Hryhorij Kvitka-Osnovjanenko
De Konotopse heks (1833)
Конотопська відьма – Григорій Квітка-Основ’яненко
Vertaling Rien Hamers
I
Somber en niet vrolijk zat hij daar op een bankje, in de nieuwe voorkamer die hij had afgescheiden van het ellendige huis, de Konotopse heer en honderdman (honderdman) Mykyta Oelasovytsj Zabrjocha. Hoewel hij op zich een nette kerel was, had hij zelfs op deze heilige zondag geen schoon wit hemd aangetrokken en — vergeef me het woord — zijn blauwe zijden broek had hij ’s nachts niet eens uitgedaan. Zo, arme ziel, had hij er ook in geslapen, blij dat hij na middernacht nog thuis was geraakt; en of hij nu geslapen had of niet, nog vóór zonsopgang maakten ze hem wakker.
Meteen sprong hij op, rekte zich geeuwend uit, krabde zich, bad tot God, snoof drie keer diep aan sterke Romny-snuiftabak, luisterde naar wat men hem voorlas, gaf bevelen en, toen hij alleen in de voorkamer was, ging hij weer op de bank zitten: zijn hoofd ongekamd, kuif niet bijgeknipt, gezicht ongewassen, ogen slaperig, snor verward, hemd openhangend. Voor hem op tafel lagen een pijp en een geldbuidel, een inktpot, een kam en een volle karaf van vorig jaar’s perenbrandewijn, die Pazjka hem al de avond ervoor in een fles had gegoten. Hij had er wel wat van uit de karaf geschonken om, zoals men zegt, zijn zorgen weg te drinken, maar toen hij opnieuw in gedachten verzonk, vergat hij het, ging liggen en viel in slaap. En nu hij was opgestaan, had hij geen grote haast om die brandewijn aan te raken, want een nieuw onheil had hem volledig in zijn greep, en hij wist zelf geen raad met zijn verdriet.
Wat voor onheil was dat dan wel, en waar kwam die droefheid vandaan? Maar wacht even, ik zal jullie alles vertellen: waar hij zo laat vandaan kwam en waarom men hem niet rustig liet uitslapen. Neem eerst wat snuiftabak — wie de sterkste heeft — en luister dan.
De heer honderdman Oelasovytsj was van eerzame en gewichtige afkomst. Hoe men het ook wendt of keert, de Zabrjocha’s waren altijd al hoofdmannen van de honderd geweest; Mykyta’s grootvaders en overgrootvaders waren allemaal honderdmans in het roemrijke stadje Konotop. Zo ging dat ambt van vader op zoon over. En zo was ook de oude Oelas Zabrjocha, honderdman van Konotop, gestorven… wat had het kozakkenvolk om hem gerouwd! En niet alleen zij: jong en oud, iedereen huilde. En bij de begrafenis droegen ze zijn kist door het hele dorp op hun handen, als die van een vader van kinderen, en bij de kerk begroeven ze hem en herdachten hem naar behoren bij alle rouwmaaltijden.
Toen men na de veertig dagen rouw bijeenkwam om te beraadslagen wie de nieuwe honderdman moest worden, riepen allen als uit één mond:
“Wie anders dan Oelasovytsj Zabrjocha, de zoon; wie zouden we beter kunnen vinden?”
Zo stelden ze hem aan tot honderdman, en van zoon werd hij voortaan zelf Zabrjocha.
Nadat hij zijn vader had begraven, keek hij eens om zich heen en zag dat hij al vijfentwintig was; er viel niet meer aan te ontkomen: hij moest trouwen, een meisje zoeken. Zijn vader, de oude Oelas, was namelijk nogal gierig, en wanneer Mykyta hem eens te pakken kreeg en begon te smeken dat hij hem zou laten trouwen, dan fronste de oude zijn wenkbrauwen, keek hem strak aan en zei:
“Wacht maar tot het opklaart, zie je niet hoe het bewolkt is? Wat voor zoon trouwt er nu? Het brood is duur, vijf altyns per zak, en we zitten hier krap: we hebben alleen een huis met een kamer, en via de gang nog die ellendige schuur, en dat is alles. Waar moet ik jullie kwijt met al die kinderen die er ongetwijfeld zullen komen? Later denken we er nog wel over na.”
Dan krabde Mykyta zich en droop met lege handen af. Nu echter, nu de oude gestorven was, had hij zijn eigen wil. Meteen nam hij het ellendige huis, deelde het in, en zo had hij een voorkamer en ruimte genoeg. Daarna begon hij een meisje te zoeken en zette zich aan het denken.
Aan wie had hij al niet gedacht? Eerst hogerop, natuurlijk! Hij sloeg meteen zijn oog op de dochter van de aartspriester uit Tsjernihiv, maar schrok zelf terug voor die ongelijkheid: alleen al haar kleren zouden twee wagens vullen, en het snoer van kralen, zo zei men, zou haar vader met scheppen afmeten. En toch: daar aten zelfs theologen gebakken pompoen, dus voor ons soort mensen viel daar weinig te halen. Zo zakte hij wat lager, zocht en zocht, dacht en dacht… totdat hij plots in zijn handen klapte en hardop tegen zichzelf sprak in huis:
“Dát is het! Dát is de mijne! Jongen! Zadel onmiddellijk het paard!”
Of hij zich nu goed had klaargemaakt of niet, onze Oelasovytsj sprong ogenblikkelijk op zijn paard, en toen hij weggaloppeerde, kon je hem nauwelijks met het oog volgen.
Waarheen haastte hij zich dan zo snel? Aha! Ooit, eens, ergens op een jaarmarkt had hij de vaandrigsdochter Olena gezien, die van de boerderij op Droge Balts, die Bezverchy heet. Toen hij haar daar had gezien, stond hij er zeer van te kijken dat zo’n jonge meid zoveel meel kocht. En toen hij mensen begon uit te horen, vertelden ze hem dat zij noch vader noch moeder had, alleen een broer; dat zij een onvermoeibare huisvrouw was: zelf zorgde ze voor de koeien, zelf werkte ze op het land bij de maaiers en de oogsters, en ’s winters hield ze toezicht in de stokerij en kocht ze het meel daarvoor in.
Haar broer, de jonge vaandrig, was weliswaar nog jong, maar wilde niet trouwen; hij had zijn zinnen gezet op het klooster, want toen hij ziek was geweest, had hij een gelofte gedaan:
“Als ik herstel,” zei hij, “dan ga ik het klooster in, nadat ik mijn zus uitgehuwelijkt heb.”
En zo herstelde hij, en wachtte hij op een goede man om hem zowel het huishouden als zijn zus toe te vertrouwen. Zelf had hij nergens meer omkijken naar: hij las alleen maar boeken, en Olena draaide voor hem het hele huishouden.
Daarheen spoedde onze heer honderdman Zabrjocha zich. Geen duivel had hem dat ingefluisterd, een kat voelt waar het spek ligt. Want één ding was zeker: het meisje was gezond, jong, knap, zwartogig, vol van gezicht, en wat een vee, lieve hemel! Een eigen boerderij, een stuk bos, een stokerij, een molentje, een windmolen, en runderen en schapen, daar viel niets tegenin te brengen. En dat alles zou háár toekomen. Daarom haastte onze Oelasovytsj zich zo dat hij zijn paard geen adem liet halen en zelf, zonder ergens te eten, zevenendertig zeven-wersten-afstanden in één ruk, in volle vaart en zonder rust, aflegde. En toen hij bij die boerderij Bezverchy aankwam en van zijn paard stapte bij het huis van de vaandrig, stond hij te wiegen als een dronkaard, ik zei al: hij had nergens gegeten.
Na begroetingen met de heer vaandrig en nadat ze in huis waren gaan zitten, raakten ze met elkaar in gesprek en kwamen ze tot de ontdekking dat zelfs hun ouders vroeger bevriend waren geweest, dus moesten ook zij elkaar niet mijden. Daarna vroeg de vaandrig de honderdman waar God hem zo heen had gedragen en met welk doel. Meteen begon onze Oelasovytsj te liegen, want, zo zeggen oude mensen, zodra je eraan denkt om te gaan vrijen, begin je al te liegen, en zonder leugens is nog nooit een man gaan huwen. Zo zei de honderdman dat hij zogenaamd brij voor zijn ossen voor de winter wilde huren (en waar was die winter nog? het was nog maar Petrustijd), en dat hij had gehoord dat de vaandrig goede bostel had bij de stokerij en het vee goed verzorgde, en dat hij was gekomen om te huren en af te spreken.
“Ik weet niets van zulke zaken en bemoei me nergens mee; mijn zus weet alles daarvan,” antwoordde de vaandrig.
“En waar is Olena Josypivna? Misschien zouden we haar kunnen roepen, dan ronden we de zaak samen af,” zei Zabrjocha.
“Ach! Mijn zus is op het land; ze zijn daar wat gierst gaan zaaien en zij houdt toezicht, want zonder haar weet niemand nog iets gedaan te krijgen. Maar u, Oelasovytsj, verveel u niet; tegen de avond zal ze er zijn. Tot ze terugkomt — meisje! tap eens wat pruimenbrandewijn! — dan drinken we een kruikje of twee. En u blijft vannacht bij ons, heer honderdman, want het is al laat,” zei de vaandrig.
“Zoals de heer het wil!” antwoordde Mykyta, en hij was er dolblij mee.
Toen ze samen een kruik pruimenbrandewijn hadden leeggedronken en daarna ook nog wat sleedoornbrandewijn hadden geproefd, kwam onze Olena van het land aanrennen. Ze zag een vreemde man, draaide zich meteen om, gaf bevel om karpers uit de vijver te halen en liet het avondeten klaarmaken; ze schoot hierheen en daarheen, gaf overal instructies — ook al voor wat men de volgende dag moest doen, wie waarheen en waarom — en daarna kleedde ze zich netjes, zoals het een jongedame en zeker een vaandrigsdochter betaamt: over haar oude rok deed ze een glanzend schort, ze trok een zijden jak aan, hing een dukaat aan een fluwelen lint om haar hals, deed rode schoenen aan, legde een mooie lintband op haar hoofd en kwam naar buiten om diep voor pan Oelasovytsj te buigen.
Toen onze Zabrjocha deze jongedame zag — een die hij nog nooit in zijn leven had gezien en die hij zich zelfs niet had kunnen dromen — begon hij te beven en wist hij niet meer wat hij moest zeggen, tot de vaandrig hem eraan herinnerde en zei:
“Welnu, heer honderdman, hier is de eigenares; overleg met haar, zij is overal het hoofd van.”
En wat deed onze Oelasovytsj? Geen woord kwam over zijn lippen. Hij begon wat te mompelen en te stotteren, begon over ossen en eindigde bij duiven, dacht aan bostel maar zei iets over sleedoornbrandewijn, en toen zweeg hij helemaal en slikte alleen maar zijn speeksel in, terwijl hij naar de schoonheid keek.
Olena was een kordate meid. Hoe de heer honderdman ook draaide en wendde, zij had hem meteen door — wie hij was en waarvoor hij gekomen was — en zei tegen hem:
“Goed dan, heertje; drink de sleedoornbrandewijn rustig op, eet het avondeten, ga slapen, en morgen — als God licht geeft, geeft Hij ook raad — dan zullen we overleggen wat er gedaan moet worden.”
Toen Zabrjocha dit hoorde, wist hij van blijdschap niet waar hij moest blijven; hij dacht: ‘Dat is dan helemaal rond, morgen alleen nog de handdoeken pakken.’ En hij greep weer naar de kruik en begon opnieuw te drinken met de heer vaandrig, die zich weliswaar op het klooster voorbereidde, maar deze zaak toch nog niet losliet en er zelfs veel plezier in had.
Olena kwam die avond nog vaak bij de heren binnen, zogenaamd om een of ander karweitje te doen, maar in werkelijkheid om Mykyta Oelasovytsj eens goed te bekijken en te zien wat voor man hij was. En telkens wanneer ze binnenkwam en haar oogjes — scherp als sleedoornbessen — op de heer honderdman richtte, werd zijn tong als van vilt: hij kon die niet meer bewegen, en zelf stond hij in vuur en vlam.
Nadat het avondmaal was klaargemaakt, kwam ze niet meer binnen. De heren aten samen, en toen de kruik sleedoornbrandewijn leeg was, wilde de heer vaandrig al gaan slapen. Maar toen schraapte onze Zabrjocha zijn keel, kuchte, smakte, streek zijn snor glad en begon die redevoering af te steken die een koster hem lang geleden voor zo’n gelegenheid had opgesteld. En hij sprak:
“Luistert, heer Josypovytsj, wat ik u zeggen zal: het is in strijd met de menselijke natuur om alleen te blijven, zowel in huis als in het huishouden. Elk levend wezen wordt geëerd in tweevoud: voor de man is het noodzakelijk een vrouw te nemen en kinderen te hebben. En ik, de nederigste, draag deze gedachte en dit onbedwingbare verlangen in mij. De vlam verteert mij en ik zal niet rusten totdat ik mij verenig met de lieflijk gevormde, hoogeerbiedwaardige Kat…”
En daar zweeg hij. Dat had de koster hem zo op papier gezet toen hij er ooit aan dacht de dochter van de aartspriester uit Tsjernihiv het hof te maken. Zabrjocha had het hele stuk tot het einde toe opgedreund, precies zoals hij het toen uit het hoofd had geleerd, maar toen hij zich ineens herinnerde dat de vaandrigsdochter geen Kateryna heette, maar Olena, en ook geen “hoogeerbiedwaardige” was maar gewoon een jongedame, stokte hij, hij kon verder noch voor- noch achteruit.
De vaandrig was intussen bijna in slaap gesukkeld, maar bij die rede spitste hij toch zijn oren en zei:
“Wat zegt u daar nu allemaal, heer honderdman? Ik begrijp er geen woord van. Is dit soms het werk van de sleedoornbrandewijn?”
Oelasovytsj zuchtte en zei:
“Dat vervloekte gekrabbel! Dat heeft onze koster van de Verrijzeniskerk geschreven…”
“Maar wat is het eigenlijk?” vroeg Josypovytsj. “Zijn het verzen, of wat?”
“Ach, ik weet zelf niet wat het is en waarvoor,” zei Zabrjocha.
“Waarom zegt u me dan zulke dingen midden in de nacht? U jaagt me de rillingen over de rug.”
“Ik zou het ook niet zeggen, maar het onheil heeft me getroffen!”
“Wat voor onheil dan? Zeg het snel, ik wil slapen.”
“Ach! De een kan slapen, de ander niet!” zei Oelasovytsj. Hij zuchtte zwaar, boog diep voor de vaandrig en sprak:
“Geef mij Olena tot vrouw, uw zus!”
“Zo!” zei de vaandrig. Hij dacht na, krabde zich op het achterhoofd, zijn schouders en zijn rug, en zei toen:
“Ik zal horen wat mijn zus zegt. Laten we het tot morgen rusten. Ga nu maar slapen.”
En hij ging bij hem weg.
Onze Zabrjocha ging liggen, maar slapen lukte niet: hij wachtte op het ochtendlicht en kon niet wachten om te horen wat Olena zou zeggen. Met moeite brak eindelijk de dag aan; de heren stonden op en geeuwden zich uit. Meteen vroeg pan Oelasovytsj:
“En wat zegt u me nu, heer? Is onze zaak in orde? Dan zou ik meteen naar huis rennen om de oudsten te halen en hier alles volgens de wet te regelen. Zeg het toch!”
De vaandrig snoof alleen maar en zei niets; hij riep enkel de kamer in:
“Kom, zus! Breng ons het ontbijt, wat je daar hebt klaargemaakt.”
De dienstmeid kwam binnen, boog, en zette voor pan Oelasovytsj op tafel, op een koekenpan… gebakken pompoen!
Toen onze Zabrjocha die streek zag — zo’n gemene poets — sprong hij van tafel op en rende het huis uit! Buiten stond de knecht met zijn paard, al opgezadeld. Hij sprong er meteen op en nam de benen langs de huizen; hij hoorde alleen nog maar hoe ze hem uitlachten. Dat maakte hem nog beschaamder, hij joeg zijn paard nog harder aan, en toen hij het erf af was, keek hij om: wat is dit voor ellende? Iets bungelt aan de hals van het paard! Hij kijkt: een touw. Hij trekt eraan — en daar hangt ook nog een rauwe pompoen aan vast!
Hij smeet die ver weg, greep naar de zweep en gaf het paard de sporen, slaan en slaan… Eén ding was de schaamte, maar daarbij ook nog de spijt om zo’n meisje, en dan nog zonder gegeten of gedronken te hebben! Zo rende onze Oelasovytsj met zijn “pompoen” terug naar huis, net zo hard als hij naar het meisje was gereden, toen hij dacht dat hij alleen nog maar de huwelijksdoeken hoefde te halen. Hijzelf was er slecht aan toe, het paard doodop; en zo bereikte hij pas tegen middernacht, met veel moeite, zijn huis, en, zoals ik al vertelde, ging hij meteen liggen slapen.
II
Somber en niet vrolijk zat de Konotopse heer honderdman, Mykyta Oelasovytsj Zabrjocha, op de bank in de voorkamer, en waarover hij treurde, dat weten we al… Ja! Maar nog niet helemaal: zal ons dat praatje leren, dat naar de voorkamer kruipt van de heer honderdman? En wie kruipt daar eigenlijk naar binnen? Waarom ploetert hij zo? Hij stoot tegen de deur, en gaat dan weer terug. Die lange stok die hij bij zich draagt, belemmert hem: houdt hij hem voor zich, dan stoot hij bijna zijn neus tegen de deur, en de stok leunt al tegen de hoek; sleept hij hem achter zich aan, dan komt hij de kamer helemaal binnen, maar de stok blijft hem volgen en klemt zich vast zoals een driftige vrouw achter een dronken man. Dwars erin duwen kan hij niet: hij is te lang.
Wie kruipt daar dan naar binnen? Niemand minder dan Prokip Ryhorovytsj Pistrjak, de honderdmans-klerk van Konotop en een trouwe vriend van onze heer honderdman, Mykyta Oelasovytsj. Zonder hem zou Zabrjocha geen enkel borreltje brandewijn drinken of een lepel soep naar zijn mond brengen; en zoals Pistrjak al zei, zo is het, en zo zal het blijven, en het is vanzelfsprekend, zo wint er niemand.
Maar wat sleept hij dan met die lange stok de voorkamer binnen? Laten we luisteren waarover zij gaan praten, dan zullen we alles begrijpen. En nog iets: heer Pistrjak is een echte klerk: twaalf jaar leerde hij bij de koster op school, één uur grammatica per dag, twee uur taalkunde, drieënhalf jaar psalmen en gebeden van buiten geleerd, vierënhalf jaar leren schrijven, een heel jaar leren tellen; ondertussen liep hij bij de kerkgalerij, leerde zangmodi, kerkdogma’s, Skovoroda’s cherubijnenliederen, volgde de koster en assistent nauwgezet, en las Paulus luid in de kerk, wanneer hij niet genoeg bladwijzers had, galmde zijn stem door de hele kerk. Op het dorpsplein was hij zo scherp van taal dat, wanneer hij begon te spreken, alles uit de Schriften kwam. Zelfs onze vader Kostjantyn, die syntaxis had gestudeerd, luisterde, haalde zijn schouders op en zei: “Wie weet nou, man, wat je daar allemaal zegt!”
Dat was dus onze klerk in Konotop, Prokip Ryhorovytsj Pistrjak. En wanneer hij met heer honderdman Zabrjocha sprak, luisterde men maar, en of je het dan helemaal begrijpt, dat weet ik niet, want hij sprak zo geleerd dat tien gewone hoofden het niet zouden kunnen bevatten.
Dus, wanneer de heer honderdman ziet dat de klerk de kamer niet in kan met die lange stok, vraagt hij:
“Wat doet u daar, heer klerk, waarom duwt u die stok bij mij de kamer in?”
“Dat is, bojaar, een rapport over de telling van de honderdmansbevolking, in aanwezigheid van de aanwezigen volgens uw bevel, en — moge het in stof en as vergaan! — hij past niet in uw ruimte. U moet de muur uitrekken of het plafond optrekken, want ik kom uw zaal niet in!” zei Pistrjak en begon weer te slepen met de stok.
“Wat voor rapport is dat dan, wat zo lang is? Die stok lijkt wel een staart.”
“Deze stok, hoewel het een stok is, is niet zomaar een stok, want erop bevindt zich het verslag van de zielen van de kozakken van de Konotopse honderd, volgens het schrijven van het wezen en het beven van de rechterhand, samen met de schildwachten.” — Zo legde onze Pistrjak uit.
“Zeg het gewoon, heer klerk! Dit geschrijf maakt me duizelig en ik begrijp er niets van wat u zegt. Zonder u word ik al moedeloos, mijn lever doet pijn van de spanning, ik voel het opkomen,” zei de heer honderdman en leunde op zijn hand, bijna met een traan.
“Ach, heer honderdman!” zei Pistrjak, “de afgelopen week heb ik met de jonge vrouwen op de dorpspleinen gelachen, maar vanavond — zodra ik hier kwam — stond ik als bevroren, sprakeloos als een zeebes. En dit onverwachte bericht schokt mijn binnenste: vooral toen ik begreep dat ons genadig gezag beval om naar Tsjernihiv op mars te gaan. Heer honderdman, ze schrijven, ter bescherming van onze zielen, maar de angst en beving grijpt ons, we zullen treuren op onze bedden en in slaap vallen in de dood. Daarom handelde ik voorzichtig, als ware ik in Tsjernihiv, maar wie weet wat er nog verder is. Ach, leed, leed! En weer zeg ik: leed!”
“Ach, leed, leed, Ryhorovytsj!”
“Ach, leed, leed, Oelasovytsj!”
Zo treurden de heer honderdman en de heer klerk samen, omdat hen het bevel was gestuurd om met de hele honderd man naar Tsjernihiv te trekken, alles bijeen te brengen en voor twee weken proviand te verzamelen voor henzelf en hun paarden. Terwijl de heer honderdman in de voorkamer treurde, stond de klerk Pistrjak buiten op de drempel, en hij had alweer iets verzonnen — want hij was dol op uitvindingen — en zei:
“Wilt u, heer honderdman, mij het bevel geven tot het breken van deze driemaal onfortuinlijk geworden stok? Ik sta momenteel in de vorm van rapport hier, maar zoals u met uw heldere ogen — ook al niet gewassen — ziet, kan ik niet uw zaal binnenkomen.”
pan Oelasovytsj krabde zijn hoofd, dacht lang na, en zei toen:
“Dus, volgens jou moeten we de stok breken; maar jij zegt dat het geen gewone stok is, maar een rapport over onze honderd, zodat er geen pak slaag komt van de oudsten. Want je weet zelf hoe de regimentsklerk probeert ons te pakken te krijgen, en ons stiekem bespiedt om ons onverhoeds aan te vallen.”
“Wij zullen ons niet laten vangen of bang worden voor de vijand met al zijn krachten. Daarom moet u ons wijsheid schenken en dit laatste bevel onverwijld uitvoeren, en voor uw bevel, edele heer, zal ik deze staf breken,” zei Pistrjak terwijl hij zijn snor krulde en omhoog keek naar het plafond. Vervolgens zag hij dat heer Mykyta nog steeds geen woord begreep van wat hij zei, en riep:
“Dus… breken?”
“Breek maar, heer klerk!”
Krak! De heer klerk brak de stok.
“Gebroken,” zei hij, “en nu kan ik mij in uw zaal voegen.” En terwijl hij dat zei, kwam hij de voorkamer binnen, boog voor de heer honderdman, en overhandigde hem met twee handen het stokje, zeggende:
“Wilt u aannemen, alstublieft!”
“Wat doe je nu, heer klerk, steek je dat in mijn gezicht? Wil je mijn ogen uitsteken?” vroeg de heer honderdman, tegen de muur leunend, bang dat Pistrjak hem vijf rare streken zou leveren, zoals na het paasfeest in dronkenschap. “Wat is dit nu? Zeg het gewoon, zonder geschrijf!”
“Dit, heer honderdman,” zei de klerk, “staat in plaats van het register van onze honderd. Ik kon het niet opschrijven vanwege het beven van mijn rechterhand door het geplaag van dronken jongedames, en daarom nam ik de stok en markeerde daarop elke kozak. Dit is het juiste aantal: in elke tiental zitten tien kozakken, en er zijn tien van zulke tientallen, dus de hele honderd is compleet. Wilt u, heer honderdman, dat ik met deze stok de honderd, zoals ze zich zullen verzamelen bij het huis van Kuzmyсha, de kromme herbergierster, voor uw ogen zal aanwijzen?”
