{"id":1155,"date":"2026-05-03T11:39:27","date_gmt":"2026-05-03T10:39:27","guid":{"rendered":"https:\/\/www.oekrned.nl\/wpwrdbk\/?page_id=1155"},"modified":"2026-05-03T11:40:29","modified_gmt":"2026-05-03T10:40:29","slug":"instituutsmeisje","status":"publish","type":"page","link":"https:\/\/www.oekrned.nl\/wpwrdbk\/instituutsmeisje\/","title":{"rendered":"Het instituutsmeisje"},"content":{"rendered":"<p>Marko Vovtsjok<br \/>\nHet instituutsmeisje (1861)<br \/>\n\u0406\u043d\u0441\u0442\u0438\u0442\u0443\u0442\u043a\u0430 &#8211; \u041c\u0430\u0440\u043a\u043e \u0412\u043e\u0432\u0447\u043e\u043a<br \/>\nVertaling Rien Hamers<br \/>\n\u00a0<br \/>\nVoor Taras Sjevtsjenko<br \/>\nI<br \/>\nMensen verbazen zich dat ik zo vrolijk ben: ze denken dat ik nooit verdriet of ellende heb gekend. Maar ik ben nu eenmaal zo geboren. \u201cWord geboren &#8211; en aard naar je natuur,\u201d zeggen ze. Het gebeurde dat ze me sloegen (ik wil er niet eens aan terugdenken!) &#8211; dan kon ik mijn hart niet bedwingen en huilde; maar als ik er even over nadacht, begon ik weer te lachen. Er is verdriet dat weent, en er is verdriet dat zelfs springt &#8211; zo is mijn lot ook. Als ik om elke ramp in mijn leven had moeten huilen, dan had ik mijn ogen allang uitgehuild. Vader en moeder heb ik niet gekend: ik ben als wees opgegroeid, onder vreemden, bij andere mensen. Zwaar werk had ik niet, maar men vergat mij &#8211; of ik honger had of kou leed, of ik nog leefde&#8230;<br \/>\nToen ik een jaar of tien was, namen ze me mee naar het landgoed. De oumevrouw was niet slecht, tamelijk zacht van aard &#8211; misschien omdat ze al zwak was, nauwelijks haar benen kon voortbewegen, en wanneer ze sprak klonk het slechts als gemompel, je kon haar amper verstaan; waar zou ze nog aan slaan denken! De hele dag zat ze op het balkon; \u2019s nachts kreunde en zuchtte ze. Maar in haar jonge jaren, zo werd verteld, had ook zij haar grillen&#8230; maar daar moet je ooit mee ophouden.<br \/>\nWat mij betreft, wij leefden op het landgoed vrij rustig; \u00e9\u00e9n verdriet was er &#8211; dat men ons geen stap buiten het erf liet zetten. Alleen op grote feestdagen mochten we, als we erom vroegen, naar de kerk; en op zondag hoefde je er niet eens aan te denken. \u201cJullie zwerven maar rond,\u201d zei mevrouw dan boos, \u201cik laat jullie niet gaan! Het is nog niet jullie leeftijd om je met God bezig te houden; daar hebben jullie later nog tijd voor &#8211; jullie gaan niet meteen dood.\u201d<br \/>\nWe zaten dag in dag uit in de meidenkamer en werkten. Het was er stil om ons heen, alsof alles betoverd was. Alleen als mevrouw zuchtte of een van de meisjes iemand iets in het oor fluisterde, of iemand uit verveling diep ademhaalde. Dat werk verveelde ons, brandde als het ware \u2014 maar wat kon je doen? We mochten tenminste dankbaar zijn dat men ons niet tien keer per dag sloeg, zoals we over anderen hoorden.<br \/>\nSoms echter werden we zomaar vrolijk. Dan was het ons zo licht te moede &#8211; ons hart trilde ervan! Als we vrijheid hadden gehad, zouden we zo gezongen hebben dat het tot in het dorp te horen was&#8230; Maar we durfden niet. We keken elkaar aan en moesten lachen. De een knipoogde met haar wenkbrauw, de ander knipoogde terug; dan bonden ze er eentje met haar vlecht aan een stoeltje vast; een ander sprong op en begon op haar tenen te dansen, zodat mevrouw het niet zou horen &#8211; ze draaide en zwierde, haar mouwen fladderden&#8230; Wat haalden we al niet uit!<br \/>\nDe oumevrouw had geen familie, behalve een kleindochter die in Kyiv studeerde aan een of ander\u2026 hoe spreek je dat ook alweer uit\u2026 in-sti-tuut\u2026 Ze schreef vaak brieven aan de oude vrouw; die las ze elke dag opnieuw &#8211; dan huilde ze erom en lachte weer. Op een dag schreef de kleindochter dat men haar maar moest komen halen en naar huis brengen&#8230; Lieve hemel! Het hele huis kwam in beweging: witten, wassen, opruimen! We verwachtten de jonge dame! De jonge meesteres zou komen!<br \/>\nDe oude vrouw leek wel herboren: ze schuifelde van kamer naar kamer, keek door elk raam naar de weg en stuurde ons het dorp uit om te zien of de jonge dame er al aan kwam. En dat was precies wat wij nodig hadden. In die week dat we op haar wachtten, hebben we geleefd, kun je zeggen. Zodra men ons stuurde, renden en vlogen we&#8230; Het was heerlijk om de steppe en de prachtige velden te zien! De groene steppe leek voor je ogen weg te vluchten, ver weg, steeds verder&#8230; Wat was het heerlijk om vrij te ademen!<br \/>\nWe plukten bloemen en tooiden ons ermee als jonge meisjes, en met die kransen op liepen we trots tot aan het erf. Maar zodra we het erf betraden, rukten we ze van ons hoofd en gooiden ze weg &#8211; en we vonden het zo jammer die kransen weg te werpen, zo jammer!<\/p>\n<p>II<br \/>\nWe wachtten op de jonge meesteres &#8211; en eindelijk kwam ze\u2026 Wat was ze mooi van gezicht! Op wie leek ze toch zo? Zo\u2019n schoonheid kun je haast niet beschrijven! De oude vrouw sloot haar in de armen en liet haar niet meer los; ze kuste haar, liefkoosde haar en kon haar niet genoeg bewonderen. Ze leidde haar door de kamers, liet alles zien en vertelde alles; en de jonge dame draaide zich naar alle kanten en keek overal met nieuwsgierige ogen naar.<br \/>\nDe oude vrouw zette haar aan tafel. Ze huilde en verheugde zich tegelijk, stelde vragen en diende haar van alles op: \u201cWil je hiervan eten? Of daarvan drinken?\u201d Ze had allerlei gerechten en dranken laten klaarzetten; zelf ging ze naast haar zitten &#8211; ze kon haar niet genoeg bekijken. En de jonge dame at netjes en vlug, als een musje. Wij keken vanachter de deur toe en luisterden wat ze zou zeggen \u2014 of we misschien konden raden wat voor gedachten ze had, wat haar aard en gewoonten waren.<br \/>\n\u2014 Hoe heb je daar geleefd, mijn hartje? \u2014 vroeg de oude vrouw. \u2014 Je vertelt me niets.<br \/>\n\u2014 Ach, grootmoedertje! Wat valt er te vertellen! Het was zo vervelend!<br \/>\n\u2014 Moest je veel leren? Wat hebben ze je eigenlijk geleerd, mijn kruimeltje?<br \/>\n\u2014 Wat wilt u toch weten! U had het hier goed, grootmoeder, vrij en blij; maar wat ik heb moeten verduren om dat leren! Herinner me er nooit meer aan!<br \/>\n\u2014 Mijn duifje! Natuurlijk &#8211; vreemde mensen: ze hebben je vast slecht behandeld\u2026 Waarom heb je me dat niet meteen geschreven?<br \/>\n\u2014 Wat zegt u toch, grootmoeder! Hoe zou dat kunnen? Ze zouden het meteen te weten komen\u2026<br \/>\n\u2014 Mijn arme kind! Vertel me dan hoe ze je daar hebben gekweld, die hardvochtige zielen?<br \/>\n\u2014 Ach, grootmoeder! Ze hebben ons afgebeuld en gekweld &#8211; en waarvoor? Voor onzin. Dit leren, dat leren, het tiende en het vijfde\u2026 stampen en nog eens stampen! Wat heb ik eraan te weten hoe de sterren aan de hemel bewegen, of hoe de mensen overzee leven, of het daar goed is of slecht? Als ik maar weet waarmee ik mij onder de mensen kan vertonen\u2026<br \/>\n\u2014 Maar mensen leren toch niet voor niets, mijn goudje. Kijk onze andere jonge dames \u2014 arme drommels zijn het, maar ze kirren toch in het Frans.<br \/>\n\u2014 Ach, grootmoeder! \u2014 kwetterde de jonge dame. \u2014 Frans en muziek heb ik goed geleerd &#8211; en dansen ook. Wat nodig is, is nodig. D\u00e1\u00e1r let iedereen op, daarvoor prijst men je; maar al het andere is enkel last\u2026 Je leert het en vergeet het weer! Voor wie lesgeven is het vervelend, en voor wie leert is het een ramp. Zoveel tijd is verloren gegaan!<br \/>\n\u2014 Hoe zit dat dan? Hebben ze slecht lesgegeven?<br \/>\n\u2014 Ik zeg u toch: het was vervelend, slecht en nutteloos. Zij denken er alleen aan hoe ze betaald worden, en wij denken eraan hoe we zo snel mogelijk vrijgelaten worden\u2026 Waarom kijkt u zo nadenkend, grootmoeder?<br \/>\n\u2014 Ik denk eraan, mijn hartje, dat ze goed geld voor je hebben aangenomen en je toch slecht hebben onderwezen. Wat als je alles weer vergeet?<br \/>\n\u2014 Hoe kunt u dat zeggen, grootmoeder? God verhoede! Hoe zou ik tussen gasten of bij een bezoek muziek of dans, of al is het maar de Franse taal kunnen vergeten? Maar die overzeese onzin &#8211; die liet ik het ene oor in en het andere weer uitgaan; daarvan weet ik helemaal niets. Weg ermee!<br \/>\n\u2014 Maar stel dat iemand je vraagt hoe de sterren zich bewegen of zoiets? Men zal je meteen veroordelen: gestudeerd, maar niets begrepen!<br \/>\n\u2014 Ach, grootmoeder! Dat ik het niet weet heb ik alleen u toevertrouwd; vreemden zullen daar nooit achter komen, al vragen ze het de hele dag. Ik red me overal uit, en ik zet hen nog voor schut ook &#8211; ziet u wel, grootmoeder! Zal ik voor u zingen? Luister!<br \/>\nEn ze begon te zingen, zo helder alsof zilver rinkelde. De oude vrouw kuste haar: \u201cMijn hartje! Mijn vreugde!\u201d En de jonge dame vleide zich tegen haar aan en vroeg:<br \/>\n\u2014 Koop voor mij, grootmoedertje, mooie kleren naar de laatste mode!<br \/>\n\u2014 Maak je daarover geen zorgen, mijn kind. Je zult alles hebben. Jij zult mijn prinses zijn onder de jonge dames!<br \/>\nWij, meisjes, keken elkaar aan: wat heeft onze jonge meesteres n\u00ed\u00e9t geleerd! En vooral &#8211; mensen om de tuin leiden!<\/p>\n<p>III<br \/>\n\u2014 Kom eens mee, duifje, \u2014 zegt de oumevrouw, \u2014 ik wil dat je een meisje voor jezelf uitkiest. En ze nam haar mee naar ons toe. Wij weken terug van de deur naar de hoek en dromden daar samen.<br \/>\n\u2014 Dit is jullie jonge meesteres, \u2014 zei de oude vrouw tegen ons. \u2014 Kus haar hand.<br \/>\nDe jonge dame keek niet eens goed naar ons &#8211; of misschien wel, wie weet &#8211; en stak twee vingertjes uit om te kussen.<br \/>\nDe oude vrouw wees ons \u00e9\u00e9n voor \u00e9\u00e9n aan: dit is Hanna, dat is Varka, en dat is Domacha\u2026<br \/>\n\u2014 Mijn God! \u2014 riep de jonge dame plotseling uit, opschrikkend en in haar handen klappend. \u2014 Kan iemand van jullie mij kammen en mijn korset rijgen?<br \/>\nZe stond daar met haar armen over elkaar en keek ons aan.<br \/>\n\u2014 Waarom niet? \u2014 zei de oude vrouw. \u2014 Dat kunnen ze wel, mijn hartje. En zo niet, dan leren we het hun.<br \/>\n\u2014 Hoe heet jij? \u2014 vroeg de jonge dame mij, maar zonder mijn antwoord af te wachten zei ze tegen de oude vrouw: \u2014 Deze wil ik!<br \/>\n\u2014 Dat is goed; kies wie je wilt, mijn hart. Laat het deze maar zijn. Zorg jij dan, Oestyna (zei ze tegen mij), dat je goed dient \u2014 dan zal de jonge meesteres je genegen zijn.<br \/>\n\u2014 Kom, grootmoeder, het is wel genoeg! \u2014 onderbrak de jonge dame. Ze trok een gezicht, boog zich wat opzij, kneep haar ogen half dicht en sprong ongedurig heen en weer &#8211; precies als een kat die rook in haar snorharen geblazen krijgt\u2026<br \/>\n\u2014 Maar we moeten haar toch verstand bijbrengen, duifje, \u2014 zei de oude vrouw. \u2014 Het zijn domme hoofden. Ik zeg het een, jij het ander, en dan komt er nog iets menselijks van haar terecht.<br \/>\n\u2014 Jammer, grootmoeder, dat men hen niet eerder heeft onderwezen! Nu is het te laat om je nog uit te sloven! Men had er eentje naar de stad moeten sturen.<br \/>\nEn zo praatten ze over ons, alsof het over paarden of zoiets ging.<br \/>\n\u2014 Ach, Oestyna! \u2014 zeiden de meisjes bezorgd, \u2014 hoe zal het je vergaan, nu ze zo onvriendelijk is!