
— Zij zijn het, — antwoordde Knysj.
Op een zanderige landtong, die als een zilveren lint in het donkere, door sterren verlichte water stak, stonden twee mannen in jassen en hoge hoeden, blijkbaar wachtend op de boot die naar hen toe kwam.
Hoewel de boot nog een kwart werst van de landtong verwijderd was, waren de mannen zo duidelijk zichtbaar tegen de lucht dat Maroesja onmiddellijk de bekende figuren Semen Voroshylo en Andrij Kroek herkende.
Hoe dichter de boot bij de landtong kwam, hoe duidelijker het werd dat de kozakken die aan het wachten waren, niet vrolijk waren.
Andrij Kroek stond, leunend op zijn stok, en keek nors, zonder zijn ogen van de boot te wenden; Semen Voroshylo leek ergens over na te denken, en zijn linkerhand maakte voortdurend bewegingen die gewoonlijk woede of ongenoegen tonen, over hoop, vrienden of vijanden die hen bedrogen hadden.
Toen de boot met de punt de landtong raakte, haalden beide kozakken hun hoeden af en zeiden:
— Gezondheid!
— Gezondheid! — antwoordden Knysj en de Sietsj-kozak.
Ze keken een paar minuten naar elkaar.
De gezichten van de Sietsj-kozak en Knysj waren rustig, hun ogen scherp gericht op de twee anderen.
De gezichten van de kozakken waren merkbaar somber, en hun ogen, in plaats van de aangekomen vrienden te mijden, dwaalden of werden verborgen onder gefronste wenkbrauwen.
— De boot hierheen, naar deze oever, — mompelde Semen Voroshylo somber.
En terwijl hij dat zei, begon hij Knysj zorgvuldig te helpen de boot uit het water te trekken.
— Maroesja, — zei Andrij Kroek, terwijl hij een klein pakketje uit zijn borst haalde, — dit stuurde je moeder.
En hij gaf haar het pakje.
— Dank u! — antwoordde Maroesja. — Hoe gaat het met hen? Zijn ze allemaal gezond?
— Iedereen gezond. En het maakt niet uit, alles is goed gegaan.
— En ik krijg geen traktatie? — vroeg de Sietsj-kozak. — Als ze gebracht is, graag, maar zo niet, zeg het dan eerlijk.
— We zijn overal geweest, — begon Andrij Kroek, — maar het gaat niet allemaal zoals…
— Terwijl wij langs die luie knechten liepen, hebben we een paar schoenen kapot gelopen, — onderbrak Semen Voroshylo hem. — Zoals gezegd: niet de heren zelf, maar die knechten!
De boot lag al op het zand, en nu stonden alle vier tegenover elkaar.
— Is het mislukt? — vroeg de Sietsj-kozak.
— Het is niet helemaal mislukt, maar ook niet helemaal gelukt, — antwoordde Semen Voroshylo.
— Hebben jullie Samoes gezien?
— Nee, we hebben Samoes niet gezien.
— Waarom niet?
— We hebben op hem gewacht, maar hij kwam niet.
— We dachten eerst te vertrekken, maar toen besloten we dat we hem toch niet zouden treffen, want men zei dat hij naar Kyiv was gegaan.
— Dus de vergadering was zonder hem?
— Zonder hem.
— Zo’n vergadering kun je eerder schande noemen dan vergadering, — zei Andrij Kroek. — Zeven vrouwen kwamen, spraken zeven woorden, en de rest ging op de stammen zitten, praatten over het weer, snoven tabak, luisterden naar wat er gezegd werd en gingen toen naar huis!
— En wat hebben ze besloten?
— Niets. Ze zeiden dat ze moesten nadenken; nogmaals, ze moesten nadenken.
— En hoe lang gaan ze nadenken?
— Volgende week zaterdag komt de vergadering weer bijeen.
— Nou, heren kozakken, — zei de Sietsj-kozak — voordat die zaterdagvergadering plaatsvindt, gebruik je edele benen niet voor niets, bezoek wie nodig is en zeg: als tegen de afgesproken tijd alles niet op orde is, dan is het gedaan. En als het nu mislukt, vertrouw er dan niet op dat het nog op ons aankomt.
Noch Andrij Kroek noch Semen Voroshylo antwoordden hierop, misschien omdat ze op dat moment hun pijpen aanstaken.
De pijpen deden er echter langer over dan gewoonlijk om te branden. Eindelijk, toen de rook in wolken opstak, zei Semen Voroshylo:
— Misschien is het beter om te wachten op berichten van Broej en Popik… Misschien is het dan zekerder… We hebben al langer gewacht… We kunnen nog een kort moment wachten…
— Ja, soms als je haast hebt, breng je de mensen alleen maar aan het lachen, — merkte Andrij Kroek op terwijl hij zichzelf bedekte met een dikke rookwolk.
— Zaken liggen vaak onder de bank, — voegde Semen Voroshylo toe.
— Het gebeurt, hoe dan ook, — antwoordde de Sietsj-kozak.
— Als we toen niet naar jullie leider hadden geluisterd en ons niet hadden gehaast, dan waren we nu misschien niet voor dom versleten, — zei Andrij Kroek.
— Volgens mijn dwaze verstand zijn jullie juist zo voor dom versleten omdat jullie toen op pad gingen als jonge heren die overzee eendjes gingen jagen.
Terwijl dit gesprek plaatsvond, verzamelde Knysj, zonder een woord te missen, droog riet, stookte een vuur en maakte alles gereed om kasja te koken.
Een paar minuten bleef het stil.
Toen vroeg de Sietsj-kozak zoals gewoonlijk rustig:
— Dus, heren kozakken, hoe staan we ervoor? Brengen jullie mijn groet over of niet?
— Natuurlijk, dat kan, — antwoordde Andrij Kroek.
— Dat kan, — zei ook Semen Voroshylo.
— Alleen… — zei Andrij Kroek — jullie jagen maar nutteloos rond…
— Meneer Andrij, — antwoordde de Sietsj-kozak — daar zullen we niet met jou over praten. Ik ben als die koppige vrouw wiens man haar onder water houdt maar haar niet vertelde dat alles geknipt moet worden, niet geschoren. Gooi mij in de draaikolk van de Dnipro, en terwijl ik naar de bodem ga, laat ik jullie nog met mijn vingers de schaar zien.
— Wat een ellende, — mompelde Semen Voroshylo voor zich uit.
— En ga je de kasja snel opdienen? — vroeg de Sietsj-kozak aan Knysj.
— Het kookt al. Ga zitten en neem je lepel.
Iedereen ging rond de ketel zitten.
— Wat, Maroesja, zo somber? — vroeg de Sietsj-kozak.
— Vermoeid misschien, — zei Andrij Kroek.
— Nee, — antwoordde Maroesja — ik ben niet moe.
— Je mist je familie, — zei Semen Voroshylo.
— Nee, — antwoordde Maroesja — ik mis ze niet.
Haar ogen waren echter bezorgd en verdrietig en gericht op de Sietsj-kozak.
— Dan zal ik haar opvrolijken, ik zal het proberen, — zei de Sietsj-kozak. — Wil je dat ik je nog een verhaal vertel, Maroesja? Wil je dat?
— Ja, — antwoordde Maroesja.
— Goed, luister. Ik vertel je hoe een rivierkreeft water ging halen!
Er was eens een kreeft. Een wonderlijke kreeft. En het gebeurde dat al het water rond zijn huis volledig was opgedroogd en hij moest water halen, of hij nu stierf of niet. Dus de kreeft zat daar en zei:
— Wie zal ik sturen om water te halen? Wie zal ik sturen om water te halen?
— Alstublieft, de kasja is klaar, — zei Knysj.
Iedereen begon te eten.
— Deze kasja, vrienden, zou zelfs een Turkse koningin met haar vingers opeten, — zei de Sietsj-kozak, terwijl hij zijn snor achter zijn oren legde.
— Goede kasja, — bevestigde Andrij Kroek.
— Als het jullie bevalt, heren, dan dient het lot ons nog steeds, — zei Knysj.
— De kreeft dacht lang na, — vertelde de Sietsj-kozak — wie hij zou sturen om water te halen, en kon niemand kiezen: de een kende de weg niet, de ander wel, maar was onzeker; een was ongehuwd en kon onderweg vast komen te zitten; een ander ging zelden naar de kerk, wie weet hoe dat zou gaan; de vijfde was zwak, bij de tiende waaide het hoofd alle kanten op — allemaal ellende.
— Ik ga zelf! — besloot de kreeft.
Hij nam een vat en ging op pad.
Hij liep en liep… En onderweg mopperde hij:
— Waarom ren ik zo? Goddelijke vrienden hebben me in de war gebracht! Niets werkt!
— Wat peper bij deze kasja zou goed zijn! — zei Semen Voroshylo.
— Goede peper zou heerlijk zijn! — stemde Andrij Kroek toe.
— En de kreeft liep zeven jaar water te halen, — vervolgde de Sietsj-kozak — het achtste jaar kwam hij terug, begon over de drempel te klimmen en het water viel eruit.
— Ach, arme kreeft! — zei Knysj.