“Ah, heer klerk!” zei pan Oelasovytsj. “Ik zou dat wel goedvinden, maar ik ken er niet meer dan dertig. Tel zelf maar en doe zoals je weet; jij bent de klerk. Ik zal alles later ondertekenen, want ik ben honderdman om te tekenen, niet om te tellen.”
Zo begon heer Pistrjak met tellen. Hij telde en telde, maar bij het vijfde tiental miste hij één kozak.
“Wat een raadsel!” riep hij uit. “Ik telde ze allemaal, en toch ontbreekt er één. Ik zal gaan kijken en het register aanpassen, wie van de opgeroepenen zich niet voor mijn ogen heeft laten zien… niemand anders, geloof het of niet, dan Ilko Naljoesjnja!”
Daarna ging hij naar buiten om de kozakken te tellen, terwijl de heer honderdman meteen naar de karaf met brandewijn greep en, zonder adem te halen van verdriet, deze helemaal opdronk. Daar kwam heer Ryhorovytsj met zijn stokjes de deur in, vrolijk en haastig om de heer honderdman te troosten, en zei:
“Maak u geen zorgen, bojaar! Al onze kozakken zijn compleet, geen een is weggevlogen; hier zijn ze.”
Hij begon te tellen, maar in het vijfde tiental ontbrak één kozak! Ryhorovytsj stampte met zijn voeten, greep zich bij zijn haar en begon de vader, de moeder en de hele familie van die vermaledijde zoon van een kozak te doorzoeken, die zich verstopte terwijl hij het rapport naar binnen bracht voor de heer honderdman. Buiten telde hij iedereen, binnen ontbreekt er één, precies in het vijfde tiental, en hij verdwijnt alsof armoede hem heeft opgeslokt!
Pistrjak keerde terug naar de honderd, telde de kozakken, allemaal aanwezig. Toen hij terugkeerde naar de heer honderdman en de stok nam, waarop hij iedereen had gemarkeerd, ontbrak nog steeds één persoon. Hij wilde terug naar de honderd om de verborgen kozak aan te pakken, maar alles was compleet, behalve die ene in de voorkamer. Zoiets gebeurde hem wel tien keer. Hij raakte volledig uitgeput, rennend van het ene huis naar het andere, naar de honderd en weer terug, dat pan Oelasovytsj zich al had aangekleed en zijn hoed had gepakt om naar de honderd te gaan. Maar steeds ontsnapte er één kozak, en wie het was, was onbekend, want iedereen stond bijeen en hield elkaar bij de taille vast, zodat niemand weg kon glippen terwijl ze op de stok werden aangestreept.
“Stop ermee, Ryhorovytsj! Laten we samen tellen,” zei de heer honderdman. “Als iedereen daar is, en er ontbreekt nog iemand op de stok, dan mag hij verdwijnen, zolang de levenden er maar zijn.” Hij keek nauwlettend naar de klerk, klaar om hem uit te schelden voor onzin, zoals hij vaak deed.
Pistrjak was lang stil, wiebelde met zijn vinger en sprong toen op, klemde zijn handen op zijn buik en riep:
“Dit is belangrijk! Mijn innerlijk verheugt zich dat zo’n plan uit mijn hoofd is ontsprongen en in de wereld is neergezet. Heer honderdman, u moet hier als opperrechter optreden over deze onbeperkte en wijze beslissing, die ik niet zelf heb genomen. Laten we gaan, vader! Mijn innerlijk is verheugd over de compleetheid van de honderd, en als we klaar zijn met de taak, kunnen we rusten en een versterkertje nemen.”
En zo gingen ze op pad. Hoera! De heer honderdman werd een beetje opgewekt, want hij had op eigen houtje een oplossing bedacht, nog zo goed dat zelfs Prokip Ryhorovytsj Pistrjak, de klerk van de Konotopse honderd, hem voor het eerst prees voor zijn uitvinding. Ryhorovytsj liep achter de honderdman aan en dacht bij zichzelf:
“Dit gaat verkeerd als de heer honderdman nu slimmer blijkt dan ik. Waarom heeft hij dan mij nodig, als hij zelf bedenkt en ondertekent? En misschien gaat hij zelf schrijven en tellen. Maar dat laat ik niet gebeuren… Ik zal hem een lesje leren.”
Ze kwamen bij de herberg van Kuzmyсha, en daar stond de honderd al, wierpen hun hoeden af en groetten de heer honderdman.
“Gezondheid, kinderen! Zijn jullie allemaal hier?” vroeg de heer honderdman, zijn handen in zijn zij, terwijl hij iedereen met zijn ogen opnam, alsof hij ze inspecteerde of telde. Hij kende er niet meer dan dertig van, en hij kende geen enkele kozak bij naam of gezicht.
“Gezondheid, vader!” riep de menigte. “We zijn er allemaal tot de laatste toe.”
“Tel eens na, klerk, of er niemand zich verstopt,” beval de heer honderdman, opgeblazen als een sissende kat.
Daar had Pistrjak het moeilijk: alle kozakken waren aanwezig, maar als hij de stok samenpakte en de markeringen telde… één ontbrak!
“Wat voor een duivels ding is dit?” riep Pistrjak en stampte met zijn voet.
“Rustig maar, Ryhorovytsj,” zei pan Oelasovytsj glimlachend. “Alle kozakken zijn hier, en niemand ontsnapte op de stok. Toen jij de stok brak, ontbrak er juist eentje.
De kozakken, dit aanschouwend, barstten in lachen uit: “Zo is het, edele vader! Zo!” schreeuwden ze en ze riepen: “Kijk, daar gaat onze klerk! O, moge hij gezegend zijn!”
“En laat het zien, met de kozakken, de stok, de mannen en de leiding,” schreeuwde Ryhorovytsj door de straat, bijna ontploffend van trots. Hij pakte de stok, brak hem in stukken en gooide die naar de kozakken met de woorden:
“Vergeet het maar, rotzakken; een esdoorn voor jullie; moge jullie honderd ziektes en anderhalf keer zoveel puisten treffen, als je denkt slimmer te zijn dan ik. Waarom heb ik jullie nodig?”
En hij begon opnieuw met het verslag:
“Ik trek de wildernis in en zal wonen in de bergen van Ararat, bij de laatste zeeën. Vergeet het maar!”
De heer honderdman pakte hem bij de hand en zei:
“Genoeg nu, Ryhorovytsj, wees niet boos. Laat maar, ik moest je een beetje plagen, en nu ben je al kwaad. Begrijp je wel? Jij duwt mij dat rapport onder mijn neus, en ik, die helemaal niet kan schrijven, sta erop en teken het. En de kolonel tekende erbij: ‘kozakhonderdman van Konotop, heer Mykyta, jij bent een dwaas!’ Maar ik werd er niet boos om, ook al heb je mij er lang over lastiggevallen en in mijn gezicht uitgelachen. Genoeg nu! Laten we gaan lunchen…”
“Laat jou en de anderen maar van je lunch genieten, behalve het heilige brood. Moge hij stikken die me zo’n wijsheid probeerde op te dringen!” bromde onze Pistrjak, zijn handen wapperend van woede. Zonder om zich heen te kijken, sleepte hij zich naar huis, mompelend:
“Je zult stikken als ik je een knoedel breng… Ik breng je onder het klooster… Er zal in Konotop een honderdman zijn, maar niet Zabrjocha… zelfs Pistrjak zal eerbied krijgen.”
“En wat zullen wij nu doen?” vroegen de kozakken, kijkend hoe hun hele leiding weg was: de klerk, alsof hij uit een roes kwam, was huiswaarts vertrokken, en de heer honderdman had zijn hoofd gebogen en trok ook naar zijn huis. Ze kwamen de heer honderdman achterna en vroegen wat ze moesten doen en waarom ze waren samengebracht.
“Ach, de kale duivel weet het!” riep Mykyta Oelasovytsj, terwijl hij zowel zijn vader als zijn moeder uitschold. “Laat me met rust. Ga waar je wilt, al was het naar de galg. Welke order kan ik geven als de klerk gek is geworden? Hij heeft dat rapport — ik noem al het papier rapport, want ik kan geen enkel voorschrift uitspreken — nou ja, laten we maar afwachten of hij wakker wordt, want hij verzint vaak rare dingen. Anders kunnen we het uitleggen, maar nu… nooit. “
En daarmee liep hij in stilte naar huis.
De kozakken, dit aanziend, gingen hun eigen weg: sommigen naar de herberg, anderen het stro in om uit te rusten na deze exercitie. En weer anderen renden naar de tuinen om de meisjes een beetje bang te maken…
III
Treurig en niet vrolijk zat de heer honderdman Mykyta Oelasovytsj Zabrjocha op de bank in het grote huis, niet meer in de kamer, nadat hij de kozakkencompagnie had geïnspecteerd. Daar kwam bovenop het ongeluk van gisteren — toen juffrouw Olena, de dochter van de vaandrig, hem een stukje geraspte pompoen onder zijn neus had gebracht — dat hij sinds gisteren niet gegeten of gedronken had, en bovendien nog niet uitgeslapen was. En nu moest hij zich voorbereiden om met zijn compagnie op pad te gaan, helemaal naar Tsjernihiv! Daarbovenop kwam ook nog een nieuw ongeluk: hij had zijn compagniesklerk, Prokip Ryhorovytsj Pistrjak, boos gemaakt. En als die boos is, zal hij geen enkel advies geven over welk bevel of welk rapport dan ook dat het opperbevel stuurt. Wat moest hij nu dan doen? Met zo’n stapel ellende, hoe kon hij nu vrolijk zijn?
Ja! Hij zat daar op de bank in het grote huis, aan het uiteinde van de tafel, het hoofd zo gebogen dat het bijna op zijn knieën rustte. En hij zat daar al een hele tijd… Totdat uit de kamer de dienstmeid tot hem sprak:
— Waarom, mijnheer, zit u daar zo te treuren en zwijgt u? Is het niet tijd om te lunchen?
— Ik wil dat niet! — zei Oelasovytsj, zuchtte zwaar door de hele kamer en steunde zijn hoofd op zijn hand.
De dienstmeid, stemde in, ging weer terug naar de kamer en keek hem vrolijk aan als een klein vogeltje en zei:
— Of misschien hebt u al geluncht? Of wilt u liever vertrekken… of iets dergelijks?
— Ik wil dat niet! — gaf Oelasovytsj steeds hetzelfde antwoord, zonder haar aan te kijken.
De dienstmeid trok sip terug naar de kamer en ging in een hoek zitten, mompelend:
“Die zal wel bij de priester geweest zijn, daar zal hij ook geluncht hebben; want die pastoorsmeiden, die krijgen altijd hun zin.”
En terwijl ze daar zat, bleef ze morren over de priester.
En Mykyta Oelasovytsj zat daar maar te zitten, verdiept in gedachten. Totdat… krak!… er iemand binnenkwam. De heer honderdman keek op… en het was niemand minder dan Ryhorovytsj zelf. Was hij boos geworden? Nee, hij was niet boos, maar kwam met sluwe plannen naar Mykyta. Luister maar wat er gebeurde… Hij kwam binnen en bleef stil bij de deur staan.
De heer honderdman was niet blij om zijn trouwe vriend te zien, maar vooral omdat hij dacht: “Nu is hij niet boos en zal hij me advies geven in mijn nood.” Maar Ryhorovytsj had andere plannen: hij bleef bij de deur staan, sprak geen woord en bewoog geen spier.
— Wat heb je te zeggen, Ryhorovytsj? — vroeg de heer honderdman.
— Wat wilt u, heer honderdman? — antwoordde hij, zonder van zijn plaats te gaan.
— Ach, rot op met je compagnie! Ken je mij dan niet? Voor de kozakken ben ik de honderdman en jij de klerk; maar als wij tweeën alleen zijn, dan zijn we als broers. Ga zitten, we gaan lunchen, — zei Oelasovytsj.
— Dank u! Ik heb al geluncht, — knikte Ryhorovytsj terwijl hij dat zei.
— Aha, dat liegt hij! — zei de honderdman. — Ga dan zitten, ik ga eten, en jij drink wat van de brandewijn; dat is zo’n wijsheid van gisteren, net deze week begonnen, en zo sterk dat je wilt blijven drinken terwijl je er eigenlijk genoeg van hebt.
— Ik heb al de driedubbel-vervloekte beker van ellende leeggedronken, — zei de klerk, zuchtend, — en ik kan geen druppel van die overbodige brandewijn meer verdragen; het voelt alsof ik het als een bittere alsem in mijn mond heb.
— Wat is dat voor een opmerking, klerk? — begon de honderdman vriendelijk te praten. — Waarom adem je nog steeds zulke hel uit over mij? Waar gaat dit over? Zelfs een oude zigeuner zou er niets van begrijpen.
— Het is niet goed, heer honderdman, om het leger van de farao met ons, de rechtvaardigen, te vermengen. Hier kun je zonder zigeuner al genoeg opstoppingen veroorzaken. Toen men mij de driedubbel-vervloekte pinhva bracht, wat bleef er voor mij over? Als een paard en mest! Pfui! Bovendien nog erger!
— Wat is dat voor een vuile streek, klerk! — onderbrak de honderdman. — Je begrijpt nog steeds die verdoemde tak niet…
— Laat het maar met een knal vergaan in de vuurspuwende grot! — riep Pistrjak uit. — En u, heer honderdman, had moeten zwijgen bij mijn geflikker, niet voor de hele compagnie, als een brullende leeuw, maar me gewoon privé de waarheid vertellen, zodat de kozakken later niet zouden zeggen: “Onze klerk is een dwaas, hij begreep niet dat de stok eigenlijk te breekbaar was.” Want ik heb u al in de kamer gezegd: ik was nog dronken, mijn handen trilden als boombladeren, hoe zou mijn hoofd dan nog iets bedacht kunnen hebben? Het was als een woelige zee. Daarom had u, heer honderdman, me in alle goedheid privé moeten waarschuwen, en niet voor de hele compagnie.
— Je hebt gelijk, Ryhorovytsj, nu zie ik het zelf ook, — zei onze Oelasovytsj. — Zo gaat het altijd: wat Pistrjak niet bedenkt, wat hij ook zegt, ik zeg meteen: “Ja, dat klopt.” Zo ook nu. Hij knikte instemmend en Oelasovytsj zag hem recht in de ogen; het was als een dumpling met boter op de lippen, en ineens durfde hij met hem te praten en grappen te maken.
— Ga zitten, vriend. Waarom stond je daar als een hond aan een touwtje bij de deur? Kom, kom, ga naast me zitten. Ik ga lunchen, en jij drink je brandewijn. Pasjka! Breng maar een volle kan brandewijn!
Pasjka kwam uit de voorkamer en liep vrolijk door de grote kamer, terwijl ze haar pan een vrolijke blik schonk. Ondertussen liep Prokip Ryhorovytsj peinzend door het huis, neuriënd:
“Scheid u, eeuwigheid, van de mannen”; toen wierp hij zijn hoed op de grond, zuchtte, en liep naar Oelasovytsj toe, wikkelde zijn snor op en begon te praten:
— Echt, ik lieg niet. Moge de aarde ons allemaal opslokken als ik zelfs maar een half woord verdraai. Het is mijn taak, als klerk, om het bevel van het opperbevel uit te voeren; want zo is het: elke man heeft een hoofd, het hoofd heeft verstand, het verstand heeft wil, en deze wil bestuurt alles: de hand, de dienaar, elk lid. Dit is een voorbeeld, een illustratie: de man is de kozakkencompagnie van Konotop; het hoofd is de heer honderdman; het verstand in het hoofd ben ik, de nederige klerk; ik heb de wil, dat wil zeggen, de bevoegdheid om een document te schrijven, dat zelfs de kolonel niet beter kan. Als de man niet luistert naar het hoofd, wat dan? Het hoofd wordt dan verward en wankelt. Zo ook met de compagnie: als die niet gehoorzaamt, kan hij me benadelen, en erger nog, spotten met mijn onwetendheid! Wat doe ik hier op aarde?
Na dit alles te hebben gezegd, ging hij op de bank zitten en leunde, zuchtend. Oelasovytsj voelde medelijden en zei:
— Eerlijk gezegd, broertje, ik heb niets begrepen van wat je me net vertelde; want het is allemaal geschreven taal, en jij weet dat ik daar niets van snap. Dus praat gewoon, niet als een document, maar zeg het rechtstreeks. Dat is al moeilijk genoeg, en dan moeten we ook nog op pad… Laten we bespreken wat we met dat rapport moeten doen.
— Ik weet niet wat u zegt, — begon de klerk te mompelen. — Moet het opperbevel zulke rapporten echt naar ondergeschikten sturen? Ik heb het u eindeloos verteld, en toch… alles voor niets.
— Het is in elk geval een rapport, niet meer dan dat. Ik ben blij dat je het rapport hebt opgesteld, maar wat jij zegt, dat zal ik niet herhalen. Goed, genoeg over de rapporten; laten we bespreken hoe we ons voorbereiden voor de tocht. De compagnie is compleet, dus dat is goed. Vertel nu wat we moeten doen.
— Hm, hm! — begon Ryhorovytsj te hoesten, terwijl hij zich herinnerde hoe hij de compagnie had geteld. Hij begon voorzichtig tegen de honderdman te praten, alsof hij hem in moeilijkheden wilde brengen, maar zelf… dat zullen we nog horen. — Wat het bevel ook is, heer honderdman, ik zal het nauwgezet uitvoeren.
— Doe me een plezier, Ryhorovytsj, houd op met dat gedetailleerde gezever! — zei de honderdman, en ging aan tafel zitten terwijl Pasjka het eten en een volle kan brandewijn bracht. — Kom naast mij zitten; en als je niet wilt eten, drink dan maar je brandewijn, maar bemoei je niet met mijn zaken.
De honderdman at stilletjes zijn maaltijd, terwijl de klerk zat en zat, zwijgend, de lepel in dezelfde kom… en begon toen, zoals hij zei, eerst de hete borsjt met allerlei kleine visjes te verwerken, vervolgens gortepap met olie, daarna afgekoelde borsjt met linzen, en er was dan nog vissoep met steurgarnaal en tarwenoedeltjes, gebakken brasems, en verder niets. Hoewel onze Ryhorovytsj thuis evenveel had gegeten als nu bij de honderdman, maakte het hem niets uit: hij had bij de deken op school geleerd, en het stemgeluid dat hij toen gebruikte bij de maaltijden, was als een bel die door de hele straat klonk, zo luid dat het in de oren pijn deed; de deken had hem daarmee getraind, en zo had onze Ryhorovytsj dat ook aangeleerd, en het maakte hem niet bang om zes maaltijden achter elkaar te eten. Zo begon hij nu bij Oelasovytsj, toen hij het goede eten zag, en bovendien verse vis, te eten alsof hij ’s ochtends nog niets had gehad.
Hij at goed, zo goed dat het bijna in zijn oren klapte, pakte toen de draagdoek en zonder het in de kruik te gieten, perste hij er al zijn drank uit. Daarna stond hij van tafel op, dankte God en de gastheer, ging op de bank zitten, hoestte, streek zijn snor glad en zei:
— Uit dank voor de maaltijd en de voortreffelijke drank breng ik mijn verdriet in herinnering aan de Allerhoogste. Moge die vervloekte stok, die door het breken één van de kozakken had weggenomen, niet herinnerd worden. Verdoemde stok! Moge zij driemaal vervloekt blijven en verbranden in een Chaldeeuwse oven, en nog beter, in een vuur van hyena’s. Laten we nu het werk bespreken en doen. Weet, edele heer, dat het voor ons onmogelijk is om op pad te gaan! O! — en hij begon krullen te maken met zijn handen.
— Ho! — riep pan Oelasovytsj van vreugde en liep naar hem toe om hem uit te vragen, en zei: — Hoe is dat mogelijk? En het rapport?..
— Maar! alles is van u! — zei Ryhorovytsj. — Sla uw hoofd er nog zo hard op, alles is van u. Nou ja! Hoe ze het ook hebben opgeschreven, we kunnen niet gaan: het komt ons niet uit, we hebben geen tijd!
— En waarom hebben we geen tijd? Leg het eens uit, kauw het voor me, waarom hebben we geen tijd?
— Hm, hm! — zei Ryhorovytsj, na te hebben nagedacht en gekucht, — wat hebben wij te maken met Tsjernihiv en de hoogste officieren, als de hele wereld ten onder gaat?
— Hoezo? — vroeg pan Mykyta geschrokken. — Waaraan gaat de wereld ten onder? Wat is dat? Ik, honderdman van Konotop, weet toch niet dat de wereld ten onder gaat? Vertel me, alsjeblieft, waaraan hij ten onder gaat en of we hem op een of andere manier kunnen beschermen of ondersteunen?
— Hij gaat ten onder! — zuchtte Pistrjak. — Voor alle zienden en verwonderden, niemand adviseert hulp. Kijk, honderdman Oelasovytsj, en wees verschrikt! Drie weken en een halve zal de regen niet vallen, de aarde zal niet verzadigd worden, en de hemel sluit zich; alles is veranderd in stof en as, alle gewassen zijn verdroogd, en een enkel stofdeeltje dwarrelt door ons universum en — o, wee mij, zondaar! — dat stof dringt door in mijn onschuldige neus en veroorzaakt een genies, als was het de geur van onverdraagzaamheid en boetedoening – bah! Pompoenen, ik was puur en onbevlekt vanaf de baarmoeder van mijn moeder tot nu toe. O wee!
— Dus waarom zou de wereld nu ten onder gaan? — zei pan Zabrjocha, — als jij, klerk, niest?..
— Maar – er wordt geniest! — zei Ryhorovytsj, terwijl hij zijn hoofd schudde. — Niet alleen ik nies, maar ook de kolonel-klerk, en wat nog: zelfs onze doorluchtige en zeer edele heer-graaf, als die verdoemde pompoenengeur zich in zijn neus nestelt, en de bijbehorende stof wordt door de wind verspreid. En als we niet op tijd gaan besproeien, zal alles uitdrogen en vergaan! Groenten en granen zullen verschrompelen en er zal geen groei van graan zijn; dan zullen wij niet eens kunnen ademhalen, maar sterven door honger en dorst een plotselinge dood. Ik geef u een raad: we moeten onze lijdende aarde bevochtigen!
— Nu pas begrijp ik door en door wat jij, klerk, tegen me zegt. Jij zegt dat er geen regen is? Wat gaan we dan doen? Kunnen we de krachten van de hemel beïnvloeden en zorgen dat het gaat regenen?
— Dat kunnen we! — riep onze Pistrjak door het hele huis, en daarna sloeg hij met zijn vuist op tafel en riep nog luider: — En nogmaals zeg ik, we kunnen het.
— Vertel dan, vertel, heer klerk, hoe? Ik, de honderdman van Konotop, weet er nog steeds niets van, — vroeg pan Zabrjocha.
— Luister goed, heer honderdman! En wees zo vriendelijk, Mykyta Oelasovytsj, begrijp wat ik u ga zeggen, zodat ik het niet tien keer hoef te herhalen. Er zijn op de wereld goddeloze vrouwen, afstammelingen van het Kanaänitische volk, volgens de overlevering en traditie, die zich hebben overgegeven aan Beëlzebub en zijn duivelse kunsten en zich oefenen in hekserij. ’s Nachts, wanneer wij slapen, verlaten deze goddelozen hun huizen, trekken een wit hemd aan, laten hun haar los hangen als een kameel, en gaan naar de buren en andere bewoners van de omgeving. Ze betreden schuren, stallen, waar zij vee hebben, zowel schapen als paarden, en ook honden en alles wat voortkomt uit hen; en wat denk je? Ze melken krabbelende katten, gemene muizen, verdorven kikkers… en al het kruipende en springende leven dat melk geeft, en ze gebruiken het uitsluitend voor hun goddeloze kunst; en al die melk zetten ze met duivelse betovering om in tovenarij en gebruiken het zoals zij willen, bijvoorbeeld: ze stelen zuigelingen uit de moederschoot en stoppen in plaats daarvan een kikker, muis of zelfs een puppy; ze zaaien vijandschap en ruzie tussen echtparen; ze wekken romantische gevoelens op tussen jongen en meisje die niet bij elkaar horen, en allerlei andere kwaadwillige dingen; maar het ergste van alles: ze sluiten de hemelse sluizen en verhinderen dat de regen de aarde bevochtigt, zodat het menselijke ras vergaat. Begrijp je nu, edele heer, waar deze ramp vandaan komt die ons land treft, dat we zelfs tot op heden geen druppel regen hebben gehad? Kom op, vertel me: heb je mijn woorden begrepen?