<br \/>\n\u2014 Ach, meisjes, \u2014 zei ik, \u2014 met zorgen steek je geen veld over, en aan je lot ontsnap je niet. We zullen wel zien hoe het wordt.<br \/>\nEn ik verzonk zelf in gedachten.<\/p>\n<p>IV<br \/>\n\u2019s Avonds riepen ze mij: \u201cGa naar de jonge meesteres &#8211; help haar zich uitkleden.\u201d<br \/>\nIk ging naar binnen; de jonge dame stond voor de spiegel en rukte haar kleren al van zich af.<br \/>\n\u2014 Waar hing je uit? Kleed me sneller uit!.. Sneller &#8211; ik wil slapen!<br \/>\nIk hielp haar, en zij bleef maar tegen me uitvallen:<br \/>\n\u2014 Sneller toch, sneller!<br \/>\nZe sprong op het bed:<br \/>\n\u2014 Trek mijn schoenen uit!.. Kun jij mijn haar krullen? \u2014 vroeg ze.<br \/>\n\u2014 Nee, dat kan ik niet.<br \/>\n\u2014 Mijn God! Wat een ramp! Wat is ze dom!.. Ga weg!<br \/>\nDe meisjes wachtten al op me:<br \/>\n\u2014 En, Oestyna? Wat, zusje? Hoe is ze, duifje? Wat moeten we denken?<br \/>\n\u2014 Ik ben dom, \u2014 zei ik, \u2014 meisjes, want ik kan geen vlechten krullen!<\/p>\n<p>V<br \/>\nDe volgende ochtend werd onze jonge meesteres heel vroeg wakker. Ze waste zich, kleedde zich aan, liep door alle gebouwen, over het hele erf, en ging ook nog de tuin in. Zo opgewekt was ze.<br \/>\n\u2014 Ik ben thuis! \u2014 zei ze. \u2014 Thuis! Hier mag ik alles!<br \/>\nZe kuste de oumevrouw en vroeg telkens weer:<br \/>\n\u2014 Wanneer gaan we op bezoek, grootmoedertje? En wanneer komen er gasten bij ons?<br \/>\n\u2014 Laat me eerst zelf van jou genieten, mijn visje, laat me je bewonderen!<br \/>\n\u2014 Maar wanneer zal het dan eindelijk zover zijn, grootmoeder! Ik dacht alleen maar: ik kom thuis &#8211;  dan zal het vrolijk zijn, drukte, muziek, dans\u2026 Lieve, dierbare grootmoeder!<br \/>\n\u2014 Goed dan, mijn vogeltje! Laten we eerst wat opruimen en ons opknappen, en dan nodig ik meteen gasten uit.<br \/>\nDat opruimen begon. De oude vrouw rolde kisten uit de berging, haalde fluweel en fijne stoffen tevoorschijn, knipte en paste ze op de jonge dame. Die sprong haast op van vreugde, werd rood van blijdschap. Dan snelde ze naar de ene spiegel, dan keek ze in de andere; zelfs in een glas water bewonderde ze hoe mooi ze was. Ze vlocht haar haar, maakte het weer los, bond er linten in, tooide zich met bloemen\u2026<br \/>\n\u2014 Ach, grootmoedertje, \u2014 riep ze dan uit, \u2014 wanneer krijg ik eindelijk een satijnen jurk aan?<br \/>\n\u2014 Wanneer je je verlooft, mijn kind, \u2014 antwoordde de oude vrouw. \u2014 Ik zal je uithuwelijken aan een prins of een graaf, een schatrijke edelman!<br \/>\nEn de jonge dame hief haar hoofd op en stapte rond alsof ze al een hooggeboren prinses was.<br \/>\nHun gesprekken gingen alleen nog maar over prinsen en hoge heren. Ze maakten al plannen voor een bruiloft, bouwden stenen huizen in hun verbeelding, spanden zwarte paarden voor de koets &#8211;  ach, wat een luchtkastelen! Ze bleven maar dromen en dromen, tot de jonge dame zuchtte:<br \/>\n\u2014 Ach, grootmoeder! We praten maar\u2026 en nog steeds is er niemand bij ons geweest!<br \/>\n\u2014 Wacht maar even: er zullen er z\u00f3veel komen dat ze elkaar verdringen!<\/p>\n<p>VI<br \/>\nEn werkelijk, de gasten stroomden toe &#8211; alsof er een kermis was. De enen reden het erf af, anderen al weer er op. We hadden geen slaap en geen rust: we renden, bedienden, sjouwden van \u2019s morgens vroeg tot \u2019s avonds laat. Soms kwam er zo\u2019n menigte bijeen dat we ons verbaasden wat voor heren er allemaal niet tussen zaten! Alles lachte, danste, at en dronk; alles was zo uitgelaten en tegelijk zo verfijnd! Sommige deftige dames pasten haast niet eens door de deur. En hoeveel jonge heren liepen er wel niet rond bij ons! Ze zwermden om onze jonge meesteres heen als hommels, zoemend in een kring.<br \/>\nZe wist hen allemaal te bespelen &#8211; de een met woorden, de ander met een beweging van haar wenkbrauwen: de een vroeg ze vriendelijk naar zijn gezondheid; bij de ander klaagde ze dat ze zich zonder hem zo vreemd en treurig voelde; weer een ander liet ze naast zich zitten alsof hij haar eigen verwant was. De arme drommels werden verliefd, verloren hun verstand, werden bleek en kwijnden weg. Dag na dag kwamen ze aangereden, elkaar voorstekend en elkaar met scheve ogen bekijkend. Of ze nu allemaal zo gecharmeerd van haar waren, of niets anders hadden om zich mee te vermaken &#8211; ze bleven maar komen, als insecten die steeds weer op het licht afgaan. Want waarmee moeten zij zich in de wereld vermaken? Hoe moeten ze hun jonge jaren opluisteren? Zoet eten, dronken drinken, mooi paraderen &#8211; en wat nog meer?<\/p>\n<p>VII<br \/>\nLangzamerhand zette de jonge meesteres alles naar haar hand &#8211; het leven en het huishouden.<br \/>\n\u2014 Houd toch op, grootmoeder, houd toch op met breien! \u2014 zei ze. \u2014 Is er soms niemand bij u om het werk te doen? Er komt bezoek, en u zit maar met die kous alsof u een dienstmeid bent!<br \/>\n\u2014 Maar ik verveel me zonder werk, kind, \u2014 antwoordde de oude vrouw.<br \/>\n\u2014 Neem dan een boek en lees.<br \/>\n\u2014 Wat zou ik lezen? Ik zie niet meer goed genoeg.<br \/>\n\u2014 Ga dan maar wat wandelen, maar alsjeblieft, duifje, brei niet meer! U steekt nog een oog uit met die naald!<br \/>\n\u2014 Goed dan, goed dan, wees maar gerust!<br \/>\nDe oude vrouw legde haar breiwerk neer en zat zich te vervelen. De jonge dame hulde haar in een mutsje met bonte linten en zette haar op een stoeltje midden in de kamer. Wanneer er gasten kwamen, zat ze daar al klaar om hen te begroeten.<br \/>\nDe oude vrouw kwijnde van verveling, maar de jonge meesteres genoot:<br \/>\n\u2014 Wat is het heerlijk, grootmoedertje, wat is het heerlijk &#8211; wat is het hier bij ons groots en prachtig!<\/p>\n<p>VIII<br \/>\nOns, meisjes, zette ze allemaal aan het borduren. Zelf gaf ze les en kwam telkens controleren of we wel goed naaiden. Zelfs wanneer we gingen eten, fronste ze en snauwde ze ons toe.<br \/>\nMet de dag werd ze driftiger; ze begon ons uit te schelden; soms kneep of duwde ze ons stiekem\u2026 en dan werd ze zelf rood als vuur &#8211; van schaamte. Maar dat was alleen in het begin; ze was er nog niet aan gewend. Toen ze eenmaal gewend en ingeleefd was, leerden wij pas waar het kwaad in de wereld woont.<br \/>\nWanneer ik haar kwam aankleden, moest ik wat vernederingen doorstaan! Ik vlocht haar haar &#8211; niet goed! Ik maakte het los en vlocht het opnieuw &#8211; weer niet goed! Zo kon ze de hele ochtend doorgaan. Ze kneep me, stootte me, trok met de kam door mijn haar, prikte me met spelden, goot water over me uit &#8211; wat haalde ze allemaal niet uit boven mijn arme hoofd!<br \/>\nOp een keer verwachtten we officieren uit de stad. Het erf was \u2019s avonds al geveegd; in huis was alles schoongemaakt alsof het Pasen was. De jonge meesteres ging zitten om zich te laten kappen\u2026 Ach, mijn lot! Liever had ik gloeiende kolen in mijn hand genomen dan nog eens zo te tobben met haar blonde vlechten! Zo en zus, weg daar, weer terug; ze duwde me, viel tegen me uit &#8211; ik werd er bang van! Ze ratelde, kletterde, stampte met haar voeten, en ineens barstte ze in tranen uit\u2026 Ik vluchtte naar de deur, maar zij achter mij aan de tuin in: \u201cIk scheur je in stukken! Ik wurg je, adder!\u201d Ik keek om &#8211; haar gezicht was zo verschrikkelijk dat mijn benen begonnen te beven. Ze greep me met beide handen bij de keel\u2026 Haar handen waren koud als slangen. Ik wilde schreeuwen, maar mijn adem werd afgesneden; ik stortte neer bij de appelboom en kwam pas weer bij door koud water.<br \/>\nIk keek &#8211; de meisjes stonden om mij heen, wit als kalk. De jonge meesteres lag huilend achterover in een stoel; de oude vrouw stond bij mijn hoofd en schold me uit, zo woedend dat haar mond zwart leek.<br \/>\n\u2014 Wat heb jij gedaan, luiaard! Hoe durfde je de jonge meesteres boos te maken? Ik stuur je naar Siberi\u00eb! Ik jaag je de wereld uit!<br \/>\nEn tegen de jonge dame zei ze:<br \/>\n\u2014 Huil niet, huil niet, mijn engeltje: zij is je tranen niet waard! Je wordt nog ziek, God verhoede het! Kijk, je handjes zijn ijskoud. Het is al goed, het is al goed! Waarom doe je het zelf? Zeg mij maar wat je niet bevalt.<br \/>\n\u2014 En jij, luie meid, \u2014 snauwde ze weer tegen mij, \u2014 jij zult het nog voelen!..<br \/>\nIk weet niet hoe het kwam dat ik geen tweede ramp over me heen kreeg en niet geslagen werd. Waarschijnlijk omdat ik al zo zwak was &#8211; mevrouw gaf me slechts een trap met haar voet en beval de meisjes me naar huis te dragen.<br \/>\nDe meisjes droegen me weg en vielen in huis huilend naast me neer:<br \/>\n\u2014 Oestyna, lief hart! Wat beklagenswaardig voor jou!.. Moeder Gods! Waarom treft ons zo\u2019n onrecht?<\/p>\n<p>IX<br \/>\nDe hele lente gaven ze me warme melk te drinken, tot ik enigszins opknapte.<br \/>\nIk lag alleen &#8211; iedereen was op het land aan het werk &#8211; en dacht maar steeds:<br \/>\n\u201cZo jong, en toch zo meedogenloos, Heer!\u201d<br \/>\nIn de hut was het koel en stil; de muren wit en stom; ik alleen met mijn ziel. Een zuchtje wind ritselde en boog geurige sering door mijn venster. Tegen de middag wierp een hete zonnestraal een trillende lichtstreep dwars door de kamer\u2026 alsof ik met vuur werd bestrooid. Ik voelde me benauwd, slaperig, maar slapen kon ik niet. Altijd maar alleen met mijn gedachten &#8211; hoe moet men zo leven in de wereld?<br \/>\nIk was z\u00f3 blij &#8211; mijn God, wat blij! &#8211; wanneer de tuin begon te ruisen, de lucht donker werd en de regen luid op de aarde neersloeg. Dan hoorde ik plots gestamp, gelach en geroep\u2026 een hele troep kinderen stormde bij mij naar binnen. Vrolijk, rood van de regen; ze begroetten me; sprenkelden me nat met hun kleren; klommen ongeduldig op de vensterbank, wachtend tot de bui voorbij was; en ze zongen luid:<\/p>\n<p>Kom tevoorschijn, zonnetje,<br \/>\nop het veld van de pastoor,<br \/>\nop grootmoeders kruidentuin,<br \/>\nop ons eigen erf!<\/p>\n<p>Zodra de zon weer achter de wolk tevoorschijn kwam, stormden ze het huis uit. En nog lang daarna weerklonk in de ene hoek hun gelach, in de andere &#8211; alsof iemand met zilveren belletjes rinkelde.<br \/>\n\u2019s Avonds, in de schemering, keerden de mensen terug van het land, uitgeput van de zonnehitte en het zware werk; allen zwijgend &#8211; alleen soms een diepe zucht of een zacht gezongen, droevig lied\u2026<br \/>\nSoms kwam onverwacht een van de meisjes uit het grote huis naar mij toe gerend.<br \/>\n\u2014 Oestyna! Duifje!<br \/>\n\u2014 Wat gebeurt er bij jullie, zusje? \u2014 vroeg ik.<br \/>\n\u2014 Vraag maar niet, Oestyna &#8211; ellende! Hanna is vandaag geslagen, gisteren Paraska, en morgen ben ik waarschijnlijk aan de beurt. O moederlief, als ze mij maar niet opmerken! Ach, Oestyna, wat een armzalige kopjes hebben wij!<br \/>\n\u2014 En over mij, zeggen ze niets?<br \/>\n\u2014 Niets? Hoezo niets! Waarom gaat ze niet naar haar werk? Waarom ligt ze daar te pronken als een dame uit Basan? Dat zeggen ze, als je het weten wilt\u2026 Ach, ik ben al te lang hier! Vaarwel, Oestyna!<\/p>\n<p>X<br \/>\nOp een ochtend lag ik te denken, toen Katrja de hut binnenstormde.<br \/>\n\u2014 Kom, kom, vlug, Oestyna!<br \/>\n\u2014 Waarheen?