Het water viel en zei:
— Zo krijgt de duivel het voor elkaar!
Maroesja lachte, Knysj ook, maar Andrij Kroek en Semen Voroshylo zaten nog steeds stijf als pas verloofde dorpsmeisjes.
— Eh, waar is de maan gebleven! — zei Knysj. — Het is tijd!
Iedereen stond op.
— Dus dit is je laatste woord? — vroeg Andrij Kroek aan de Sietsj-kozak.
— Ja.
— Dan, tot ziens.
— Tot ziens.
— En als ze daar beslissen aan wie het bericht gaat?
— Dan aan Knysj.
— Goed. Tot ziens.
— Dank u.
De boot voer snel weg, vloog over de donkere Dnipro, en de zanderige zandbank met de zwarte silhouetten met het inmiddels gedoofde vuur verdween al snel uit het zicht.

XIX
Drie dagen na de eerder beschreven tocht over de Dnipro was het een zondag, en in de stad Hadjatsj luidden de oude klokken, die de stadsbewoners bijeenriepen voor de ochtenddienst.
Nog net bij het aanbreken van de dag leek de stad Hadjatsj, met al haar smalle straatjes, lage huizen en dichte tuinen, omhuld door een lichte mist. Zelfs de figuren die van alle kanten naar de kathedraal kwamen, leken erin te zijn gehuld.
Toch, ondanks deze vroege nevel, was het gemakkelijk te zien aan hun gang en hele houding dat het voornamelijk militairen waren.
De dag ervoor had het geregend, nu was de lucht vochtig, en de stilte was volmaakt. Zo’n stilte dat je van veraf de stappen op de natte straten en steegjes kon horen; een voet die onvoorzichtig in een plas trad, spatte luid, en de druppels die van het loof vielen, druppelden zo duidelijk dat je ze kon tellen.
In het kerkportaal en op de begraafplaats, die opvallend op een tuin leek — hier bloeiden niet alleen kalina, vogelkers, vlier, rozenbottel, rozen, witte, gele en roze acacia’s, maar er groeiden ook volop appel-, peren-, pruimen- en kersenbomen, en het sappige, fluweelzachte gras trilde van de tuinbloemen en kruiden — hadden zich al veel gelovigen verzameld en, wachtend op de ochtenddienst, spraken zij met elkaar over de wereldse zaken.
De voor de lezers bekende bandoerist was ook aanwezig, samen met zijn gezellin. Hij zat op de onderste trede van de kerktrap en vertelde, met een licht verlengde, onderwijzende stem, aan de kozakken en kozakinnen die zich op de treden boven en onder hem hadden geschaard en voor hem in een halve cirkel stonden, over de zieleroerselen die een ziel moest hebben gehad om het hemelse rijk te bereiken.
Toen hij zijn verhaal over de laatste beproeving had beëindigd en zwaar zuchtte — zoals ook de meeste luisteraars — dook de bandoerist een paar minuten weg in vrome overdenkingen en liet zijn ogen bedachtzaam rondgaan over de dingen die langzaam uit de duisternis tevoorschijn kwamen.
De eensgezinde stilte werd verbroken door twee jonge kozakken die aankwamen, met buitengewoon lange snorren en een bijzonder slank en lenig postuur, opvallend netjes en levendig, zoals men gewoonlijk ziet op grote vergaderingen, luidruchtige banketten en andere parades.
— Gezondheid! — zeiden de kozakken en zetten op een zelfverzekerde manier hun mutsen af en weer op, alsof ze dat hun hele leven al zo deden.
— En zal de heer hetman ook komen? — vroegen enkele stemmen in koor.
— Ja, — antwoordden de kozakken.
Deze woorden, luid en helder uitgesproken, leken de bandoerist uit zijn vrome gedachten te wekken. Alsof hij met spijt de hogere wereld verliet waar zijn gedachten zweefden, achtte hij het zijn plicht om zich te mengen in de belangen van anderen, zondige mensen.
— Laat mijn ogen ook de edele heer hetman zien, — zei hij.
— En de hetmansvrouw? — vroeg een levendig, klein, mollig meisje, dat op een strik leek.
— Ook de hetmansvrouw zal er zijn, — antwoordden de kozakken.
— En de vrouw van de broer?
— Waarschijnlijk ook.
— En wie is die vrouw van de broer? — vroeg de bandoerist.
— De vrouw van de broer van de hetman, — antwoordden verschillende stemmen, — Mechtodijivna.
— Mechtodijivna? — zei de bandoerist zacht. — In onze streken heeft men nog nooit van haar gehoord. Is zij in de gunst van de heer hetman?
— Zeer in de gunst! — antwoordde het meisje. — Ze hoeft maar met een wenkbrauw te knipperen, en alles gaat zoals zij wil!
— In zo grote gunst? Zoiets stuurt God soms de mensen toe, — merkte de bandoerist op. — Dat gebeurt!
— Wat is dat voor geklets: “in de gunst, in de gunst!” — mengde een oude grijsharige man zich in het gesprek, wiens ogen glansden onder zijn warrige wenkbrauwen als lichtende raamopeningen onder een ongekamd rieten dak. — Ze vraagt niemand om gunst. Kijk naar haar: recht als een pijl; men ziet dat ze nooit voor iemand haar rug boog of haar hoofd boog!
— Dus zij is trots? — vroeg de bandoerist. — Je krijgt geen toegang tot haar?
En meteen voegde hij toe, met een onderwijzende toon:
— Trots is een zonde. Een trotse man is als een blaas op het plein: vandaag opgeblazen, morgen gesprongen!
— Wat zou dat, geen toegang! — antwoordde een vrouw, groot, rechtop, met ogen glanzend als zwarte diamanten — ze is als een brandende vonk: waar ze verschijnt, wat ze ook aanraakt, alles rondom haar ontvlamt!
— Heeft ze de heer hetman ook in vuur gezet? — vroeg de bandoerist, terwijl hij zijn leerzame toon, bedoeld voor gewone zondige mensen, vriendelijk omzette in een speelse toon.
— Zelfs een natte eik zou vlam vatten bij haar, — zei iemand, die ook op de kerktrap zat, maar verder weg en achter de rijen hoge mutsen niet zichtbaar was. Aan de stem was echter duidelijk te horen dat het een jonge, sterke man was, want zijn stem zou zelfs de oude klokkentoren van Hadjatsj kunnen vervangen, die alleen siste en floot.
— Geeft de heer hetman haar geschenken, satijn en fluweel? — vroeg de bandoerist. — Kleedt zij zich als een vorstin?
— Nou, een keer kwam een kozak haar tegen, en hij vroeg haar het paard water te geven! — vulde de vrouw aan met diamanten ogen.
— Ze kleedt zich als een gewone jonge vrouw, — bevestigde een van de nette kozakken, met buitengewoon lange snorren en een slank, lenig postuur — je kunt haar niet behagen, want ze kan alles zelf en doet alles zelf. Ze accepteert geen geschenken.
— En wat voor heer is haar man? — vroeg de bandoerist.
— Maakt niets uit, hij lijkt een gewone heer.
— Leven ze harmonieus samen?
— Ja, in harmonie.
— Hij lijkt misschien gereserveerd, maar is een gevoelige man, — zei een oudere kozak, steunend op zijn knuppel naast de bandoerist; hij leek zelf gereserveerd, maar was ook een gevoelige man.
— En wat zijn dat voor baardige heren rond Hadjatsj? — vroeg de bandoerist. — Gisteren, toen wij de stad binnenkwamen, ontmoetten we er twee — zulke trotse, hooghartige mannen, pure arrogantie! Ogen schuin en strak, neuzen omhoog, onderlip een el vooruit…
— Dat zijn Moskouse heren, gasten van de heer hetman, — legde een jonge hetmanskozak uit.
— Nu zijn ze al vertrokken, — merkte zijn kameraad op, — er waren er zelfs meer op bezoek bij ons.
— Vertrokken? Waarom dat?
— Wie weet, tegenwoordig is het niet meer zoals vroeger. De heer hetman trakteert hen, spreekt vriendelijke woorden, maar het is niet hetzelfde. Men zegt dat de laatsten ook vertrekken.
Er viel een stilte van enkele minuten. Men hoorde de stappen op de straten en het neervallen van regendruppels van het loof. De sterren begonnen te verbleken. Alles werd duidelijker, trad uit de duisternis en nam zijn ware vormen aan, alsof iemand langzaam het nevelige deken optilde.
Aan de rechterzijde klonk een langzame, regelmatige, zekere tred: tussen de bomen verscheen een grote, stevige gestalte in een donker habijt, wandelend naar de kerkdeur.
— Vader Michaïl! Vader Michaïl! — klonk het tussen de mensen; wie zat, stond op, wie stond, steunde op zijn knuppel en richtte zich op.
Vader Michaïl was, om het zo te zeggen, buitengewoon schilderachtig. Een waardige houding, streng gezicht maar met een zacht en vriendelijk uiterlijk, grijze golvende baard als een waterval, rustige bewegingen, doordringende, heldere en tegelijk vriendelijke stralende ogen, dit alles vormde het ideale type herder, vaker te zien op afbeeldingen dan in het echte leven.