— Ja, ja! — zei pan Zabrjocha, hoewel aarzelend, — ik begrijp het nu. Jij vertelde me dus dat er bij ons geen regen valt, klopt dat?
— Ja, ja. Maar door wie gebeurt dat?
— Door… kikkers, of… door iemand… ik heb niet goed geluisterd.
— Welke kikkers? Door heksen, door heksen, zeg ik u.
— Nou, verdoem ze, noem ze niet bij naam bij mij, heer klerk! Zelfs tot vanavond en ver weg, maar als je me bang maakt, zal ik de hele nacht angstig zijn en niet slapen: ik zal bang zijn voor alle heksen.
— We hoeven ons echter niet te laten intimideren, we moeten ze zelfs tot de derde generatie uitroeien.
— Hoe ga je ze dan verslaan, Ryhorovytsj? Ze zal zich oprollen, onder je voeten gooien, je omverwerpen en verdwijnen. Bestaat dat niet? Vertellen oude mensen zulke verhalen niet genoeg, zodat je de hele nacht trillend wakker blijft liggen?
— Niet alleen de oude mensen, maar ik kan ook over zo’n kwelling vertellen. Op een avond ging ik met de jongens naar een avondfeest, we aten en dronken genoeg, maar ook te veel; en toen ik terugkeerde naar mijn verblijf, vlakbij het oude huis van Tsymbalycha, verscheen plotseling iemand onder mijn voeten; mijn hoofd draaide, ik wankelde en viel, en sliep daar als een dode tot de ochtend. Dit was niets anders dan het verschijnen van een vervloekte heks. Het is dus noodzakelijk ze goed te verdrukken, zodat ze regen uit hun geheime krachten laten vallen en de aarde bevochtigen.
— Hoe moeten we dat aanpakken, heer Ryhorovytsj, zodat ze regen terugbrengen en ons geen kwaad doen achteraf?
— We zullen ons niet laten intimideren of bang zijn! — zei pan Pistrjak. — De zalige en eeuwige roemwaardige herinnering aan uw vader, Oelas Panasovytsj, de dappere honderdman van de Konotop-honderd, wiens wijze bestuur door het hele universum bewonderd werd — moge de aarde zacht boven hem rusten — hij bestuurde deze Egyptische vrouwen, in feite heksen, met godsvrucht en wijsheid. U, edele heer, moet naar dat voorbeeld handelen en hetzelfde onverwijld doen.
— En wat deed mijn overleden vader met hen? Vertel het me, misschien kan ik het ook doen?
— Uw altijd te gedenken vader martelde ze en verdronk ze in de rivier. Als het een heks is zal zij niet naar de rivierbodem zinken, zelfs als er een molensteen aan haar vastzit; maar als ze onschuldig is, zal ze wel in het water zinken. Vertel mij, heer honderdman, moeten we ze verdrinken?
— Ja, verdrinken! Waarom zou je lafaards sparen? — besloot Oelasovytsj.
— Goed, — zei de klerk, — bij het ochtendgloren zal ik alles regelen zoals gebruikelijk in zo’n geval, en alles zal ordelijk verlopen; en we gaan dan niet naar Tsjernihiv?
— Nee, heer klerk, dan niet. Alleen… hoe kunnen we aan hen ontsnappen?
— We zullen ontsnappen, heer honderdman; en daarom zullen we meteen een bode sturen, de man met één been, Ilko Chverloesjenko, die zal hinken naar het hogere gezag met het rapport dat we de veldtocht niet kunnen ondernemen, omdat wij de heksen in de diepten van onze vijver zullen werpen, die anders de hele wereld zouden vernietigen door de regen voor zichzelf te houden.
— Goed, goed, heer klerk, dat is een zeer verstandig plan. Ga dan en schrijf het rapport, want ik ben, terwijl ik met u praat, erg slaperig geworden. Ik had nog mijn probleem moeten vertellen, maar ik kan het niet, ik ga nu maar slapen… — zei de honderdman, terwijl hij diep geeuwde.
Prokip Ryhorovytsj ging toen regelen hoe de heksen morgen zouden worden verdronken, en Mykyta Oelasovytsj ging rusten en viel al bijna in slaap.
Dit kwam goed uit voor onze heer Pistrjak. Hij had bereikt wat hij wilde en waar hij al lang naar streefde: hij had de honderdman voor de gek gehouden, zodat deze de bevelen van het gezag negeerde, niet naar Tsjernihiv ging om zich te verdedigen tegen de Tataren of de Polen; en terwijl de hinkende Chverloesjenko het rapport aan het gezag overhandigde, zou men denken dat de honderdman van Konotop, in plaats van te handelen, bezig was met het verdrinken van heksen. Men zou denken dat hij dwaas was, maar dan ook heel erg… “Waarschijnlijk wordt hij vervangen en krijgt iemand anders de leiding… en er is immers niemand meer, behalve ik.” Zo dacht Ryhorovytsj; en hij gniffelde zoals een koster bij het voorlezen van de middernachtsdienst: “En de vrouwen en meisjes die mij ooit kwaad hebben gedaan, of… die zich niet hebben gehouden aan gehoorzaamheid… ik weet wie ze zijn… ik zal ze dat allemaal goed betaald zetten! Gelukkig dat mijn dwaas zijn nek strekt en zichzelf in gevaar brengt, als een os in een juk. Nu, Prokip, let goed op!” Hij geeuwde nog eens en zei hardop tegen zichzelf: “Een zegen voor onze slimme en sluwe klerk, een nuttige taak, wanneer het gezag zo’n dwaas is als onze altijd te gedenken pan Zabrjocha! Zowel de rechterhand als de linkerhand zullen niet tekortschieten, en de zakken en kisten zullen gevuld worden. Moge, o God, er altijd zulke mensen zijn!”
IV
Het was triest en somber op een ochtend in het beroemde honderdman-dorp Konotop. Hoewel de zon nog niet op was en de maan zich nog niet goed had teruggetrokken, klonk er al overal op de straten rumoer, geren en geschreeuw, en daarna verstomde het en was het hele volk verdwenen, zodat er nergens iemand in de huizen of straten te zien was, alsof het paasdag in een herberg was vóór het ochtendgebed.
Alleen het geluid van de koeien was te horen, die zo hard mogelijk loeiden; de boerinnen kwamen niet om ze te melken en dachten er niet aan ze naar de kudde te brengen; de kalfjes in de stallen, die hun moeder horen loeien, mekkeren en lieten hun stem horen, alsof ze vroegen om snel naar buiten te mogen; de schaapjes blaten; de geiten volgen hen en stampen en rennen in de omheining, zoekend naar een uitweg, om hun lammeren mee te nemen; de paarden hinniken over het hele dorp, de echo galmt tot in de velden; de ganzen gakken in de stallen, de eenden kwaken, de kippen kakelen, want elk schepsel lijdt zonder menselijke hulp; en als ze dat lawaai horen, blaffen de honden of huilen ze; kleine kinderen, die nog niet kunnen lopen, kruipen rond hun afgesloten huis en grijpen met hun handjes de opstapjes vast, proberen op hun voetjes te komen en vinden een stok op het opstapje, nemen die in hun mond en zuigen erop in plaats van op een bot; en als ze het in hun handen draaien, kunnen ze zich niet beheersen en… spugen op de vloer en beginnen te huilen; en een puppy, die daar dichtbij is en hongerig is, komt en likt de tranen en de rand van de neus, en slikt het in de mond, waardoor het kind, dat zich niet kan verdedigen, nog harder huilt, denkend dat iemand zal komen om het te redden en te troosten…
De huizen in het hele dorp waren afgesloten; wagens, ploegen, eggen, die de avond ervoor waren klaargemaakt, stonden er nog steeds stil; de ossen, nadat ze hun stro hadden gegeten en zagen dat niemand hen water gaf of aanspande, liepen de straten op en graasden overal waar ze tarwe of riet of ander onkruid vonden…
Bij de kosterschool was er niet één schooljongen te zien! En heer Simeon, die op hen wachtte, liep rond de school, zich voorbereidend op de begrafenis en denkend aan de kasja met honing, terwijl hij nauwlettend het erf van de oude Kyryk in de gaten hield, waar gisteren al een boterfeest voor hem was gehouden. Misschien komt er rook uit de pijp, misschien wordt er al gekookt, nu hij overleden is… Maar nee! Geen rook uit de pijp en op het erf loopt ook niemand rond.
“Ech, ech! Wanneer zal hij uit zijn ziekbed opstaan?” — dacht heer Simeon en mijmerde terwijl hij over het erf liep. Wat zijn de mensen tegenwoordig toch voorzichtig met hun gezondheid en lang leven; hij denkt aan de cholera, hoe ze toen verstandig moesten leven, en zucht zwaar, gaat de hut binnen en begint plotseling streng te zijn tegen de schooljongens, om zich ergens op af te reageren…
In de tuinen groeit het onkruid groot en sterk, maar niemand denkt eraan om het te wieden, hoewel de schoppen ernaast liggen; tussen de bedden met zaailingen, bieten en andere groenten doen de varkens met hun biggetjes hun werk, en het kan hen niet schelen wat de dames overhouden: ze eten alles op en met hun snuiten maken ze nieuwe bedden die de arme vrouw na twee dagen nog niet netjes krijgt. Maar nu kan niemand ze verjagen, want er is niemand…
En wat is er te doen: zelfs in de herbergen is het leeg; de herbergier slaapt op een bank, want er is helemaal niemand, niet om te drinken, en geen vrouwen of schoondochters, dus niemand verbiedt hem te dutten; de schalen die hij gisteravond had gespoeld en klaargezet staan nog steeds, en niemand komt de herberg binnen…
Waarom is het zo stil en triest in het beroemde honderdman-dorp Konotop, waarom is het zo stil dat je geen enkel geluid hoort? Op geen enkele straat is er iemand te zien, alsof — moge God barmhartig zijn! — alle mensen in het dorp gestorven zijn, of — nog erger — door de Krim-Tataren zijn weggevoerd? Waar zijn ze heen gegaan, toen ze hun huizen en hun kleine kinderen achterlieten? En de vrouwen, die de hele dag bij elkaar konden zitten om te kletsen, maar de mannen en kinderen hebben niets te eten, dat maakt hen niet uit; maar geen enkele man is in het dorp te zien, zelfs geen kind dat al kan lopen… Waar is iedereen?
Ah! Ze zijn allemaal verzameld bij de vijver en kijken… Maar waar ze naar kijken, is verschrikkelijk! Zo’n spookachtig tafereel heeft zelfs de oudste in het dorp nog nooit gezien…
Midden in de vijver zijn vier dikke palen geslagen, bovenaan met touwen vastgebonden en op een slimme, ingewikkelde manier door elkaar gevlochten; in elke paal is een gat geboord en daar is een touw doorheen gehaald… Op de vijver varen mensen in boten, maar het zijn geen vissers, want er zijn geen netten of haken, alleen touwen…
En op de oever daar is het hele volk van het beroemde honderdman-dorp Konotop verzameld, nog vóór de zon opkwam en de maan zich had teruggetrokken… Daar zijn de moeders die hun huizen, hun kleine kinderen, varkens, vogels en koeien hebben verlaten en de ovens niet stookten. Daar zijn de mannen die hun zieke vrouwen en het vee hebben achtergelaten en vergeten dat ze naar het veld moesten gaan… Iedereen, echt iedereen, is verzameld om te kijken wat er gaat gebeuren…
En ze zijn met velen! Langs de hele oever, op de heuveltjes, zo dicht opeengepakt als graankorrels in een zak. En de jongens en jonge mannen, die door de mensen niets konden zien, klommen zelfs in de wilgen om het te zien, en zaten daar als kraaien…
Het geschreeuw en rumoer van die mensen! Het klonk als kolkend water dat een dam doorbreekt: iedereen praat tegelijk, niemand luistert naar iemand anders, net als onze kletskous-vrouwen! Daar is de herbergierster met haar schoondochters, die alleen willen slapen; ze praten, kletsen, vertellen wie gisteren in de herberg was, hoeveel ze dronken, wie wat kreeg, wie iemand dwong, wie met wie ruzie kreeg, wie een vrouw wegjoeg en haar hoedje van haar hoofd sloeg, waardoor haar haar de hele straat oplichtte; hoe meisjes, bedrieglijk, in plaats van zogenaamd voor hun vader, voor zichzelf drank kopen en stiekem in de tuinen met jongens drinken, en nadat ze dronken waren, vechten en stoeien en… “Hou op! Vertel niet alles!” — riep de herbergierster naar een schoondochter, die toen zweeg; maar ze wilde waarschijnlijk iets goeds zeggen…
En aan de andere kant, bij de wilgen, in plaats van naar school te gaan en iemand psalmen of teksten uit het boek te leren, of om cijfers te oefenen, verzamelden de schooljongens zich in een groep en maakten stiekem een vers voor hun koster en zongen het op de zesde toon…
Komt allen, parochianen,
Kijk eens, al onze kosters zijn dronken,
En vooral Simeon — maar,
Van de sterke drank ziet hij niets,
En op het orgel kan hij niet spelen,
En hij is vergeten het psalter te lezen,
Het enige wat hij kan, is de schooljongens lessen geven.
Vandaag waste de kostersvrouw eens zijn hoofd,
En nadat ze het had gewassen, doofde ze het licht…
Hoe zal pan Simeon hen straffen met de roede die hij van huis had meegebracht; en hoe zal hij hen ermee naar school drijven, terwijl hij hen tegelijk, hen jagend, zweert dat voor deze straf, behalve de zaterdagse les (de ‘Straf van de schooljongens op zaterdag’), die wettelijk gepast is, hij hen een volle maand de hele dag lang zou gaan tuchtigen…
En daar, bij de molen, wat gebeurt daar! Hoor, hoor! Maar liefst dertig kozakken, sommigen met een knots, anderen met een zweep, weer anderen met een stevige stok, met touwen of met een kar, en allen houden ze zich stevig vast aan touwen, en met die touwen zijn zeven heksen vastgebonden… En wie zijn die heksen, dat zal ik jullie vertellen.
De eerste is Prisjka Tsjyrjatsjka, die al sinds haar jeugd vaak in arrest zat (gebonden aan de kerkmuur voor immorele daden). Ze heeft drie mannen naar het hiernamaals gestuurd en al het vee omgezet in kruiden, wortels en allerlei medicijnen, en geneest mensen van koorts, bijtkuren en mazelen, want ze pest sinds haar jeugd blinde puppy’s; ze laat koorts afnemen, verlicht paniek, bevrijdt van een boze spreuk, brouwt zonnebloemen… en wat weet zij niet? Mensen kwamen van overal, soms twintig mijl ver, voor genezing door haar; aan wie leven gegeven is, helpt ze, wie sterven moet, sterft onmiddellijk na haar water; en Prisjka zegt: “Hij was niet zo ziek dat hij zou moeten overleven!”
Een keer vroeg pan Pistrjak haar om liefdesdrank, zodat elk meisje of jonge vrouw die hij op het oog had, hem zou beminnen; hij dronk die liefdesdrank en ging naar een avondfeest, maar hij kon niet eens aankomen… zo verhinderde het hem! Sindsdien is hij haar vijand geworden.
De tweede was Chymka Rjabokobylycha, een oude vrouw, zo oud dat ze al op haar laatste levensdagen liep; en als iets van iemand verdwijnt, moet je niet naar een waarzegster gaan; zij geeft de meest bekwame leugen, en beschuldigt wie ze wil. Haar woorden werden altijd geloofd, want ze zag met haar oude ogen welke folteringen en misdaden er in de wereld waren; ze kon iemand beschuldigen van diefstal, en als zij zei dat het niet diegene was, werd die vrijgelaten en iemand anders werd bestraft, zelfs als diegene niet in het dorp was. Zo zei ze eens over pan Pistrjak — en zelfs de oversten konden dat niet negeren! — dat hij bij iemand bijen had gestolen. Sindsdien richtte Pistrjak zijn woede op haar.
De derde is Javdocha Zoebycha, oud, heel oud! Maar oude mannen vertellen dat zij al zo oud was toen zij nog jongemannen waren; men schat haar leeftijd op minstens vijftig jaar. Mensen zeggen dat ze overdag oud is, bij zonsondergang jonger wordt, en om middernacht verandert in een jong meisje, en dan weer oud tot zonsopgang. Als ze jonger wordt, draagt ze een wit hemd en laat haar haar los als een meisje, en gaat dan koeien, schapen, geiten, merries, honden, katten melken, en in de moerassen kikkers, hagedissen, slangen… Als zij iets wil uitmelken, krijgt ze het. Een keer las pan Pistrjak een bevel van de overste voor aan het volk, en hoewel hij daarvoor vijf dagen flink had gerookt, begon hij netjes te lezen, maar Javdocha Zoebycha kwam voorbij, glimlachte naar hem, en hij gooide onmiddellijk zijn papier op de grond en begon een dans voor het volk. Sindsdien, zodra pan Pistrjak even buiten komt, jaagt hij op schimmen.
De vierde is Pazjka Psjoetsjycha, niet zo oud. Ze werkt stil en zonder opschepperij, bedrijft tovenarij. Als iedereen gaat slapen, gaat zij naar buiten en zwaait met haar hand. Waar ze zwaait, gaan de wolken heen. Wie ook naar haar komt, om te voorspellen, een geneesmiddel te krijgen of iets dergelijks, zij neemt niets aan en zegt: “Ik weet niets; ga weg!” Ja, ja! Ze weet echt niets!
De vijfde was Domacha Karljoetsjkivna. Al sinds haar jeugd was ze zo mooi dat het haast niet te vertellen is. Ze was klein van stuk: maar in welk huis ze ook binnenkomt, haar hoofd raakte bijna het plafond; slank en strak, met haar op het hoofd als wol op een rol, en als ze haar mond opende, paste er een schep in; een neusje als een roodborstje; en als ze met haar ogen vanuit Konotop keek, keek het ene naar Kyiv en het andere naar Bilahorod, en die ogen leken vastgeplakt met room; haar gezicht wit als een koetsiershemd, en verder was haar hele lichaam gekrast als met een hark. Met zo’n schoonheid verbaasde ze iedereen; eerst begeerde ze pastoors, later richtte ze haar aandacht op de klerken van het stadhuis, daarna zelfs op boeren, maar o, zelfs de lijkman keek niet. Niets deed ze! Ze bond haar hoofd af, trok zich terug in een verlaten huis op een weide boven een moeras, en begon te toveren en mensen dwars te zitten. Niemand durfde haar meer te benaderen! Als je haar niet gewoon groette, of iets probeerde te doen zonder te kijken, schreeuwde ze meteen: “Jij, hondenzoon, pas op; hou je aan de regels!” Zo ging het: struikel je ergens, verslik je je tijdens het eten, of verlies je iets als je dronken bent, je ontkomt er niet aan! Zelfs als het niet direct gebeurt, zal het later, bijvoorbeeld donderdag of een uur later, alsnog op je terugkomen. Het is eng om nog meer over haar te vertellen. Bah! Het zou al nachtmerries opleveren…
De zesde was Vekla, de schoondochter van de oude Sjtyr, en de zevende was Oestja Zjolobycha; maar laat iemand anders dat vertellen, ik heb geen tijd: de mensen van Konotop begonnen te rumoeren en te bewegen, iemand maakt een pad naar de vijver vrij, maar als het varken gebraden wordt kijkt het niet meer om naar de biggetjes.
V
Bedroefd en onvrolijk, opgeblazen als een kalkoen voor de hennen, gaat de dappere commandant van de Konotopse honderd, pan-kapitein Mykyta Oelasovytsj Zabrjocha, naar de vijver van Konotop. Hij draagt een blauwe tsjerkeska met naar achteren geslagen schouders en een Tataarse gordel, een mes aan een ketting, een gewassen gezicht, geschoren baard en een hoed op het hoofd, maar zijn ogen zijn slap en gezwollen, als na een nachtlang feesten. Dat klopt: van verdriet had hij de hele nacht aan een zakdoek gezogen, terwijl Pazjka, zijn knecht, bijgoot. Na zo’n werk kan je niet slapen, en luister je de hele dag naar gezoem; dat weet ik. Dus hoe kan hij niet droevig en somber zijn? Zelfs toen hij naar de mensen toe liep, die hun hoeden hadden afgenomen en voor hem bogen, liep hij trots voorbij, keek naar niemand en blies alleen zijn wangen op, zodat iedereen wist dat hij hier de baas was.
Bij de vijver aangekomen keek hij rond en riep streng:
— Wat is er aan de hand?
— Alles is gereed, — antwoordde de klerk van de Konotopse honderd, Prokip Ryhorovytsj Pistrjak, staande bij de bewakers die een rij heksen in de gaten hielden, oplettend dat geen enkele zou ontsnappen, door zich te veranderen in een kraai of een varken; en toen hij het geroep van zijn baas hoorde, nam hij meteen zijn hoed af, liep naar hem toe, boog diep voor hem en zei: — Wij wensen u, meneer de kapitein, een drievoudig versterkte verrukking en een aangenaam dagverblijf toe!
— Dank u! — zei Oelasovytsj luid, hem was nog niet helemaal helder wat pan Pistrjak had gezegd, was zelf ook niet in staat om een samenhangend woord uit te brengen, maar gewoon wat er in hem opkwam; daarbij tilde hij alleen even zijn hoed op van zijn hoofd, spuugde er snel op en zei met gezag, iedereen rondkijkend maar niemand specifiek aanziend:
— Gezondheid!
En dat is wel bekend: overal is het zo dat hoe dommer de baas, hoe trotser hij wordt, en hoe meer hij rondfladdert als een vacht boven het vuur.
— Gezondheid, grootse heer, pan-honderdman! — riep de menigte, mannen brulden, de vrouwen krijsten, de kinderen piepten, en ze bogen diep voor hem…
Toen fluisterde Ryhorovytsj in het oor van pan Mykyta:
— Zorg dat het werk begint, breng orde in ons Palestina…
— Bah, wat een dwaas, en een klomp boter! — fluisterde Oelasovytsj terug, — hoe kan ik dat nu regelen, als ik er niets van begrijp en niet snap wat er allemaal gaande is?
— Doe mij geen buigingen in deze zaak! — zei de klerk en ging weer aan het werk.
Nou ja! Onze honderdman, Mykyta Oelasovytsj, miste misschien wel de negende hersenknoop, maar hij had toch nog genoeg verstand om te begrijpen dat je, zoals men zegt, geen priestergewaden moet aantrekken als je geen priester bent.
Hij begreep er helemaal niets van, maar ergerde zich niet, in tegenstelling tot onze opperrechter, dat hij maar regére! Die kon je niet stoppen: of het werk belangrijk was of niet, hij zette overal zijn handtekening onder. De klerk probeerde hem te stoppen, maar nee! “Ik wil niet dat het werk blijft liggen; ik teken het, en dan is het klaar!” Zo was het: zodra de klerk zag dat de rechter naar de commissie ging, verstopte hij meteen alle papieren, anders zou de rechter ze allemaal ondertekenen.
Eens — och, wat hebben we gelachen! (ik diende toen nog op het college en leerde net officiële stukken schrijven, want ik was nog maar een jongen van negentien) — hadden de klerken een document opgesteld om de rechter als monnik te laten tonsureren en zijn vrouw uit te huwelijken aan de kwartierpan, met wie ze nogal vaak achter de molen het bos in ging.
Nou, ze legden die brief dus voor aan de rechter. Nauwelijks was hij binnengekomen en gaan zitten, of hij zag het document, trok het naar zich toe, sloeg een kruis en zei:
‘Laat het maar niet te lang aanslepen! Ze mogen me dankbaar zijn dat ik de zaak snel beslis; en de schuldige moet zichzelf maar beklagen.’ En krabbel — hij zette zijn handtekening ‘met eigen hand’. En die jongens — kuch, kuch, kuch! De klerk moest hen haast met porren in de nek tot stilte manen. Toen hij de rechter eindelijk had uitgelegd wat er eigenlijk in die brief stond, scheurde hij hem in stukken…
Maar goed, laten we verdergaan met ons verhaal…
Daar staat pan Oelasovytsj, met de handen in de zij, als een hert dat pronkt bij de Kyivse school, toen kwam Choma Kalyberda, een oude man, nam zijn hoed af, boog vijf keer diep en durfde toen te zeggen:
— Dank u, pan Oelasovytsj, dat u zich bekommert om het oude gebruik. Uw overleden grootvader, pan Opanas Zabrjocha, moge de aarde licht zijn, liet ons nooit pijn doen. Zelfs bij een kleine droogte ging hij onmiddellijk in tegen de heidense heksen; en als hij er drie of vier verdronk, waar zou dan de regen vandaan komen! Alles was in orde! Dat is oud gebruik! Een geliefd werk!