<br \/>\n\u2014 Naar de jonge meesteres, naar de oude mevrouw! Vlug toch, Oestyna! Ze hebben je laten halen &#8211; je moet meteen komen. De jonge dame heeft bij de oude over je geklaagd: dat je al helemaal genezen bent en toch niet wilt werken of dienen. Kom, ga!<br \/>\n\u2014 Hoe moet ik gaan, Katrja? Ik kan nauwelijks mijn voeten op de grond zetten!<br \/>\n\u2014 Ik help je wel, duifje! Verman je, anders wordt het nog erger. Kom dan!<br \/>\nMet moeite sleepte ik me naar het huis. Op de drempel stond de jonge meesteres.<br \/>\n\u2014 Waarom lig je daar te luieren? Waarom kom je niet dienen? Jij nietsnut! Wacht maar! Ik zal een straf voor je bedenken die je nog nooit hebt gezien of gehoord!<br \/>\nWat schreeuwde ze, o God! Ze raakte buiten adem, duwde me, trok me aan mijn mouw\u2026 O mijn uur van beproeving! Hoe verwilderd zag ze er uit, hoe verschrikkelijk dat mooie gezichtje werd!<br \/>\nOp dat geschreeuw kwam ook de oumevrouw aangesneld\u2026 Ze begon me uit te schelden en dreigde zelfs me te slaan. En dat hadden wij, God zij dank, van haar nooit meegemaakt &#8211; v\u00f3\u00f3r de jonge dame haar intrek nam. Vanaf toen begonnen bij ons de dagelijkse straffen en het dagelijkse geween. Als iemand eens glimlachte (wat zelden gebeurde!) &#8211; dan liep de jonge meesteres naar de oude: \u201cGrootmoeder, ze hebben geen respect voor mij!\u201d Als iemand huilde: \u201cGrootmoeder, ze werken niet en dan huilen ze nog!\u201d Over iedereen klaagde ze, onze aanklaagster. En de oude vrouw tierde en strafte ons &#8211; ze had haar jeugdige hardheid weer teruggevonden!<\/p>\n<p>XI<br \/>\nWe ademden alleen nog vrij wanneer er jonge heren op bezoek kwamen en de jonge meesteres ons even vergat. Zodra ze bij hen was, kwetterde ze als een vogeltje, vriendelijk en lief &#8211; en wat een verschil! Je herkende haar haast niet. En die jonge heren om haar heen\u2026 De een wrong zich naast haar, de ander keek haar van uit een hoek met fonkelende ogen aan; weer een ander volgde haar op de voet, en nog een ander probeerde van opzij haar blik te vangen. En zij bewoog zich tussen hen als een kwartel.<br \/>\n\u2014 Wie van hen zal het worden? \u2014 vroegen wij meisjes elkaar. \u2014 De arme stakker zal wel merken wat een schep ellende kost!<br \/>\nAanvankelijk verheugde de oumevrouw zich zeer over al dat bezoek, maar toen er onder hen ruzies uitbraken, begon ze zich zorgen te maken &#8211; ze was hen niet meer zo genegen, maar durfde hen ook niet weg te sturen. Ze kwamen in hele drommen tegelijk, en ieder eiste de gunst van de jonge dame voor zich op; ze minachtten elkaar en kregen ruzie en vochten bijna. De oude vrouw begon hen (achter hun rug) honden te noemen.<br \/>\nTegen de herfst kwam het lot van de jonge meesteres tot een keerpunt &#8211; en plotseling vlogen ze uiteen als een opgeschrikte zwerm, beschaamd om zichzelf.<\/p>\n<p>XII<br \/>\nDe jonge meesteres maakte kennis met de regimentsarts en hij begon dagelijks langs te komen. Hij was zo rustig, eenvoudig, vriendelijk tegen iedereen &#8211; helemaal niet als een verwende jonge heer!<br \/>\nAl eerder hadden bezoekende jongedames rondverteld dat er zo\u2019n knappe regimentsarts was: zwarte wenkbrauwen, rode lippen, lang van gestalte &#8211; zo\u2019n schoonheid dat je het niet kunt beschrijven! Alleen was hij erg trots &#8211; hij keek geen van hen aan en sprak met niemand, hoe ze ook hun best deden.<br \/>\nWanneer de jonge meesteres dat hoorde, zei ze vaak tegen de oude vrouw:<br \/>\n\u2014 Als u die arts eens bij ons zou uitnodigen, grootmoeder &#8211; laat mij eens zien hoe hij is!<br \/>\nMaar de oude antwoordde:<br \/>\n\u2014 Kind, die babbelkousen hebben je wat wijsgemaakt en jij gelooft het ook nog\u2026 Wat is er nu zo bijzonder aan een regimentsarts? Dat is armoede, niks dan armoede! Wat moet jij met zo iemand?<br \/>\n\u2014 Laat me hem alleen maar zien, grootmoeder! Is hij echt zoals men zegt?<br \/>\n\u2014 Weg met hem! Straks blijft hij nog hangen! Er zwermen er al genoeg om je heen, en geen van hen vraagt je ten huwelijk. Ze verdringen elkaar en maken ruzie.<br \/>\nDe kleindochter hield voet bij stuk: de arts moest komen!<br \/>\nBij het eerstvolgende bezoek van de regimentscommandant liet de oude, tegen wil en dank, vragen of men de arts wilde meebrengen. \u201cWe brengen hem mee, we brengen hem,\u201d beloofden ze.<br \/>\n\u2014 En wanneer komt u weer bij ons? \u2014 vroeg de jonge meesteres, zich draaiend en hen met sluwe ogen aankijkend als een vosje. \u2014 Snel?<br \/>\n\u2014 Als u zo vriendelijk bent, dan komen we overmorgen al, \u2014 zeiden de gasten, licht van vreugde. En ze reden weg, blij als dwazen.<\/p>\n<p>XIII<br \/>\nDie dag had de jonge meesteres zich prachtig uitgedost! De oude vrouw fronste echter en mompelde:<br \/>\n\u2014 Wat moeten wij met zo\u2019n kale armoedzaaier!<br \/>\nDe jonge meesteres deed alsof ze het niet hoorde. De oude kon haar boosheid alleen op ons afreageren.<br \/>\nToen de officieren arriveerden, was de arts er niet bij. \u201cHij dankt voor de uitnodiging,\u201d zeiden ze, \u201cmaar hij heeft geen uur vrij: hij heeft veel zieken te behandelen.\u201d<br \/>\n\u2014 Dwing hem niet, \u2014 zei de oude vrouw, \u2014 laat hem maar genezen met God.<br \/>\nDe jonge meesteres bloosde slechts en beet op haar lip.<br \/>\nEn toen de gasten vertrokken waren, moesten wij het ontgelden\u2026<br \/>\nNog diezelfde week werd de jonge meesteres ziek. Ze zuchtte, kreunde en jammerde. De oude vrouw schrok en huilde; men stuurde om de arts. Hij was kundig, zei men, en woonde het dichtstbij \u2014 dus naar hem!<br \/>\nIntussen had de jonge meesteres zich zo mooi mogelijk aangekleed en lag als een geschilderd popje in bed te wachten.<br \/>\nHij kwam, onderzocht haar en stelde vragen. Zij boog haar hoofd, sprak half zingend. Hij bleef een uur en nam afscheid: \u201cMorgen kom ik terug.\u201d<br \/>\nDe oude vrouw vroeg haar kleindochter naar haar indruk; die knikte slechts. Maar toen de oude vroeg: \u201cEn, hoe beviel de arts?\u201d, schrok ze op:<br \/>\n\u2014 Trots, \u2014 zei ze, \u2014 als een hoge heer\u2026 En wat denkt hij wel niet!<br \/>\nDe arme man bleef komen en behandelen \u2014 en werd verliefd. De jonge meesteres werd ook verliefd. De jonge heren roken onraad, begrepen wat er gaande was, en verdwenen.<br \/>\nDe oumevrouw kon haar hoofd wel tegen de muur slaan, maar wist geen raad. \u201cAls u mij tegenhoudt, grootmoeder, sterf ik! Spreek me niet tegen! Heb medelijden!\u201d<br \/>\nDe oude zuchtte slechts.<\/p>\n<p>XIV<br \/>\nHet landgoed werd stil; geen hoefgetrappel, geen geratel van koetsen. Ook de jonge meesteres werd rustiger: ze schold niet meer, sloeg niet meer, klaagde niet meer \u2014 ze zat en dacht.<br \/>\nZodra de zon opkwam, kwam de arts al aangereden met twee paarden. De jonge meesteres wachtte bij het raam, mooi gekleed, blozend als een rode papaver. Hij snelde naar binnen. Als een van ons voorbijging, groette hij vriendelijk: \u201cGoede dag, meisje! Hoe maakt de jonge meesteres het?\u201d<br \/>\nHij bleef vaak de hele dag. Hij week geen stap van haar zijde. De oude vrouw gluurde om de beurt door de ene en de andere deur, luisterde naar wat zij samen spraken. Jaloezie knaagde aan haar \u2014 maar ze durfde haar kleindochter niet tegen te spreken.<br \/>\nHij vroeg haar ten huwelijk. De oude huilde en treurde zwaar:<br \/>\n\u2014 Ik had gehoopt je aan een prins uit te huwelijken, aan een rijke edelman!<br \/>\n\u2014 O mijn God! \u2014 riep de jonge meesteres huilend. \u2014 Als hij rijk en machtig was, zou ik geen ogenblik twijfelen! Dan was ik al lang met hem getrouwd! Maar wat een noodlot is dit voor mij! Wat een bittere toekomst!<br \/>\n\u2014 Zijn er dan geen betere dan hij? \u2014 waagde de oude nog te vragen.<br \/>\n\u2014 Voor mij is er niemand beter, \u2014 niemand en nooit!<br \/>\nZe werd somber, mager en bleek. De oude wist geen raad. Ze zei: ga niet met hem trouwen \u2014 dan barstte de kleindochter in woede en tranen uit. Ze probeerde haar te troosten: \u201cJullie zullen wel trouwen\u201d \u2014 dan vervloekte de jonge dame haar lot:<br \/>\n\u2014 God heeft mij dit ongeluk gezonden, \u2014 zei ze, \u2014 en ik weet niet hoe ik eraan kan ontkomen.<br \/>\nDe jonge man merkte haar onrust.<br \/>\n\u2014 Wat is er? Waarom ben je verdrietig?<br \/>\n\u2014 Ik ben niet verdrietig\u2026<br \/>\n\u2014 Zeg me de waarheid, zeg het! \u2014 smeekte hij, haar hand kussend.<br \/>\n\u2014 We trouwen, \u2014 zei ze, \u2014 maar hoe zullen we leven? In armoede!<br \/>\n\u2014 Dus d\u00e1t kwelt je, liefste!.. Wat hebben wij aan adel of rijkdom, als ons leven mooi en gelukkig zal zijn?<br \/>\n\u2014 Zie je wel, je denkt niet aan mij! \u2014 antwoordde ze. \u2014 En zul je het prettig vinden als men ons bezoekt en ons uitlacht: \u201cDaar leven ze, in armoede!\u201d<br \/>\nEn ze huilde.<br \/>\n\u2014 Mijn hart, wat moet ik doen? Waar moet ik het vandaan halen? Ik heb nooit naar rijkdom verlangd, maar nu wens ik alle weelde voor jou, tot jouw vreugde\u2026 Wat kan ik doen? Ik zou de hemel willen neerhalen, \u2014 zei hij, \u2014 maar hij buigt niet!<br \/>\nEn zo zaten ze samen te treuren.<\/p>\n<p>XV<br \/>\nZe hield van hem, maar op een vreemde manier, niet zoals gewone mensen liefhebben.<br \/>\nWanneer er buurmeisjes op bezoek kwamen, vroegen ze nieuwsgierig:<br \/>\n\u2014 Is het waar dat die trotse man verliefd op je is?.. Heeft hij je ten huwelijk gevraagd?.. Is hij jaloers?.. Wat voor geschenken geeft hij je?.. Heb jij respect voor hem, of luistert hij naar jou?<br \/>\n\u2014 Oordeel zelf maar, \u2014 antwoordde de jonge meesteres glimlachend. En dan begon ze hem in hun bijzijn te bespotten.<br \/>\n\u2014 Luister, \u2014 zei ze tegen hem, \u2014 rijd naar de stad en koop voor mij dit en dat \u2014 en vlug! Schiet op, anders word ik boos!<br \/>\nHij reed meteen weg en kocht wat ze had gevraagd.<br \/>\n\u2014 Mijn God! Wat hebt u nu weer gekocht? Dit wil ik niet! Ga het omruilen! Dat heb ik niet nodig! Wat een keuze!<br \/>\nEn weer reed hij terug om alles te ruilen.<br \/>\nOf zo: hij wilde water drinken \u2014 zij zei:<br \/>\n\u2014 Drink niet!<br \/>\n\u2014 Waarom?<br \/>\n\u2014 Omdat ik het niet wil! Drink niet!<br \/>\n\u2014 Maar ik heb dorst!<br \/>\n\u2014 En ik wil het niet! Hoor je? Ik wil het niet!<br \/>\nEn ze keek hem dan zo aan, of glimlachte zo, dat hij gehoorzaamde. Soms werd ze boos, keerde zich van hem af en sprak geen woord meer. Dan smeekte en verontschuldigde hij zich \u2014 bijna tot tranen toe.<br \/>\nDe bezoekende jongedames verbaasden zich:<br \/>\n\u2014 Wel! Wie had zo\u2019n liefde van hem verwacht! Wat heb jij gedaan? Hoe heb jij God daarom gesmeekt?<br \/>\nOnze jonge meesteres glimlachte slechts.<br \/>\nWanneer ze vroegen wat hij haar had geschonken, spreidde ze voor hen fluweel en satijn uit \u2014 stoffen die ze van de oumevrouw had gekregen \u2014 en pochte:<br \/>\n\u2014 Dat heeft hij mij gegeven!<br \/>\nWat een wonderlijke liefde van de adel!<br \/>\nEn hij keek die buurmeisjes donker aan: dat hun spoor maar mocht vergaan!<br \/>\nIntussen informeerde de oude vrouw naar hem, hoe hij leefde \u2014 en ontdekte dat hij een boerderijtje bezat.<br \/>\n\u2014 Mijn kind! Hij heeft een landgoedje!<br \/>\n\u2014 Echt? \u2014 riep de jonge meesteres opspringend. \u2014 Waar? Wie zegt dat?<br \/>\n\u2014 Niet ver van de stad. Onlangs heeft hij het ge\u00ebrfd van een tante. Zij had geen kinderen; hij is bij haar opgegroeid.