Dat iedereen zich om hem heen schaarde, liet zien hoezeer zijn parochianen hem vereerden.
De bandoerist naderde ook voor de zegen en bracht zijn gezellin mee.
— Zegen mij, vader,— zei hij,— wij komen uit verre streken en zijn gekomen om te bidden in de door God beschermde stad Hadjatsj. Zegen ook mijn gezellin, vader. Wij waken erover, vader, om christelijk te leven en elkaar te helpen. Ik heb niet van één oven brood geproefd, ik heb veel gezien in mijn lange leven, dus misschien kan ik haar op het ware levenspad brengen, en zij heeft jonge, levendige kracht, zodat zij mij, oude man, waar nodig van de berg af helpt en waar nodig de berg op ondersteunt… Men moet elkaar helpen. In de Heilige Schrift staat: “Draagt elkanders lasten.” Met één hand knoop je geen knoop…
Vader Michaïl, die rustig en vriendelijk aandachtig naar de woorden van de spraakzame bandoerist had geluisterd, schrok bij zijn laatste uitdrukking niet bepaald op — dat kon men niet met zekerheid zeggen — maar keek hem op een bijzondere, indringende manier in de ogen.
— Ja,— ging de spraakzame bandoerist verder,— er wordt gezegd: één gloeiende kool dooft zelfs in de oven, maar een hoop blijft zelfs op het veld smeulen.
De lichte, heldere ogen van vader Michaïl bleven even doordringend, aandachtig, vriendelijk en kalm naar de bandoerist kijken.
— Het is goed voor een rivier om zijrivieren te hebben, goed voor een goede veldheer om…
— Je spreekt wijze woorden,— onderbrak vader Michaïl hem rustig,— al het goede op aarde wordt in stand gehouden door de eensgezindheid van de gelovigen, en ieder moet, naar zijn kracht en kunnen, zijn naaste helpen. Heeft God jullie van ver hierheen gebracht?
— Ik ben bijna heel Oekraïne doorgereisd voordat ik hier aankwam.
— Is het moeilijk op de wegen tegenwoordig?
— Wie niets heeft, hoeft geen rovers te vrezen; overal zijn we gelukkig doorgekomen.
— En hoe staan de graanvelden?
Vader Michaïl vroeg dit met dezelfde gelijkmatige, rustige stem, maar op een bijzonder langzame en duidelijke manier.
— Zó staan ze dat je ze zelfs groen al zou kunnen maaien,— antwoordde de reizende bandoerist op zijn gebruikelijke, zorgeloos-lerende toon, die hem blijkbaar tot gewoonte was geworden, maar ook nu weer bijzonder duidelijk en bedachtzaam.
— De heer hetman! De heer hetman! — riepen de keurig uitgedoste kozakken.
Allen richtten hun ogen naar de kant waar het geratel van wielen en het gestamp van vurige paarden te horen was.
Vader Michaïl ging de kerk binnen.
De heer hetman en de vrouw van de hetman zagen eruit zoals het hoorde: satijn, fluweel, gouden ringen en borduursels, kostbare stenen en felle kleuren gepaard aan een gezet voorkomen, trots, een brede gang en een verzorgd bleek gezicht.
Majestueus, als twee zware boten, gleden zij het midden van de kerk binnen, vriendelijk knikkend als antwoord op de eerbiedige, diepe buigingen van het gewone volk.
Ondanks deze waardigheid meenden sommigen, die de heer hetman beter en van dichterbij kenden, ditmaal iets bijzonders aan hem te bespeuren.
— De heer hetman is vandaag somber! — zei de een.
— De heer hetman is vandaag niet vrolijk! — zei een ander.
— Waarom begint de heer hetman zo te peinzen? — vroeg een derde.
— Ik kwam hem donderdag tegen toen ik van de hoeve reed,— viel een piepklein vrouwtje, dat op een bundeltje leek, ertussen,— hij reed als een onweerswolk! Hij had de teugels laten vieren, zijn hoofd gebogen, en zijn wenkbrauwen waren bijna over elkaar gekruist. En hij was zo…
Maar de verdere beschrijving werd onderbroken door de verschijning van nog twee personen.
— De vrouw van de broer! De vrouw van de broer! — ruiste het rondom.
De bandoerist richtte zijn blik op de vrouw van de broer.
De vergelijking met een “vlammende vonk” was niet slecht, en de gedachte dat deze rechte, als een pijl gespannen rug zich nooit voor iemand had gebogen, dat dit moedige hoofd zich voor niemand had neergeknield, was zeer aannemelijk.
Toen de vrouw van de broer de treden van het kerkportaal betrad, hield de gezellin van de reizende bandoerist haar zachtjes tegen bij de wijde mouw van haar hemd.
— Mevrouw,— zei de gezellin,— u bent uw hoofddoek verloren.
En zij gaf haar een rode hoofddoek.
De lange, statige gestalte hield stil, draaide zich om, keek naar de rode hoofddoek en naar het meisje dat hem vasthield, nam de doek aan en zei:
— Dank je, meisje.
Het was duidelijk dat haar zenuwen sterk waren, dat zij niet zou opschrikken van een onverwachte gebeurtenis, niet zou gillen van schrik of verbazing, dat haar donkere, grote ogen, diep als de zee, alles recht aankeken en evenmin zouden doven of knipperen als de heldere sterren die vanuit de hoogte de zondige aarde verlichten.
— Hoe heet je, mijn liefje? — vroeg zij. — Je bent hier zeker niet van hier?
— Nee, ik kom van ver.
— Van ver? Daarom ben je zo vermoeid? Waar kom je vandaan?
— Hoe zou zij zich alle dorpen en hoeven kunnen herinneren die wij zijn doorgetrokken, edele vrouwe,— viel de bandoerist in. — We hebben van alles gezien: het goede en het kwade, waarheid en onrecht, we hebben rondgezworven langs oevers en door moerassen, maar, God zij dank, de barmhartige, zijn we toch weer op het rechte pad gekomen. Scheef ingespannen, maar recht gereden.
— Welnu, dan zij God geprezen,— antwoordde de vrouw van de broer. — Kom naar het hetmanshof,— voegde zij eraan toe,— de heer hetman en zijn vrouw luisteren graag naar goddelijke psalmen.
Met deze woorden verdween zij door de deuren de kerk in.
Toen zij verdwenen was, werd ook de broer van de hetman opgemerkt, die daar had gestaan en aandachtig had geluisterd naar wat de oude kozak over hem zei; uiterlijk gereserveerd, maar een sluwe vos.
— Kom naar het hetmanshof,— zei ook de broer van de hetman.
De bandoerist boog diep en antwoordde:
— Dank aan de edele heer voor zijn goedheid. Meteen na de dienst zullen wij komen.
Van binnen uit de kathedraal klonk reeds de rustige, krachtige stem van vader Michaïl, de geur van wierook verspreidde zich, en het koor van welluidende zangers barstte los.
De ochtenddienst begon, en allen stroomden samen het oude kathedraalgebouw binnen, waarbij zij met ellebogen en schouders de talrijke duivels aanraakten die kolen onder zondaars en zondaressen schoven; die verzetten zich, met open monden en wijd opengesperde ogen in het vuur, en schilderden zo aanschouwelijk de verschrikkelijke toekomst van die zwakke stervelingen die niet de kracht hebben weerstand te bieden aan de wereldse verleiding.

XX
De dag was drukkend en heet, ondanks het feit dat de druppels van de overvloedige regen van gisteren fonkelden op het gras. Een jonge, zwartogige kozakkenmeid, die sprak met een even zwartogige en even jonge kozak — aan wie hij blijkbaar iets voor hem zeer belangrijks en interessants toevertrouwde — overgoot hem plotseling met een regen van warme, heldere, glinsterende blaadjes, doordat zij ongemerkt een dichtbebladerde, bloeiende tak van een oude, breed uitwaaierende vlierstruik boven hun hoofden losschudde.
De verschrikte kozak sprong op met een voor hem ongekende snelheid, in tegenstelling tot zijn zojuist nog waardige en vastberaden voorkomen, en de guitige schoonheid barstte luid in lachen uit, terwijl zij met de geborduurde mouw van haar sneeuwwitte hemd haar frisse wang afveegde, waarop ook enkele blaadjes waren terechtgekomen.
De straten van Hadjatsj leken van verre op zwarte fluwelen linten, hier en daar bijeen gehouden door glanzende ringen en afgezet met felgroene franjes; van dichtbij leken zij op door de regen losgeweekte zwarte aarde, omzoomd met dicht gras en dooraderd met vrij diepe plassen.
Onophoudelijk hoorde men het geklap van deuren die open- en dichtgingen, en in de lucht droegen zich van alle kanten begroetingen, waarmee gastvrije huisvaders hun feestelijke gasten ontvingen.
Niet alleen verblindde de zon met haar gouden glans, ook de hemel verblindde met zijn heldere blauwheid, waardoor de zwarte wolken die vanuit het westen naderden nog zwarter leken; hun randen tekenden zich des te scherper af.
— Vannacht komt er een zware storm,— sprak de heer hetman.