— Dan zal ook het nieuwe niet slecht zijn, — zei pan Zabrjocha plechtig en stapte achteruit van Kalyberda, zodat hij niet te dichtbij kwam en zich niet opdrong; en om zich sneller los te maken, riep hij Ryhorovytsj en zei:
— Wat nu?
Die, volledig klaar, liep naar hem toe, giechelde, krulde zijn snorharen — het was een nieuwsbericht dat als uit een brief leek te komen — en zei:
— Laten we de gezamenlijke actie uitvoeren en het onreine in de waterbronnen werpen. Komaan, broeders, doe het!
De wachtende kozakken, zodra zij het bevel van de klerk hadden gehoord, maakten meteen Vekla Sjtyrytsjna los uit de heksenketen; ze grepen haar snel stevig bij armen en benen, zodat ze zich niet kon loswringen, en rennend en lachend brachten ze haar naar de boten…
Zij schreeuwt: “Vaarwel!”
De kinderen rennen achter haar aan en jammeren alsof ze al dood is; oude Sjtyra strompelt erachteraan, huilt en scheldt zowel de kozakken als de honderdman uit, maar vooral de klerk…
Niemand let op hen, en sommigen uit de menigte roepen:
“Hou haar steviger vast, Josyp! Zie je niet dat ze tegenstribbelt?”
Een ander zegt:
“Gepakt? Wat dan nog? Dat is niet hetzelfde als ’s nachts koeien melken…”
En nog veel meer riepen ze haar na, totdat ze haar bij de boot brachten, haar erin sleurden en daar nog steviger vasthielden. Toen ze haar bij de palen brachten, bonden ze haar armen en benen stevig vast met touwen; de touwen werden door de lussen aan de palen gehaald en, haar met de touwen omhoogtrekkend, gooiden ze haar tegelijk in het water…
Als een steen zonk ze naar de bodem; alleen wat luchtbellen borrelden omhoog!
“Trek haar terug, trek haar terug! Ze is geen heks, geen heks!” — bulderde de menigte als één stem, en de jongere mannen die dichterbij stonden, sprongen toe om te helpen bij de touwen.
“Dompel haar onder, dompel haar nog dieper, driemaal vervloekte dochter van Kanaän!” — loeide Prokip Ryhorovytsj als een os en hield de mensen tegen zodat ze Vekla niet terugtrokken.
“Luister naar mij!” — schreeuwde Oelasovytsj uit alle macht. — “Ik ben de honderdman. Ik beveel: trek haar terug! Als ze niet onderduikt, dan is ze geen heks.”
“Geen heks, geen heks; ze dook niet onder, dus geen heks; trek haar terug!” — riep het hele volk, en niemand luisterde nog naar de klerk. Ze trokken Vekla eruit, helemaal dood, maakten haar los van de touwen en, zonder haar op de grond te leggen, begonnen ze haar in hun armen weer bij te brengen.
Terwijl dit gebeurde, riep de heer honderdman, nadat hij was bekomen van het geschreeuw en de drukte, Ryhorovytsj bij zich en vroeg:
“Zeg mij eens, waarom beval je haar te verdrinken? De vrouw is nog niet oud en komt uit een rijke en eerbare familie; er was niets bijzonders over haar bekend.”
“Ik oordeel rechtvaardig en zonder enig aanzien des persoons,” zei Ryhorovytsj, “zij is weliswaar nog geen oude vrouw, maar zij heeft duivels veel geld. Ik vroeg het, ze gaf het niet; ik wilde lenen, ze vertrouwde mij niet; ik leverde haar over aan de wacht, en zij kocht zich niet vrij zoals de anderen. Daarom besloot ik haar onder te dompelen en niet omhoog te halen voordat zij mij gaf wat en hoeveel ik vroeg. Zij is in leven, haar moeder mag een vijg krijgen, driemaal in leven! Ik zie dat men haar al heeft drooggeschud. Laat haar maar voorspoedig leven, voor een tijd lang. En brengt mij hier Oestja Vetsjericha!” — riep Ryhorovytsj naar de wachters.
Ze sleepten Oestja aan, en met haar gebeurde hetzelfde als met Vekla; alleen toen men haar in het water wierp, was het meteen amen met haar. Hoe men haar ook schudde, men kon haar niet meer tot leven wekken, en dat bleef zo.
De heer honderdman vroeg de klerk ook naar haar, en deze bekende hem zachtjes:
“Ik wenste een verbintenis aan te gaan met haar dochter Odaria, zeer schoon van aangezicht, en zij, driemaal onkuise, stopte in plaats van de gewenste maagd mij een vervloekte pompoen in de zak en bedekte mijn voor- en achterkant met schande als met een vod. Daarvoor krijgt zij nu deze straf…”
En toen mengde Talymin Levoerda zich onder hen, diep buigend, en vroeg:
“Wees zo goed, heer honderdman Oelasovytsj, misschien kunt u mijn vrouw ook eens afspoelen, want misschien is zij ook een beetje een heks…”
“Breng haar hier!” — zong haast pan Zabrjocha. — “Ons moet je niet in handen vallen, we leren je wel, vooral degenen die goede mensen geen roesjnik maar een pompoen geven.”
Hij dacht aan zijn eigen ongeluk, zuchtte zwaar, liet zijn hoofd hangen en stond zo.
Maar zodra Prokip Ryhorovytsj hoorde waarover Levoerda begon te vragen, begon hij te beven als een zigeuner in de vorst; zijn ogen flikkerden, zijn gezicht werd rood, zijn lippen trilden en hij kon nauwelijks spreken:
“En waarom… waarom zou men jouw vrouw verdrinken? Tovert zij dan?”
“En hoe zou ze niet toveren?” zei Talymin Levoerda tegen Oelasovytsj. “Luistert u maar, goede heer! Wel tien keer had ik zo’n verschijning dat midden in de nacht iemand op het raam klopte; klopte en klopte totdat mijn Stecha, mijn vrouw, wakker werd; zij stond op en ging het huis uit, en ik viel weer in slaap; tegen de ochtend kwam ze terug. Dan vraag ik: ‘Waar ben je geweest?’ En zij zegt: ‘Bij de koeien, ik heb het koud gekregen, ik ga liggen.’ Ik zeg: ‘Ga maar liggen,’ en zij gaat liggen en zegt dat ze het koud heeft, maar ze gloeit als vuur. Dus ziet u, goede heer, ze stond niet op voor de koeien, maar om te toveren, vast en zeker te toveren.
En vorige week zag ik zelfs met eigen ogen de duivel, levend als wat, net als ik u nu zie, heer honderdman, moge u gezond blijven. Zo was het: ik ging naar de jaarmarkt en zou drie dagen blijven, maar er kwam iets tussen en ik keerde diezelfde nacht laat terug. Ik klop op de deur, mijn vrouw doet niet open, praat met iemand en lacht, en er brandt licht. Ik ruk aan de deur, de grendel springt los, ik ga naar binnen en zie… bij haar op bezoek is de duivel, precies als de klerk Prokip Ryhorovytsj, moge hij gezond blijven; hetzelfde gezicht, dezelfde kleren, alles precies zo. Ik op de duivel af — hij van mij weg; ik achter hem aan — en de vervloekte duivel vlucht naar het voorportaal (maar die deur had ik zelf nog afgesloten); hij ziet dat het slecht afloopt en vlucht de schoorsteen in. Ik schrik, ren terug de kamer in, spring op de slaapbank, trek mijn schapenvacht over mij heen en tril van angst dat ik de duivel heb gezien en dat mijn vrouw met hem omgaat.
Dus zeg ik u: mijn vrouw is niet te vertrouwen, helemaal niet te vertrouwen; spoel haar ten minste een beetje af, misschien gaat het dan regenen.”
“Wat dan? Dan zullen we haar ook afspoelen. Meneer de klerk! Vooruit!” — zo sprak de heer honderdman tot Ryhorovytsj.
Maar die schreeuwde hem toe dat het dreunde:
“Zijn jullie bezeten? Of zijn jullie gewoonweg gek geworden? Het past u niet om zonder mijn noodzaak enig besluit uit te vaardigen, want elke zaak moet ordelijk geregeld en wettig bekrachtigd worden. En jij, duivelse Levoerda! Wat jou betreft, beveelt de wet het volgende: die onnutte Talymin Levoerda, die door zijn inbeelding zijn huisgenoot — dat wil zeggen zijn vrouw — tot vriendschap met Satan heeft gebracht, de Heilige Geest zij met u, pan Oelasovytsj!, bij zulk een zoon moet men de benen in het blok sluiten.
Hé jongens! Grijp hem en breng hem naar het raadhuis en sluit zijn benen in het blok, want hij heeft zelf bekend dat hij een levende duivel heeft gezien en aangeraakt; dus is hij een tovenaar, een magiër. Morgen zal ik deze zondaar met stokken afranselen.”
Terwijl Pistrjak dit verkondigde, hadden ze de arme Levoerda al naar het raadhuis gesleept.
Ryhorovytsj liet zijn blik rondgaan, wisselde een blik met een jonge, donkerharige vrouw, glimlachte, draaide aan zijn snor en riep naar de wachtende kozakken:
“Vooruit dan! Breng Domacha Karljoetsjkivna naar de diepten van het onderaardse water!”
En na Karljoetsjkivna borrelde het water alleen nog maar…
De menigte, ziende dat zij niet bovenkwam, begon te murmelen:
“Nee, zij was geen heks, nee!”
Ze verdronken ook Prisjka Tsjyrjatsjka, en Chymka Rjabokobylycha, en Pazjka Psjoetsjycha; sommigen verdronken ze, anderen haalden ze weer boven, het volk sloeg zich op de dijen van verbazing en zei:
“Waar is die heks dan? We hebben ze allemaal ondergedompeld en iedereen zinkt, maar de heks is niet te vinden!”
Mykyta Oelasovytsj begon al te dommelen; wat hem betrof was het tijd om naar huis te gaan: of er regen zou vallen of niet, het kon hem weinig schelen. Als zijn eigen brood opraakte, zou men hem wel brengen, Konotop is geen klein dorp; zonder ruzie, gescheld en rechtszaken komt men er toch niet doorheen.
Hij gaapte maar en keek naar zijn Pistrjak, die in gedachten verzonken was en met zijn vinger steeds tegen zijn voorhoofd en zijn neus tikte. Hij dacht en dacht, en riep toen:
“Breng de laatste van de lijst. Haal Javdocha Zoebyсha hier!”
Ze sleepten ook haar aan, duwden de boot naar de palen, bonden haar vast met touwen, hesen haar omhoog… plons!
Als tegen een plank sloeg onze Javdocha op het water, maar zij zonk niet; als een visje bleef zij bovenop het water liggen, spartelend met gebonden handen en voeten, haar buik en heupen wiegend, en ze zei: “Hoopjes, kleine hoopjes, lieve kleine hoopjes!”
Het hele volk deinsde terug!
“Dat is een heks, ja, ja!” riepen allen.
Mykyta Oelasovytsj gaapte nog, maar toen hij dit wonder zag, bleef zijn mond open hangen.
En Prokip Ryhorovytsj danste haast langs de oever en schreeuwde naar degenen die aan het werk waren:
“Trek haar hoger! Werp haar in de duistere waterdiepte!”
Maar wat hij ook brulde, Javdocha deed het niets. Ze trokken haar op en smeten haar met alle kracht in het water… maar ze zonk niet, nee, ze zonk niet; en bovendien dreef ze de spot met iedereen en bleef maar herhalen:
“Kleine hoopjes, lieve kleine hoopjes!”
“En brengt hier stenen en zinkgewichten!” — bedacht heer Pistrjak, en meteen ontstond er een hele hoop bakstenen en allerlei keien; de jongens snelden op het bevel toe en sleepten ze aan.
“Legt stenen op haar goddeloze nek, op haar armen en op haar benen, en dompelt haar opnieuw onder!” — commandeerde Ryhorovytsj, terwijl hij rond de vijver opsprong en van woede met zijn tanden knarste.
De handigsten bonden een hele reeks stenen aan een touw; ze voeren er met de boot naartoe, en met moeite tilden drie mannen die ketting omhoog en hingen haar Javdocha Zoebyсha om de hals, denkend: nu zal ze zinken!
Maar die verdomde vrouw dacht er niet aan. Ze bleef op het water drijven; toen ze één hand uit het touw hadden losgemaakt, plensde ze ermee in het water en grapte:
“Wat is dat? Een halssnoer om mijn nek gehangen, maar geen ringen erbij? Kijk eens aan, wat een goede mensen! Kom, geef me ook ringen om mijn handen en iets in plaats van schoenen aan mijn voeten!”
“Verplettert driemaal de vervloekte, goddeloze Kanaänitische, Chaldeese dochter!” — schreeuwde Prokip Ryhorovytsj als door kokend water overgoten, schuimbekkend als een dolle, toen hij zag dat hij de heks niets kon maken en dat zij hem bespotte.
Ze bonden haar ook aan handen en voeten stenen vast — dat bezwoer de man die mij dit vertelde; en ook, als u hem kent, Jochym Chvajda, die twee jaar geleden stierf, die zwoer dat ze wel twintig poed aan haar hals, handen en voeten hadden gehangen; toen maakten ze haar los van de touwen en lieten haar in het water vallen…
Maar wat moet je beginnen met zo’n verdomde vrouw? Ze blijft op het water drijven, spartelt met handen en voeten en zegt steeds maar weer:
“Hoopjes, lieve kleine hoopjes!”
En toen richtte die duivelse vrouw zich zelfs tot de klerk en begon hem te roepen:
“Kom hier, Prokiptsjyk! Laten we samen een bad nemen! Kom toch, schaam je niet! Ik zal je een halssnoer omdoen en je ringen geven…”
Ryhorovytsj rukte zich van woede bijna zijn hele kuif uit het hoofd, dat zo’n lelijke vrouw hem nog durfde bespotten. Hij snelde naar Oelasovytsj en zei:
“Ongetwijfeld is deze vrouw van de Egyptisch soort. Zij is een boosaardige adder; zij heeft de regendruppels gestolen en ze verborgen in een kruik of op een andere plaats. Beveel, heer honderdman, haar met roeden te geselen totdat zij het niet meer verdraagt en de waterstromen loslaat en de aarde wordt bevochtigd.”
“Ik begrijp niet, meneer de klerk, wat u daar zegt; maar ik zeg u: doe wat u wilt, alleen wat sneller, want het is al tijd voor de middagdienst. Ik was allang vertrokken, maar ik wilde dit schouwspel toch zien: dat een hele wagen stenen op een vrouw hangt en zij niet zinkt, maar bovenop het water drijft. Doe wat u weet, en ik zal het resultaat wel bekijken; daarvoor ben ik in Konotop honderdman.”
Ryhorovytsj beval de heks Javdocha in het water te grijpen, maar wat dacht hij dan? De jongens konden haar zelfs met boten niet inhalen; ze gooiden touwen naar haar, maar zonder resultaat. Ze zwom zo snel als een snoek; vóór en achter haar rees het water in golven op, want een heks zwemt natuurlijk niet zoals wij! Ze zwom en dook en schoot heen en weer, en toen ze zag dat ze iedereen had uitgeput, gaf ze zich eindelijk over…
Wat was het volk verheugd toen ze de heks Javdocha Zoebyсha te pakken hadden gekregen! Iedereen schreeuwde, riep, liep op haar af; ieder wilde haar een stomp of een klap in de nek geven… en daar hadden ze reden toe! Laat ze geen wolken uit de hemel stelen en de regen niet in haar kast verbergen…
Ze droegen haar zelfs op handen, bang dat ze zich los zou rukken en ontsnappen; en zij? Het was haar onverschillig! Ze zong een bruiloftslied, zoals een jonge bruid met haar bruidsmeisjes.
Onze Ryhorovytsj liep voorop, haast rennend van vreugde dat hij eindelijk een heks had gevonden en haar nu zou knevelen en martelen totdat ze de gestolen regen zou teruggeven; van blijdschap ratelde hij zo dat niemand — zelfs hijzelf niet — nog begreep wat hij zei. Toen schreeuwde hij:
“Brengt hier wilgentakken! En verdubbelt de roeden! Bespot haar zoveel als jullie kracht reikt!”
Waar kwamen ineens al die takken vandaan! Ze bonden Javdocha vast; toen ze haar wilden neerleggen, rukte ze plots een hand los en zwaaide ermee over het volk, maar let nu op wat er gebeurde.
Ze legden haar neer; twee jongens gingen op haar armen zitten en twee op haar benen, en twee anderen namen dikke bundels roeden en begonnen haar te geselen: zwiep-zwiep! zwiep-zwiep! Ze raakten buiten adem van het slaan; ze sloegen en sloegen, splinters vlogen in het rond…
En Javdocha? Liggend onder de slagen vertelde ze een verhaaltje:
Er was eens een man, Sazjka geheten,
Hij droeg een grijze jas,
Een vilten mutsje,
Op zijn rug een lapje;
Is mijn verhaaltje mooi?
“Sla die vervloekte Kanaänitische vrouw!” brulde Pistrjak.
De jongens sloegen uit alle macht, en Javdocha bleef maar doorgaan:
“En jullie zeggen: sla die vervloekte Kanaänitische vrouw, en ik zeg: sla die vervloekte Kanaänitische vrouw; er was eens een man Sazjka, hij droeg een grijze jas, een vilten mutsje, op zijn rug een lapje; is mijn verhaaltje mooi?”
“Sla harder!” schreeuwde uit volle borst de heer honderdman van Konotop, Mykyta Oelasovytsj Zabrjocha, bij wie het al begon te rommelen in maag en lever omdat hij nog steeds niet had gegeten.
De jongens wisselden elkaar af, namen nieuwe bundels en gingen verder met slaan, en Zoebyсha bleef herhalen:
“En jullie zeggen: sla harder, en ik zeg: sla harder; er was eens een man Sazjka, hij droeg een grijze jas, een vilten mutsje en op zijn rug een lapje; is mijn verhaaltje mooi?”
“Vlecht roeden van doornstruiken en verdubbel haar straf op de lendenen!” beval heer Pistrjak, na lang te hebben nagedacht wat ze nog meer konden verzinnen.
De jongens sloegen haar met doornige takken, en Javdocha bleef maar doorgaan:
“En jullie zeggen: vlecht doornige roeden en verdubbel de straf op de lendenen, en ik zeg: vlecht doornige roeden en verdubbel de straf op de lendenen; er was eens een man Sazjka, hij droeg een grijze jas, een vilten mutsje, op zijn rug een lapje; is mijn verhaaltje mooi?”
En wat daar allemaal gebeurde, daar kun je tot de avond over vertellen! Niet alleen Ryhorovytsj Pistrjak, maar ook de honderdman Zabrjocha zelf begon boos te worden dat er geen einde aan kwam; ze sloegen en sloegen die duivelse vrouw, hoeveel jongens elkaar ook aflosten, hoeveel roeden ze ook gebruikten — van wilg, van berk, van doorn — op haar was niets te zien, alsof ze net was gaan liggen en geen enkele slag had gekregen; en zij bleef maar doorgaan over die man Sazjka…
Terwijl dit allemaal gebeurde en ze die duivelse, “katholieke” Javdocha sloegen, wrong zich door de menigte Demko Sjvandjoera heen, een oude, zonderlinge man. Hij keek eens goed, schudde zijn hoofd en zei:
“Wat zijn dat voor spelletjes bij jullie? Is het de heer honderdman soms saai geworden en vermaken jullie hem als een klein kind, dat jullie met roeden slaan alsof het een fatsoenlijk mens is, een wilgenblok?”
“Een blok? Wat zegt hij daar? Wie slaat hier een blok?” — gonsde de menigte verbaasd.
“Welk blok? Zien jullie het niet? Kijk dan!” — zei Sjvandjoera, en hij zwaaide met zijn hand tegen de zon in over het volk…
En wat bleek? Verbazing alom! Toen zagen allen dat daar een dikke wilgenstam lag, omwonden met touwen; vier stevige jongens zaten erop en hielden hem vast alsof hij zich kon verzetten, en vier anderen sloegen die stam met volle kracht met flinke roeden, alsof het een levend mens was.
En naast die stam lag Javdocha Zoebyсha zelf, helemaal los en ongebonden, en lachte luid terwijl ze toekeek hoe de mensen zich uitsloofden op het blok in plaats van op haar.
Is dat geen wonder? Toen ze haar wilden neerleggen om haar te geselen, had ze met haar hand gezwaaid en over allen die daar stonden een begoocheling geworpen. Maar Demko was met heldere ogen gekomen, zag wat er werkelijk gebeurde, en omdat hij iets wist en kon om zulke dingen tegen te gaan, verdreef hij de betovering van de mensen. Toen pas zagen ze dat ze niet Javdocha, maar een wilgenblok hadden geslagen.
“Ha! Ha! Ha!” — barstte het volk in lachen uit.
Zelfs de klerk, die zo boos was geweest, kon het niet laten en lachte mee toen hij die komedie zag. Wat moest je doen? Tegen toverkracht kun je niets beginnen als je niet weet hoe je haar moet keren.
Na het lachen begonnen ze te overleggen wat ze met Javdocha moesten doen. De een zei dit, de ander dat, maar Demko Sjvandjoera gaf verstandig raad:
“Denk niet te veel na,” zei hij. “Leg haar gewoon neer en geef haar een flinke aframmeling totdat ze de regen en de dauw teruggeeft, ik weet zeker dat ze die op haar planken en rekken heeft liggen. Wees niet bang. In mijn bijzijn kan ze geen betovering uitspreken. En al doet ze het, ik zal die weer verbreken. Zij is misschien een geboren heks, maar wij weten ook wel iets. Laat zij aangeboren gaven hebben, ik heb geleerd. Dat is genoeg! We zullen zien!”
“Leg haar dan opnieuw neer!” schreeuwde Ryhorovytsj. “En geef haar een schooljongensgeseling, zoals men ons vroeger op zaterdag gaf…”
Hij had het nog niet eens uitgesproken of de jongens waren al bezig: ze maakten haar los, legden haar neer en begonnen te slaan…
En nu was het onze Javdocha niet meer om sprookjes te doen; nu kreeg ook zij op haar eigen rug wel zeventig “lapjes”, net als die man Sazjka uit haar verhaaltje…
Ze zweeg, zweeg, probeerde het te verdragen… maar er is nog nooit een mens geboren die roeden kan verdragen zonder een kik te geven!
Plots begon ze te janken en te kermen, en daarna te schreeuwen:
“Ik zal het nooit meer doen, mijn hele leven niet! Vaders, lieve mensen! Laat me los, laat me los! Ik zal de regen teruggeven, ik zal de dauw teruggeven! En ik zal u, heer honderdman… en u, Ryhorovytsj… in grote nood van dienst zijn… laat me alleen los…”
“Genoeg,” zei Mykyta Oelasovytsj plechtig.
Maar Pistrjak riep steeds weer:
“Verdubbel het! Nog meer!”
De jongens wisten niet wie ze moesten gehoorzamen: de ene helft sloeg door, de andere wachtte af.
“Dat vervloeke u, heer honderdman!” gromde heer Ryhorovytsj tegen hem. “Men had het nog wel vijfmaal moeten vermeerderen voor zo’n misdaad! Zij heeft mij dit aangedaan, dat ik na een drinkgelag waanbeelden kreeg. Dat is pas een misdaad!”
“Ach, misdaad!” zei pan Zabrjocha. “Jij denkt alleen maar aan misdaden. Hier is het maar wat gesjor en gesla, en het is al tijd om te eten. Of er na zo’n geseling regen zal komen of niet, wie weet? Maar dat wij honger hebben, dat is zeker. En moeten wij ook nog bang zijn dat die verdomde vrouw ons uit wrok een streek zal leveren? Laat Javdocha los, laat haar uitrusten na zo’n bad. Laat haar maar zuchten, wij komen nog wel aan haar toe. Kom, Prokip Ryhorovytsj, mee naar mij. Pazjka heeft een heerlijke borsjtsj gekookt. En na het eten zal ik je vertellen wat voor streek ze mij eergisteren op de boerderij van Bezverchy hebben geleverd. Dat weet je nog niet.”
Na deze woorden trok pan Oelasovytsj naar huis.
Onze Prokip Ryhorovytsj bleef staan als door kokend water overgoten. Zijn gedachten maalden: wat voor streek had men de heer honderdman in Bezverchy geleverd? Hij dacht en dacht, terwijl ze Javdocha nog steeds sloegen, zodat de splinters rondvlogen!