<br \/>\n\u2014 Ach, lieve hemel! Waarom heeft hij me dat niet verteld? Het zal wel een klein boerderijtje zijn \u2014 niets om trots op te zijn. Maar toch een landgoed! Toch bezit!<br \/>\nZe ontving hem die dag vrolijk en hartelijk, en hij verheugde zich \u2014 niet wetend dat men niet h\u00e9m begroette, maar zijn landgoedje.<\/p>\n<p>XVI<br \/>\nMet Kerstmis werden ze officieel verloofd. Er kwamen gasten, echt een hele stoet! De jonge meesteres was zo vrolijk en spraakzaam; haar ogen straalden, en ze liep arm in arm met haar verloofde. En hij kon zijn ogen niet van haar afhouden, hij struikelde bijna tijdens het lopen. Het feest duurde de hele dag.<br \/>\nMaar zodra de verloofde en de gasten van het erf vertrokken, barstte de jonge meesteres in tranen uit. Ze huilde en klaagde over haar lot:<br \/>\n\u2014 Wat heb ik gedaan! Wat heb ik veroorzaakt! Wat voor armzalig leven wacht mij! Waarom ben ik ooit geboren! Mijn arme hart! Mijn weeslot!<br \/>\nDe oude vrouw was niet blij met de verloving, maar troostte haar kleindochter:<br \/>\n\u2014 Waarom huilen, mijn kind? Genoeg nu, echt genoeg!<br \/>\n\u2014 Waarom heeft God hem geen rijkdom en bezit gegeven! \u2014 riep de jonge meesteres en begon helemaal te huilen, liep door de kamer en sloeg haar handen ineen.<br \/>\n\u2014 Mijn kind! Mijn hart! Huil niet! Je zult niet rijker zijn dan iedereen, maar je zult ook niet arm zijn. Alles wat ik bezit, is voor jou.<br \/>\nZe sprong naar de oude vrouw, omhelsde haar en kuste haar:<br \/>\n\u2014 Mijn grootmoeder, mijn moeder! Dank u uit mijn hart en ziel! Mijn wereld is omhooggestegen! U hebt me opnieuw tot leven gewekt, lieve moeder!<br \/>\n\u2014 Genoeg nu, genoeg, anders word ik ook emotioneel! \u2014 zei de oude vrouw, terwijl ze zelf ook huilde en lachte.<br \/>\n\u2014 Grootmoeder, liefste! Blijft u bij ons wonen?<br \/>\n\u2014 Waarom zou ik dat wensen? Het gaat niet. Ik denk: ik blijf hier, in Doebtsi, zorg voor het huishouden, en jij beheert de boerderij. Want als je hier of daar vertrekt, wordt het huishouden verwaarloosd en vind je geen rust. Het oog van mijnheer houdt toezicht wordt niet voor niets gezegd.<br \/>\n\u2014 Goed, goed, grootmoeder! Zo zal het zijn! Ah, grootmoeder, u hebt me opnieuw tot leven gewekt!<br \/>\n\u2014 Wees vrolijk, mijn kind \u2014 niet huilen\u2026<br \/>\n\u2014 Ik zal niet huilen, grootmoeder, nee ik zal niet huilen!<br \/>\nOp dat moment kwam de verloofde op de drempel, en de jonge meesteres zei tegen hem:<br \/>\n\u2014 Grootmoeder geeft ons Doebtsi! Grootmoeder geeft Doebtsi!<br \/>\nHij glimlachte rustig en zei vriendelijk:<br \/>\n\u2014 Jij bent blij, en ik ben blij. Ik hou zelf ook erg van Doebtsi. Hier ontmoetten we elkaar en werden we verliefd\u2026 Weet je nog hoe groen en bloemrijk de tuin was, toen we daar samen wandelden en praatten?<br \/>\nEn zij zei hem:<br \/>\n\u2014 De tuin was groen, de tuin was bloemrijk\u2026 Denk eraan, lieverd, hoe productief Doebtsi is!<br \/>\nDe jonge man schrok een beetje en keek haar aan, alsof iets hem tegelijk verbaasde en pijn deed in zijn hart.<br \/>\n\u2014 Wat is er? \u2014 vroeg de jonge meesteres. \u2014 Waarom kijk je zo naar mij? Heb ik iets onnatuurlijks gezegd? Wil je niet met me zorgen voor ons huis?<br \/>\nZe pakte zijn hand en glimlachte liefjes. En hij glimlachte terug:<br \/>\n\u2014 Jij bent van mij, \u2014 zei hij, \u2014 mijn geliefde eigenaresje!<\/p>\n<p>XVII<br \/>\nDe jonge meesteres werd steeds vrolijker en druk met haar bruidsschat; ze ordende alles, regelde van alles en nam zelf overal de leiding. Er kwamen schoenmakers, kleermakers, naaisters, handelaars uit de stad. Zelf rende ze overal achteraan, hielp haar verloofde, kocht, knipte, stapelde\u2026 Het was alsof alles tegelijk in een kookpot kookte! Voor ons was het zwaar werk, want zo ging het bij ons: of mevrouw en mijnheer nu rijk waren of verdriet hadden, voor ons was het altijd hetzelfde: wie het huwelijk viert, wie de strijd draagt!<br \/>\nOp de bruiloft van mevrouw en mijnheer kwam er een menigte, het huis gonste als een bijenkorf. Nieuwsgierige jonge dames bekeken de bruidsschat, bewonderden alles:<br \/>\n\u2014 O, wat mooi! O, hoe prachtig! Kijk dit! En dat, dat moet wel erg kostbaar zijn!<br \/>\nDe ene sloot haar ogen van verbazing bij het zien van een sjaaltje of jurk, alsof haar hart werd gegrepen. Zo kleefden ze eraan zoals vliegen aan honing. Het kostte ons moeite ze allemaal weg te leiden.<\/p>\n<p>XVIII<br \/>\nDoor al dat gedruis, de drukte en het getoeter, had ik nauwelijks een moment om afscheid te nemen van mijn mensen. De paarden stonden al gespannen toen ik eindelijk wegrende. Ik kon nauwelijks een woord zeggen, omhelsde alleen de ouderen en de kinderen.<br \/>\nDe jonge meester kwam zijn vrouw ophalen met een vierspan. Zwarte, sterke paarden. De koetsier was breedgeschouderd, had een snor en droeg een hoge hoed. Hij was een van onze mensen, maar opgeleid tot dienst bij de adel. Terwijl de dames en heren afscheid namen, kletsten en huilden, zat de koetsier als van ijzer: hij draaide zich niet om, keek niet achterom.<br \/>\nDe dame en heer gingen in de koets zitten. Ik werd achterop neergezet, op een hoge bijwagen.<br \/>\n\u2014 Met God, Nazar! \u2014 riep mijnheer vrolijk.<br \/>\nOp die heldere, koude ochtend vertrokken we uit het dorp. De vorst kraakte; de wilgen waren met rijp bedekt; de takken glommen in de zon. De meisjes stonden langs de weg en zwaaiden naar me\u2026 De paarden renden snel, alles flitste voorbij. Het dorp was verdwenen. Alleen de weg bleef, een verlaten, eindeloze weg voor me\u2026<\/p>\n<p>XIX<br \/>\nZe reden snel de stad in, alsof we tussen een zwerm insecten kwamen. Overal liepen mensen en paarden, er werd verkocht en gekocht. Mensen, adel, Russische soldaten, handelaars. En overal, waar je ook keek, liepen lange joodse mannen, als torren die overal rondscharrelen.<br \/>\nMijnheer beval de paarden te stoppen bij een herberg en bracht zijn bruid naar de kamers. De koetsier kreeg geld \u2014 om te lunchen \u2014 maar aan mij dacht hij niet.<br \/>\nIk zat daar en keek om me heen. Alles was vreemd, alles onbekend. Toen riep iemand:<br \/>\n\u2014 H\u00e9, mooie, knappe!<br \/>\nIk schrok op. Het was de koetsier die riep. Ik keek goed naar hem: donkerharig, zoals een raaf, moeder! Hij lachte, zijn tanden waren ontelbaar, en zo wit als room.<br \/>\n\u2014 En wie zoeken jullie? \u2014 vroeg ik.<br \/>\n\u2014 Eh, wie? Hoe heet je ook alweer\u2026 Oestyna, toch? Kom met mij, met Nazar, lunchen.<br \/>\nIk was zo koud, maar hoe kon ik gaan? Mevrouw zou dan een ophef maken!<br \/>\n\u2014 Dank u, zei ik, ik wil niet eten.<br \/>\nDe koetsier glimlachte: &#8220;Zoals je wilt, meisje!&#8221; \u2014 en liep weg.<\/p>\n<p>XX<br \/>\nIk zat een hele tijd te wachten tot mevrouw en mijnheer naar buiten kwamen. Mijnheer keek toen naar mij:<br \/>\n\u2014 Waarom zit je hier, Oestynko? Heb je al gegeten?<br \/>\n\u2014 H\u00e9! \u2014 riep hij naar de baardige huisheer, die geld in zijn handen telde op een kast. \u2014 Geef het meisje te eten!<br \/>\nDe huisheer stak het geld in zijn zak en rende weg.<br \/>\n\u2014 Wat is dit? \u2014 riep mevrouw geschrokken. \u2014 Gaan we op haar wachten?<br \/>\n\u2014 Natuurlijk, liefje, zei mijnheer. Ze is hongerig en verkleumd.<br \/>\n\u2014 Wat dan? Ze zijn eraan gewend. Als we te laat komen, zullen ze bang zijn.<br \/>\n\u2014 Ren, meisje, snel! \u2014 zei mijnheer. \u2014 Blijf niet achter, anders moeten we op je wachten.<br \/>\nMevrouw bloosde tot in haar haarwortels.<br \/>\n\u2014 Tijd om te gaan!<br \/>\n\u2014 Maar ze is hongerig, liefje\u2026 kijk hoe koud ze het heeft!<br \/>\n\u2014 Ik heb het koud! \u2014 riep ik uit.<br \/>\n\u2014 Ga zitten! \u2014 riep ze streng en sprong zelf in de koets.<br \/>\nMijnheer keek verbaasd, wist niet wat hij denken of zeggen moest.<br \/>\n\u2014 Wat nu? \u2014 vroeg mevrouw. \u2014 Snel!<br \/>\nToen ging mijnheer naast haar zitten\u2026<br \/>\nEn de baardige huisheer:<br \/>\n\u2014 Gaan jullie het meisje geen eten geven?<br \/>\nMevrouw en mijnheer praatten lang met elkaar, en daarna zwegen ze nog langer.<\/p>\n<p>XXI<br \/>\nBij schemering kwamen we bij het landgoed aan. In sommige huizen van de dorpelingen brandde licht. Ze liepen door de straat en stopten bij het huis. Op de veranda stonden mensen in een groepje met lichtjes en heilig brood. Ze bogen en begroetten de pasgetrouwden.<br \/>\n\u2014 Dank u, dank u, \u2014 zei mijnheer terwijl hij het brood in zijn handen nam. \u2014 Ik heb u mijn jonge vrouw gebracht, bevalt ze u?<br \/>\nHij lachte en straalde van vreugde; sommige mensen zouden misschien zo\u2019n schoonheid niet waarderen!<br \/>\nMevrouw keek naar hem, vonken sprongen uit haar ogen, haar gezicht veranderde. De mensen wilden haar op hun manier groeten; maar zij greep een kaars uit iemands handen en sprong door de deur naar binnen! De mensen schrokken zo dat ze haast wegvlogen, maar ze weigerden niets aan mijnheer.<br \/>\nMijnheer, onrustig en ernstig, liep naar binnen, het hoofd gebogen.<br \/>\nIk ging naar binnen en keek rond. De kamer was klein maar mooi en schoon. Stoelen, tafeltjes, alles nieuw en glanzend. Ik hoorde mijnheer praten. Mevrouw snikte, en mijnheer smeekte haar, smeekte zo intens!<br \/>\n\u2014 Niet huilen, niet huilen, mijn leven, mijn dierbaar hart! Als ik had geweten dat ik je zou kwetsen, zou ik het nooit hebben gezegd!<br \/>\n\u2014 Jij hebt vast alle mannen zo opgevoed dat ze zich met jou bemoeien! Wat een schoonheid! Ze bekijken me, glimlachen naar me, willen me bijna omhelzen\u2026 Oh, ik ben ongelukkig! Hoe durven ze dat! \u2014 riep ze tenslotte.<br \/>\n\u2014 Mijn hart! Goede mensen, eenvoudige mensen\u2026<br \/>\n\u2014 Ik wil niets weten, horen of zien! \u2014 stamelde mevrouw. \u2014 Wil je me uit deze wereld verdrijven of wat? \u2014 riep ze snikkend.<br \/>\n\u2014 Rustig maar, liefje! Je wordt nog ziek\u2026 O, niet huilen, niet huilen! Ik zal alles doen zoals jij het wilt. Geef me de kans.<br \/>\n\u2014 Jij houdt niet van me, je bemint me niet\u2026 God zij met je!<br \/>\n\u2014 Zonde om zo te spreken! Ik hou van je! Jij weet zelf hoe het werkelijk is!<br \/>\nZe kusten elkaar.<br \/>\n\u2014 Kijk, \u2014 zei mevrouw, \u2014 als je niet doet zoals ik wil, zal ik sterven!<br \/>\n\u2014 Ik zal doen wat je wilt, mijn liefste, zeker!<\/p>\n<p>XXII<br \/>\nIk liep door alle kamers, er was helemaal niemand. \u201cZijn ze allemaal van ons weggerend?\u201d dacht ik bij mezelf. Ik stapte de veranda op, de nacht was maanlicht en vol sterren. Ik stond daar te kijken, toen ik plotseling hoorde:<br \/>\n\u2014 Gezondheid, jongedame!<br \/>\nHet klonk als een snaar die naast me trilde. Ik schrok, keek op en zag een lange, statige jongeman die glimlachte. Ik voelde me zowel verlegen als bang; ik stond stokstijf, sprakeloos, en keek alleen maar in zijn ogen.<br \/>\n\u2014 Je staat hier helemaal alleen, \u2014 zei de jongeman opnieuw, \u2014 je weet vast niet waarheen te gaan?<br \/>\n\u2014 Als ik het niet wist, zou ik het u gevraagd hebben, \u2014 antwoordde ik, nu wat moediger. \u2014 Wees gezond!<br \/>\nEn ik haastte me de kamer in.<br \/>\n\u2014 Wees gezond, mijn lief! \u2014 riep hij mij na.