Hij zei dit met zulk een onrust, en er ontsnapte hem tegelijk zo’n zware zucht uit zijn borst, dat de Moskouse bojaar met rossige baard, die tegenover hem op de galerij aan tafel zat, vroeg:
— Vreest de heer hetman soms de storm?
— Het is Gods macht, en daarom moet iedere christen beven,— antwoordde de heer hetman peinzend.
— De Heer is barmhartig, Hij zal genadig zijn! — zei de Moskouse bojaar met de rossige baard. — Maar de wolken zijn groot.
— Ja, Hij is groot,— bevestigde de heer hetman, terwijl hij achteloos keek naar de donkere wolkenband die snel over het heldere blauw van de hemel schoof.
De heer hetman sprak elk woord loom en met tegenzin uit, streek vaak met zijn vingers over zijn voorhoofd, alsof hij daar een ondraaglijke pijn had; zijn doffe ogen dwaalden ergens in de verte, en over zijn volle, gladde gezicht — ja, niet alleen over zijn gezicht, maar over zijn hele zware, logge gestalte — lag de afdruk van een innerlijke onrust en vermoeidheid, wellicht het gevolg van die onrust, ondraaglijk voor een verwende edelman.
En terwijl de heer hetman loom, onoplettend en bezorgd was, was zijn gesprekspartner en gast, de Moskouse bojaar met de rossige baard, levendig, beweeglijk en zorgeloos.
De zware, onhandige gestalte van de heer hetman leek nog zwaarder en onhandiger naast de welgedane maar wendbare en soepele figuur van de ander; de halfgesloten ogen van de heer hetman nog doffer en levenlozer vergeleken met de ogen van de ander, die alle kanten opschoten, nieuwsgierige, glanzende ogen.
Toen hij opnieuw herhaalde, terwijl hij achteloos zijn schitterende blik op de naderende wolken wierp en met zijn witte hand zijn rossige baard streelde: “God zal wel genadig zijn!”, leek hij in deze woorden zijn hele aard te openbaren.
Men kon met zekerheid zeggen dat het hem niet ontbrak aan scherpzinnigheid, vlugheid van geest en inzicht voor tien, maar dat over dit alles een zorgeloos “het komt wel goed” heerste, dat alles bestuurde.
Men kon erop wedden dat hij, alvorens bijvoorbeeld over een afgrond te gaan via een dunne, wankele paal, heel goed alle gevolgen van zo’n oversteek zou overwegen; maar na zijn krullen te hebben geschud, zou hij zeggen: “Ik kom er wel over!”, en gaan.
En niet alleen wanneer hij er gelukkig overheen kwam, maar zelfs als hij zijn botten brak en zijn hoofd heel bleef, zou hij bij de eerste gelegenheid opnieuw zijn krullen schudden, opnieuw zeggen: “Ik kom er wel over!” en even zorgeloos gaan.
— Wij zijn allen zondige mensen,— antwoordde de heer hetman,— en niemand van ons kan zeggen: vandaag zal ik voor mijn zonden niet de verdiende vergelding ontvangen!
Hij sprak dit op belerende toon, zoals men zulke woorden pleegt uit te spreken, maar in zijn geleerdheid lag eerder de geprikkelde angst van een hoogwaardigheidsbekleder dan het berouw van een christen.
— De Heer verdraagt de zonden lang,— antwoordde de Moskouse bojaar, blijkbaar menend dat hij bij deze woorden zijn levendige, glanzende ogen naar de hemel moest opslaan; maar halverwege naar het stralende zwerk liet hij zijn blik afdalen naar het pad dat zich over het brede erf slingerde, waarlangs langzaam een oude bandoerist naderde met een door de zon gebruind meisje, met een krans van verse bloemen in het haar.
De ogen van de heer hetman, die schuin op zijn gesprekspartner gericht waren, volgden onmiddellijk diens blik naar het pad, en de verschijning van de oude bandoerist had een merkwaardige uitwerking op hem: zijn loom-gereserveerde gezicht vlamde plotseling op, werd toen bleek, en zijn lippen begonnen licht te beven; hij streek snel met zijn hand over zijn voorhoofd, knipperde met de ogen en keek angstig en onderzoekend naar de Moskouse bojaar, alsof hij op diens gezicht wilde aflezen of er misschien een vermoeden in zijn ziel was geslopen.
Maar het gezicht van de Moskouse bojaar — waarop men trouwens alleen met zijn bojaren-toestemming iets kon lezen — verried niets anders dan die lege, wat verveelde nieuwsgierigheid die bezit neemt van mensen die lange tijd in afzondering verkeren, of te midden van mensen die hun al lang van alle kanten bekend zijn en voor hen geen enkel belang meer hebben.
Toen de heer hetman op het gezicht van de Moskouse bojaar niets voor hem van betekenis vond, liet hij zijn oogleden zakken naar zijn handen, gevouwen op de wijze waarop geestelijken of zeer vrome personen ze plegen te vouwen, zij die sinds lang gewend zijn niet alleen aan het gebed, maar ook aan de, zo men wil, theatrale uiting ervan. In die houding leken zware gedachten hem te omhullen, of liever vrome overpeinzingen, die uit de wereld van de zondige werkelijkheid voeren naar de hogere wereld, die de godvruchtige verbeelding bevolkt met tweevleugelige engelen en cherubijnen, zesvleugelige serafijnen, wonderbaarlijke glans, hemels licht en paradijselijke muziek.
Zo diep verzonk de heer hetman in gedachten, zo geheel leek hij opgenomen in een andere, betere wereld, dat de Moskouse bojaar tweemaal moest herhalen:
— Heer hetman, de bedelmonniken zijn gekomen! Heer hetman, zij zijn gekomen!
Eindelijk kwam de heer hetman tot zichzelf, richtte zijn ogen op de aangekomen oude mannen, boog zijn edele hoofd vriendelijk als antwoord op hun diepe buigingen — bijna tot op de grond — riep een kozak die bij de deur op bevelen stond te wachten, en beval met langgerekte, goedhartige stem de gasten te onthalen.
— Staat het de doorluchtige heer hetman toe dat een oude bandoerist speelt en zingt? — vroeg de oude bandoerist eerbiedig, bij elk woord diep buigend of een zo nederige blik werpend dat die elke buiging waard was.
De heer hetman gaf vriendelijk toestemming en nodigde de vermoeide bandoerist uit om te eten.
Hij was zelfs zo attent dat hij met zijn witte edele hand een plaats aanwees en eraan toevoegde:
— Hier brandt de zon niet.
De bandoerist, die met gepaste eerbied zijn nederige dankbaarheid voor de genadige gunst van de doorluchtige heer hetman betuigde, ging zitten op de aangewezen plaats, op de treden in de hoek van de galerij, geheel in de schaduw. De Moskouse bojaar, die de oude grijsaard tamelijk aandachtig bekeek, kon slechts een deel van zijn grijze baard zien, een krachtige schouder bedekt met een oud en grof maar sneeuwwit linnen hemd, en de voorkant van een enorme laars die duidelijk getuigde van onophoudelijke reizen over stoffige en modderige wegen; zijn hele gestalte en gezicht flikkerden slechts als stoffige vlekken door het groene, dichte netwerk van een oude perenboom met kleine blaadjes, die zo laag over de hele galerij hing dat haar takken met hun glanzend groen het plaveisel raakten.
— Zet uw muts op, oude man,— zei de vriendelijke heer hetman.
De Moskouse bojaar, die als het ware werktuiglijk een perentak had opgelicht, liet hem weer los, eveneens als vanzelf, en richtte zijn ogen op het meisje, de gezellin van de oude bandoerist.
Het kwam de Moskouse bojaar goed uit haar te bekijken: zij had zich precies tegenover hem neergezet, en bovendien viel een zonnestraal van boven op haar neer.
De bandoera begon te klinken en zang verhief zich.
O stralend paradijs, o prachtig paradijs! zong de vrome grijsaard.
Bij de eerste tonen verschenen de edele vrouw van de hetman en de vrouw van de broer, die zich op enige afstand neerzetten en eveneens luisterden naar de plechtige zang van de psalmen.
Beide vrouwen zaten met gevouwen handen in dezelfde onderdanige houding, de ogen neergeslagen, het type van edele slavinnen verbeeldend, en toch waren zelden twee personen van hetzelfde geslacht en bijna dezelfde leeftijd zo ongelijk aan elkaar.
Het knappe, adellijke gezicht van de doorluchtige hetmansvrouw droeg het duidelijke stempel van langdurige verveling en droefheid, zoals die vaak voortkomen in een weelderig maar leeg bestaan; en daarbij iets van onzekerheid, zoals bij kinderen wanneer een begaafde leraar hun plots een tot dan toe onbegrijpelijke les helder uitlegt, een les die eerst ondraaglijk leek maar ineens boeiend wordt. Het was de toestand van een kinderlijke, onervaren, nog ongewende overdenking, die niet verder reikt dan het onrustige: “Hoe kan dat?”, “Is het werkelijk zo?”, “Dus zó zit het!”, en tegelijk de zorg van een vreedzame huisvrouw die onverwachts een onbekende, gevaarlijke weg is ingeslagen.