Plots hief hij zijn vinger omhoog en zei:
“Ik heb het! Hé, hé, hé! Dat is precies wat ik nodig had! Laat de jongens die arme vrouw niet langer voor niets kwellen. De heer honderdman had bevolen haar tot de avond te geselen, maar ik zal haar genadig zijn.”
Ze hielpen Javdocha overeind en sleepten haar halfdood naar huis. Het volk gonsde achter haar aan, roepend: “Heks! Heks! Ze heeft de regen uit de hemel gestolen!”
Maar Ryhorovytsj liep zwijgend en dacht bij zichzelf:
“Zo iemand heb ik nodig… Ik zal haar voor mij winnen; zij zal hem helpen verdrinken, en mij boven laten komen, uit het klerkschap naar het heerschap…”
En hij ging naar heer Mykyta Oelasovytsj om te dineren.
VI
Somber en neerslachtig liep de Konotopse heks Javdocha Zoebyсha door haar hut, nadat zij iemand had uitgelaten en de deur had gesloten, na de aframmeling die men haar bij de vijver voor het hele volk had gegeven wegens tovenarij.
Wie was er bij haar geweest, terwijl iedereen haar meed, nu men had gezien dat zij een geboren heks was, die zelfs met stenen om haar hals niet zonk, die regen uit de hemel stal en begoochelingen over mensen wierp?
Wie anders dan onze Prokip Ryhorovytsj Pistrjak, de klerk van Konotop.
Toen hij van de heer honderdman Oelasovytsj had gehoord wat hem op de boerderij van Bezverchy met jonkvrouw Olena was overkomen, nam hij zich meteen voor hoe hij zijn honderdman geheel te gronde kon richten. Na het eten ging hij naar Javdocha, bracht haar allerlei lekkernijen en verzoende zich met haar. Hij deed alsof hij niet zelf had bevolen haar te verdrinken en te geselen, maar dat het de heer honderdman was geweest; dat deze haar zelfs tot de avond had willen laten slaan, maar dat híj haar had gered.
Hij begon haar dringend te smeken de heer Mykyta tot een dwaas te maken: want die zou diezelfde avond bij haar komen om te vragen of Javdocha ervoor kon zorgen dat Josypivna hem lief zou krijgen en met hem zou trouwen. Zodra hij zich aan tovenarij overgaf, moest men hem tot een dwaas maken, zodat hij afstand zou doen van zijn honderdmanschap, en in zijn plaats Pistrjak zou aanstellen. Dan, zo beloofde hij, zou Javdocha vrij zijn om te toveren zoveel en wanneer zij wilde.
De sluwe Javdocha deed alsof ze instemde. Ze nam de geschenken aan en beloofde alles te doen wat Ryhorovytsj verlangde, en had hem nu juist de deur uitgelaten.
Lang liep ze daarna door de hut en dacht na. Ze wilde wel gaan zitten, maar kon zich nergens neerzetten… zo grondig hadden ze haar toegetakeld! Ze lag op de ovenbank en op de houten bank, maar hield het nergens lang uit; ze kon alleen op haar buik liggen, op haar rug of zij ging niet, zo bont en blauw was ze overal geslagen.
Ze liep door de hut en keek naar haar kruiken, potten en bekers, waarin melk zat van allerlei dieren en gedierten, die zij had gemolken door zich telkens in verschillende gedaanten bij elk moederdier te voegen, zodat ze niet schrokken en zich lieten melken.
Al die kruiken, potten en kannen stonden overal: sommige op de plank, andere op de kast, enkele op de ovenrand of zelfs boven op de oven; sommige waren al tot room gezet, andere stonden nog onder de bank of bij de gootsteen.
Onder de vloer lagen allerlei kruiden en wortels: munt, lavas, gentiaan, varen, hondenzalf, doornappel, allerlei klitten, nachtblindheidkruid en nog veel meer.
Op de vloer, op kussens, lag een grauwe, snorharige kater; zijn enige bezigheid was eten en slapen, en wanneer hij iets bedacht, wendde hij zich tot zijn bazin en miauwde: “Miauw, miauw!”
En zij glimlachte dan en zei:
“Zo is het, poesje, zo is het!”
En wanneer zij iets bedacht, vroeg ze hem:
“Is het zo, poesje?”
Dan antwoordde hij:
“Miauw, miauw!”
Ja, zij verstonden elkaar.
Verder had zij geen huishouden, en waarom zou ze ook? Wat zij maar verlangde, ’s nachts veranderde zij zich in een hond, een muis, een kikker of een vis, en wat ze nodig had, haalde zij, en het was van haar.
Zo liep zij somber door haar hut en, terwijl zij haar verzameling bekeek, zei ze in zichzelf:
“Van alles heb ik; ik hoef bij de mensen niets te lenen.”
Toen wierp ze een blik op de deur — die ze, zoals gezegd, zojuist had gesloten nadat ze iemand had uitgelaten — en zei:
“Breng die vervloekte honderdman maar snel hier, dan zal ik het hem wel vergelden. Ik zou jou, Ryhorovytsj, ook wel een draai om je oren willen geven, maar dat komt later; nu moet jij mij dienen, en als ik die duivelse Zabrjocha heb verslonden, dan pak ik jou aan, jij ellendige Pistrjak! Goed dat je mij over Zabrjocha en over Olena hebt verteld: ik zal hem wel laten trouwen… en jij krijgt ook je deel, omdat jullie mij zo hebben toegetakeld dat ik niet kan zitten, en mij hebben vernederd, dat ze voor de ogen van de jongens mijn rok en mijn hemd hebben gescheurd, mijn boezem hebben opengetrokken en mijn hoofddoek hebben afgeslagen zodat mijn haar bloot kwam, en me hebben geslagen… o, wat hebben ze me geslagen! Geslagen, geslagen, geslagen! Dat ik niet kan zitten of liggen; en dat allemaal door die Sjvandjoera, die de betovering van hen heeft afgenomen.”
Zo sprak ze lange tijd tegen zichzelf, totdat het in de hut helemaal donker werd, je kon geen hand meer voor ogen zien.
Plots begonnen op straat de honden te blaffen.
Ze zei:
“Kom, poesje, open je oogjes en schijn bij, of zij het zijn die komen.”
De kat deed zijn ogen open, en toen hij keek, straalden ze als gloeiende kolen; en Javdocha zag dat daar Mykyta Oelasovytsj Zabrjocha, de heer honderdman van Konotop, aankwam, en achter hem zijn klerk Prokip Ryhorovytsj Pistrjak; ze droegen iets in hun handen en iets onder de arm.
Meteen schoot ze in beweging, haalde een olielamp tevoorschijn, hield die bij de kat en streek hem tegen de haren in — vonken sprongen eruit — en ze stak de lamp aan, zette die op tafel en kroop zelf onder de tafel om iets te pakken.
Daar kraakte de deur. en de heer honderdman trad met zijn klerk binnen. Ze zetten hun mutsen met wandelstokken bij de deur neer en keken rond.
En pan Zabrjocha zei:
“Er brandt licht, maar ik zie haar niet in huis.”
“Hoezo niet thuis!” antwoordde Zoebyсha, terwijl ze vanonder de hoekbank tevoorschijn kroop en een enorme pot meesleepte, met een doek dichtgebonden. “Hier was ik; ik haalde net de pot met wolken tevoorschijn, die ik negen jaren lang had verstopt, want de heer honderdman van Konotop heeft mij gedwongen de wolken los te laten en de regen te laten vallen.”
“Ach, tantetje, laat dat nu,” zei pan Zabrjocha met een buiging, terwijl hij zijn geschenken tevoorschijn haalde. “Hier is een hoofddoek die de pastoorsdochter voor mij heeft geborduurd en mij heeft gegeven, die bied ik u aan; en hier is nog een hele kom met geldstukken. Wees zo goed, tantetje, wees niet boos op mij en vergeef mij dat het zo met u is gelopen… Het was zo… eh… eigenlijk niet met opzet…”
“Niet met opzet?” piepte Javdocha fel. “Niet met opzet? Als iemand jouw gezicht zo had toegetakeld, zou je anders spreken! Ik wil je geschenken niet, weg ermee! Vervloekt zij het! Maak dat je wegkomt! Stoor me niet: ik ga de regen loslaten, anders krijg ik weer straf, en morgen zullen ze me opnieuw zo stomen dat ik vandaag niet kan zitten en morgen niet eens meer zal kunnen staan. Laat me gaan, ik moet de regen loslaten.”
“Tantetje, moedertje!” — de arme Mykyta Oelasovytsj viel haar zelfs aan de voeten en kuste haar magere heksenhanden. — “Ik zal je niet meer lastigvallen; en wat gaat het mij aan of er regen is of niet? Ik ben hier honderdman, ik zal geen honger lijden: de een brengt brood, de ander een witbrood, weer een ander een heel brood, en nog een ander komt met een zak meel; als men maar procedeert, dan komt het voor ons, de overheid, nooit slecht uit, zelfs al hield u, tantetje, de regen voor eeuwig onder uw iconenhoek verborgen. Help mij liever in mijn nood! Hier, alsjeblieft: een fles perenbrandewijn, vijftig gedroogde visjes, nog vers van het voorjaar; hier is ook een sluier… doe mij de genade en help mij in mijn zaak, ik zal u vertellen wat er is…”
“Ik weet, ik weet van je nood — wat voor wijze, gebakken pompoen die Olena, dochter van Josypivna uit Bezverchy-boerderij, je heeft voorgeschoteld, en hoe je er de volgende dag nauwelijks van bent bijgekomen! Ik weet alles.”
Pan Zabrjocha stond versteld: waar wist zij dat allemaal vandaan, alsof ze erbij was geweest? En hij begon haar nog vuriger te smeken niet boos te zijn en voor hem op te komen.
“En wat zou ik voor je moeten doen?” vroeg Javdocha. “Als de dochter van de vaandrig niet met je wil trouwen, wat gaat mij dat aan? Wil ze niet, zoek dan een ander.”
“Maar waar moet ik er in ’s hemelsnaam een vinden!” zuchtte Oelasovytsj. “Ten eerste weet ik niet waar ik een andere moet zoeken, en ten tweede wil ik er geen, want ik ben dodelijk verliefd op Olena Josypivna. Al boden ze me een rechtersdochter of zelfs een kolonelsdochter aan, ik zou niet eens kijken, want ik houd van Olena met heel mijn lichaam en ziel en hart en heel mijn wezen. En ik zie zelf: als ik haar niet krijg, dan verdrink ik me, of hang ik me op, of ga de wijde wereld in… Help mij, moedertje!”
En hij viel aan haar voeten, huilde en smeekte haar hem niet in een voortijdige dood te laten omkomen en hem op de een of andere manier te betoveren zodat zij met hem zou willen trouwen.
“Maar hoe zou zo’n meisje met jou kunnen trouwen?” zei Javdocha weer. “Zij is een pracht van een meid, in kleding en uiterlijk, helemaal een meisje om trots op te zijn, en ze heeft vee en geld als kaf. En jij? Waar deug jij voor?”
“Ach, dat doet er niet toe, tantetje, moedertje! Al ben ik beschamend en lelijk en wat dan ook, maak toch dat ze van mij gaat houden en met mij trouwt. Hier ligt al een kom geld op tafel, en daar nog veertig altinen, en nog…”
“Nee,” zei Javdocha en schoof het geld van zich af. “Die stuivers heb ik niet nodig, waarvoor zouden ze mij dienen? Ik heb alles, en wat ik wens, kan ik krijgen. Maar als je zo aandringt, zal ik mij misschien over je ontfermen, alleen moet je dit voor mij doen…”
“Wat u beveelt, moedertje, zal ik doen. Als u beveelt Konotop in brand te steken, ik zal het tegelijk van vier kanten aansteken; beveelt u mij alle kinderen van Konotop, die jullie heksen toch niet mogen, dan sla ik ze in één dag allemaal dood…”
“Dat kan ook, maar nu heb ik dit nodig: neem die vervloekte Sjvandjoera, die de betovering van de mensen heeft weggenomen toen ik gestraft werd, neem hem gevangen, verzin dat hij heeft gestolen of u heeft beledigd of wat dan ook, leg hem een boete op en neem al zijn vee af — want hij is behoorlijk welgesteld — en opdat zijn familie u niet lastigvalt, geef alles dan aan heer klerk Ryhorovytsj…”
“Een goede zaak en een wijze beslissing, mevrouw Zoebyсha, waarlijk!” liet heer Pistrjak zich horen, zittend op de bank bij het raam.
Javdocha vervolgde:
“Hij, arme wees, heeft nergens iets vandaan te halen en leeft alleen van erfenissen. Neem Sjvandjoera en verjaag hem uit het dorp, zodat zelfs zijn geest er niet meer rondwaart. Als je dat voor mij doet, dan zal ik voor jou…”
“Mrrr, miauw, mrrr!” klonk de heksenkat, en Zoebyсha bedacht zich en zei:
“Ach nee, luister nog. De schoonzus van mijn zwager, Chvenna Zozoelycha… ik kan niet eens langs haar huis lopen, zo maakt ze mij zwart over dat linnen dat uit haar tuin verdwenen is en op de een of andere manier in mijn kist terechtkwam; ze noemt mij een dievegge en verspreidt overal praatjes. Kun je haar niet ook beschuldigen en uit het dorp laten zetten?”
“Waarom zou dat niet kunnen? Zeg maar, ik doe alles…” zei pan Oelasovytsj opgewekt, nu de heks hem gunstiger gezind leek.
“Als je dat allemaal doet, dan zal ik…”
“Mrrr, mrrr!” spinde de kat opnieuw, en Zoebyсha ging verder:
“En nog dit: Demko Sirostan laat mij geen rust. Eergisteren pochte hij dat hij mijn kat zou doden als ik hem niet bewaak, en dat doet hij dan ook. Dus hem moet je, heer honderdman, een lesje leren, en goed ook…”
“Dat zal ik doen, tantetje, zo dat hij het zal onthouden tot er nieuwe bezems komen; doe jij dan mijn zaak…” drong pan Zabrjocha aan, die haar alles zou hebben beloofd, als zij er maar voor zorgde dat de vaandrigsdochter met hem zou trouwen.
“Goed dan, zoonlief, als het zo is, dan zal het zo zijn. De vaandrigsdochter Olena zal achter je aanlopen en ’s nachts niet slapen, net zoals jij om haar. Poes, poes, poes…!”
“Mrrr, miauw, mrrr, miauw!”
“Goed dan,” zei Javdocha. “Kom mee naar buiten, pan Oelasovytsj, en stap met je linkervoet van de drempel op het zand, zodat je voetafdruk in het zand blijft staan.”
Ze leidde hem naar buiten, verzamelde zijn voetspoor in een zakdoek en knoopte die dicht. Daarna ging ze terug de hut in, liet hem op de bank bij de tafel zitten, beval Ryhorovytsj met de olielamp bij te schijnen, en nam pan Zabrjocha bij zijn linker snor. Ze begon haren uit te tellen. Ze pakte een haar met haar nagel en telde: “Eén, twee, drie…”, en telkens wanneer ze er negen had geteld, rukte ze het negende helemaal uit.
De heer honderdman schreeuwde het uit, de klerk lachte, Javdocha Zoebyсha mompelde iets en spuugde, en de kat spinde door de hele hut… Zo rukte de heks bij de arme Mykyta Oelasovytsj achtmaal het negende haar uit zijn linker snor. Ze nam een stuk papier, wikkelde de haren daarin, en Zabrjocha, die de tranen afveegde die hem van het gepluk over de wangen liepen, vroeg de heks:
“Als u nu helemaal klaar bent met toveren, mag ik dan gaan?”
“Ga maar naar huis, zoonlief, en ga slapen. Wacht maar tot de vaandrigsdochter iemand stuurt om je met de roesjnik te laten komen.”
Toen pan Oelasovytsj dat hoorde, greep hij zijn muts en rende het huis uit, zonder om te kijken, naar huis, bang dat de heks nog meer haren uit hem zou trekken. De arme man liep zo hard weg dat hij zelfs niet op zijn klerk wachtte; die bleef nog bij de heks en sprak lange tijd met haar, terwijl de kat erbij zat te spinnen. Toen heer Pistrjak vertrok, was te horen hoe hij zei:
“En dit alles welwillend geregeld hebbende, begeef ik mij naar mijn Palestina. Vaarwel!”
“Ga gezond!” zei Javdocha, terwijl ze de deur achter hem sloot, en ze riep tot de kat:
“Poes, poes, poes…!”
“Mrrr, miauw, mrrr!”
Daarop nam ze meteen haar hoofddoek af, liet haar grijze vlecht — wit als melk — loshangen, trok een wit hemd aan en bond noch gordel noch rok om; zo liep ze door de hut en mompelde toverspreuken, en in elke hoek spuugde ze driemaal. Vervolgens zette ze een grote kuip midden in de hut en begon weer iets in heksentaal te mompelen. Ze nam water uit een beker en besprenkelde, al mompelend, zichzelf en de binnenkant van de kuip…
De kat miauwde voluit, ging toen op zijn achterpoten staan, rekte zich uit en zijn ogen begonnen nog feller te gloeien dan het lamplicht in de hut had gedaan.
Toen klom Javdocha haastig in de kuip… en toen ze eruit kwam, was ze een meisje geworden! En wat voor een meisje! Jong en mooi, donkerharig — misschien nog mooier dan de dochter van de aartspriester van Tsjernihiv.
Toen onze heks zo was veranderd, nam ze kikkerroom, merriemelkse kaas en koppen van gedroogde vis, legde die op een schoteltje en zette het voor haar kat.
“Als je zonder mij wilt eten, poesje, hier zijn lekkernijen; verveel je niet tot ik terugkom.”
Zelf nam ze vijf melkemmers, doofde de lamp en ging naar buiten om te melken wie ze maar moest melken.
Nog maar net had de tweede haan gekraaid of Javdocha sprong hals over kop de hut weer binnen en viel neer alsof ze dood was. Toen ze weer op adem kwam en opstond… was ze opnieuw de oude vrouw die ze tevoren was geweest.
Ze haastte zich naar haar kat en sprak tegen hem als tegen een mens:
“Poesje, lief katje! Heb je je niet verveeld zonder mij? Ik ben wat opgehouden: ik moest alle koeien en schapen uitmelken, en ik had ook nog snoekmelk nodig voor een bepaalde zaak; ik holde naar de vijver, maar voordat ik die vervloekte snoek had tegengehouden en bezworen om zich te laten melken, kraaide de eerste haan al. Die is ons niet zo gevaarlijk, maar toch moest ik me haasten voordat de tweede kraaide; anders was ik op straat uitgestrekt blijven liggen, zoals ik nu hier lig…”
En de kat zwaaide met zijn staart, knipperde met zijn snorharen en miauwde uit alle macht: hij was zo blij dat zijn bazin teruggekeerd was.
Ze zorgde voor hem, schonk hem melk en room, en begon bezig te zijn met van alles, te mengen en te koken voor haar tovenarij. Plotseling kwam er iets licht binnen… en een beetje later kwam er een vrouw bij haar, het hoofd volledig verbonden, en ze liep en zuchtte, ging zitten en bleef zuchten.
— Vanwaar kom je, jongedame? — vroeg Javdocha.
— Van ver! — zei de jongedame, zuchtend. — Als u het gehucht kent dat op de Droge Balts ligt, en dat Bezverchy heet… oh!
Javdocha knipperde naar de kat en zei:
— Nee, ik heb er nog nooit van gehoord en ik weet niet wie daar woont… Waarom ben je bij mij gekomen?
— Nou, niet dat u het zou horen, maar ik deed alsof ik koorts had, mijn hele gezicht was opgezwollen… oh! Zo hebben de mensen mij gedwongen naar u te komen… Wees zo goed, tantetje, doe wat u kunt, maar help mij vandaag de jongedame, onze vaandrigsdochter Olena Josypivna, te betoveren — en terwijl ze dat zei, legde ze een brood, vijf eieren en een stapel geld op de tafel.
Javdocha greep meteen een mes, legde het op de grond en liet de jongedame er met haar blote voet op staan, precies op de rand waar de zwelling het ergst was. Ze nam een hete schaal, deed er een stukje paaskaars en wierook in, en een stukje van het doek waarop men het paasbrood zegent, wikkelde de jongedame goed in, zodat de rook nergens anders heen kon dan naar haar, terwijl ze fluisterde en spuugde en op het vuur blies, terwijl de kat door het hele huis miauwde. Zo rookte ze, rookte ze, en de jongedame… plons! viel op de grond alsof ze dood was. Javdocha tilde haar op, zette haar op de bank en zei:
— Maak je nu geen zorgen: het gaat voorbij, zoals het op een hond zou drogen; het is uit de ogen; er was een donkerharige jongeman die naar je keek en jaloers was…
— Dat klopt! Het is onze heer, — zei de jongedame. — Telkens als hij me ziet, kijkt hij me in de ogen; en vorige zondag streek hij me met zijn hand over mijn wang en zei: “Wat een mooie jongedame!” Ik smolt meteen, en sindsdien heeft het me zo gegrepen…
Toen begon Javdocha haar uit te vragen… wat ze nodig had… en bracht haar vervolgens uit het huis en zei:
— Nu is het goed! Nu weet ik alles wat ik moet weten…
VII
Somber en niet blij zat juffrouw Olena, de dochter van de vaandrig, op de lage bank bij haar huis op haar afgelegen hoeve Bezverchy, op de Droge Balts, en met haar witte handjes woelde ze in het hoofd van haar broer, de jonge vaandrig.
Hij, arme stakker, had die dag samen met de priester die bij hem was langsgekomen — nadat ze iemand op een andere hoeve hadden begraven — bij het middagmaal flink gegeten van de varenyky en de karper, gebakken in zure room, en dat weggespoeld met karnemelk (want het was na het Petrusfeest). Daarna hadden ze op eigen houtje een paar glaasjes “doornpruimen” gedronken, en onderweg nog kersenlikeur.
Bij het avondeten had de jongen bovendien nog vijf mandryky (een soort kaasgebak) en een potje cantharellen in boter en zure room gegeten, iets waar hij erg van hield. Maar daarna voelde hij zich, God mag weten waarvan, niet goed worden. En zo was hij bij zijn zus op schoot gaan liggen, en terwijl zij zijn hoofd aaide, viel hij in slaap.
Intussen kwamen de koeien en de schapen terug van het veld. Daar werden ze gemolken bij de juffrouw, en de melk werd in kruiken gegoten… maar zij lette er niet op. Het kon haar niets schelen, alsof het allemaal niets met haar te maken had. Ze vergat zelfs naar het melken te kijken en om haar broer zijn hoofd te strelen; alleen één gedachte had ze nog…
Op dat moment wilde ik net vertellen waar onze vaandrigsdochter aan dacht en waarom ze verdrietig en ongelukkig was, toen een oude vrouw daar kwam, zo oud, zo oud, dat ze nauwelijks kon lopen; ze kwam naar haar toe en zei:
— God zegene u, juffrouw! Moge God u helpen!
Josypivna schrok, ze had haar nog nooit gezien, maar daar stond ze voor haar; en toen, een beetje tot zichzelf komend, zei ze:
— Goedendag, grootmoeder! Vanwaar heeft God jou hier gebracht?
— Ach, ik… Ik ben van ver en niet van ver, ik ben hier en ook niet van hier; ik weet niets en ik weet alles; ik weet wie zich zorgen maakt en om wat, en tegelijk weet ik het niet; en wat te doen, dat kan ik en dat kan ik ook niet…
— Och, grootmoeder, ben je dan niet van het gewone volk? — vroeg Olena.
— Wel gewoon, hoor! — zei de grootmoeder. — Niet van jullie, van een herenfamilie, maar een gewone oude vrouw, ik weet niets van andermans zorgen, ik weet niet wie, zittend bij de veranda, zich bekommert om Demjan, die met de kozakken op campagne is gegaan; ik weet zelfs niet wie de hele nacht bij de put met hem zat en bij het afscheid de zilveren ring van haar hand haalde en die samen met een trouwdoek gaf, die ze met allerlei zijde geborduurd had…
— Och, wat erg, grootmoeder! Jij weet alles?.. Praat niet zo veel, alsjeblieft, mijn broer wordt wakker en als hij het hoort, dan zal hij lachen… Laat me na het avondeten bij je komen, dan blijf je bij me overnachten en kunnen we praten!
— Nu, bij volle maan, moet er iets gedaan worden. Laat je broer maar naar zijn huis gaan, maak hem wakker; dan zal ik je vertellen wat er gedaan moet worden, en je zult het in daden uitvoeren. Ik ben vandaag expres na het avondeten uit Kyiv gekomen…
— Hoe is dat mogelijk? Recht uit Kyiv? Na het avondeten? Dat kan helemaal niet! — zei Olena verbaasd. — Hoe kun je zo snel van Kyiv hier zijn? Is de hele wereld dichtbij?