<\/p>\n<p>XXIII<br \/>\nMevrouw en mijnheer liepen ondertussen door de kamers. De jonge mevrouw keek in elke hoek, om te zien wat er stond en hoe het was. Ze zag wat kruiden bij de iconen staan:<br \/>\n\u2014 Wat is dit?<br \/>\n\u2014 Dat heeft de vrouw van de godendienst hier versierd, \u2014 werd geantwoord.<br \/>\n\u2014 Wat?.. Dus zij regelt hier alles? Gooi die kruiden weg, liefje! Dat is echt te boerachtig.<br \/>\n\u2014 Goed, liefste.<br \/>\nDaarna kuste ze hem:<br \/>\n\u2014 Mijn lief!<br \/>\nZo vonden ze elkaar, praatten wat bij.<br \/>\n\u2014 Wat is dit? \u2014 vroeg mijnheer, \u2014 is er niemand hier? Waar is de vrouw gebleven?<br \/>\n\u2014 Zie je dat? \u2014 tikte mevrouw met haar vingers, \u2014 hoe losbandig ze hier rondloopt! Ze wilde gaan, dus ze ging.<br \/>\n\u2014 Ze kan toch niet verdwijnen! Ik zal haar roepen. \u2014 En hij begon te roepen:<br \/>\n\u2014 Babs! Babs! Babs! \u2014 zoals een gehoorzaam kind. \u2014 Ze komt zo, liefje, \u2014 zei hij tegen mevrouw om haar gerust te stellen.<br \/>\n\u2014 Waar was ze dan?<br \/>\n\u2014 Waarschijnlijk iets aan het doen, liefje. Ze is mijn hele personeel.<br \/>\n\u2014 En waar is mijn Oestyna? Is ze zomaar gaan rondrennen zonder te vragen? Oestyna! Oestyna!<br \/>\nIk verscheen voor hen.<br \/>\n\u2014 Waar was je?<br \/>\n\u2014 Hier in deze kamer, \u2014 antwoordde ik.<br \/>\nIk ging weer achter de deur staan: keek, luisterde, en hield alles in de gaten.<\/p>\n<p>XXIV<br \/>\nDe oude grootmoeder kwam binnen, zo oud dat ze bijna tot de grond gebogen was, helemaal gerimpeld; alleen haar zwarte ogen waren nog levendig en helder. Ze liep zachtjes naar binnen, boog voor mevrouw en vroeg:<br \/>\n\u2014 Wat heeft u nodig, mevrouw?<br \/>\nDe jonge mevrouw schrok zo van haar moed dat ze bijna opstond.<br \/>\n\u2014 Waar was je, vrouw? Ik moest je al zelf roepen, \u2014 zei mijnheer.<br \/>\n\u2014 Bij de oven, jongeheer: ik hielp Hanna zodat alles klaar zou zijn voor een goede avond voor u.<br \/>\nMijnheer zag dat de vrouw zwaar ademhaalde, maar hij kon haar niet berispen; hij keek haar streng aan, hoestte wat, liep wat heen en weer, niet wetend wat te doen. Mevrouw wendde zich van hem af. De grootmoeder bleef bij de deur staan.<br \/>\n\u2014 Is het avondeten klaar? \u2014 vroeg mijnheer nu wat streng.<br \/>\n\u2014 Ja, het is klaar, jongeheer, \u2014 antwoordde de grootmoeder zachtjes en rustig.<br \/>\n\u2014 Liefje, zullen we dan gaan eten? \u2014 vroeg mijnheer aan mevrouw.<br \/>\n\u2014 Ik wil niet eten! \u2014 antwoordde mevrouw en rende weg, de deur hard dichtgooiend.<br \/>\n\u2014 Dan zal ik ook niet eten, grootmoeder, \u2014 zei mijnheer nu bedroefd.<br \/>\n\u2014 Dan ga ik maar. Goedenacht, jongeheer!<br \/>\n\u2014 Ga maar. Maar zorg dat ik je niet zelf achterna hoef te lopen! \u2014 riep hij, maar hij kalmeerde meteen toen grootmoeder hem op haar gebruikelijke rustige manier antwoordde:<br \/>\n\u2014 Goed, jongeheer.<br \/>\nZe boog en ging weg.<\/p>\n<p>XXV<br \/>\nMijnheer liep heen en weer door de kamer. Men hoorde duidelijk dat mevrouw achter de muur huilde. \u201cMijn God! \u2014 zei hij tegen zichzelf \u2014 waarom huilt ze?\u201d En zo sprak hij dat woord zacht, bijna weemoedig.<br \/>\nHij kon het niet verdragen en ging naar haar toe; hij kuste haar en probeerde haar gerust te stellen. Een flinke tijd smeekte hij haar totdat ze ophield met huilen.<br \/>\n\u2014 En ik wil niet eten, \u2014 zei mevrouw tegen mijnheer. \u2014 Ik kan niet eens naar jouw bedienden kijken! Ze behandelen je alsof je hun broer bent\u2026 of familie, niets m\u00e9\u00e9r!<\/p>\n<p>XXVI<br \/>\nIk zit alleen in de meisjeskamer; zo stil en droevig\u2026 Wat zal mijn leven worden! Alles om me heen is mooi\u2026 \u201cNu, \u2014 denk ik bij mezelf, \u2014 onze meisjes zullen genieten zonder onze jongedame! Zo vrolijk en fijn samen\u2026 En ik \u2014 een vreemde plek, en geen levend hart hier\u2026\u201d<br \/>\nPlotseling klinkt er iets tegen het raam: tok-tok\u2026 Ik schrik heel erg! Ik weet zelf niet hoe, maar ik begreep meteen wie het was\u2026 Ik zit stil, alsof ik niets hoor.<br \/>\nHet stoten hield even op, en dan weer, opnieuw kloppen. Ik spring op en sluit alle deuren, zodat mijnheer en mevrouw ons niet horen.<br \/>\n\u2014 En wie is daar? \u2014 vraag ik.<br \/>\n\u2014 Ik, meisje-liefje!<br \/>\n\u2014 Misschien\u2026 \u2014 zeg ik \u2014 ben je niet bij het juiste raampje aan het kloppen!<br \/>\n\u2014 Nee, dat is het niet! Waarom dan ogen in je hoofd, als je niet ziet wie nodig is!<br \/>\n\u2014 Niet alles hoeft perfect\u2026 O, zo\u2019n gesprek door dubbel glas! Weg! mijnheer en mevrouw mogen het nog horen! \u2014 en ik wijk van het raam weg.<br \/>\nMaar hij roept toch:<br \/>\n\u2014 Meisje! Meisje!<br \/>\n\u2014 Waarom sta je daar onder het raam, Prokip? \u2014 fluistert iemand zacht. \u2014 Het avondeten is al een tijdje klaar, en je bent er nog steeds niet!<\/p>\n<p>XXVII<br \/>\nIemand komt binnen in de gang. Ik doe de deur open, en het is de grootmoeder.<br \/>\n\u2014 Gezondheid, meisje, \u2014 zegt ze tegen mij. \u2014 Kom aan tafel voor het avondeten, kleintje!<br \/>\n\u2014 Dank u, grootmoeder!<br \/>\n\u2014 Laten we gaan.<br \/>\n\u2014 Ik zal het mevrouw vragen.<br \/>\n\u2014 Waarom vragen, liefje? Het is avondeten!<br \/>\nDe grootmoeder zwijgt een moment en zegt dan:<br \/>\n\u2014 Ga maar, mijn kind. Ik wacht hier op je.<br \/>\nmijnheer en mevrouw zitten gezellig bij elkaar en praten wat. Ik kom binnen, en mevrouw zegt:<br \/>\n\u2014 Waarom kom je hier zo aan?<br \/>\n\u2014 Laat me, \u2014 zeg ik, \u2014 mevrouw, om te gaan eten.<br \/>\n\u2014 Ga maar \u2014 eet maar!<\/p>\n<p>XXVIII<br \/>\nIk volgde grootmoeder door de binnenplaats naar het huis.<br \/>\n\u2014 Hier is het meisje dat ik jullie bracht, \u2014 zei ze terwijl ze me binnenleidde.<br \/>\nBinnen aan de tafel zat de zwarte Nazar en een mooie jonge vrouw, Nazars echtgenote. Het vuur in de oven brandde fel, als in een smeltoven. De witte muren en het huisaltaar weerkaatsten het licht vrolijk, versierd met geborduurde doeken, gedroogde bloemen en kruiden. Op de plank stonden schalen, kommen en schaaltjes, groen, rood en geel, alsof het edelstenen waren. Alles in dat huis was vrolijk, netjes en stralend: de zachte vlaswol hing over de stok, een zwarte jas hing over een haak, en een gevlochten wiegje met een kind stond klaar.<br \/>\n\u2014 Kom aan tafel! \u2014 begroetten ze me en maakten een buiging.<br \/>\n\u2014 Misschien kan zo\u2019n schoonheid naast mij zitten, h\u00e8? \u2014 zegt Nazar.<br \/>\n\u2014 Bent u hier niet de beste, oom? \u2014 antwoordde ik. Terwijl ik me omdraaide, keek die jongeman ineens vanuit de hoek naar me, en het werd me heet vanbinnen.<br \/>\n\u2014 Zie je wel? \u2014 zegt Nazar. \u2014 Kijk goed naar mij: zie je, ik ben knap! zie je, ik ben goed!<br \/>\n\u2014 Maar niet \u2019s nachts! \u2014 antwoordde zijn vrouw vrolijk.<br \/>\nDe vrouw heette Katrja: blond, een beetje kromneusig, heldere blauwe ogen, rond en fris als een appel. In een rode kap en groene jas. Ze was levendig en trots, praatte en werkte, wiegde haar kind; haar geborduurde mouwen schitterden bij de tafel, haar ringen fonkelden bij de oven.<br \/>\n\u2014 Nou, nou! \u2014 zegt Nazar tegen haar \u2014 als die dumplings er niet waren geweest, had ik je iets anders gezegd\u2026<br \/>\nOp dat moment zette Katrja een kom dumplings op tafel voor hem. Nazar knipoogde naar mij.<br \/>\n\u2014 Niet kwaad om goed te eten, wie nog niet gegeten heeft!<\/p>\n<p>XXIX<br \/>\nKatrja praatte en grapte, maar leek toch een beetje verdrietig en onrustig. Grootmoeder zat stilletjes aan tafel, in gedachten verzonken. Alleen Nazar maakte grapjes, verzon dingen en lachte luid, zijn tanden glanzend als room! Ik keek niet meer naar de jongeman.<br \/>\n\u2014 En jij, vogeltje, \u2014 vroeg grootmoeder, \u2014 dien je al lang de jonge mevrouw?<br \/>\n\u2014 Wat is ze mooi! \u2014 riep de jonge vrouw.<br \/>\n\u2014 Ze helpt ook, dat is mooi! \u2014 riep Nazar, \u2014 als ze kijkt alsof de melk zuur wordt!<br \/>\nGrootmoeder zuchtte diep:<br \/>\n\u2014 Genoeg, genoeg, Nazar!<br \/>\n\u2014 Onze heer is zo gewoon, \u2014 zei de jonge vrouw, \u2014 hij heeft waarschijnlijk nooit iemand beledigd.<br \/>\n\u2014 God geef hem hetzelfde terug! \u2014 zei grootmoeder.<br \/>\n\u2014 Hoe zal het nu met ons gaan! \u2014 zei de jonge vrouw droevig. Ze zuchtte en staarde naar mij, alsof ze met haar ogen iets wilde vragen.<br \/>\nIk zei niets.<br \/>\n\u2014 Het zal zijn zoals de Heer het geeft, lieve \u2014 zei grootmoeder.<br \/>\n\u2014 Wat er ook gebeurt, we zullen het doorstaan! \u2014 riep Nazar. \u2014 Nu, laten we de dumplings nemen. En jij, Prokip, waarom ga je niet? Beviel de jonge mevrouw je? Of misschien deze schoonheid? \u2014 en hij knipoogde naar mij.<br \/>\n\u2014 Laat mevrouw me maar niet dromen! \u2014 antwoordde de jongeman terwijl hij tegenover mij ging zitten. \u2014 Hoe kan ze zo onaardig geboren zijn!<br \/>\nToen zei de jonge vrouw tegen mij:<br \/>\n\u2014 Meisje-liefje! Vertel ons de hele waarheid, hoe je je voelt\u2026<br \/>\nZe stopte. Iedereen keek aandachtig naar mij\u2026 En de jongeman nam zijn ogen niet van mij af. Als hij er niet was geweest, zou alles prima zijn geweest, maar bij hem schaamde ik me en bloosde, bijna huilend.<br \/>\n\u2014 Meisje! Is onze jonge mevrouw slecht? \u2014 vroeg Katrja.<br \/>\n\u2014 Zij is niet goed! \u2014 antwoordde ik haar.<br \/>\n\u2014 Barmhartige Heer! \u2014 riep ze. \u2014 Mijn hart heeft het gehoord, mijn hart! Mijn kind! \u2014 ze boog zich over de wieg van het kind: \u2014 Had ik dat gedacht toen ik trouwde! Ze heeft ons al met haar ogen verslonden! En ze huilt, tranen op tranen.<br \/>\n\u2014 De duivel is niet zo eng als hij wordt geschilderd! \u2014 zei Nazar. \u2014 Waarom bang zijn? Eerst goed kijken.<br \/>\nEn zij huilde en zuchtte, alsof de mevrouw haar kind echt met haar ogen had opgegeten.<br \/>\n\u2014 Genoeg, lieve! \u2014 suste grootmoeder Katrja. \u2014 Waarom ons te veel zorgen maken? Is er geen barmhartige Heer over ons?<br \/>\nDe jongeman zei geen woord; maar waar ik ook maar keek, viel zijn blik op mij.<\/p>\n<p>XXX<br \/>\nNa het avondeten, nadat we elkaar de zegen hadden gegeven, rende ik terug naar het huis, en achter me hoorde ik:<br \/>\n\u2014 Goedenacht, meisje!<br \/>\n\u2014 Goedenacht voor u! \u2014 antwoordde ik en sprong de gang in.<br \/>\nIk ging naar de meisjeskamer \u2014 mijn hart bonkte en bonkte! Ik dacht en dacht\u2026 wat als hij zo naar me keek! En mijn mevrouw kwam ook in gedachten: nauwelijks kwam zij de binnenplaats op, en ze verveelde iedereen\u2026 En waarom kleeft die jongeman zo aan me? Och, laat hem maar, wat een knappe jongen\u2026 De maan stond vol aan de hemel tegenover mij.<\/p>\n<p>O maan, maantje,<br \/>\nSchijn voor niemand\u2026<\/p>\n<p>Het lied raakte mijn ziel\u2026 Ik wist zelf niet wat mijn hart verlangde: dat hij weer bij het raam zou komen, of dat hij juist wegbleef\u2026<\/p>\n<p>XXXI<br \/>\nDe dagen, weken, maanden, een half jaar vloog voorbij. Het leek stil en vredig op het erf; alles bloeide en groen was het. Maar wie zou hebben kunnen zien wat er werkelijk gebeurde! De mensen stonden op en gingen slapen met tranen en vervloekingen. Alles werd naar de zin van de jonge mevrouw gedaan; iedereen had zwaar werk, en overal vond ze iets om te straffen of te berispen. De ongelukkigen, de kinderen, zelfs die mochten niet spelen. Ze liet hen de tuinen vegen, de kalkoenen hoeden; de ongelukkigen zaten op het land, joegen de vogels weg \u2014 maar hoe ze alles organiseerde met haar berispingen en trots, leek het alsof elk werk een marteling was. Ze leek alles te zien, overal rond te kruipen als een hagedis, en God weet wat ze allemaal deed; slechts een blik van haar voelde alsof ze je hart in haar hand kneep.