Het gezicht van de vrouw van de broer werd gekenmerkt door rust, maar die rust was te vergelijken met die van de hete zomerdag die het toen was: alles bloeit, geurt en ademt met duizenden levensvezels; er is geen windvlaag, geen gedonder, geen bliksem, maar men weet dat plotseling alles kan verduisteren; dat er een storm kan losbarsten die veel van de omringende bloeiende schoonheid zal vernietigen.
O stralend paradijs, o prachtig paradijs! zong de oude bandoerist.
— Meisje, hoe heet je? — vroeg de Moskouse bojaar de kleine gezellin van de grijsharige bandoerist.
De stem van de Moskouse bojaar was van nature zacht, maar nu hij haar nog verder dempte — wellicht om de anderen niet te storen in hun genot van de psalmzang — werd zij fluweelzacht; zijn gezicht was doorgaans vriendelijk, maar nu, blijkbaar om het kleine bedelaresje aan te moedigen dat hij met zijn bojarenwoord vereerde, veranderde het geheel in goedhartige mildheid en leek te zeggen: “Als jij een verstandig meisje bent, dan zal het mij niet aan honingkoek ontbreken.”
Toch richtten de heldere ogen van het meisje zich wantrouwig op hem; zij antwoordde niets op zijn vriendelijke vraag en liet zich blijkbaar in het geheel niet verleiden door de gulle beloften die zijn uitdrukking haar scheen te doen.
De Moskouse bojaar herhaalde welwillend zijn genadige vraag:
— Hoe heet je, meisje?
Het meisje sloeg haar ogen neer en antwoordde:
— Maroesja.
— Maroesja? — zei de Moskouse bojaar, alsof hij daarmee wilde uitdrukken: “Wel, als je Maroesja heet, des te beter; jij hebt geen reden tot zorgen.”
— Je bent moe geworden, Maroesja, is het niet? — ging hij verder.
Maroesja antwoordde opnieuw niet, en hij moest zijn vraag nogmaals herhalen, wat hem blijkbaar in het geheel niet ergerde; want toen hij eindelijk het antwoord kreeg: “Ja, moe geworden”, vroeg hij even vriendelijk:
— De weg is lang, nietwaar? Waar komen jullie vandaan?
En opnieuw antwoordde het wilde boerinnetje niet meteen; en opnieuw herhaalde hij met dezelfde onveranderlijke mildheid:
— Een lange weg? Waar kom je vandaan?
— Ik weet het niet.
Op dat ogenblik verstomde de stem van de bandoerist; men hoorde alleen nog een aangename, heldere naspel op de bandoera.
De heer hetman, die tot dusver geheel was opgegaan in het luisteren naar de goddelijke psalm, leek te ontwaken, wendde het hoofd af en zijn ogen ontmoetten die van zijn voorname gast.
— Het is heilzaam voor de ziel om te horen,— sprak de heer hetman, als tot zichzelf.
— Heilzaam voor de ziel,— bevestigde de voorname gast.
Daarna stond hij op en, zich tot de bandoerist wendend, vroeg hij:
— Weet jij soms, beste man, hoe het lied over de struikrover langs de weg gezongen wordt?
— Nee, doorluchtige heer, dat ken ik niet,— antwoordde de bandoerist. — Wel ken ik het lied over de popenzoon en over de gevangene, en over de weduwe…
— Leer dat over de rover maar: een mooi lied! — onderbrak de Moskouse bojaar hem. — Wat een prachtige goesli heb je! Kom, laat mij die eens van dichtbij bekijken!
— Zeker, doorluchtige heer, kijkt u maar,— zei de goedhartige bandoerist, terwijl hij de bandoera aan de bojaar overhandigde.
De bojaar draaide het eenvoudige instrument in zijn handen, ging naast de oude bandoerist zitten, één trede hoger, en herhaalde:
— Prachtige goesli! Prachtige goesli!
Maar terwijl hij de bandoera prees, keek hij niet naar het instrument, maar recht in het gezicht van zijn eigenaar.
De eigenaar echter, die naar alles te oordelen een buitengewoon zachtmoedig man was, raakte door de indringende bojarenblik in het geheel niet van zijn stuk.
Met gepaste eerbied, maar volkomen vrijmoedig, legde hij de nieuwsgierige bojaar de bouw van zijn instrument uit; hij toonde niet alleen geen haast om het gesprek met de hoge gast te beëindigen — een gesprek dat eenvoudige mensen vaak in verwarring brengt — maar raakte zelfs op dreef en haalde allerlei bijkomstigheden aan, zowel uit zijn eigen zwerversleven als uit dat van zijn mede-bandoeristen.
— Kent u Semen Broej niet? — vroeg hij goedmoedig. — Kent u hem werkelijk niet? Zo’n lange, zwartgebaarde oude man, met zo’n lange neus en blind aan het linkeroog? Hebt u hem nergens ontmoet? Dat verbaast mij. Waar je ook gaat, je komt hem overal tegen. Kent u hem echt niet? En hebt u nooit van hem gehoord? Ik kwam hem vorige week tegen in Bobryky. “Wel,” zeg ik, “maak je de duivel blij, Semen?” En hij speelde daar voor de jonge vrouwen “De goede vrouw”. Hij is een felle kerel, edele heer: drie keer getrouwd geweest… Maar wat heeft hij een wonderlijke bandoera! Van zulk hout gemaakt, edele heer, dat zij speelt wat zij wil. Met deze eigen oren heb ik gehoord (hier raakte de bandoerist zijn oren aan) hoe Semen zei: “Ik zal jullie over Jarema zingen” — tok! — en de bandoera speelde over Holota! Een betoverde bandoera! Men zegt dat een magiër haar gemaakt heeft. En wie een slecht geweten heeft, moet maar niet komen luisteren, zij zet je voor heel de gemeenschap te schande! Dan begint zij te spelen: “Jij bent een dief, jij verleidt andermans vrouwen, jij houdt de vasten niet!”, kortom, ieder krijgt wat hem toekomt.
— En speelde die bandoera ook over jou, beste man? — vroeg de bojaar, die hem met vriendelijke aandacht had aangehoord.
— Ook over mij speelde zij, edele heer.
— En wat speelde zij dan over jou? Misschien: “Godsman, waarheidslievende pelgrim!” hè?
— Nee, edele heer,— zuchtte de bandoerist met oprechte spijt,— nee! Ik ben een zondig mens. Het was op een vrijdag; ik kwam van ver, was moe en zo hongerig dat ik kromgebogen liep — en de boze verleidde mij… Hij verleidde mij, edele heer, hij verleidde mij! Ik ga de herberg binnen, drink een glaasje, kijk om, daar ligt een worst. En wat voor een worst, edele heer, dat kan men niet beschrijven! En die worst keek mij recht aan, waarachtig, edele heer, zo keek zij mij aan, zo keek zij… En ik hoor haar mij toefluisteren: “Eet mij, eet mij, zo een heb je nog nooit geproefd.” Ik hierheen, ik daarheen, nee! Ik voel al hoe zij mijn lippen zalft, zo zachtjes, zo dat mijn buik ervan krimpt… En ik heb haar opgegeten, edele heer. Ik weet zelf niet hoe, maar ik heb haar opgegeten… En wat denkt u? Nauwelijks kwam ik buiten, of Semens bandoera begon te spelen: “Worst gegeten, worst gegeten, worst, worst, worst…” Ik brandde van schaamte… Ik brandde helemaal op…
— En wat denk jij, beste man: als iemand geen betoverde bandoera heeft, dan komt hij dus ook niet te weten dat jij worst hebt gegeten, hè? — vroeg de bojaar vriendelijk, half schertsend.
— In de Heilige Schrift staat geschreven: “Er is niets verborgen dat niet vroeg of laat openbaar wordt,” — antwoordde de bandoerist,— en toch bedrijven wij, zondige mensen (ik spreek nu niet over u, edele heer), heel wat heimelijke streken! De een bouwt zijn hele leven zulke paleizen van listen dat de duivel zich van plezier de buik vasthoudt, en toch blijft alles netjes toegedekt. Maar,— voegde de bandoerist er op vermanende toon aan toe,— al gebeurt het niet in deze wereld, dan zal in de andere wereld voor elke slechte daad de verdiende vergelding volgen!
— Sommigen krijgen hun loon ook al in deze wereld,— merkte de bojaar op, niet zozeer belerend als wel veelbetekenend.
— Zij krijgen het, edele heer, zij krijgen het,— antwoordde de bandoerist op ongedwongen, enigszins plechtig-tevreden toon, zoals vrome mensen de straf over slechten en zondaars voorspellen.
— Zij krijgen het, zij krijgen het,— herhaalde de bojaar.
De reizende bandoerist had de bojaar blijkbaar, uit verveling of speelsheid, zeer geboeid; het gesprek met hem amuseerde de wispelturige in zijn gunst en hooghartigheid zijnde edelman.