— Misschien niet echt, maar wij weten hoe het gedaan wordt. Wek je broertje maar snel, laat hem naar huis gaan, ik moet haast maken.
— Maar er is iets met mijn broer gebeurd, hij kon bijna niet meer uit zijn ogen kijken. Hij was eerst gezond, maar toen dat donkerharige meisje, dat bij de koe liep, naar hem keek en glimlachte — ik heb het zelf gezien — toen voelde hij ineens een steek in zijn buik; of het van zonneschijn kwam, moge God het verhinderen! Of wat was het dan?
— Dat zijn allemaal de ogen, alles door de ogen gedaan; maar wees niet bezorgd, ik zal het wegnemen. Maak je broer maar wakker, en ik zal de jongedame leren wat ze voor hem moet doen. Het komt van haar, laat haar het maar wegnemen.
Olena begon haar broer te wekken, dat het hele erf te horen was, terwijl de grootmoeder naar de jongedame ging… en die riep meteen:
— Och, tantetje! U bent ook hiernaartoe gekomen?..
— Ach! Schreeuw niet zo, — zei de grootmoeder, — maar doe dit: neem… sjoe-sjoe-sjoe… — Niets was te verstaan van wat de grootmoeder haar fluisterde, alleen later zei de jongedame:
— Goed, goed; houd je maar bezig met de juffrouw.
— Dat is mijn zaak, — zei de grootmoeder. — Kom eerst maar mee met mij.
Ze bracht de jongedame naar de juffrouw en zei:
— Kijk, ik heb het jongedame geleerd hoe ze de zonnebloemen van de jonge heer moet plukken; ga snel, jongeman, zij zal doen wat ik haar heb opgedragen; doe het snel, anders word je zo verward dat je tegen de muur op kruipt.
— Och jee! — zei de vaandrigsdochter geschrokken. — Ga snel, broer. Doe voor hem, Motre, wat grootmoeder zei. Doe het goed, haast je…
Dus ging de vaandeldrager met de jongedame naar zijn huis, terwijl de grootmoeder – hup! – bij de juffrouw ging zitten en zei:
— Jij mist je blauwe duifje, hè, maar kijk! Hij is hier niet; hij is ver weg gegaan, helemaal naar Tsjernihiv…
— Maar hoe weet u dat allemaal, grootmoeder? Wie vertelde u dat ik daar… of me zorgen maakte, of… wat er dan was… ik weet het zelf niet! — vroeg Josypivna, verlegen.
— Dat weet ik niet! — zei de grootmoeder. — Waarom hebben wij de sterren, als we er toch niet naar kijken? Ik kijk ’s avonds, ik kijk midden in de nacht, ik kijk voor zonsopkomst, en dan weet ik waar alles gebeurt.
— Als u weet wat er overal gebeurt, vertel me dan, grootmoeder, wat hij nu doet… — zei Olena en ze werd zo rood als karmozijn, en haar tong leek wel van vilt.
De grootmoeder nam het over en zei:
— Demjan?
— Ja-ja-ja!
— Rechterszoon Chaljavski, Omeljanovytsj?
— Is juist!
— Luister, dochter, wat hij doet: hij was met de kozakken aan het oefenen voor de kolonel, en, moe geworden, ging hij naar huis, kleedde zich uit, rekte zich uit en ging liggen, verdrietig om jou, en hij piekert dat hij je niet snel zal zien.
— En men zegt dat ze hem niet snel zullen loslaten!
— Wees niet bezorgd; misschien zul je hem vanavond nog zien…
— Waar, grootmoeder, zou ik hem vanavond nog kunnen zien? Hij is geen vogel die naar mij komt vliegen!
— Ook al is hij geen vogel, hij zal hier voor je verschijnen, net zoals ik. Wil je dat hij verschijnt?
— Wat zou het, mijn liefje, ik wil het niet! Mijn ingewanden trillen van verlangen om hem toch maar even te zien. Doe me een plezier, laat hem naar mij komen… maar krijgt hij er geen nadeel van?
— Helemaal niets; hij is een kozak, weet je.
— Roep hem dan, grootmoeder, al is het maar een korte tijd, een uurtje; ik wil hem zien! Doe wat je kunt, ik zal niet klagen. Alles hier is van mij, ik zal je geven wat je wilt.
— Goed, dochter, goed. Laten we aan het werk gaan.
Ze gingen de grote kamer binnen, sloten de deuren en ramen, terwijl de zon begon te zakken. De juffrouw stookte het fornuis op, ging zelf water halen, en volgde daarbij de instructies van de grootmoeder: niet rechtstreeks naar de put, maar via de straten tegen de zon in. Ze vulde een emmer water en goot het bij de opkomst van de zon, de tweede bij de ondergang, en de derde, zo snel als ze kon, zonder om te kijken, via de straat met de zon mee.
Toen ze terugkwam, zette ze een kom met water neer; de grootmoeder haalde kruiden tevoorschijn: selderij, oregano, goudsbloem, varenbloemen, wilde tijm, en voegde van elk een bosje toe aan de kom bij het vuur. Zelf nam ze wat tarwebloem, mengde het met water en haalde toen uit de poort in een papiertje wat kattenhersens, legde het in het deeg. Daarna nam ze uit een dichtgeknoopte zak een spoor van meneer Zabrjocha, splitste het in tweeën, en voegde één helft toe aan het deeg, kneedde het, vormde een broodje en zette het in de oven om te bakken, met spreuken en gespuw erbij. Ze vertelde Olena dat ze op de vloer moest gaan zitten, haar benen opgetrokken, niet bang te zijn en alleen aan haar geliefde te denken.
Toen het broodje klaar was, gaf ze het in drie porties aan Olena, en moest zij water drinken uit het kannetje, zoals grootmoeder het zei. Daarna begon de pot met kruiden te koken. De grootmoeder riep Olena toe om niet bang te zijn, nam de andere helft van het spoor van Oelasovytsj en gooide het in de kokende pot, terwijl ze zelf in de oven leek te kruipen en luid riep:
— Wilde tijm, wilde tijm! Roep tien, van de tien negen, van de negen acht, van de acht zeven, van de zeven zes, van de zes vijf, van de vijf vier, van de vier drie, van de drie twee, van de twee één, en laat het goed zijn!
Zachtjes sprak ze nog zodat Olena het niet hoorde:
— Meneer Zabrjocha, de Konotopse commandant Oelasovytsj Mykyta; en wie waakt, laat hem slapen.
Toen blies ze op Olena, en plots begon Olena in slaap te dommelen, zonder dat ze er iets van begreep.
De oude vrouw begon weer in de pot te roeren en schreeuwde luid in de schoorsteen dezelfde spreuken:
— Wilde tijm, wilde tijm! Roep tien, van de tien negen, van de negen acht…
Toen richtte ze het op één, en dat was meneer Oelasovytsj, en fluisterde zachtjes:
— En wie zit te waken, laat hem maar slapen.
Toen blies ze op de vaandrigsdochter, en zij viel, arme ziel, meteen in slaap. De grootmoeder begon voor de derde keer de kruiden te mengen en schreeuwde opnieuw zo hard ze kon door de pijp:
— Wilde tijm, wilde tijm! Roep tien, van de tien negen…
En toen ze bij één kwam, krijste ze van inspanning, schreeuwend met al haar kracht, terwijl ze meneer Oelasovytsj riep. Ze blies nogmaals op de vaandrigsdochter en zei:
— Wie slaapt en snurkt, laat hem maar snurken.
Door dit alles viel juffrouw Josypivna op het kussen en begon luid te snurken door het hele huis. Op dat moment klonk er iets bij de deur van de bijkeuken — plof! — iets kreunde, iets mauwde en zuchtte… Maar dat zien we later wat dat was.
VIII
Somber en niet vrolijk stond, met de handen gevouwen, de trotse commandant van de Konotopse honderd, de commandant Oelasovytsj Mykyta Zabrjocha, in het beroemde stadje Konotop, op straat bij de herberg, waar altijd de honderd samenkwam, of voor oefening of om te tellen of om te controleren of er toevallig geen kozak was weggelopen. Hij stond daar, arme ziel, met gevouwen handen, hoofd gebogen, als een os voor het juk; en de kozakken, de hele honderd, stonden recht voor hem als een muur van glas, met hun hoeden op een schap gelegd zodat die tijdens de oefening niet van hun hoofd zouden vallen, en de kinderen die rondrenden bij de kozakken niet zouden worden opgepakt of weggejaagd.
De kozakken stonden daar en wachtten af wat er met hen zou gebeuren en welke bevelen er zouden komen, en ze praatten wat onder elkaar, als water dat over een rooster stroomt, zodat er echo’s kwamen. Sommigen haalden een snuifje tabak, rookten en niesten, anderen hadden een pijp en rookten die.
Commandant Zabrjocha merkte niets op en zag en hoorde niet wat er rondom hem gebeurde. Het leek hem alsof hij nog steeds luisterde naar wat de klerk van de Konotopse honderd, Prokip Ryhorovytsj Pistrjak, hem had voorgelezen. Maar deze had allang alles opgelezen, opgerold en in zijn zak gestopt.
Plots zuchtte commandant Oelasovytsj zwaar, alsof hij een smidse-blazer was, en vroeg de klerk:
— Doe me een plezier, vriend Ryhorovytsj! Vertel me met woorden wat je daar in het rapport voorgelezen hebt? Je weet dat ik niets schriftelijks kan verwerken, ook al heb ik op school geleerd en geprobeerd te lezen, maar ik hield er snel mee op. Dus vertel me, wat heeft die kozak uit Tsjernihiv gebracht? We hebben een rapport gestuurd dat we niet op campagne gaan, ook al zouden ze ons duizend straffen opleggen; we hebben geen tijd, dat is een ander verhaal, dus waarom blijven ze aandringen?
— De hele Tsjernihivse administratie is gek geworden! — begon Pistrjak te zeggen, hoestend. — Ze schrijven voorschriften en schelden u uit, commandant, en mij — hmm, hmm! — ze noemen ons dom, omdat we hun bevelen negeerden en onze mannen niet naar Tsjernihiv stuurden.
— Ik snap het, hoewel het me bijna duizelt, wat u zegt, klerk; betekent dat dat we toch naar Tsjernihiv moeten?
— Inderdaad, dat moet! — zei Ryhorovytsj en knipoogde.
— Verdorie, en hun moeders dan! Nou, een middelvinger naar hen! — Hij vouwde zijn handen en begon te draaien. Hij draaide in de richting van Tsjernihiv, terwijl hij tsjilpte. Toen riep hij:
— Ik ga niet; ik heb via het rapport van de hinkende laten weten dat we geen tijd hebben.
En Pistrjak zei:
— Onze hinkende is nog niet eens halverwege klaar met het werk. Word niet boos, commandant; we zullen niet vertrekken totdat we antwoord krijgen op onze vragen.
— Precies, Ryhorovytsj, we gaan niet. Zie je hoe slim ik het heb geregeld? We gaan niet en we gaan niet. Nou jongens! De zon is aan het ondergaan, ga avondeten, en morgen zien we wel hoe we het werk doen. Kom, klerk, laten we bij mij eten; Pazjka heeft goede pierogi gemaakt en een omelet bereid… O, hemel! O, redding! O, ramp! — commandant Oelasovytsj begon met een vreemde stem te roepen en greep naar zijn zij…
Klerk Pistrjak en de kozakken renden naar hem toe: wat is er met hem gebeurd? Maar hij… ritselde… steeg omhoog en vloog als een vogel, terwijl hij nog steeds luid schreeuwde…
Wat zijn alle mensen in het beroemde stadje Konotop toch geschrokken, toen ze zagen dat hun dappere commandant van de honderd, meneer Mykyta Oelasovytsj Zabrjocha, opstond tot aan de hemel en zonder vleugels vloog, als een vogel! Vrouwen, mannen, kinderen, iedereen kwam kijken, zelfs de ouderen kropen uit hun huizen om dit tafereel te zien. Iedereen wierp het hoofd achterover en keek hoe meneer Zabrjocha als een exotische vogel door de lucht vloog; zijn armen zwaaiden als vleugels, zijn jas wapperde, zijn benen trilden, zijn broekspijpen bolden op, hij zweette als in een heet bad, en hij vloog en schreeuwde, terwijl hij zo veel mogelijk aandacht vroeg voor alles wat hij op aarde zag.
De oude mensen spuugden van schrik, vrouwen gilden van angst en de kinderen raakten helemaal in paniek. En wie zou dat niet eng vinden?
Prokip Ryhorovytsj, die dit wonder zag, stond met opgetrokken hoofd en open mond, zijn keel zichtbaar, zijn ogen groot, en zwaaide met zijn handen om meneer de commandant, die als een gans vloog, te grijpen. De hele kozakkenorde stond versteld van deze komedie. Hoe konden ze ook níet verbaasd zijn, als ze zagen dat een man uit het niets begon te vliegen als een vogel? En dit gebeurde nog vóór middernacht, wanneer anders allerlei bovennatuurlijke wezens rondwaren; het zonnetje was nog maar net onder.
De oude Ljoznycha, net van ouderdom en ziekte uit haar huis gekomen, keek naar de kozakken die bij elkaar stonden, grapten en zich hadden voorbereid op de oefening. Ze zuchtte en zei:
— Lof zij U, Heer, dat ik geen kozak ben! Ik kan niet eens door het huis lopen, laat staan rennen, vechten en oefenen! Ik wil geen kozak zijn!
Plotseling zag ze iets angstaanjagends over zich heen vliegen… Ze keek goed en rende naar de kozakken om hen te waarschuwen dat ze niet op de commandant moesten wachten, want hij was al vertrokken naar het zuiden.
— Ik heb het zelf gezien, — zei ze — hij vliegt als een kraai, alleen maakt hij geen kraakgeluid, maar vraagt om aandacht…
De klerk en de kozakken deden niets, ze verspreidden zich en vertelden aan wie het nog niet had gezien dat de commandant van Konotop, Mykyta Oelasovytsj Zabrjocha, vloog als een kraai. Iedereen die het nog niet had gehoord, haalde de schouders op, verbaasde zich en zei:
— Wacht maar, het zal nog goedkomen, als zelfs ons opperhoofd zo vreemd doet!
Maar Prokip Ryhorovytsj wist waar de slak zijn winterslaap hield. Hij was misschien geschrokken, maar hij vergat niets van de pierogi, het gebakken ei en Pazjka; hup, naar het avondeten, maar over de commandant werd niet meer gesproken.
Onze arme commandant vloog, van Konotop vandaan, zonder te weten waar hij zou eindigen of wat er met hem zou gebeuren. Plotseling — hup! — hij ziet een boerderij en hoort dat hij steeds lager en lager daalt. Hij kijkt goed en ziet de boerderij Bezverchy, op de Droge Balts… Hij vliegt over de huizen en het terrein van de vaandrigsdochter, waar hij al eerder was geweest… Hij vliegt het erf op en direct naar de deur van haar huis, die gesloten en van binnen vergrendeld is — plof! — hij valt neer als een boomstam, ademt niet en beweegt niet…
Dat gebeurde bij de huisdeur, waar de Konotopse heks Javdocha Zoebyсha bezig was met haar toverkunsten boven de vaandrigsdochter.
Javdocha riep nu meteen naar hem:
— Kreun niet zo en maak geen lawaai, dat niemand je hoort, maar ga snel het huis in.
Ze opende de deur voor hem, riep hem binnen, maar er kwam geen geluid, geen gehoorzaamheid; onze commandant lag daar als versteend. Javdocha deed niets anders dan hem op eigen kracht het huis in slepen, en toen ze hem naar een andere plek had getild, kreunde hij en knipperde met zijn ogen. Hij begreep niet waar hij terechtgekomen was. Toen hij zich om zich heen keek, herkende hij Zoebyсha en begon hij kreten te slaken over zijn vader en moeder, over wat ze hem had aangedaan.
Maar Javdocha bleef rustig haar gang gaan:
— Je weet niet wat geluk is! Roep niet, anders wek je de hele hof. Wat zul je doen: je bent bang, er is geen ontsnappen aan. Nu kan je niet meer in paniek raken. Kijk hier, ruik dit maar.
Ze hield geraspte mierikswortel onder zijn neus. Hij rook eraan en niesde drie keer, en begon daarna om water te vragen. Javdocha nam water, fluisterde er iets over, besprenkelde hem ermee, likte met haar tong kruiselings over zijn gezicht zodat er niets met zijn ogen zou gebeuren, en liet hem daarna van het water drinken. Hij dronk in één grote slok het water op en zei:
— Geef nog wat, tantetje!
— Nee! — zei Zoebyсha — ik heb je niet geroepen om hier te drinken. Laat het gefriemel en gemor achterwege en ga aan het werk. Zie je hoe mooi ze ligt?
Pan Zabrjocha keek rond met zijn ogen en zag plots dat juffrouw Olena op de grond lag te slapen… en hij beefde als gekookt deeg.
En ze was werkelijk een schoonheid! Zo mooi, en toen ze haar wangen bloosde, rood als karmozijn of een roos in de tuin; haar korset was los, haar hemd opengeritst… haar vlechten vielen los en bedekten haar borst bijna helemaal.
Onze Oelasovytsj, toen hij zo’n schoonheid zag, begon als een pauw rond de slaperige te dansen; hij draaide zich heen en weer, bekeek haar, likte zijn lippen, slikte speeksel; hij vergat zijn werk, al het vliegen, vergat zelfs dat hij dorst had. Geen eten, geen water, niets kon zijn aandacht trekken!
Hij probeerde iets te bedenken… hmm! Toen greep Javdocha hem bij de zoom van zijn jas en trok hem bij de oven:
— Kom tot jezelf, dwaas! Je moet werken, niet met meisjes rommelen. Pak deze kikker en draai haar kop opzij, nog levend, en gooi haar snel in de oven bij het vuur.
Pan Zabrjocha deed alles wat Javdocha had gezegd, en terwijl de kikker piepte, gooide hij haar in de oven, waar Zoebyсha het vuur had opgehoopt. Toen de kikker gebakken en uitgedroogd was, haalde Javdocha die eruit, verwijderde al het vlees en verzamelde de botjes. Ze begon ze uit te zoeken en vond één botje dat precies leek op een vorkje, en leerde Oelasovytsj wat hij ermee moest doen.
Pan Zabrjocha drukte het vorkje tegen het hart van de vaandrigsdochter… die werd meteen wakker en sprak:
— En nu Pan Chaljavsky… ik spuug op hem. Mijn Mykytotsjko, mijn liefje! Waar ben je? Kom bij me: ik wil je zien…
Oelasovytsj lachte van blijdschap door het hele huis, en als Javdocha hem niet had tegengehouden, was hij op de vaandrigsdochter gesprongen; zij greep zijn hand en leidde hem, en leerde hem wat er nog meer gedaan moest worden.
Pan Zabrjocha stond bij haar en haalde uit één van zijn zakken steentjes, kleine kiezelstenen, glaskraaltjes, vonkjes, alles wat Zoebyсha hem had gegeven. Hij nam een handvol van deze spullen, hield ze in zijn hand, liet ze rinkelen en schoof ze in zijn andere zak, en zo bleef hij een hele tijd bezig. Ondertussen mompelde juffrouw Olena, nog half slapend:
— Mykytotsjko, lieve Oelasovytsj! Ik houd steeds meer van je!
Vervolgens gaf Javdocha hem een kikkerbotje, dat op een klein vorkje leek, en op haar aanwijzing raakte commandant Zabrjocha de vaandrigsdochter licht onder haar hart aan. Ze werd meteen opgewonden en begon te zeggen:
— Ik wil niet… voor Chaljavsky… dwing me niet… geef me aan Zabrjocha… als je me niet geeft… zal ik weglopen…
Toen leidde Javdocha Oelasovytsj weg van juffrouw Olena en zei:
— Zie je, wat ik gedaan heb? Nu zal ze Chaljavsky verachten en alleen voor jou gaan. Nu is het echt tijd om naar huis te gaan…
— Naar huis? Is alles nu klaar? — vroeg pan Mykyta.
— Alles wat nodig is, is gedaan — zei Zoebyсha. — Maak je nergens zorgen over en wacht tot ze je zullen komen halen en vertroetelen. Nu gaan we naar huis.
— Maar hoe zullen we gaan, tante? Als we met z’n vijven moeten vliegen, bah! Nee! Ik kan het niet…
— Rustig aan, jongen, ik heb medelijden met je. Nu gaan we, en onderweg kun je slapen of dutten, wees nergens bang. Voor zonsopgang zijn we thuis. Ik zal morgen met z’n vijven hier zijn en ik zal jonkvrouw Olena dit kikkerbotje geven, zodat ze het bij zich kan dragen; zolang ze het draagt, zal ze van je blijven houden. Kom, laten we het huis uitgaan en vertrekken; anders wordt juffrouw Olena straks wakker.
Zoebyсha verzamelde al haar spullen, pakte ze netjes in zoals het moest, nam От Зубиха позбирала усе своє, поскладала, як їй треба було, узяла днище i веретено i вийшла з Уласовичем з хати. en het spinnewiel en vertrok samen met Oelasovytsj. Buiten zei ze tegen pan Zabrjocha:
— Ga op het spinrok zitten zoals een kozak op een paard; ik zal me ergens vastklampen. Ik ben dit gewend.
Zodra Oelasovytsj zijn voet op het spinrok zette, floot Javdocha en klonk er een zoem! het spinrok steeg op, met pan Zabrjocha erop, en Javdocha zat achter hem, slaakte zoemende klanken, zweepte met de spil en riep als bij het rijden op een merrie. Ze stegen tot hoog in de hemel!
Onze Konotopse honderdman, Mykyta Oelasovytsj Zabrjocha, zat op het spinrok als op een paard; zijn benen bengelden zonder stijgbeugels, en om niet te vallen hield hij zich vast met zijn handen aan het spinrok, die vooruit schoot! Het ging nog sneller dan Jatskiv’s schimmel. Achter hem hield Javdocha zich vast en gilde van de kou, want de wind blies door en liet haar hevig rillen.
Ze hadden nauwelijks de tijd om rond te kijken, toen Konotop al in de buurt kwam. Javdocha mompelde iets, en plotseling daalde het spinrok steeds lager… en plons! Hij viel neer bij de poort van de familie Zabrjocha. Pan Oelasovytsj landde hard en kwam nauwelijks bij van de schok; hij merkte niet eens dat Javdocha met het spinrok al verdwenen was, en zag alleen dat Pazjka iemand uitgeleide deed.
— Ben jij het, jongeman? — vroeg ze Oelasovytsj. — Waar ben je al die tijd geweest… ik heb me zo’n zorgen om je gemaakt…
— Waarom ging je naar buiten bij de poort? — vroeg pan Mykyta.
— Van verdriet! — zei Pazjka.
— En wie liet je daar uit?
— Daar… een vreemde stier was bij jullie vee geklommen, dus ik…
— Een stier! Bij het vee! Hm! — bromde pan Mykyta voor zich uit terwijl hij het huis binnenging, en beval licht te maken, want het was nog donker.
Pazjka bracht het licht naar binnen… Pan Zabrjocha keek en zag dat er op tafel nog wat restjes van de varenyky lagen, twee lepels, twee borden, en de kruik was al leeg, maar er waren nog overal kleine dingen… Hij fronste, trok zijn lip op en mompelde:
— Een stier… bij het vee!
Daarna ging hij naar de woonkamer, doofde het licht en plofte op het bed, denkend:
— Verdorie! Nu heb ik mijn vaandrigsdochter!..
Hij schreeuwde uit met een stem die door het hele huis klonk.
IX
Bedroefd en ongelukkig zat juffrouw Olena Josypivna, de vaandrigsdochter, op haar bed in haar huis op het landgoed Bezverсhy, op de Droge Balts. Ze geeuwde, wreef in haar ogen en wist niet goed waar ze was, wat er met haar was gebeurd, wat ze had gedroomd en waarom ze zich zo zwaar en verdrietig voelde.
Plotseling verscheen de Konotopse heks, Javdoсha Zoebyсha, in het huis. Ze zei:
— Goedendag, juffrouw! Waarom ben je zo bedroefd en ongelukkig?
— O, grootmoeder! Nu herinner ik me alles… wat heb je met mij gedaan?! — zei juffrouw Olena, snikkend.
— Stil maar en adem rustig! — zei Javdoсha. — Neem deze kleine tas en hang hem aan een koord om je nek, dan komt alles goed.