<br \/>\nDe buren prezen onze mevrouw: wat een beheerster! Wat een verstandige vrouw! Ook al is zij jong, \u2014 we kunnen allemaal van haar leren!<br \/>\nAanvankelijk hoopten de mensen nog op mijnheer, maar al snel gaven ze hun verwachtingen op. Hij was een goedhartige, barmhartige heer, maar volkomen zwak \u2014 niets van hem telde. Hij probeerde zijn vrouw te overreden, maar ze luisterde niet. Soms durfde hij er nog niet eens aan te denken, alsof hij niets zag of hoorde. Een goed heer \u2014 hij sloeg niet, schold niet, maar zorgde ook nergens voor. Als mevrouw begon te kreunen en te klagen, kust hij haar handen en voeten, huilt en berispt hij zijn mensen: \u201cAch, jullie! Ach, jullie!.. Ze zullen mijn vriendje nog kapotmaken!\u201d<br \/>\n\u2014 Hij zal nooit iets bereiken, \u2014 zei Nazar. \u2014 Ik zag het meteen: een kip, toen hij Oestyna te eten gaf\u2026 Als ik zo\u2019n vrouw had, zou ik haar in de steek laten, laat haar maar puffen!<br \/>\nEn hij lachte luid door het hele huis. Zo\u2019n man was Nazar: altijd grappen en plezier.<br \/>\nWat Katrja ook huilde, tranen waren er nauwelijks. Ze nam haar kind op en huilde hardop. Prokip was ook erg bedroefd. Hij dacht na, en maakte geen grapjes meer met mij.<br \/>\n\u2014 Zo bedroefd! \u2014 zei ik op een avond tegen hem, bij schemering. \u2014 Waarom zo somber?<br \/>\nHij pakte mijn hand, trok me naar zich toe en kuste me. Voordat ik het doorhad, was hij alweer verdwenen.<\/p>\n<p>XXXII<br \/>\nAlle mensen waren uitgeput, uitgemergeld; alleen grootmoeder bleef even statig als altijd. Hoe mevrouw ook op haar schold en tegen haar schreeuwde \u2014 grootmoeder werd niet bang, raakte niet in paniek: ze liep rustig, sprak kalm, keek helder met haar heldere ogen. En voor je het wist, kroop je tegen haar aan en begon je te huilen \u2014 zoals een kind zich tegen zijn eigen moeder aandrukt.<br \/>\n\u2014 Huil niet, mijn kind, huil niet! \u2014 zei grootmoeder zacht en vriendelijk. \u2014 Laat de slechten maar huilen, en jij moet alles verdragen, je ongeluk uithouden!.. Kan men het dan niet verdragen?<br \/>\nHeer! Wat was het verdrietig en somber om te leven! Geen gelach te horen, geen menselijke stem. Geen levende ziel kwam de binnenplaats op \u2014 behalve voor werk \u2014 en dan keek men zo angstig om zich heen, haastte zich zo, alsof men uit het bos wilde ontsnappen aan een woest beest.<br \/>\nEens was ik wat laat na het avondeten en rende snel weg. \u201cWaarom is Prokip niet komen eten?\u201d dacht ik. En plotseling stond hij voor mijn ogen! Hij hield me tegen en liet me niet voorbijgaan.<br \/>\n\u2014 Oestyna, zeg me de waarheid: houd je van me?<br \/>\nIk wilde weglopen, maar mijn benen droegen me niet. Ik stond daar, brandend van schaamte\u2026 Toen pakte hij mijn hand!.. Hij omhelsde me, drukte me tegen zich aan en bleef maar vragen: \u201cHou je van me?\u201d Wat was hij vreemd!..<br \/>\nWe gingen zitten, praatten, hadden elkaar lief \u2014 en al het leed werd vergeten. Mijn ziel werd vrolijk, de wereld werd me dierbaar, alles in de wereld leek zo mooi, zo prachtig!.. Tot zelfs de mevrouw het merkte: \u201cWat is er met je?\u201d zei ze. \u201cWaarom ben je zo rood, alsof iemand je geslagen heeft? Heb je soms iets gestolen?!\u201d<\/p>\n<p>XXXIII<br \/>\nMijn lieve God! Hoe wachtte ik die beschermende, donkere avond af!.. Zodra mevrouw me opdroeg naar het avondeten te gaan \u2014 wachtte Prokip op mij. Hij hield me tegen en we stonden samen, treurden samen\u2026 Want overdag, zelfs als we elkaar ontmoetten, keken we elkaar alleen maar aan, wisselden geen woord en gingen weer uiteen.<br \/>\n\u2014 Tot ongeluk hebben jullie elkaar liefgekregen! \u2014 zei Katrja dan.<br \/>\n\u2014 Wat ben jij slim, mijn liefste! \u2014 plaagde Nazar haar. \u2014 Als jij nu nog eens verliefd op me werd, zou je zelfs mijn handjes likken!<br \/>\n\u2014 Alsof ik aan liefde denk!.. Zij twee\u00ebn doen mijn hart al pijn genoeg als ik erover nadenk\u2026<br \/>\n\u2014 Waarom kwellen en maken jullie het meisje bang? \u2014 zei grootmoeder. \u2014 Als ze al liefheeft, laat haar liefhebben: dat is het lot dat haar is toebedeeld.<\/p>\n<p>XXXIV<br \/>\nEn mevrouw werd met de dag hatelijker, steeds woedender: als ik me maar een beetje versliep of vertraagde \u2014 \u201cWaar was je?\u201d \u2014 en ze kwam me al tegemoet op de drempel van het herenhuis, als een noodlottig onheil.<br \/>\nEerst leed ik zwaar onder verdriet, maar later verbaasde niets me meer, elke vernedering werd me onverschillig. Men zegt: sta op, ongeluk \u2014 en ga niet meer liggen!.. Terwijl ze me uitschold en uitfoeterde, kon ik het niet verdragen, de tranen stroomden; maar als ik goed had uitgehuild, mijn gezicht had afgeveegd \u2014 dan was ik weer opgewekt, maakte grapjes, deed dwaas!.. Mijn vlecht was netjes fijn ingevlochten, mijn hemd was wit \u2014 maar tegen niemand klaagde ik. Wat zouden ze me kunnen helpen? Ze zouden alleen hun eigen zware leed weer herinneren!.. En Prokip liep rond als een donkere nacht, en dan had hij geen trek meer in eten of drinken, noch in praten.<br \/>\nLieve Heer! Eigen leed, andermans leed \u2014 je weet niet wat te doen, waar te beginnen. Katrja\u2019s kindje werd ziek: en ondertussen moet je voor mijnheer en mevrouw het middagmaal koken, het avondmaal koken, en de moestuin omspitten en inzaaien \u2014 en bovendien buldert mevrouw: \u201cJe doet niets, luiaard! Je eet mijn brood voor niets! Ik zal je wel leren werken!\u201d<br \/>\nDe hele nacht waakte Katrja bij haar kind. Zodra het dag werd \u2014 aan het werk. Grootmoeder paste dan op de kleine, troostte Katrja; ze bracht het kindje even naar haar toe, of kwam zelf naar buiten om te zeggen: \u201cde kleine is rustiger!\u201d of \u201cde kleine slaapt!\u201d En zo hielp ze, als een goddelijke zegen, onvermoeibaar, zonder ooit te slapen.<br \/>\n\u2014 Waarom span je je zo in, Katrja, zonder rust? \u2014 vroeg ik haar.<br \/>\n\u2014 Ik zal werken, werken zolang ik kracht heb. (En haar ogen brandden diep in hun kassen.) Misschien stel ik haar tevreden, misschien wek ik medelijden!<br \/>\nMaar ze stelde haar niet tevreden en wekte geen medelijden. Ze werkte en sliep niet, tot een gevoelloze slaap haar bij de wieg overviel. Ze werd wakker \u2014 naar het kind, maar het kindje was al op Gods weg. De arme moeder keek er slechts naar, nam het aan haar hart \u2014 en het was al heengegaan.<br \/>\nWat heeft Katrja gejammerd, geleden, en tegelijk ook vreugde gevoeld:<br \/>\n\u2014 Laat mijn kind, mijn liefste, dierbare kind, nu een engeltje van God zijn \u2014 mijn eigen zal geen kwaad meer kennen! \u2014 En dan barstte ze weer in huilen uit: \u2014 Maar wie zal zijn handjes naar mij uitstrekken? Wie zal mij in deze wereld verblijden?.. Mijn kind! Je hebt me verlaten, mijn dochter!<br \/>\nNazar deed alsof er niets was, probeerde zijn Katrja te troosten, haar met haar jonge leeftijd gerust te stellen, maar zijn eens zo krachtige stem was al zachter geworden \u2014 in het geheim treurde hij meer dan allen.<br \/>\nNa dit verdriet verzwakte Katrja helemaal, ze kwijnde weg. Niet alleen kon ze niet meer werken, ze had zelfs geen kracht meer om rond te lopen. En toch bleef mevrouw maar:<br \/>\n\u2014 Waarom doe je je werk niet? Ik zal je dit! Ik zal je dat!<br \/>\n\u2014 Nu ben ik niet meer bang voor u! \u2014 antwoordde Katrja. \u2014 Al eet u me levend op!<br \/>\nEn toen liet mevrouw haar voelen wie ze was!..<br \/>\n\u2014 Prokip! \u2014 zei ik. \u2014 Wat zal er nu van ons worden!<br \/>\n\u2014 Oestyna, mijn hart! Je hebt mijn handen gebonden!..<\/p>\n<p>XXXV<br \/>\nMevrouw joeg Katrja van het erf weg, naar de herendiensten \u2014 ze had zelfs geen medelijden met haar man, die koetsier was.<br \/>\nMijnheer gaf haar heimelijk, buiten medeweten van zijn vrouw, een roebel, maar Katrja nam hem niet aan; hij legde het geld op haar schouder \u2014 ze schudde het van zich af alsof het een pad was. De roebel viel in het gras \u2014 en bleef daar liggen tot hij zwart werd; niemand raakte hem aan. Pas later zag mevrouw hem, toen ze over het erf liep, en raapte hem op.<br \/>\n\u2014 Jij zaait zeker geld? \u2014 zei ze tegen mijnheer. \u2014 Ach, mijn God, mijn God!<br \/>\nMijnheer antwoordde niets, maar werd erg rood.<br \/>\nKatrja wilde niet meer leven. Na die vernedering overkwam haar iets. Ze rende door bosjes en moerassen, op zoek naar haar kind \u2014 en uiteindelijk verdronk de arme ziel.<br \/>\nMijnheer was zeer bedroefd; maar mevrouw zei:<br \/>\n\u2014 Waarom zou je je bedroeven om ik-weet-niet-wat? Heb je niet gemerkt dat ze al lang niet goed bij haar verstand was! Wat had ze voor angstaanjagende ogen, en als ze sprak, was het allemaal onzin&#8230;<br \/>\n\u2014 Inderdaad, \u2014 greep mijnheer dat woord aan, \u2014 ze was niet helemaal bij haar verstand!<br \/>\nGek was ze, en gek bleef ze&#8230; Wat wil je nog meer! Zo overlegden ze samen, en waren weer gerust&#8230;<\/p>\n<p>XXXVI<br \/>\nOp een dag namen ze een soldaat uit de stad aan als kok. Wat was dat een zonderling! Als hij voor mijnheer en mevrouw had gekookt en zelf gegeten had, ging hij op de bank liggen en floot maar, floot en floot, en ineens begon hij te zingen \u2014 helder en dun, alsof een haan kraaide. Ons leed liet hem onverschillig; alleen vroeg hij soms: \u201cIs er vandaag geslagen?\u201d \u2014 en voegde eraan toe: \u201cHet kan niet anders: dat hoort bij de dienst!\u201d<br \/>\nNazar was niet meer dezelfde, ook hij was somber geworden, maar hij bleef grappen maken:<br \/>\n\u2014 Als iemand mij eens \u00e9\u00e9n dag zou dienen, zou ik dat mijn leven lang herinneren!<br \/>\nMevrouw prees die kok zeer, zei dat hij zo\u2019n goede man was en haar zo respecteerde! En wanneer hij voor haar stond, strekte hij zich uit als een pijl, liet zijn handen zakken, sperde zijn ogen op haar en ratelde: \u201cIk ving een bont biggetje; het bont biggetje liep de struiken in; toen ging ik achter het zwarte biggetje aan; ik ving het zwarte biggetje, schroeide het zwarte biggetje, bakte het zwarte biggetje&#8230;\u201d Zo dreunde hij alles op en wachtte wat mevrouw zou antwoorden; zelf knipperde hij alleen met zijn ogen!<br \/>\nEn mevrouw zei telkens weer:<br \/>\n\u2014 Goed! Goed! Alles goed!.. Maar kijk uit, word niet lui tussen mijn wolfszielen.<br \/>\n\u2014 Dat zal ik nooit durven, uwe hoogedelheid! \u2014 hij boog diep, schuifelde naar rechts, naar links, en weg uit het huis, naar de bank \u2014 en floot weer.<br \/>\n\u2014 Och, hou toch op! \u2014 zei ik eens tegen hem. \u2014 Wanneer houdt u eindelijk op met dat gefluit! Hier is verdriet, hier is rampspoed, levende kwellingen, en u&#8230;<br \/>\n\u2014 Treur niet, meisje, treur niet! Daarom heet het dienst. Kijk eens hoeveel tanden ik nog over heb&#8230; In de dienst verloren!.. We hadden een kapitein&#8230; oeh!<br \/>\nMaar hij zei alleen maar \u201coeh\u201d.