De heer hetman zat nog steeds met gevouwen handen, maar hij leek allerminst meer iemand die in hogere sferen vertoefde; integendeel, een hevige onrust scheen hem te hebben aangegrepen. Telkens wanneer de voorname gast hem de rug toekeerde, wierp hij, als zocht hij redding, verschrikte blikken naar zijn broer, die eveneens stil naar de galerij was gekomen en ogenschijnlijk kalm luisterde naar het gesprek tussen de bojaar en de bandoerist. Zijn rust leek de heer hetman toe te spreken:
— Voorlopig is het niets; vooralsnog is er geen reden tot vrees. We zullen zien wat er verder gebeurt.
Maar nog vaker richtte de heer hetman zijn smekende ogen op de vrouw van de broer; en wanneer hij op tien verwarde blikken één antwoord kreeg dat hem onmiddellijk geruststelde, zuchtte hij zacht, wreef zich over het voorhoofd en trachtte eruit te zien zoals een man van hoge stand betaamt.
De hetmansvrouw, die zichtbaar niet begreep maar instinctief aanvoelde dat allen in het geheim door iets belangrijks werden beziggehouden, dat er ergens een gevaar in de nabijheid school, hield een tijdlang iedereen scherp in het oog; maar daarna, alsof zij voor zichzelf toegaf dat dit waken vergeefs was, gaf zij zich weer over aan onderdanige gedachten en overpeinzingen, men had kunnen denken dat zij indommelde.
Wie weet hoe lang het gesprek tussen de bojaar en de reizende bandoerist nog had voortgeduurd, als de vrouw van de broer niet was opgestaan en, op weg naar de tuin, de bojaar had gestoord, die juist midden op het pad zat.
— Mag ik passeren,— zei de vrouw van de broer, met een eerbiedige buiging.
De bojaar week terstond opzij; zijn knappe gezicht kleurde zichtbaar, en als door iets onverwachts overrompeld, keek hij lang de statige gestalte na die rustig verdween in het dichte groen van de bloeiende tuin.
Daarna wendde hij zich opnieuw tot de bandoerist, maar hij keek hem slechts aan en sprak geen woord.
De vlugge, scherpe, zorgeloze bojaar werd plotseling door een zekere bekommernis bevangen; toch kon men niet zeggen dat het louter een zware zorg was, want zijn gezicht vlamde meer dan eens op en leefde op met een bijna vreugdevolle glans.
— En zeg eens, hoe lang is het geleden dat je in Tsjyhyryn was? — vroeg hij de bandoerist, terwijl hij hem aankeek met die afwezige blik waarmee mensen kijken die geheel in beslag genomen zijn door hun eigen zaken en slechts mechanisch woorden uitspreken die hun niet langer werkelijk interesseren.
— Ach, naar Tsjyhyryn is het tegenwoordig moeilijk door te dringen, edele heer,— antwoordde de bandoerist. — Overal troepen, Polen, Tataren… Op alle wegen zoemen de kogels… Wie het leven niet liefheeft, moet daar maar heen gaan, voor hem is het gedaan. Ik beken, ook ik heb heel wat angsten uitgestaan. Nadat ik van een landgenoot, Ivan Doednyk, allerlei verhalen had gehoord over het bloedbad daar, liep ik en dacht: “Wat als er een of andere heiden op mij afstormt!” Plots hoor ik de aarde dreunen. Ik kijk, recht op mij af jaagt iets zwarts. En ik liep over een steppeweg, rondom niets dan eindeloze steppe. Ik zie iets zwarts, daarachter nog één, daarachter een derde, een vijfde, een tiende, ik meende een hele horde te zien. “Nu is het met mij gedaan,” dacht ik! Toch hurk ik in het gras, misschien raast de duivel mij voorbij. En ik strek mij languit op de grond en lig daar — ik adem niet — en denk: “Wat als ze me vertrappen!” En dan hoor ik iets snuiven vlak bij mijn rechteroor en gras lostrekken, steeds dichterbij, dichterbij… Ik verstijfde helemaal… Nauwelijks had ik gefluisterd: “Heer, vergeef mij mijn zonden!” of iets rukte mij aan mijn haar! Ik brulde over de hele steppe… Wat denkt u, edele heer! Het was een vervloekte vaars die mij zo’n schrik bezorgde en bijna mijn haar afbeet. Van afgebrande hoeven had men al het vee de steppe opgejaagd, en dat vee was daar verwilderd. De vaarzen zwierven rond en begonnen te grazen, en één ervan graasde bijna aan mijn haar… Wat een angst heb ik toen uitgestaan! Men zegt terecht dat angst ogen zo groot als appels maakt! En hoe zou men niet bang worden als het angstaanjagend is?
Je wilt niet, maar je wordt toch bang. Zelfs de dappersten zijn maar dapper tot op zekere hoogte. Ik had eens een landgenoot — hij is nu gestorven, het hemelse rijk zij hem gegund, een rustige plaats, moge zijn ziel daar genieten tussen paradijselijke bloemen en zoete honing! — en die man vreesde niets ter wereld. Alleen één keer…
Hier onderbrak de bojaar, die het voorafgaande verhaal met weinig aandacht had aangehoord, de oude bandoerist.
— Je meisje is moe,— zei hij.
— Ja, edele heer,— antwoordde de bandoerist.
— Hier heb je een centje, koop een honingkoek,— zei de bojaar tegen het meisje.
Hij reikte haar enkele koperen muntjes aan.
— Waarom neem je ze niet? Ben je levend of van steen?
Het meisje had al die tijd zo stil en onbeweeglijk gezeten dat men haar werkelijk voor steen had kunnen houden, ware het niet om haar heldere ogen en de levendige blos die fel opvlamde op haar door de zon gebruinde wangen.
— Zeg dank je, Maroesja, bedank de heer,— zei de bandoerist. — Ze is wat schuchter, de domkop, edele heer, vergeef haar… Bedank de heer, Maroesja!
Maroesja stond op en maakte een buiging.
Maar de genadige edelman, die haar met gulle aalmoes had beloond, zag deze dankbare buiging niet meer.
Alsof door een onweerstaanbare kracht gegrepen, begaf hij zich naar de deur van de middelste kamer.
Op de drempel bleef hij echter staan, keek om naar de heer hetman, zag duidelijk op diens gezicht de uitdrukking van iemand die zich eindelijk heeft bevrijd uit een wurgende strop, begreep die uitdrukking volkomen, greep met zijn hand de deurpost vast alsof hij zich daardoor kunstmatig op zijn plaats wilde houden, en op zijn lippen verscheen een glimlach die duidelijk zei: — Ach jullie! Denken jullie mij te misleiden?
Maar op dat moment klonk uit de diepte van de tuin gezang. Een zachte, lage stem zong een Oekraïens lied:

Traag water ondermijnt de oevers,
Een groot heer komt tot mij.
En in mijn hart is zulk een gedachte,
Als het ruisen van de zee…

Bij de eerste tonen van die stem verslapten de vingers van de bojaar, die zich zojuist nog zo stevig aan de deurpost hadden vastgeklemd dat zij wit waren geworden; zij lieten los. Over zijn gezicht gleed de uitdrukking: “Laat alles ter wereld vergaan — ik zal mij bedrinken aan deze roes!” En terwijl hij zijn weelderige krullen schudde, verdween de bojaar.

XXI
— Nou, moeten we nog ver lopen? — vroeg Maroesja.
— Ben je moe, lieverd? — vroeg de Sietsj-kozak.
— Nee, ik ben niet moe. Ik wil alleen weten of het nog ver is.
— Niet ver meer. Zie je daar voor ons, rechts, het bos? Daar zullen we uitrusten. Je bent moe, hè?
— Nee, helemaal niet!
Hij boog zich toch naar haar toe en keek teder en bezorgd in haar gebruinde gezichtje.
— Niet moe? — herhaalde hij. — En wie liegt, weet je wat hem in het hiernamaals wacht? Zal je dan misschien een hete pan moeten likken, hè?
— Dat zal niet hoeven, — antwoordde Maroesja, en haar witte tanden glansden achter haar frisse lippen.
Na even nagedacht te hebben keek ze naar haar metgezel en zei:
— Maar ik lik liever die pan dan dat ik achterblijf!
— Dan doen we het maar zo! — zei hij en boog zich, nam het kleine meisje in zijn armen en droeg haar als een licht veertje.
— Nee, nee… — riep ze. — Ik kan zelf lopen, ik kan zelf…
Maar zijn sterke handen hielden haar stevig vast en de zacht uitgesproken woorden: “Blijf rustig zitten, mijn lieverd!” maakten elke tegenstand tevergeefs. Ze sloeg haar armen om zijn gespierde, donkerbruine hals en legde haar hoofd tegen zijn brede schouder, even sterk als gepolijst brons.
Het begon te schemeren en de verzengende middaghitte was verdwenen. Het pad slingerde door de velden, over smalle akkerranden, tussen hoog, dicht, als riet wuivend graan, dan weer door kleine bosjes vol bloemen, nesten, geuren, vogels en insecten in alle kleuren. Hier en daar glinsterde een kerktoren, een meertje of vijver, een brede weide, een dorpje met witte huisjes, groene boomgaarden en bloeiende tuinen; soms lag een eenzame hoeve achter de bomen.
— Zie je hoeveel korenbloemen en klaprozen er tussen het graan staan? — zei de Sietsj-kozak.