Ze hing de tas om haar nek; erin zat de achterpoot van een kikker, een uitgedroogd hart, een schedelbotje en een beetje van Mykyta’s spoor. Zodra juffrouw Olena de tas omhad, werd ze vrolijker, alsof ze uit het water was gekomen. Haar ogen straalden, haar wangen werden rood, en ze kon niet stilzitten op het bed. Ze sprong naar Javdoсha toe, huilde en smeekte:
— Tantetje, lieve tantetje! Doe wat je wilt, maar zorg dat ik met de Konotopse pan Zabrjocha trouw! Ik weet niet precies hoe hij heet, maar laat hem mij nemen.
— Maar hij vroeg je ten huwelijk en jij gaf hem toen een gebakken pompoen?
— Ja, ik was dom en dwaas… ik zag het niet goed, vroeg mensen niets, luisterde niet naar mijn broer… Nu is de wereld leeg zonder hem!..
— Maar hou je niet van de heer Сhaljavsky, Omeljanovytsj, rechterszoon?
— Nee, ik was dom en dwaas! Sinds gisteren… vergeet hem maar; ik denk alleen aan Zabrjocha. Ik wil hem zien, naar hem kijken, hem knuffelen en dat hij mij neemt.
Ze viel op de grond bij Javdocha, huilde en smeekte:
— Maak dat hij mij neemt! Ik zal je drie jaar lang mijn moeder noemen, ik zal je respecteren en eren. Als hij me afwijst, zal ik sterven…
— Rustig, rustig, kalmeer! — zei Javdocha en tilde haar op van de grond, zette haar op de bank. — Hier komt je broer, vertel hem alles zonder schaamte; hij moet snel naar Konotop naar pan Zabrjocha gaan en vragen mensen te sturen voor de trouwroesjnik. Daar komt hij al; ik ga naar Konotop en regel het met Zabrjocha. Maak je geen zorgen en kom snel in actie.
— En ik zal je ook de trouwdoek en de bruidskegel geven… — riep juffrouw Olena Javdocha na.
Op dat moment kwam haar broer, de kornet, vrolijk het huis binnen, alsof hij helemaal niet ziek was; het had hem goed gedaan, na zijn maagpijn.
— Hoe gaat het, broer, ben je gezond? — vroeg zijn zus, juffrouw Olena.
— Pas voor zonsopgang heb ik gerust na de kramp in mijn maag en geslapen op alle dekens. Nu gaat het prima — zei de kornet.
— Nou, broer! Maak je geen zorgen: binnenkort mag je vrij naar het klooster gaan, — begon juffrouw Olena, terwijl ze haar ogen naar de grond sloeg. — Ik heb al… mijn bruidegom gekozen… — zei Olena en bloosde dieprood als een kreeft.
— En wie is het?
— De Konotopse pan Zabrjocha.
— Wat!? Had je hem toen nog een gebakken pompoen gestuurd?
— Ja!
— Maar je leek toch altijd zo gehecht aan heer Chaljavsky?
— Bah! Vergeet hem! En doe wat je wilt: ga naar hem in Konotop en vraag dat hij vandaag of morgen mensen stuurt voor de roesjniki, en op zondag het huwelijk regelt.
— Maar dat viel je nu pas in? — vroeg haar broer, de kornet, terwijl hij bijna een kramp in zijn buik kreeg van zoveel spanning. — Misschien had je nog even moeten rondkijken, want morgen is het Pasen en moet er nog worden genaaid en geschilderd…
— Ik zou sterven als ik binnen een week niet met pan Zabrjocha trouw! Ik zag hem vandaag in een droom: wat een knappe man! Zo rijk! Hij strooit met geld, zilver, goud, parels en allerlei edelstenen… Broer, ga snel, haal hem hier, breng mensen mee zodat de roesjniki sneller kunnen worden overhandigd… of mensen zijn niet nodig, die verzamelen we hier wel. Breng hem snel, snel naar mij!
Door de inspanningen van de Konotopse heks raakte het arme meisje bijna opgewonden tot aan het plafond, uit verlangen naar pan Zabrjocha.
Haar broer kon er niets tegen doen! Hij beval ontbijt te serveren, ging eten en dacht na. Hij vond het niet genoeg, wilde ook lunchen; na de lunch dacht hij:
— Heer Chaljavsky pakt niets in zijn mond, maar pan Zabrjocha… die laat niets liggen. Nou goed! Ik zal mijn zus aan hem geven en blijf nog een tijd bij de jongelui wonen.
Zo besloot hij, sprong op de kar en reed naar Konotop, rechtstreeks naar pan Mykyta Oelasovytsj Zabrjocha.
Ondertussen begon juffrouw Olena zich voor te bereiden op het huwelijksaanzoek: ze poetste het huis, de tafels, banken, de vogelkooien, de potten werden schoongemaakt, trouwdoeken klaargelegd… zo dat alle dienstmeisjes buiten adem raakten van al het werk.
X
Bedroefd en ongelukkig zat heer Demjan Omeljanovytsj Chaljavsky, in zijn verlaten huis op zijn boerderij, nadat hij iedereen naar buiten had gestuurd. Hij wisselde woede, verdriet en scheldwoorden af, dwaalde verveeld door de kamer, en huilt bijna van verdriet. Hoe kon hij zich niet zo voelen?
Juffrouw Olena Josypivna, de vaandrigsdochter van landgoed Bezverchy op de Droge Balts, had gezworen dat ze niet zou trouwen met iemand anders. Hij had vele avonden met haar tot middernacht onder de wilg bij de waterput gezeten, waar ze ringen hadden uitgewisseld, en ze had gezworen trouw te wachten tot hij terugkwam van de expeditie vanuit Tsjernihiv en mensen naar haar zou sturen.
Nu hoorde hij dat ze al de trouwdoeken had klaargelegd, terwijl hij in Tsjernihiv vijf keer bijna gevangen genomen was omdat hij vrij wilde zijn voor het huwelijk… Hij reed razendsnel naar zijn boerderij, dag en nacht doorrijdend, putte zijn paard uit en kwam hijgend aan, riep zijn dienstmeisje Chivrja, dat zij ooms en neven zou oproepen om heilig brood en stokken te brengen naar juffrouw Olena…
Chivrja bracht hem snel een grove grap:
— Wat, — zei ze, — juffrouw Olena is al verloofd met pan Zabrjocha, de rituele trouwdoeken zijn al gegeven en op de verloving is stevig gedronken, zo erg zelfs dat alleen wie niet bij het huwelijksaanzoek aanwezig was, nuchter bleef; alle anderen lagen uitgestrekt dronken tot aan de tweede hanenkraai; morgen is het huwelijk. Ze loopt al met haar losse haar door de straten van Konotop en brengt haar vriendinnen bijeen; de ooms zijn gekleed en naar de boerderij Bezverchy gegaan om het brood te halen; pan Zabrjocha heeft een blinde vioolspeler voor het huwelijk geregeld…
Toen hoorde heer Chaljavsky dit allemaal, opende hij zijn mond van verbazing, en zijn ogen stonden in vuur en vlam. Hij balde zijn vuisten en sloeg zichzelf voor het hoofd, bijna vallend, en luisterde lang, scheldend op juffrouw Olena, de kornet, pan Zabrjocha, ooms, tantes, neven, schoonzussen, vriendinnen, de blinde violist en dienstmeisje Chivrja… tot hij bijna schuimend van woede was. Toen sprong hij op om Chivrja aan te vallen… maar zij sprong op tijd weg.
Zo bleef hij helemaal alleen in het huis, verdrietig en zwaarmoedig, en hij trok met zijn handen pluk na pluk haar uit zijn hoofd… maar zodra hij zich realiseerde dat hij niets meer kon doen om de alles te herstellen, barstte hij in huilen uit, huilde alsof zijn hart zou verscheuren, en klom tegen de muur op van wanhoop.
Tien keer sloeg hij zichzelf met zijn vuisten tegen hoofd en borst, en net toen hij van plan was om zijn hoofd tegen de muur te bonken… kraak!… en daar kwam de oude vrouw binnen, oud en krom, sleepte moeizaam haar voeten en steunde op haar stok.
Ze boog en zei:
— Goedendag, mijnheer!
Maar de jonge heer staarde haar aan, sprakeloos en hijgend.
— Waarom ben je zo onvoorbereid? — zei de grootmoeder, zich niets aantrekkend van zijn woedende blik. — Geen vogel is gestoord, geen lam is geslacht, en niemand heeft meel voor de noedels gemalen! Ruim dat allemaal op! Morgen is het huwelijk, en jij… zit hier te treuren!
Ik heb geen idee waar die oude vrouw terecht zou zijn gekomen, hoe haar botten zouden zijn gebroken en wie ze samen met de hond zou hebben opgeraapt, als Demjan Omeljanovytsj niet zo boos was geworden over de woorden van haar, zo boos dat hij bijna uit elkaar barstte van woede. Zijn mond liep over met schuim, zijn tong leek bevroren, alleen zijn handen trilden en zijn vuisten waren vastgeklemd; hij jammerde als een verwrongen hondje. Hij dacht dat hij van verdriet nog uit elkaar zou spatten.
Maar hoe kon hij dit verdragen? Hij had zich net ingesteld op het huwelijk en op het sturen van mensen met brood, en nu had dat meisje hem een gebakken pompoen gebracht! En wat voor een meisje! Ze had al enige tijd met hem vertoefd, vele nachten onder de wilg bij de waterput gezeten, en had gezworen dat ze niet met iemand anders zou trouwen. En nu liep ze naar een ander! En die ander was de Konotopse honderdman Zabrjocha, die zij achter zijn rug, maar ook recht in zijn gezicht bespotte. Hoe kon de jonge heer Chaljavsky dit verdragen?
En juist nu kwam grootmoeder, zo’n vrouwtje dat je bijna met een borstel zou willen slaan, en maakte grappen over hem. Hij had haar bijna in stukken gescheurd, zoals een oude kraai, maar hij had geen kracht en kon zich niet bewegen, terwijl zij sprak:
— Waarom ben je zo woedend? Wees stil en luister naar me. Ik zweer het, als juffrouw Olena van het landgoed Bezverchy niet morgen nog van jou zal houden…
Toen ze dit tegen hem zei, beefde hij van blijdschap en probeerde iets te zeggen, maar kon nauwelijks woorden vinden; hij draaide zijn ogen en stamelde bijna:
— J-ja?
— Ik zal vervloekt zijn als je niet morgen met Olena getrouwd bent! — riep ze, terwijl ze hem met alle heksenflauwe spreuken vervloekte. — Luister goed: je kent mij!
En hoe kon de jonge heer dit niet weten, aangezien hij de Konotopse heks Javdocha Zoebycha goed kende? Zij had hem al eens gered, haar advies had hem gerustgesteld; hij wist nu wat hij moest doen. Vol vreugde smeekte hij haar:
— Tantetje, lieve vrouw! Doe wat u weet te doen, zodat mijn Olena de mijne wordt. Een hele dag zal ik u mijn echte moeder noemen; ik zal een doek, een hoofddoek, een sluier kopen, wat uw hart en dat van uw kat ook maar wenst… Let wel: Olena brengt al haar vriendinnen bij elkaar, de broodsters slepen al de deegkuip in huis, en de Konotopse honderdman Mykyta Oelasovytsj heeft al een blinde violist voor het huwelijk ingehuurd…
— Ben ik soms niet Javdocha? — riep ze uit. — Ik zal dat huwelijk regelen! Laat hem maar eerst de dukaten van zijn vader voor jou lospeuteren, en ik zal hem in het huwelijk laten treden! Laat Olena haar vriendinnen maar bijeen brengen, laat hen voor Mykyta zingen, maar ik weet wel wat ze met Demjanko zullen doen. Schiet op, snel; geef opdracht dat in het huis gebakken en gekookt wordt, dat alles wordt voorbereid wat nodig is, en dat jij de bojaren, de familie, de dorpsoudsten bijeen brengt. Zoek ook een vaderlijk iemand om de orde te bewaken.
De jonge heer Chaljavsky werd meteen vrolijk; hij greep zijn gordel en pakte zijn hoed om zich naar het transport te haasten, terwijl Javdocha, het huis uitgaand, vrolijk het huwelijkslied zong en zelfs rondsprong:
Bij Demjanko en de ouders, veel,
En geen van hun eigen, helemaal niet.
Alles is er om te drinken,
Maar niemand om je hart uit te storten.
Alles is er om te feesten,
Maar niemand om raad te geven.
XI
Triest en somber kleedde juffrouw Olena Josypivna zich aan in haar huis op het landgoed Bezverchy aan de Droge Balts. Ze probeerde zich te kleden, maar het lukte niet goed; ze moest haast maken, want in het dorp hadden ze al het ochtendgelui ingezet, iedereen stond te bellen voor het vroege ochtendgebed. Ze moest haast maken om op tijd in de kerk te zijn, want gisteren had men al besloten dat zij daar bij het ochtendgebed getrouwd zou worden met Konotops honderdman Mykyta Oelasovytsj Zabrjocha, en van het landgoed naar het dorp was ongeveer vijf à twee werst; ze moest opschieten, maar haar handen wilden niet mee.
Ze had haar haar al gekamd, haar vlechten in kleine plukjes verdeeld, linten omgelegd… en toen zag ze het beste zakdoekje dat de heer Chaljavsky haar had gegeven… en ze voelde zich geroerd, dacht aan hem en zuchtte een beetje. Javdocha was ondertussen druk in de weer: hierheen, daarheen, ze legde een ketting om Olena’s nek, een bloemenkrans op haar hoofd; en toen ze haar helemaal had aangekleed, rende ze meteen naar buiten, draaide drie keer op één been naar de zon, fluisterde iets voor zich uit, wees naar het dorp en sprak:
Wie haast had,
Laat die niet het huis verlaten,
En tot zonsopgang
Zal hij geen deuren noch venstertjes vinden.
Toen ze vijf keer terug het huis binnenkwam, begon ze juffrouw Olena klaar te maken voor de ceremonie; ze liet haar drie keer buigen voor vader en moeder die aanwezig waren voor deze gelegenheid, en daarna ook voor haar eigen broer. Aan de oudere bruidsmeisjes gaf ze een paar kaarsjes van vijf kopeken voor het huwelijksritueel, een doek om de handen te binden, een trouwdoek onder de voeten en een stang onder de trouwdoek voor de koster; en stilletjes, zodat niemand het zag, gaf ze ook een botje en een kliswortel aan een bruidsmeisje en leerde haar wat ze ermee moest doen en wanneer.
Zo gingen de jonge bruid en haar oudere bruidsmeisje naar het dorp, haastig naar de kerk, om daar het huwelijk te voltrekken met honderdman Mykyta Oelasovytsj Zabrjocha van Konotop.
Wat deed Javdocha ondertussen op het landgoed Bezverchy? Daar woonde een meisje, Solocha genaamd, arm en ellendig: ze had geen kleren en verder ook niets. Ze was blind aan één oog, haar haar viel uit door schurft, haar hoofd was kaal als een handpalm, haar hele nek zat onder de bulten en vlekken, een oog brandde, haar tanden ontbraken, ze was gebocheld, had een kromme neus met alleen een kuiltje als neus, één been krom, en haar rechterarm was zo krom dat ze die niet naar haar mond kon brengen.
Javdocha pakte dit meisje, kleedde haar in linten, liet haar haar los in plaats van vlechten, trok haar in vreemde kleren, gaf haar een ketting met kruisen om de nek, en toen ze helemaal was aangekleed, zette Javdocha haar op een spinrok, nam zelf een ander, klikte met de tong, gaf een duwtje… en de spinrokken vlogen zo snel dat er stofwolken achterbleven. Ze kwamen bij de kerk in het dorp, en Javdocha zei tegen Solocha:
— Ga daar staan, meisje, bij de rugsteun, naast de muur, en houd dit maanzaad vast. Welke kozak jou ook komt nemen om te trouwen, wees moedig, treuzel niet. Kijk goed en wacht tot de zon opkomt.
Solocha stond stil en wachtte, terwijl Javdocha haar gang ging met haar werk.
Olena en de oudere bruidsmeisje haastten zich naar het dorp om op tijd bij het ochtendgebed te zijn. Terwijl Olena liep, prees ze steeds de lof van pan Zabrjocha, hoe knap hij was, donkerharig, met prachtige ogen, met een mooie snor, en hoe vlot en vaardig hij was. Maar zodra ze op een kruispunt kwamen, tikte het oudere bruidsmeisje Olena zachtjes drie keer op de rug met het botje dat Javdocha haar had gegeven: tik, tik, tik! en zei: “Ga weg, liefdeloze!” Olena vroeg: “Waarom tik je me op mijn rug, zusje?” – “Och, juffrouw, ik haalde een veertje los dat aan je jas vastzat.”
Olena begon over pan Oelasovytsj te praten, maar nu niet meer zo lovend. Ze zei dat hij niet zulke ogen had als pan Chaljavsky; bij het volgende kruispunt waren zijn snorren lelijker dan die van pan Chaljavsky; verder was hij ook nog eens klein, lelijk, onaangenaam en gemeen. Toen ze bij de kerk aankwamen, maakte het oudere bruidsmeisje zachtjes het koordje los waaraan het kapje hing. In dat kapje zat de rechterachterpoot van een kikker, een uitgedroogd hart, een schedelbotje, en een beetje van Mykyta’s spoor. Zodra ze het losknoopte, viel dat buideltje open, zodat Olena het zelf niet eens merkte.
Plots riep ze: “Verdomme die Zabrjocha, ik wil niet met hem trouwen! Laten we teruggaan, meid!” – “Waarom teruggaan?” zei het bruidsmeisje. “Laten we even in de kerk blijven; als de pan-honderdman naar je toe komt om het huwelijk te voltrekken, doe dan alsof je je laat overhalen. Dat zal hem nog meer beschamen dat je hem zo voor de mensen te pakken neemt.” – “Dat klopt!” zei Olena. “Dan zal ik hem tonen wat ik ervan denk. Laten we naar de kerk gaan.”
Ze gingen de kerk binnen. Juffrouw Josypivna keek rond, pan Oelasovytsj was er niet. Snel kwamen de anderen, maar hij was er nog steeds niet. Olena werd rood als een klaproos en wit als linnen van angst dat hij binnen komt en haar tot het huwelijk dwingt.
Toen, net nadat men klaar was met het lezen van de kerktekst, klonk er plotseling gerinkel bij de deur: de bruidsmeisjes, de lichtdragers, de edelen, de bruidsvrienden, de assistenten, de dorpsoudsten, allemaal niet zomaar mensen, maar van adel, in mooie jassen, tsjerkessische kleding en jurken die je mond doen openvallen! Ze waren nog belangrijker dan die van onze pope, die naar filosofielessen ging en, nadat hij met onze diakendochter was getrouwd, bij ons in het dorp priester werd.
En achter deze stoet kwam een jongeman binnen… Wie was dat? Olena beefde toen ze zag dat het niet pan-honderdman Oelasovytsj uit Konotop was, maar pan Chaljavsky Omeljanovytsj, van wie ze oprecht hield. Het oudere bruidsmeisje tikte haar snel drie keer op de rug met het kliswortel dat de heks had gegeven en fluisterde: “Pak hem vast.” Olena brandde van opwinding, worstelde zich door de menigte naar pan Chaljavsky, greep hem bij de hand en zei: “Neem me! Als je wilt, neem me! Als er een ander meisje is, laat zien waar ze is, ik krab haar ogen uit! Ik was gek, en nu sterf ik als je me verlaat…”
“Daarom ben ik hier, juffrouw, om met jou de wet te voltrekken,” zei pan Chaljavsky en trok haar bij de hand naar een stoel, terwijl de priester klaarstond om het huwelijk te voltrekken. Ze zongen het lied “Vruchtbare wijnrank”, liepen rond de stoel, lieten de pasgetrouwden elkaar kussen, namen een halve kop uit de bruidsgeldpot en lieten hen gaan naar huis, terwijl zij zelf achterbleven om de kaarsen te doven en dergelijke dingen.
XII
Somber en verdrietig liep de pan-honderdman van Konotop, Mykyta Oelasovytsj Zabrjocha, door het huis. Hij had zich zo mooi mogelijk aangekleed, zijn gezicht schoon geschoren en zijn kuif netjes geknipt. Hij liep door het huis waar hij sinds gisteravond was aangekomen vanuit Konotop, om bij het ochtendgebed in het huwelijk te treden met juffrouw Josypivna, zoals afgesproken.
Juist toen de klok voor het ochtendgebed luidde, sprong hij op en wekte pan-klerk Pistrjak, Ryhorovytsj, die hem naar de oudere edelen had geroepen.
Terwijl de klokken luidden, stond ons kozakkenschap klaar: scheren, schoenen aantrekken, kleren aantrekken; en toen het tijd was, trokken ze hun nieuwe Krimse mutsen en jassen aan en gingen naar buiten.
“Open de deuren, pan Oelasovytsj, zonder obstakels. Haast je, haast je! Waarom rommelen jullie bij het slot? Breek het open, open de deuren naar de gang,” beval pan Ryhorovytsj aan de pan-honderdman, terwijl hij overal de deuren voelde, maar niets ging open.
“Maar!” zei Mykyta Oelasovytsj, “open jij maar, als je het kunt vinden. Kijk, er zijn geen deuren!”
“Wat bedoel je?” zei de klerk. “De deuren zijn open, maar er zit een drempel op. Vind gewoon de plek…”
“Wat voor plek? De muur is kaal, er zijn helemaal geen deuren. Kijk zelf maar!”
Pan Pistrjak greep en voelde overal: hap, snap! voel, voel! – er waren geen deuren, geen klink; alleen een muur stond voor hem. Hij zocht overal, maar niets te vinden.
“Wat is dit voor onzin? Waar zijn de deuren gebleven?” jankte pan Zabrjocha, met knarsende tanden van frustratie, want de klokken hadden al lang geluid.
“Ik zie, deuren, opengaand hier en daar, niets!” gromde Ryhorovytsj, bijna met zijn haar trekkend. “Wat zullen we doen, pan-honderdman? Zullen we de armen spreiden en het aanraken proberen, totdat we het huwelijk kunnen voltrekken.”
“Vertel het gewoon, pan-klerk! Het is nu geen tijd voor geschreven woorden!” zei pan Oelasovytsj huilend. “Ik begrijp het zelf al nauwelijks, en dan ook nog geschreven instructies. Zeg het gewoon.”
“Aanraking, tastend onderzoek. Leg je rechterhand in de mijne en we reproduceren samen het tastend zoeken door het hele huis, tot we een deur vinden of een vijand die ze verstopt heeft.”
Pan Mykyta begreep nauwelijks wat de klerk bedoelde. Ze begonnen de muren af te voelen. Eén liep naar de ene kant, de ander naar de andere: voel, voel! hap, snap!
“Heb je iets gevonden, Ryhorovytsj?” – “Niets! verdwenen als rook.” – “Laten we verder gaan.” Ze liepen door. “Heb je het gevonden, pan Oelasovytsj?” – “Bah! Mogen ze wegschuiven! En de klokken luiden al. Ach, wat een ellende!”
Ze voelden het hele huis af, kwamen bij elkaar… geen deuren. Ze gingen weer uit elkaar, één met de zon mee, de ander tegen de zon in… ze voelen… komen weer bij elkaar… niets! Zelfs een raampje konden ze niet vinden, dat was ook verdwenen. Ze huilden allebei.
Pan Mykyta Oelasovytsj ging op de vloer zitten en riep hardop:
“Het ochtendgebed is al voorbij, en juffrouw Josypivna wacht nog steeds… misschien is ze al naar huis gegaan. Ooo, oo, oo!”
Pan Pistrjak leek iets in gedachten te hebben. Terwijl hij midden in de kamer stond en zijn vingers spreidde om iets te zeggen… klink, plekje! krak, deur! – Javdocha Zoebyсha, hun vriendin en de heks van Konotop, kwam binnen, die hen deze moeilijkheid had bezorgd en de deuren had verstopt. Ze riep hen luid toe:
“Zijn jullie gek geworden of wat is er? Wat zijn jullie hier aan het doen? Waarom gaan jullie niet trouwen? Ondertussen is het ochtendgebed voorbij, en de bruid wacht al lang met haar bruidsmeisjes, terwijl jullie hier maar zitten te treuzelen!”
— Oh, tantetje! — stamelde pan Zabrjocha. — Dit is helemaal een ramp.
— Er is grote verwarring ontstaan, — zei Ryhorovytsj, terwijl hij stiekem naar Zoebyсha keek. — Deze deur, met dit voorval, heeft het hele mannengezin in verwarring gebracht; het is bijna verloren… en nu, hoe dit verder gaat? Ik weet het niet!