<br \/>\n\u2014 Wat dacht je dan? Hoe moet je leven in de wereld? Hoe te dienen? Hoe je omhoog te dienen? Ze slaan je, scheuren je, maken je gek, maken je zwart, en jij moet blijven staan, niet eens knipperen!.. Ach! God behoede!<br \/>\nNa dat gezegd te hebben, floot hij weer. En Prokip sloeg uit woede zijn pijp op de grond stuk.<br \/>\n\u2014 Zelfs ossen in het juk loeien, en zou een christenziel elke smaad, elk onrecht verdragen en zwijgen! \u2014 bulderde hij tegen de soldaat, zodat die ophield met fluiten. Hij keek hem aan als een bok naar een nieuwe poort. \u2014 Zo ben ik niet! \u2014 zei Prokip. \u2014 Ik zeg: of je redt je, of je gaat ten onder!<br \/>\n\u2014 En ik heb weer een ander lot: vluchten! \u2014 lachte Nazar. \u2014 De omzwerving is mijn eigen tante.<br \/>\n\u2014 Ze pakken je! \u2014 riep de soldaat, opspringend. \u2014 Ze pakken je \u2014 en dan ben je verloren!<br \/>\nWat ieder ook in zijn hart droeg, ze lachten allemaal.<br \/>\n\u2014 Niet elke kapitein is even snel, \u2014 zei Nazar, \u2014 de een rent en struikelt. Maar zeg jij liever: waarheen vluchten? Van de ene meester loop je weg, en je ontmoet een andere. Van vodden kleed je je in lappen&#8230;<br \/>\nAltijd heren, altijd rijken&#8230; \u2014 zong hij, als sloeg hij een klok.<\/p>\n<p>XXXVII<br \/>\nIn dat jaar stierf de oude mevrouw. Ze wilde helemaal niet sterven! Ze las voortdurend gebeden en de Heilige Schrift, liet in de kerken dankdiensten opdragen; kaarsen brandden onafgebroken voor de iconen. Eens had een meisje niet goed opgelet en een kaarsje was uitgegaan \u2014 ze liet het meisje geselen:<br \/>\n\u201cJij, zondares, schaadt zelfs mijn redding!\u201d<\/p>\n<p>XXXVIII<br \/>\nOnze mevrouw treurde en huilde erg om de oude.<br \/>\n\u2014 Nu ben ik helemaal alleen in de wereld! Ze zullen me uitkleden als een lindeboom! Mijn oog kan niet alles overzien; en op jou, \u2014 zei ze tegen mijnheer, \u2014 welke hoop kan ik op jou stellen? Jij zult niets voor me verwerven, je zult alleen verkwisten wat we hebben. Je denkt er niet eens aan dat God ons binnenkort een kind zal geven. Als het al niet voor mij is, bezin je dan voor het kind, mijn vriend! Wees een goede beheerder, houd overal toezicht op, en vooral \u2014 bederf mijn mensen niet.<br \/>\n\u2014 Wat zeg je toch, liefste, God behoede! Daar ga je weer, je maakt je overal zorgen om! Ik zal alles doen wat je wilt, alles! \u2014 zo probeerde hij haar te sussen.<br \/>\nEens wilde hij haar opvrolijken en zei:<br \/>\n\u2014 Genoeg, mijn duifje, maak je niet zo druk. Luister eens wat ik je zal zeggen: ik heb al een peet gevraagd.<br \/>\n\u2014 Wie heb je gevraagd? \u2014 onderbrak mevrouw hem.<br \/>\n\u2014 Mijn kameraad. Een voortreffelijke man, goed van hart.<br \/>\n\u2014 Mijn God! Ik wist het meteen!.. Je hebt zeker een of andere armoedzaaier uitgenodigd!.. Ik wil daar niets van horen! Dat zal niet gebeuren! Dat zal niet gebeuren!<br \/>\nEn ze barstte in hevig huilen uit.<br \/>\n\u2014 Hartje, huil niet! \u2014 smeekte mijnheer. \u2014 Je wordt nog ziek! Er komt geen peet; ik zal hem afzeggen, en daarmee uit. Zeg me alleen wie jij wilt, en die zal ik uitnodigen.<br \/>\n\u2014 De kolonel moet gevraagd worden!<br \/>\n\u2014 De kolonel, dan de kolonel. Morgen ga ik naar hem toe. Vergeef me nu, liefste, dat ik je verdriet heb gedaan!<br \/>\n\u2014 D\u00e1\u00e1r gaat het om, je hebt helemaal geen medelijden met me: je bezorgt me alleen maar zorgen!<br \/>\n\u2014 Mijn duifje, \u2014 zei mijnheer zacht, \u2014 heb jij ook eens medelijden met mij. Jij wordt altijd boos, je schreeuwt, je maakt ruzie; en ik had gehoopt&#8230;<br \/>\nEn plots begon hij te snikken.<br \/>\nmevrouw ging naar hem toe:<br \/>\n\u2014 Wat is er met je, wat is er?<br \/>\nZe wilde zijn handen pakken, maar hij bedekte zijn gezicht met beide handen en huilde maar door!.. Met moeite kreeg ze hem aan het praten, ze kuste hem, omhelsde hem, en nauwelijks kalmeerde hij.<br \/>\n\u2014 Zeg me dan toch waarom je huilde? Kom, zeg het! \u2014 vroeg ze.<br \/>\n\u2014 Ik weet het zelf niet, mijn liefste, \u2014 antwoordde mijnheer, alsof hij glimlachte, \u2014 zomaar&#8230; Ik voel me wat onwel. Denk er maar niet aan, lach me liever uit dat ik als een klein kind heb gehuild.<br \/>\nMaar hij zuchtte.<br \/>\n\u2014 Misschien denk je dat ik niet meer van je houd? \u2014 zei mevrouw.<br \/>\n\u2014 Nee, je houdt van me.<br \/>\n\u2014 Ik houd van je, en hoe!.. Maar we kunnen niet altijd samen zitten: er moet ook gewerkt worden, mijn hart!<br \/>\nEn ze kuste hem.<br \/>\n\u2019s Morgens vertrok mijnheer en nodigde de kolonel uit om peet te worden.<\/p>\n<p>XXXIX<br \/>\nMevrouw kreeg een zoon. Wat een gasten kwamen er naar het doopfeest! Ze hielden een uitbundig banket. De peetvader, de kolonel, reed het erf op met grijze paarden, terwijl de belletjes klingelden en rinkelden. Zelf was hij gezet, rond van gezicht, rood aangelopen; met zijn rechterhand draaide hij voortdurend zijn snor op, met zijn linker hield hij zijn sabel vast en hij zette zijn schouders steeds hoog op.<br \/>\nIk was blij dat ik het wat vrijer had \u2014 ik rende naar Prokip en stond met hem te praten bij de galerij. Opeens verscheen mijnheer \u2014 zo vrolijk als in de tijd dat hij nog met mevrouw vrijde.<br \/>\n\u2014 Wat staan jullie hier samen te praten? \u2014 lachte hij.<br \/>\nEn Prokip zei tegen hem:<br \/>\n\u2014 Heer, geef het meisje aan mij tot vrouw!<br \/>\n\u2014 Goed, neem haar, Prokip! Ik verbied het niet. Trouw en leef gelukkig samen.<br \/>\n\u2014 En mevrouw? \u2014 vroeg Prokip.<br \/>\nMijnheer zuchtte en werd bedachtzaam, en zei toen:<br \/>\n\u2014 Kom met mij mee! Neem haar bij de hand, Prokip!<br \/>\nHij ging zelf de kamers in, en Prokip leidde mij achter hem aan, terwijl hij mijn hand stevig vasthield.<br \/>\n\u2014 Liefste! \u2014 zei mijnheer tegen mevrouw. \u2014 Ik heb hier een jong paar bij je gebracht. Sta je het toe?<br \/>\nEn in de kamer waren heren en dames!.. En de kolonel liep tussen allen rond als een kalkoen, snoof af en toe luidruchtig.<br \/>\nOnze mevrouw zat in een leunstoel. Ze keek naar ons en wendde zich af. Haar vrolijke glimlach verdween; boos keek ze naar mijnheer en vroeg:<br \/>\n\u2014 Wat betekent dit?<br \/>\nProkip boog en vroeg om toestemming.<br \/>\n\u2014 Ik heb het al toegestaan, \u2014 zei mijnheer, \u2014 verbied jij het ook niet, mijn geliefde. De Heer heeft ons geluk gegeven \u2014 laat ook hen gelukkig zijn!<br \/>\nMevrouw zweeg, beet op haar lippen. Maar de kolonel kwam naar voren en bulderde als een trompet:<br \/>\n\u2014 Ze passen bij elkaar, duivelskinderen, ze passen bij elkaar! Allebei knap! Ze moeten getrouwd worden, mijn lieve peettante. Wil je trouwen, meisje? \u2014 vroeg hij mij, en telkens als hij wilde knipogen, kneep hij zijn ogen helemaal dicht; knipogen lukte niet meer \u2014 hij had al veel gedronken.<br \/>\nAlle heren vielen hem bij:<br \/>\n\u2014 Laat ze trouwen, laat ze trouwen! Hoort u, uw peet, de kolonel, zegt dat ze bij elkaar passen&#8230;<br \/>\nToen zei ook mevrouw:<br \/>\n\u2014 Laat ze dan maar!<br \/>\nEn voor we het beseften, stonden we al buiten de drempel. Vol vreugde haastten we ons, regelden niets bijzonders en lieten ons snel in de echt verbinden, opdat mevrouw ons niet alsnog uit elkaar zou halen.<br \/>\nZe was erg boos op mijnheer:<br \/>\n\u2014 Hoe kon je me zo in verlegenheid brengen! \u2014 verweet ze hem. \u2014 Dat zal ik je niet vergeven!<br \/>\n\u2014 En jij, \u2014 snauwde ze tegen mij, \u2014 jij zult het merken!<br \/>\n\u201cLaat maar komen wat komt,\u201d dacht ik, \u201cwij zijn nu toch getrouwd!\u201d<br \/>\nWat mij het meest verblijdde, was dat ik nu in het openbaar tot hem mocht spreken, hem mocht aankijken \u2014 want hij was nu van mij!<\/p>\n<p>XL<br \/>\nIk bleef bij mevrouw in dienst zoals voorheen. Ze kwelde me nog erger dan vroeger, kookte als het ware water van me en zei er telkens bij:<br \/>\n\u2014 Nou? Hoe is het in je huwelijk? Is het beter geworden?<br \/>\nAls mijn man me niet aansprak of me niet troostte, dan kwam er soms zo\u2019n benauwdheid over me dat ik wel door de grond had willen zakken. Maar als ik bij hem was \u2014 dan was het vrolijk en goed; ik vergat al het leed. Alleen liep mijn man met de dag somberder rond, en dat deed mijn hart pijn.<br \/>\n\u2014 Houd je soms niet meer van me, Prokip?<br \/>\nHij sloeg zijn arm om me heen en keek me zo liefdevol in de ogen dat ik voelde alsof me vleugels groeiden.<br \/>\n\u2014 Waarom ben je dan altijd zo somber, Prokip? Nu zijn we toch voor altijd samen.<br \/>\n\u2014 O, mijn hartje! Zonder jou was het zwaar, maar met jou is het nog zwaarder&#8230; Telkens weer van God te moeten verwachten dat jij vernedering en kwelling te verduren krijgt!.. En je niet kunnen beschermen&#8230; Het is zwaar, Oestja!<br \/>\n\u2014 Hoe dan ook, samen zullen we het ongeluk dragen, Prokip. Voor mij is het met z\u2019n twee\u00ebn altijd lichter.<br \/>\n\u2014 Misschien heb je wel gelijk, mijn visje!<br \/>\nDan glimlachte hij en streelde me.<br \/>\nWat was ik toch blij als ik hem aan het praten kreeg, hem kon opvrolijken!<\/p>\n<p>XLI<br \/>\nZo leefden wij met verdriet en zorgen tot de herfst. En toen gebeurde het&#8230;<br \/>\nOp een dag schudden we in de tuin appels in manden. Mijn man schudde de boom en keek steeds vanachter de ene tak en dan weer vanachter de andere naar mij. Grootmoeder was al wat moe geworden en ging zitten rusten.<br \/>\n\u2014 Zie je, de mooie zomer is al voorbij, \u2014 zei ze. \u2014 De zon schijnt nog, maar verwarmt niet meer.<br \/>\nTerwijl ze dat zei, keek ze rond.<br \/>\n\u2014 Oestja-duifje! Het lijkt wel of daar kinderen achter het bosrandje vandaan kijken? \u2014 vroeg ze.<br \/>\nIk keek \u2014 en inderdaad, bij het hek stond een groepje kinderen.<br \/>\n\u2014 Wat is er, kindertjes? \u2014 vroeg grootmoeder. \u2014 Waarom zijn jullie gekomen, mijn valkjes?<br \/>\nDe kleintjes zwegen en wierpen alleen blikken naar de manden met appels.<br \/>\n\u2014 Kom maar dichterbij, jongetjes: ik zal jullie ieder een appeltje geven! \u2014 zei grootmoeder.<br \/>\nDe kinderen stroomden meteen toe. Ze omringden de oude vrouw als mussen een lijsterbes, en zij deelde uit, en deelde uit&#8230; Het werd luidruchtig en vrolijk bij ons \u2014 zoals dat bij kinderen gaat.<br \/>\nEn plotseling donderde mevrouw:<br \/>\n\u2014 Wat is dat?<br \/>\nDe kinderen schrokken. Sommigen barstten in huilen uit, anderen zetten het op een lopen \u2014 het fladderde alle kanten op. Ook mijn hart begon te bonzen. Grootmoeder antwoordde rustig:<br \/>\n\u2014 Ik heb de kinderen elk een appeltje gegeven.<br \/>\n\u2014 Jij hebt gegeven? Jij durfde? \u2014 gilde mevrouw, trillend van woede. \u2014 Jij, boerenvrouw, steelt mijn bezit!.. Dievegge!<br \/>\n\u2014 Ik \u2014 een dievegge!? \u2014 zei de oude vrouw. Ze werd bleek als een doek, haar ogen begonnen te glanzen en de tranen rolden over haar wangen.<br \/>\n\u2014 Je zult niet meer stelen! \u2014 schreeuwde mevrouw. \u2014 Ik waarschuw je al lang \u2014 en nu ben je eindelijk betrapt&#8230; De appels van mijnheer uitdelen!<br \/>\n\u2014 Nooit in mijn leven heb ik gestolen, mevrouw, \u2014 antwoordde de oude vrouw kalm, al klonk haar stem als een bel. \u2014 Mijnheer heeft het nooit verboden, hij deelde zelf ook uit aan kinderen. God laat het voor iedereen groeien. Kijk toch \u2014 is er voor uw ziel soms te weinig?