Zijn geharde gezicht, gevormd door ontberingen en een streng leven, straalde zachtheid uit toen hij bleef staan en het meisje, dat beschutting vond in zijn sterke armen, wees op de blauw en rood oplichtende bloemen tussen het gouden graan.
— Weet je wat, Maroesja? Hier moeten we gaan zitten en een krans vlechten, — ging hij verder. — Het wordt een prachtige krans! Zo mooi dat je het niet kunt beschrijven!
Hij zette haar voorzichtig op het donkere gras van de akkerrand. Toen stak hij zijn lange, krachtige hand in het graan, plukte korenbloemen en klaprozen en keek af en toe glimlachend naar haar:
— Jij blijft rustig zitten, Maroesja!
Ze volgde stil elk van zijn bewegingen, terwijl hij met een bloem die hij met wortel en al had geplukt zijn eigen onhandigheid op een speelse manier bespotte:
— Kijk nou! — zei hij. — Stuur een dwaas om te bidden, dan breekt hij zijn voorhoofd! Wat een flinke kozak ben ik! Zo’n handige moet je nog eens zoeken! Stuur een beer om kwartels te vangen, en zelfs die blijft nog ver achter bij mijn behendigheid…
— Genoeg, genoeg, — zei Maroesja, terwijl ze de bloemen verzamelde waarmee hij haar bedekt had.
— Of nog meer? — vroeg hij. — Kijk, deze bloem is zo prachtig dat het een wonder is!
Hij ging naast haar zitten en volgde met grote aandacht hoe haar gebruinde handjes de bloemen tot een krans vlechten, en keek afwisselend naar haar gezicht, gebogen over het werk.
— Waar denk je aan, Maroesja? — vroeg hij. — Wat herinner je je?
Of hij zo goed kon aflezen van haar gezicht, of het gezicht zo goed kende, hij vergiste zich in ieder geval niet.
— Ik herinner me hoe we kransen thuis vlechten, — antwoordde Maroesja.
— Mis je je familie?
— Nee, dat maakt niet uit…
Maar het vlechten van de krans stokte onmiddellijk, want haar grote, donkere ogen vulden zich met tranen.
— Mis je ze erg, mijn hartje?
De tranen stroomden rijkelijk en druppelend over haar wangen, haar handjes lieten de bloemen vallen en bedekten vlug haar gezicht, en een zacht snikken ontsnapte uit haar borst.
Maar ze overwon al snel de plotselinge emotie en veegde met haar handen de tranen weg, keek met vochtige ogen naar haar metgezel en herhaalde met een trillende, maar inmiddels glimlachende stem:
— Nee, het maakt niet uit…
Toen ze echter voelde dat de tranen opnieuw opkwamen, voegde ze, glimlachend:
— En is die hete pan echt zo heet die je in het hiernamaals moet likken?
Omdat ze geen antwoord kreeg en zag dat zijn gezicht bewolkt werd, raakte ze zachtjes zijn schouder aan.
Toen zei hij:
— Heb je het moeilijk, Maroesja?
— Jij hebt het toch ook moeilijk, — antwoordde ze, — en iedereen toch?
— Ja, iedereen.
— Laten we gaan.
— Laten we gaan.
Ze namen elkaars hand en gingen verder.
Spoedig verscheen aan de zijkant een dorpje, waar het smalle, begaanbare pad naartoe leidde, het pad kruiste de akkers waarover de reizigers gingen.
— Zie je het, Maroesja, het dorp?
— Ja, ik zie het, — antwoordde Maroesja.
— Is het een groot dorp?
— Ja, een groot dorp.
— Nou, hoe groter het dorp, hoe meer vrouwen, moeders, zusters en jonge meisjes die huilen, want vele mannen, broers, verloofden en vaders gingen die weg naar de strijd en niemand weet wie terug zal keren. Het zijn zware tijden, Maroesja, snap je?
— Ik begrijp het, — antwoordde Maroesja.
Ze liepen een hele tijd zwijgend.
Het blauwe bos dat de Sietsj-kozak had aangewezen, waar ze zouden rusten, werd dichter en groener naarmate ze naderden, en vervolgens tekenden zich de donkere eikenbladeren en de krullende groene berken aan de bosrand af.
— Hier zijn we dan aangekomen, — zei de Sietsj-kozak, terwijl hij de takken opzij duwde en het bos in trok. — Hier is een fijne koelte! — vervolgde hij. — We zoeken nu een rustig plekje om uit te rusten.
Maar het duurde langer dan gedacht om zo’n plek te vinden; het struikgewas was zo dicht dat je geen stap vrij kon zetten. Naast de takken die in hun gezicht sloegen, de rozenstruiken die aan haar haar en kleding bleven hangen en met hun scherpe doornen krasten, en de omgevallen boom die de weg blokkeerde, lagen er nog kleine berken onder en hingen er hopranken van boven.
Toch leek de Sietsj-kozak te weten waar hij heen ging, want hij stopte meerdere keren, keek om zich heen, bedacht iets en ging verder, takken opzij duwend en groene knoppen doorknippen.
Uiteindelijk vonden ze een plek waar ze vrij konden staan en zitten.
— Rust even uit, Maroesja, — zei de Sietsj-kozak. — Zulke fluwelen bladeren zijn er zelfs niet bij de hoogste heer, de generaal, zoals die hier voor deze eik groeien! Kom maar hier… En de eik zelf, eerlijk gezegd, een prachtig boompje.
De eik spreidde zijn weelderige takken ver uit en vormde iets dat leek op een groene tempel, waar het stil, donker en koel was. Zonlicht drong hier niet door, en alleen was te zien hoe het door het blad van naburige bomen scheen of in lichte vlekken en strepen op hun wortels en stammen viel.
Niet ver van de eik stak een hoge, oude stronk uit, volledig zwartgeblakerd, zonder enig teken van leven, maar toch groeide er iets groens aan één van zijn verrotte kanten.
Maroesja’s ogen bemerkten het bijzondere verschijnsel onmiddellijk, maar Maroesja had duidelijk grote vooruitgang geboekt in zelfbeheersing sinds we haar zagen in het afgebrande dorp, bij de put, waar ze verbaasd was over het zicht van het frisse groen dat in de vervuilde put dreef. Nu schreeuwde ze niet, ze sprak zelfs geen woord en keek slechts kort naar het voorwerp dat haar aandacht trok.
Dit ontging de oplettende Sietsj-kozak niet.
Hij pakte een nog niet verwelkte tak van de vlier bovenop de droge stronk, gooide die op Maroesja’s schoot en zei glimlachend:
— Met jou, lieve Maroesja, kunnen we echt werk verzetten. Eh! Als iedereen maar zoals jij was!
Op dat moment klonk ergens uit de diepte van het bos iets dat op het geroep van een oehoe leek.
— Vroeg op vandaag, dat roept hij nog niet echt, — merkte de Sietsj-kozak op. — Goede oehoes roepen zo.
Hij legde twee vingers op zijn lippen en er kwam een “poegoe” uit zijn mond, zo krachtig dat de luidste van de echte oehoes er niet voor zou moeten blozen.
En dit “poegoe” had effect: van drie kanten lieten jonge oehoes zich horen.
— Blijf hier zitten, Maroesja, — zei de Sietsj-kozak, — ik ben zo terug.
— Goed, — antwoordde Maroesja.
De Sietsj-kozak week de takken opzij en sprong het struikgewas in, maar stopte plots, draaide zich naar Maroesja en zei:
— Verveel je niet, Maroesja.
— Dat zal ik niet, — antwoordde Maroesja.
Ze wisselden glimlachen uit die alle woorden en genegenheid waard waren, en de Sietsj-kozak verdween uit zicht.

XXII
Maroesja luisterde naar het zachte kraken van takjes en het geritsel van het gebladerte totdat alles volledig verstomde, toen boog ze haar hoofd en raakte in gedachten.
Er was genoeg om over na te denken: zoveel onverwachte en geheimzinnige dingen waren haar de laatste tijd overkomen, zoveel belangrijke en machtige mensen had ze ontmoet!
Maar vooral, er was zoveel in al dit alles dat voor haar nog steeds onduidelijk en onbegrijpelijk was.
Ze liep voortdurend alsof ze boven de rand van een onzichtbare afgrond balanceerde, die ze echter levendig voelde.
“Mensen kunnen soms zo slecht zijn,” dacht ze.
En in haar jonge, nog kinderlijke hoofd rezen een hele reeks van die maatschappelijke vragen op, die zelfs de meest ervaren denkers soms duizelig maakten.
Af en toe, vermoeid door deze zware gedachten, waarop ze geen ander antwoord vond dan “Gods wil”, “Gods toelating”, hief ze haar hoofd op en keek om zich heen.
De vreemde stilte van het bos en de koelte verfristen en streelden haar oververmoeide lichaam, dat uitgeput was door de lange reizen en voortdurende geestelijke zorgen, maar tegelijkertijd voelde ze in deze bezorgde gemoedstoestand dat het ook een soort straf voor haar was.
Deze rustige, gereserveerde natuur gaf geen enkel antwoord.