— Vertel het gewoon, pan Mykyta, op een normale manier, want niemand begrijpt hier iets. Wat voor spookverschijnsel is jullie overkomen? — vroeg Javdocha, alsof ze van niets wist.
— Wat er is, — zei pan Zabrjocha, — is, dat iemand onze deur heeft gestolen! We hebben overal gevoeld, gezocht, geprobeerd te openen; we moesten bijna gaan schreeuwen, en toen kwam jij binnen.
— Ah, ah, ah! Ik weet het, ik weet het! — zei de heks. — Zie je, wat voor ellende dat rotkind heeft aangericht? Ik zal haar nog eens flink terechtwijzen. Ze wil nog gekkere dingen met je doen, maar ga er niet op in. Ga gewoon met de bojaar snel naar de kerk en neem je meisje mee. Kijk niet of ze Olena is of niet, neem gewoon degene die op de kist staat, bij de houten kast, met het rode klaproosje in haar handen. Wees niet te kieskeurig, en haast je niet naar Olena, ook al zie je haar ergens; dit meisje met het klaproosje is de jouwe.
Zie je, de tante van pan rechterszoon Chaljavsky is uit Kyiv gekomen, die is nog erger dan ik, maar niet zo bijdehand… Eerst stal ze jouw deur, en nu heeft ze juffrouw Olena betoverd, alsof ze blind is, krom, met zweren bedekt, schurftig, alsof zij het helemaal niet is. Dus wees niet kieskeurig, dat het rotkind ons niet uitlacht. Trouw moedig; en als je van het altaar komt, zal ik alles slechte omkeren en dat oude rotkind wegjagen. Ga nu snel!
— Terwijl ze dit zei, keek ze naar Ryhorovytsj en knipoogde, en hij giechelde stilletjes en zei bij zichzelf: “Ik snap het!”
De jongens, die Javdocha hartelijk bedankten, gingen onmiddellijk op weg. Toen ze bij de kerk aankwamen, waren bijna alle mensen al binnen; alleen de priesters bleven nog bezig met wat voorbereidingen, en enkelen wisselden nog kaarsen uit of deden iets dergelijks. Pan Chaljavsky was met de bruid en de groep al verdwenen.
En Solocha stond rustig op de kist, bij de houten kast, het klaproosje in haar handen, wachtend op de bruidegom. Pan Mykyta keek naar haar en voelde onmiddellijk een rilling door zijn buik gaan. Wat een mooie meid! Hij keek naar haar, zuchtte diep en zei:
— Wat voor verschijning is dat?
— Mij lijkt — zei de klerk — dat dit de enige is van de zeventig dochters van koning Herodes, die hij, die verdoemde, heeft willen vernietigen om het christelijke volk te redden. De een is koorts, de ander griepkoorts, de derde de pest, de vierde een ongeluk, de vijfde een giftige zwam, en de rest zijn er ontelbaar. Zo ben ik van mening…
— Maar denk er niet over na, pan-klerk, zeg gewoon wat er aan de hand is. Is dit een demon, of is ze echt zo?
— Heer! Wanneer ik haar met verstandige ogen bekijk, zie ik juffrouw Olena, de prachtige vaandrigsdochter Josypivna; maar wanneer ik haar met zondige, vleeslijke ogen bekijk, zie ik haar helemaal bedekt met schurft en de meest afschuwelijke misvormingen in haar gezicht. Zo denk ik dat dit de slimme betovering van Javdocha is, beter gezegd van Zoebyсha, gecreëerd om schaamte te brengen door de driemaal-vervloekte heks uit Kyiv.
— Dus, pan-klerk, wat zullen we doen?
— Neem haar, goede heer. Als je geweten je niet tegenhoudt, neem haar. Voltrek de bruiloft, en na de voltrekking verdwijnt die betovering als rook, en vergaat als stof.
Pan Oelasovytsj trok zijn buik aan, liep naar Solocha en zei:
— Staat u, jongedame, toe met mij te trouwen?
En Solocha stamelde:
— Ja, ik sta het toe.
Ze pakten onmiddellijk elkaars handjes vast, als duif en duifje, en gingen de kerk in naar het altaar.
Het duurde niet lang of ze waren omringd door de ceremonie. De priester zei: “Kus elkaar!” Pan Zabrjocha keek niet al te nauwkeurig, veegde zijn snor af en kuste zijn mooie bruid klinkend over de hele kerk. Van blijdschap gooide hij de priester vijf gouden munten toe, en ging toen met zijn bruid terug naar de Bezverchy-boerderij.
De hoofd-bojaar, pan Pistrjak, kon niet meer van het lachen, liep door het dorp en verzamelde het gezelschap om het bruidsmaal zo snel mogelijk te regelen.
XIII
Verdrietig en neerslachtig stond pan Mykyta Oelasovytsj Zabrjocha, de Konotopse honderdman, bij de Bezverchy-boerderij, bij de herenhuizen, en keek hoe juffrouw vaandrigsdochter, Olena Josypivna, naast pan rechterszoon Demjan Omelyanovych Chaljavsky zat, en naast hemzelf stond… Solocha!
Een mooie, nette en geklede meid… want alles wat ze droeg voor de bruiloft – of het nu een schort, een jas, een ketting of een hoofddeksel was – had men van anderen geleend, en zij bleef uiteindelijk bijna naakt, blootsvoets, met een kapotte zwarte onderjurk, gescheurd en verfrommeld, slechts een stuk van een oude schort om haar middel geknoopt. Dat was haar volledige uitrusting!
Zo had Javdocha Zoebyсha, de Konotopse heks, hem te pakken gekregen voor de kattenstreek die hij haar had geflikt bij de rivier, ter vermaak van alle mensen om hen heen.
En eerlijk gezegd was hij daar niet echt de schuldige van; het was pan Pistrjak die ermee bezig was geweest, die de honderdman op het idee had gebracht. Maar jullie weten hoe het gaat in de wereld: als de klerk iets verkeerd doet, is het zijn schuld niet; maar de rechter tekent in zijn onwetendheid, en zo ligt alle ellende bij hem.
Pan Oelasovytsj stond maar te staan, lange tijd, en wist echt niet meer wat hij nu met zijn leven aan moest. Hij zou het liefst naar het einde van de wereld zijn gerend, maar het huwelijk kon hij niet meer ontbinden: bij de ceremonie had hij immers gezworen: “ik zal haar niet verlaten tot de dood ons scheidt”.
Als hij uit het raam keek, zat zijn juffrouw Olena naast pan Chaljavsky; als hij luisterde, zongen de bruidsmeisjes niet meer zoals gisteren, in plaats van Mykyta zong nu Demjan, en de blinde violist zat in de gang en speelde de Derbensky-mars zo dat het leek alsof de demonische heks Javdocha Zoebyсha in plaats van de moeder aanwezig was, met rode leren laarzen met hoefijzers zo groot als een palm, en een hoofddeksel dat pan Chaljavsky haar had gegeven. En dan gluurde ze hem door het raampje aan en lachte hem uit. Zo sloeg hij met zijn handen op de vloer en knarste met zijn tanden van frustratie.
Pan Ryhorovytsj had eigenlijk zijn eigen gezelschap achter zich moeten laten en zich bij het vreemde huwelijk moeten voegen, want hij zag dat er overal goed te eten was, veel sterke drank, en iedereen achter elkaar werd bediend, zonder onderscheid te maken wie de eerste of de vijfde drinkt. Hij probeerde een glaasje te nemen, maar ze gaven het hem niet: “Ga maar naar je eigen bruiloft,” zeiden ze. Dus dacht hij: “Laat het leven maar, ik ga de doden maar zoeken,” spuugde over de drempel en ging naar zijn eigen verblijf.
Hij verzamelde iedereen en zei:
— Nou, pan honderdman! Wat voor bier we ook hebben gebrouwen, dat zullen we drinken. Waarom zouden we hier treuzelen? We moeten ons werk doen. We gaan gewoon naar Konotop en doen het zoals we het begonnen zijn, volgens de wet; het is nog niet te laat.
Ze gingen, kwamen aan, regelden alles zo goed mogelijk, bedekten het arme lichaam van Solocha met wat kleding van pan Oelasovytsj, zodat ze niet zo afstotelijk leek. Ze zetten de jonge bruid en bruidegom aan tafel; er was van alles te eten en drinken, van sterke drank tot gekookt eten. Alles verliep netjes en volgens plan.
Of de bruidsmeisjes zongen of niet, of de jongens en meisjes dansten of niet, ze deelden snel de bruidscake en lieten de jonggehuwden slapen. Pan Oelasovytsj zuchtte zwaar, denkend aan hoe zacht hij met juffrouw vaandrigsdochter zou slapen… en nu moest hij op zijn eigen kussen liggen, en dan ook nog met de schurftige Solocha.
En alsof dat nog niet genoeg was, had hij, terwijl hij zich voorbereidde om met juffrouw Josypivna te trouwen, zijn dienstmeisje Pazjka, die altijd na de lunch op hem wachtte, naar pan-klerk gestuurd voor datzelfde werk. Toen hij Pazjka bij de bruiloft zag, kreeg hij een onaangename smaak in zijn mond.
Enfin, ze sliepen daar dan. Solocha, hoe onaangenaam ook, moest wettelijk het juk dragen, zoals gebruikelijk bij stadsbruiloften.
Pan Oelasovytsj voelde nog meer spijt toen pan Chaljavsky met zijn bruid in een praalwagen de stad binnen kwam rijden. Voorop werd een rode zijden sluier gedragen, zo rood als echte viburnum, en de manen van de paarden, de muzikanten, de handen, de viool, het haar en de snorren waren met rode linten versierd; ze bedekten de jonge bruid en bruidegom in de kerk. Bij pan Mykyta Oelasovytsj Zabrjocha, hoewel hij een deken en een doek had, hield het niet over. Hij nam Solocha om te bedekken als bruidsmeisje… een ramp voor onze pan Zabrjocha, kortom!
De mensen verzamelden zich, maakten zich klaar om de kransbrood te verdelen, en overlegden wat ze pan Zabrjocha zouden geven: “Hij is zo en zo, maar hij is een honderdman boven een honderd man, een opperste; een handvol wol is niet genoeg om hem tevreden te stellen. Maar als je het niet goed doet, zal hij ooit zijn eigen manier hebben om te bedanken.”
Ze overleggen onder elkaar: de een wil een lam geven, de ander een varken, de derde een kalf. Pan Pistrjak, als klerk, pakt natuurlijk een stuk houtskool en wil op de muur opschrijven wie wat geeft. Het bruidsmeisje staat klaar om met haar stem te roepen wie welk vee schenkt…
Plotseling rent een kozak uit Tsjernihiv binnen en overhandigt meteen een brief aan pan honderdman van de kolonel zelf uit Tsjernihiv.
Onze pan Zabrjocha blies zich op als een kalkoen en begon te snauwen dat iedereen stil moest zijn, en zei:
— Stil, iedereen, zwijg! Pan klerk, lees die brief eens voor. Ik heb geen tijd; ik zit nu op mijn post, ik ben jong. Lees, lees! Is er goed nieuws of een gunst? Lees luider!
Terwijl pan Pistrjak langzaam letter voor letter las en bleef haperen op de woorden, was het nog niet zo erg. Maar toen hij de tekst snel en in het geheel probeerde te lezen… zoef! flits! niks!… Daar stond geschreven dat pan Zabrjocha, onze eigen Mykyta Oelasovytsj, de kolonel van Tsjernihiv niet had gehoorzaamd en niet met zijn stoere eenheid van Konotop naar Tsjernihiv was gegaan zoals was opgedragen. In plaats daarvan had hij zich vermaakt in de vijvers met de jonge vrouwen van Konotop en oudere dames, en zo’n halve vijftig van hen zijn verdronken. Daarna had hij een heks onder hen gevonden, haar overgegeven aan demonen, en vloog door de lucht als een exotische vogel, tot ieders verbazing en angst. Sommige kinderen raakten er zelfs van in paniek. Zo had pan honderdman uitstekend over zijn eenheid geheerst; daarom moest hij van zijn honderdmanschap worden ontheven…
Toen het volk dit hoorde, schrokken ze hevig en stonden met open monden te kijken, terwijl onze arme Zabrjocha zat als iemand die in hete soep was gevallen… hij probeerde iets te zeggen, maar het bleef in zijn keel steken; hij werd bleek, blauw van angst, stopte met bewegen en huilde tranen.
Ryhorovytsj zei tegen hem:
— Ziezo, pan hon… of beter gezegd, pan Mykyta! Zo moet je leren. Je bent veel te ver gegaan, luisterde niet naar de klerk, dacht dat je slimmer was, maar je vloog door de lucht en verloor je honderdmanschap. Dit stond al op de eerste pagina, laten we de tweede omdraaien en kijken wat daar staat. Misschien is het beter voor jou. Stil allemaal, luister; wie ik hierboven als honderdman voordraag, buigt voor hem en gaat met geschenken naar het altaar.
Toen draaide hij het papier om, streek zijn snor glad, keek rond zodat iedereen naar hem zou kijken, kuchte driemaal op schoolse wijze en begon te lezen… Maar toen hij had gelezen dat niet híj tot sotnyk van Konotop was benoemd — zoals hij had gewenst en oprecht had gehoopt — en dat men Zabrocha bovendien uit zijn ambt had gezet, terwijl men uit de andere сотня de rechter, Demjan Omeljanovytsj, meneer Chaljavsky had genomen, liet hij de brief uit zijn handen vallen, liet zijn hoofd zakken en dacht lang en diep na. Toen hief hij zijn hoofd en zei tegen zichzelf:
— Het is nutteloos! Ik pas me aan bij de nieuwe en zal over hem heersen. Hij zal niet lang regeren. Ik zal hem in de maling nemen, vervangen, en dan kom ik waarschijnlijk aan de beurt. Blijf jij, pan Mykyta, bij je Solocha, en ik ga naar de nieuwe pan honderdman, Demjan Omeljanovytsj, en dat geschenk dat ik voor jouw bruiloft had klaargemaakt, breng ik naar hem. Wie gaat er met mij mee, jongens?
— Ik! Ik! Ik! Ik! — schreeuwde de menigte en trok het huis uit, zonder acht te slaan op de volle glaasjes en de kransbroodjes die het bruidsmeisje al had gesneden. En wat kan je zeggen: iedereen — het bruidsmeisje, de tweede bruidegom, de boyars — trok zich terug; alleen Mykyta bleef achter met Solocha; niemand had nog zin in de gerechten die voor de lunch waren klaargemaakt.
Zo verliep de bruiloft van Mykyta Oelasovytsj Zabrjocha, die ooit een gerespecteerde honderdman was in het beroemde honderdmanstadje!
XIV
De volgende dag kwam de koene klerk van Konotop, Prokip Ryhorovytsj Pistrjak, somber en neerslachtig het huis van Mykyta Oelasovytsj Zabrjocha binnen. Toen hij binnenkwam, zakte hij op de bank, leunde over de tafel en riep luid:
— Wek geen medelijden! — zei Oelasovytsj tegen hem. — Het is al saai genoeg om naar de wereld te kijken. Waarom huil je alsof je een hond bent? Heeft jouw Pazjka niet ook schurft gekregen, net als mijn Solocha?
— Als alle Solocha’s, Pazjka’s en Javdocha’s op de wereld nu maar allemaal schurft kregen, het kon mij niet schelen. Ellende, Oelasovytsj! De ellende grijpt mijn buik en doet hem ontsteken!
— Wat kan ik daaraan doen? — zei Mykyta, terwijl hij zich herinnerde dat Pistrjak hem verliet toen hij hoorde dat hij vervangen was en hem geen raad gaf, terwijl hij hem bovendien in het gezicht uitlachte.
— Denk niet aan mijn eerdere wetteloosheden, vriend! Ook ik ben nu een zondaar in deze wereld.
— Hoezo? — vroeg Oelasovytsj. Maar Pistrjak vertelde het op zijn eigen manier, in klerkenstijl, over hoe hij naar de nieuwe honderdman van de sterke Konotop-eenheid, Demjan Omeljanovytsj Chaljavsky, was gegaan, en hoe die, zei hij, “hem met trots in de ogen en een vuile blik aankeek alsof hij een stinkende hond was” en hem opdroeg een rapport te schrijven over dit en dat.
Ryhorovytsj wilde slim zijn en de honderdman vanaf het begin een beetje in toom houden, zodat hij niet te veel tegen de klerk in zou gaan, en schreef het rapport naar eigen inzicht. De honderdman merkte dat het niet klopte, want hij kon zelf ook lezen en schrijven, en zei tegen de klerk: “Niet zo!” Maar de klerk antwoordde:
— Zo! Ik weet al dat het beter is zoals ik het doe!
De honderdman schreeuwde: “Schrijf zoals ik zeg!” en de klerk antwoordde:
— Ik ben klerk, ik weet hoe het moet!
Toen werd de honderdman woedend en riep:
— Dan ben jij niet meer de klerk, jongen!
Hij begon de vader en moeder van Zabrjocha te vervloeken, vervolgens de familie van Pistrjak, en uiteindelijk Pistrjak zelf, en stuurde hem het huis uit. Vervolgens werd hij vervangen door een jonge klerk, een soort nar, “die niet één keer had gefaald en het werk correct had uitgevoerd,” aldus Pistrjak.
— Vertel mij eerlijk, Ryhorovytsj, — vroeg Mykyta Oelasovytsj — wie heeft ons zo’n ellende bezorgd?
— O, mij! — zuchtte Pistrjak. — De vijand van de mensen, Javdocha Zoebycha, de beroemde heks van het welgestelde Konotop. Zij heeft wraak genomen, door jou als een gevleugeld dier te laten vliegen; zij greep de juffrouw vaandrigsdochter, nu mevrouw Chaljavska; en — oh! — ook jou, honderdman, zodat jullie ongehinderd met elkaar konden trouwen. Zij zal jou tot schande brengen; zij heeft ons belachelijk gemaakt door onze deur te laten verdwijnen; zij veranderde de afschuwelijke Solocha — lang leve haar gezondheid! — in de mooie juffrouw Olena, en liet je met haar trouwen. Zij is de oorzaak, de schuld en het middelpunt van al het kwaad.
En dit alles deed zij uit wraak voor de schending van haar lendenen. Tevergeefs hebben wij haar, vriend, in plaats van slechts een aframmeling, niet verbrand als een heidin, een farizeese, een sadduceese en een tollenares, in een helse oven!
— Laten we een rapport tegen haar indienen! — zei Zabrjocha. — Laat haar betalen voor de schande die ze ons heeft aangedaan, ons heeft laten vervangen en mij met Solocha heeft laten trouwen. Laat haar opgesloten worden…
— O ja! — zuchtte Ryhorovytsj en zei: — Niemand heeft nu macht over haar. De vrouw van de honderdman heeft haar een fluwelen hoofddeksel gegeven, een nieuwe sluier en een doek; en honderdman Chaljavsky heeft haar bedienden, een paard, een knecht en een helper gegeven zodat ze hout kan hakken, water kan dragen en de kat kan voeren. Ze heeft nu macht over de hele aarde om te toveren, te betoveren en te spotten, altijd en overal.
— Wat zullen we doen? Laten we haar vriendelijk uitnodigen. Eerst een hapje, daarna slaan we haar wangen en breken we haar tanden.
— Laat zitten, vriend, wat Javdocha betreft! Het belangrijkste is dat we iets nuttigs nemen. Laten we een borrel drinken uit verdriet, dat is beter.
— Laten we drinken!
Dus riep Oelasovytsj Solocha, zij bracht wat nodig was. Ze begonnen rond te draaien, bekeken zorgvuldig alle meegenomen dingen, en gingen daarna uit elkaar, nog steeds verdrietig, omdat ze verder niets te doen hadden… De goede herentijd was voorbij!
Einde van het verhaal
En deze vertelling, of sprookje, werd mij verteld door de overledene Panas Mesjoera — zoals u weet; en het gaat heel lang door. Daarin komt nog dat ook honderdman Demjan Omeljanovytsj Chaljavsky, die in het beroemde honderdmanstadje Konotop werd aangesteld in plaats van Mykyta Oelasovytsj Zabrjocha, snel iets fout deed bij het gezag en werd vervangen. Zijn vrouw, Olena Josypivna, de juffrouw vaandrigsdochter die eerder op de Bezverchy-boerderij op de Droge Balts woonde, deed iets… hoe… tja… op een manier… ze werd mishandeld, haar sluier werd afgenomen, haar haar werd uitgetrokken, haar ogen geschonden, en ze werd het hele Konotop door gesleept;
en de klerk die in de plaats van Prokop Hryhorovytsj Pistrjak was gekomen — een jonge kerel, donkerharig en knap van uiterlijk — nam hem beet, schoor de helft van zijn hoofd in de lengte kaal en joeg hem daarna weg…
Wat al deze ellende veroorzaakte:
Voor pan Zabrocha: hij moet niet alles aan de klerk overlaten, maar zelf handelen, aangezien hij de bestuurder is, en hij moet rechtvaardig handelen en luisteren naar wat door het hogere gezag bevolen wordt. Want het gezag schrijft hem voor op veldtocht te gaan, misschien om het volk tegen de vijand te verdedigen, maar hij hield zich liever bezig met vrouwen achternazitten — kijk eens aan — en met het verdrinken van heksen, zodat zij zogenaamd regen op aarde zouden terugbrengen. Alsof heksen iets zouden kunnen uitrichten tegen de hemelse macht! Alles gebeurt naar Gods wil. En hij moet ophouden mensen te verdrinken; want voordat hij een heks te pakken kreeg, hoeveel zielen heeft hij niet onschuldig te gronde gericht? Ook moet hij zich niet inlaten met toverij en de barmhartige God niet verlaten, want de duivel heeft hem via zijn dienares, Zoebycha, flink te pakken genomen, zodat hij zelfs als een gans de lucht in vloog — tot grote spot van de mensen.
Voor Pistrjak Ryhorovytsj: hij moet zijn meerdere niet bedriegen en hem niet voor de gek houden, maar tegenover hem altijd de volle waarheid spreken en eerlijk handelen. Ook moet hij, wanneer hij boos is op mensen, hun geen kwaad berokkenen — zoals hier met de vrouwen: op wie was hij eigenlijk kwaad, en hoeveel zielen heeft hij niet vernietigd, in het water laten verdrinken en kinderen als wezen achtergelaten? En bovenal moet hij niet zo overmatig wodka drinken.
Ook heer Chaljavsky en zijn vrouw ontkwamen er niet aan; zij leefden niet in harmonie samen. Waarom liepen zij meteen naar de heks? Waarom trouwden zij door middel van toverij en waarzeggerij, terwijl zij de heilige wet verlieten? Kijk eens aan! Ze zijn wel getrouwd, maar omdat het niet volgens Gods wil was, doch dankzij Javdocha en haar kliswortels en botjes van een gedroogde kikker, is het allemaal tot stof vergaan.
En wat Zubicha overkwam — moge God ervoor behoeden! Zolang meneer Chaljavsky honderdman van Konotop was, leefde zij in weelde. Ze had een knecht, ze had ook een dienstmeisje dat haar door de honderdman voor herendiensten was toegewezen, en de mensen kwamen haar geschenken brengen meteen na die aan de vrouw van de honderdman. Niemand durfde haar nog een heks of iets dergelijks te noemen; integendeel, men sprak haar eerbiedig aan bij naam: Semenovna of mevrouw Zoebycha. Zó ver was het gekomen! Maar toen meneer Chaljavsky uit zijn ambt werd gezet, spuugde de hele gemeenschap ook op haar. Zij kwijnde snel weg, verzwakte en legde spoedig het loodje. Maar sterven deed ze niet meteen. Wat heeft ze geleden! Ze lag te sterven maar kon niet doodgaan; armen en benen bewogen niet meer, terwijl ze door het hele huis kreunde — tot op straat was het te horen. En dan die kat van haar, die liep maar rond en miauwde uit volle kracht achter haar aan… Dát was pas angstaanjagend!.. Toen rukten ze het plafond open… en plots verscheen er een raaf, pikzwart; hij vloog het huis binnen, scheerde over haar heen en sloeg met zijn vleugels… toen was het met haar gedaan… alleen haar tanden ontblootte ze nog!.. En de kat barstte open als een zeepbel, terwijl de raaf — God weet waarheen — verdween!.. Men kon haar onmogelijk op christelijke wijze begraven; ze sleepten haar naar buiten het dorp, begroeven haar met het gezicht naar beneden in een kuil, sloegen een espenhouten paal door haar heen en stampten er aarde bovenop, zodat ze niet weer zou opspringen. Een hondse dood voor een hond! Dat was dan de heks van Konotop!