Als de vergelijking van een jonge, frisse, bezorgde ziel met een bloeiende doornige roos ergens passend was, dan niet bij de metgezel van de bandoerist, die nu onder de tent van de oude eik zat, nauwelijks zichtbaar achter het groen.
In het bos werd het langzaam schemerig, alsof een onzichtbare hand er een hoed overheen trok. De heldere strepen en vlekken die op de wortels en stammen van de bomen vielen, verdwenen; alleen de dunne pijlen van de purperen zonsondergang waren nog zichtbaar.
Plots kwam Maroesja onder de eik vandaan; de levendige bezorgdheid van dit moment verzwolg alle andere zorgen, angsten en twijfel.
— Hij zei: ik ben zo terug! — fluisterde ze. — En er is niets te horen!
Het was waar, er was helemaal niets te horen, hoe goed ze ook luisterde. Het groene bos stond rondom als een muur: zelfs het geschreeuw van vogels doorbrak de stilte van dit woud niet, zelfs de wind liet geen blad ritselen.
Plots klonk er een schot, één, twee…
Maroesja strekte zich op alsof ze door een donderklap werd getroffen.
Weer een schot.
En alles bleef stil en dof. Haar gespannen gehoor ving niets op.
Nog enige tijd verstreek, hoe lang precies, dat wist ze niet, maar voor Maroesja leek het erg lang.
Ze stond aanvankelijk vaak op, liep rond, luisterde aandachtig, maar vermoeid door deze spanning bleef ze uiteindelijk op haar oude plek, onder de eik, roerloos, alsof ze versteend was.
Ze stond zelfs toen niet op, toen het ritselen duidelijk hoorbaar werd; alleen haar wangen kleurden, en haar ogen keken verdrietig in die richting.
Deze keer was de hoop niet ijdel; het gebladerte week opzij, en een bekend gezicht verscheen tussen het wiegende groen.
Maar dat gezicht was zo bleek dat de blijdschap van het meisje stokte op haar lippen.
— Maroesja, — zei de Sietsj-kozak, — zie je het, een rode sjaal, zie je?
— Ik zie het, — antwoordde Maroesja.
— Ik zal je op het pad brengen… Loop deze weg helemaal rechtdoor… Rechtdoor, door het bos, totdat je bij het bruggetje komt… Achter dat bruggetje is er een tweede bos… en een paadje… Volg het paadje naar dat bos… Je zult een man tegenkomen, hij zal zeggen: “God help je, Maroesja!” Geef hem dan dit doekje en zeg: “God help!” Snap je? … Weet je het, Maroesja?
Hij sprak duidelijk, maar met zeer lange pauzes; zijn gezicht werd steeds bleker, druppels zweet parelden op zijn voorhoofd, en hij stond niet recht zoals gewoonlijk, maar leunde met zijn schouder tegen een boom.
— Ga, Maroesja! Ga je?
— Ik ga, — antwoordde ze. — Wat doet er zo’n pijn?
— Niets, Maroesja, het zal genezen, mijn hartje! Ga!
Hij pakte haar bij de hand.
— Wat is je hand koud! — riep ze.
— Het gaat nu niet om mijn hand, mijn liefste. Haast je… Geef het doekje… Hier… Kom… — zei hij zo overtuigend en plechtig dat ze geen vragen meer durfde te stellen.
Hij probeerde de takken opzij te duwen, maar het lukte niet. Het zien van zo’n zwakte bij iemand die ze gewend was te zien als de belichaming van alle fysieke en morele kracht, raakte Maroesja diep. Ze werd ontzettend bleek, maar vervulde heilig zijn wens en zei niets.
Andere handen, gespierd en grof, arbeidershanden, zoals Maroesja nu opmerkte, staken plotseling uit en duwden het gebladerte opzij.
— Wees niet bang, Maroesja, — zei de Sietsj-kozak, — dit is mijn vriend… Hij bijt alleen vreemden… Toch, Ivan?
— Natuurlijk, klopt, — antwoordde een diepe basstem, die je al snel geloofde dat zijn eigenaar, als hij wilde, echt kon bijten.
Daarna zag Maroesja eerst een klein hoofd hoog tussen de bladeren, een getint gezicht met lichte snor en een paar glanzende ogen, en daarna een lange mannenfiguur die snel naar voren bewoog en voor hen een pad baande.
— Dit is mijn vriend, Ivan, — zei de Sietsj-kozak tegen Maroesja. — Zie je hoe groot de eiken in het bos zijn geworden!
Ivan liep naar voren, hield meerdere keren even op en keek terug naar zijn metgezel, alsof hij wachtte of hij hulp nodig had, maar de Sietsj-kozak antwoordde hem telkens.
— Ga, ga, Ivan… Waarom sta je stil? Misschien wil je bloemen in het gras plukken of paddenstoelen zoeken?
En Ivan ging weer verder.
Veel sneller dan Maroesja had verwacht, bereikten ze de bosrand.
Vanaf deze kant, vlak bij de bosrand, begonnen de velden, en een smalle strook tussen de bloeiende boekweit, waar een zwerm bijen zoemde, leidde naar een zwarte veldweg, die met regelmatige bochten naar het dorp kronkelde dat aan de horizon zichtbaar was, en onderweg twee kleine bosjes kruiste.
— Zie je, Maroesja, daar is het bos… dat laatste daar… ga, mijn liefste, ga… Hier is het doekje…
Hij liet haar precies hetzelfde doekje zien dat ze eens had opgepakt op het kerkportaal en aan de vrouw van de hetman had gegeven.
Maroesja pakte het doekje, dacht te gaan, maar schrok zachtjes en bleef staan.
De Sietsj-kozak, die haar liefkozend de hand op het hoofd had gelegd, wankelde plotseling en zou waarschijnlijk gevallen zijn als zijn vriend Ivan er niet was geweest.
— Bloed! Bloed! — schreeuwde Maroesja vol angst.
Het was inderdaad vers, warm bloed dat door de versleten jas van de oude bandoerist sijpelde.
— Het geeft niets, Maroesja, het geeft niets, — zei de Sietsj-kozak. — Herinner je wat we hebben besproken? Niet die kozak die stroomafwaarts vaart… maar die tegen de stroom… Dit zal genezen… We zijn tenslotte niet gegaan om bessen of frambozen te plukken… zoet en veilig verwachten heeft geen zin… Ga, mijn liefste… ga… bind je hoofd met het doekje…
— En jij? — vroeg Maroesja, terwijl ze met trillende handjes het rode doekje op zijn advies vastbond.
— Ik kom, mijn hartje, ik kom…
Er klonken achtereenvolgens drie schoten.
Vriend Ivan spitste zijn oren en zei:
— Ze zijn het!
— Ga, Maroesja, ga… — herhaalde de Sietsj-kozak.
Zoals gewoonlijk wilde hij haar over het hoofd aaien, maar zijn hand kon het niet opbrengen. Hij zei alleen:
— Ga, Maroesja, het moet!
Ze liep.
— Mag ik omkijken? — zei ze, alsof ze tegen een afwezige begeleider sprak.
En ze keek om.
Aan de bosrand was al niemand meer te zien. Het bos leek een massieve groene muur.
Dat weerhield haar er niet van nog meerdere keren om te kijken.
Toch vergat ze, gehoor gevend aan haar hart, het haar toevertrouwde doel niet en liep zo snel als ze kon.
Daar was het eerste bosje, helemaal doordrenkt met karmijnrood van de ondergaande zon. Hoeveel bloemen bloeien hier en verspreiden hun geur!
Daar weer de velden, weer bloeiende boekweit, het zoemende zwerm bijen. Een kwartel schoot dichtbij over. Daar was het bruggetje achter het bosje.
Iemand leek hen na te jagen, snel, haastig.
Ze moest kijken waar vandaan en wie het was.
Hij leek op een Tataar. Ja, zulke hadden ze al vaker op de wegen ontmoet en zich altijd voor verborgen, of in de greppel, of in het graan.
Moet ze zich nu ook verstoppen?
Hij rende recht naar het bruggetje. Ze moest zich in het riet verstoppen.
Maar ze had nog geen stap kunnen zetten naar het dichte riet bij het bruggetje, langs de oever van een ondiep, helder stroompje, dat leek op een enorme groene borstel: er klonk een schot, en het rode doekje werd rood op het zwarte pad.
Het doekje trok alleen door zijn kleur aan, maar de goedheid ervan was zo duidelijk dat zelfs de hongerige Tataar het niet aandurfde om het weg te nemen en weer verder ging, alsof hij door hoop was bedrogen.
Toen alles weer stil was, kwam er uit het bos, van de kant achter het bruggetje, een boer met een bijl en een bos groen hout op zijn schouder. Terwijl hij voorbij liep, boog hij zich voorover, keek naar het levenloze gezichtje van het meisje, legde zijn hand op de borst waaronder al een plas warm bloed lag, en zei toen:
— Nee, jij zult niet meer leven!
En hij liep verder over zijn weg.
Maar hij nam het rode doekje mee.
Dit alles gebeurde lang geleden, maar zelfs nu is er nog een klein graf in die streek dat “Meisjesgraf” wordt genoemd.
Men zegt ook dat het graf door een Zaporozjer, met zijn eigen handen, is opgeworpen.