<br \/>\n\u2014 Zwijg! \u2014 krijste mevrouw en sprong op haar af.<br \/>\nTakken kraakten. Vanachter het groene blad keek mijn man tevoorschijn \u2014 en wat was zijn blik angstaanjagend! Ik smeekte hem alleen met mijn ogen.<br \/>\n\u2014 Dievegge! Dievegge! \u2014 schold mevrouw, greep de oude vrouw bij de schouder, duwde en stootte haar.<br \/>\n\u2014 U beschuldigt mij onterecht! Ik ben geen dievegge, mevrouw! Ik heb mijn hele leven eerlijk geleefd!<br \/>\n\u2014 Durf je mij nog tegen te spreken?<br \/>\nEn met volle kracht sloeg ze de oude vrouw in het gezicht, als met een bijl.<br \/>\nDe oude vrouw wankelde; ik snelde naar haar toe; mevrouw naar mij; mijn man naar mevrouw.<br \/>\n\u2014 Dank je, mijn kind, \u2014 zei grootmoeder tegen mij. \u2014 Maak je niet druk, maak mevrouw niet boos.<br \/>\nMaar mevrouw had al mijn vlechten vastgegrepen.<br \/>\n\u2014 Genoeg, mevrouw, genoeg! \u2014 bulderde mijn man, haar beide armen grijpend. \u2014 Dit gebeurt niet meer! Genoeg!<br \/>\nMevrouw, woedend en verbijsterd, kon alleen uitroepen:<br \/>\n\u2014 Wat? Hoe? H\u00e8?<br \/>\nToen ze enigszins bijkwam, richtte ze zich tot Prokip. Maar hij bleef bij zijn woord:<br \/>\n\u2014 Nee, genoeg!<br \/>\nToen begon ze te gillen. Mensen kwamen toegesneld en keken toe. Mijnheer kwam aangerend zo snel hij kon.<br \/>\n\u2014 Wat is hier aan de hand?<br \/>\nMijn man liet toen mevrouw los.<br \/>\n\u2014 Kijk eens naar je trouwe zielen! \u2014 bracht mevrouw met moeite uit. \u2014 Dank je!.. Waarom zeg je niets? \u2014 schreeuwde ze nog harder. \u2014 Ze hebben me bijna de armen gebroken en jij zwijgt!<br \/>\n\u2014 Wat is hier gebeurd? \u2014 vroeg mijnheer angstig aan alle kanten.<br \/>\nMevrouw begon te vertellen: dat de oude haar had bestolen, dat ze allemaal haar naar het leven stonden \u2014 wat verzon ze niet! Ze snikte, schreeuwde en vloekte, totdat ook mijnheer woedend werd. Hij sprong op mijn man af.<br \/>\n\u2014 Schurk!<br \/>\n\u2014 Kom niet dichterbij, heer, kom niet dichterbij! \u2014 zei mijn man somber.<br \/>\n\u2014 Aha, ik zie het al, \u2014 zei mijnheer, \u2014 hier is te weinig plaats voor jou. Wacht maar: je kunt je als soldaat uitleven \u2014 zoveel je wilt!<br \/>\nMevrouw gilde:<br \/>\n\u2014 Naar het leger met hem, naar het leger!.. Nu is er toch een lichting in de stad; breng hem meteen weg!<br \/>\n\u2014 Pak hem! \u2014 riep mijnheer tegen de mensen. \u2014 Bind zijn handen!<br \/>\nProkip verzette zich niet, stak zelf zijn handen uit en glimlachte zelfs. En Nazar fluisterde me onder dat rumoer toe:<br \/>\n\u2014 Waarom ben je bang? Waarom huil je? Erger wordt het niet!.. Of het beter wordt \u2014 dat weet ik niet&#8230;<\/p>\n<p>XLII<br \/>\nZe brachten Prokip het huis in. Een wachter stond bij de deur. Op de binnenplaats werd de wagen ingespannen; Nazar spande de paarden voor mijnheer in. Mijn man dacht lang na en zei toen:<br \/>\n\u2014 Oestja! Kom naast me zitten!<br \/>\n\u2014 Wat heb je gedaan, mijn duifje! Wat heb je over jezelf afgeroepen! \u2014 zei ik tegen hem.<br \/>\n\u2014 Wat heb ik afgeroepen? Jij zult vrij zijn \u2014 d\u00e1t is wat! Jij zult vrij zijn, Oestja!<br \/>\n\u2014 Vrijheid, \u2014 zei ik, \u2014 maar zonder jou! Wat werd het bitter in mijn hart!..<br \/>\n\u2014 Vrijheid! \u2014 riep hij uit. \u2014 Vrijheid!.. In vrijheid zijn ongeluk en rampspoed niet meer zo angstaanjagend. In vrijheid zal ik bergen verzetten! Maar een lijfeigene \u2014 hoe het hem ook meezit, alles keert zich uiteindelijk tegen hem.<br \/>\nToen ratelde de wagen de binnenplaats op. Ze brachten Prokip naar buiten. Zoals ik was, sprong ik bij hem op de wagen. Grootmoeder zegende mij en hem:<br \/>\n\u2014 Moge de Moeder Gods jullie helpen, kinderen! \u2014 En stille tranen liepen uit haar zachte ogen.<br \/>\nZe reden met ons weg. Gelukkig had mevrouw zich niet op tijd op mij bezonnen terwijl ze mijnheer voor de reis voorbereidde \u2014 anders had ze me niet laten gaan!<br \/>\nWe reden zwijgend, hand in hand. Ik huilde niet, ik klaagde niet, alleen mijn hart bonsde, mijn hart beefde&#8230;<br \/>\nWe naderden de stad. Mijnheer reed ons voorbij. We reden de stad binnen, ratelden snel door de straten en hielden stil bij een groot gebouw.<br \/>\nProkip liet mijn hand los:<br \/>\n\u2014 Oestja, wees niet bedroefd.<br \/>\nZe brachten hem naar de aanmelding. Ik ging op de stoep zitten, als op een graf.<br \/>\n\u2014 Geef je niet over aan verdriet, \u2014 zei Nazar. \u2014 De duivel zal het ongeluk wel doorstaan: \u00e9\u00e9n gaat voorbij, tien komen ervoor in de plaats.<br \/>\nEn zijn haar werd al als met sneeuw bestrooid; hij probeerde mij op te beuren, maar hemzelf kon, zo te zien, niemand meer troosten.<br \/>\nEn toen brachten ze mijn man naar buiten&#8230; Mijn God, mijn wereld! Mijn hart stond stil; en hij was vrolijk, als met Pasen&#8230;<\/p>\n<p>XLIII<br \/>\nIk bleef met mijn man in de stad. Die tijd ging snel voorbij, als een heilige vonk die opflitst \u2014 maar ik zal hem nooit vergeten!<br \/>\nMijn man werd meteen toegewezen aan een \u201coom\u201d, een echte soldaat, om de militaire kunst te leren. Die \u201coom\u201d was lang van gestalte, met zwarte ogen; zijn haar en snor stonden als borstelharen omhoog; hij liep rechtop, sprak luid, gedroeg zich trots.<br \/>\nWij bogen voor hem, maar hij zei niets; hij keek Prokip alleen somber aan. Prokip gaf hem geld:<br \/>\n\u2014 Vergeef me, oom, dat het weinig is: een lijfeigene kan niet veel bijeenbrengen.<br \/>\nDe \u201coom\u201d kuchte, spuugde:<br \/>\n\u2014 Kom mee!<br \/>\n\u2014 Laten we de stad in gaan, mijn vrouw, laten we wat wandelen! \u2014 zei Prokip tegen mij. En we gingen. We liepen door straten en steegjes, wandelden samen, en hij vroeg:<br \/>\n\u2014 Nou, Oestja, voel je dat je nu een vrije ziel bent?<br \/>\nEn hij lachte terwijl hij me in de ogen keek.<br \/>\nHoe onrustig ik ook was, hoe mijn hart ook treurde \u2014 ik glimlachte toch en voelde zelfs een zweem van vreugde.<br \/>\nIk vond een huisje dat te huur stond, maar we hadden geen geld. En waar moesten we het vandaan halen? Niets om te verkopen. Toen ik vertrok, had ik niets meegenomen. En ik had ook geen grote schatten: een paar hemden, twee rokken, nog een jasje en een schapenvachtje. Het was me toen niet te doen om die spullen mee te nemen, en later gaf mevrouw ze niet meer terug.<br \/>\nToen dacht ik: \u201cIk zal als dagloonster gaan werken!\u201d Ik overlegde met Prokip en we gingen naar de vrouw die het huis verhuurde. We vertelden haar ons ongeluk en vroegen of ze het goed vond dat we haar per dag voor de huur zouden betalen.<br \/>\n\u2014 Goed, \u2014 zei ze, \u2014 als jullie geld hebben, betalen jullie per dag; en als jullie het niet hebben, wacht ik wel op jullie.<br \/>\nZo trokken we bij haar in.<\/p>\n<p>XLIV<br \/>\nOnze hospita was een oude weduwe, vriendelijk en hartelijk \u2014 en wat kon ze praten! Ze vertelde maar en vertelde maar, steeds over haar eigen verdriet: dat haar hele familie was uitgestorven, dat zij alleen in de wereld was overgebleven, als een grasspriet in het veld. Ze zuchtte voortdurend en moest vaak huilen. Ook om ons vergoot ze menige traan: als mijn man en ik samen zaten te praten, begon zij te huilen en zei dat wij jong waren, mooi \u2014 God zij dank \u2014 dat we moesten leven en leven en de mensen met ons geluk verblijden&#8230; Ze sprak zo en huilde. Wij probeerden haar te troosten! Pas als de \u201coom\u201d binnenkwam en haar bars toesprak \u2014 \u201cdaar heb je haar weer, dat oude mens dat zit te jammeren!\u201d \u2014 werd ze stil.<br \/>\nZe was erg bang voor hem, zo\u2019n man was hij: je kon hem niet aanspreken, niets aan hem vragen.<br \/>\n\u2014 Wat is dat toch voor een mens! \u2014 zei de oude vrouw vaak. \u2014 Zo streng en onvriendelijk \u2014 God beware! Heeft hij soms nooit familie gehad? Wie weet!<br \/>\nVroeg in de ochtend sprong ik op en ging dagwerk doen. Laat kwam ik terug. In mijn hand had ik het verdiende geld. Vrolijk haastte ik me naar huis.<br \/>\nVaak kwam mijn man me al op de weg tegemoet; hij kneep mijn hand stevig en vroeg zacht:<br \/>\n\u2014 Ben je erg moe geworden, Oestja?<\/p>\n<p>XLV<br \/>\nOp een avond zaten we samen: de soldaat op de bank met zijn pijp, de hospita bij het raam, en Prokip en ik wat verderop. We zaten stil, toen er op de deur werd geklopt. En daarna klonk er:<br \/>\n\u2014 Goedenavond!<br \/>\nHet was Nazar!<br \/>\nHij kwam binnen en stond voor ons, zijn hoofd bijna tegen het plafond; een pijp tussen zijn tanden; zijn grijze haren leken zich in dikke krullen te verbergen.<br \/>\n\u2014 Moge God de hospita en allen hier helpen!<br \/>\n\u2014 Dank u! U bent welkom! \u2014 begroette de oude vrouw hem.<br \/>\n\u2014 Waar kom jij ineens vandaan, Nazar? \u2014 vroeg Prokip. \u2014 Alsof je uit de grond bent opgestaan!<br \/>\n\u2014 Ik kom daar vandaan, \u2014 zei hij, \u2014 waar goede mensen hun zwerftochten beginnen.<br \/>\nDe \u201coom\u201d bewoog zich en keek naar de deur.<br \/>\n\u2014 Waarom draai je je zo, soldaat? We zijn van hetzelfde geloof \u2014 wees niet verlegen.<br \/>\nDe soldaat bleef naar de ramen en de deur kijken.<br \/>\n\u2014 Kijk eens wat een vurige blik! Wil je soms de wind op het veld vangen? Je bent zelf ook een man van de steppe&#8230; Maar probeer het niet \u2014 je vangt hem toch niet. Geef me liever vuur voor mijn pijp&#8230; Hoe gaat het jullie hier? \u2014 vroeg hij ons. \u2014 Wat kosten de vlugge en mooie vrouwen in de stad? \u2014 en hij knipoogde naar mij.<br \/>\n\u2014 En hoe is het bij jullie daar? \u2014 vroeg ik hem.<br \/>\n\u2014 Hoe?! Ze geven je de vrije keuze, naar de wil van de mensen: verdrink je maar, of ga anders ten onder.<br \/>\n\u2014 Ach, mijn arme ik! Wat een tijden! \u2014 zuchtte de hospita.<br \/>\nDe soldaat draaide slechts aan zijn snor.<br \/>\n\u2014 En de oude vrouw? \u2014 vroeg ik.<br \/>\n\u2014 Ze leeft. De oude verdraagt alles. Ze laat jullie groeten. Ik vroeg wat mevrouw over jullie zei.<br \/>\n\u2014 Aha! Ze gaf mijnheer flink op zijn kop: \u201cDoor jouw toegeeflijkheid,\u201d zei ze, \u201czijn we twee arbeiders kwijtgeraakt! Wie is hier nu de dwaas?\u201d \u2014 dat zei mevrouw. Maar ik zeg: dwaas of niet, toen hij voor haar stond, leek hij niet eens een beetje verstandig.<br \/>\nOndertussen nodigde de hospita ons uit om te eten. Nazar haalde een fles wodka uit zijn jas en zette die op tafel.<br \/>\n\u2014 Laten we drinken, \u2014 zei hij, \u2014 want ons leven is kort!.. Op jullie gezondheid, met zwarte wenkbrauwen!<br \/>\nDe soldaat zei:<br \/>\n\u2014 Wat voor wodka is dat? Je kunt beter water drinken dan zulke wodka!<br \/>\n\u2014 Wie wil, kan zelfs water drinken, \u2014 antwoordde Nazar.<br \/>\n\u2014 De wodka lijkt me goed, \u2014 zei de hospita.<br \/>\n\u2014 Moge de herbergier zo\u2019n goed leven hebben! \u2014 bromde de soldaat. Toch dronk hij nog een glas, en nog een, en nog een. Hij dronk, spuugde, vloekte en dronk opnieuw.<br \/>\nDe oude vrouw keek verbaasd en schudde haar hoofd, maar kon zich niet inhouden:<br \/>\n\u2014 Waarom scheldt u zo op de drank?<br \/>\n\u2014 Dat gaat je niet aan, vrouw! \u2014 riep de soldaat. \u2014 Voor vrienden drinken we alles.<br \/>\n\u2014 Dan op uw gezondheid!<br \/>\n\u2014 Zo is onze Moskouse goedheid! \u2014 voegde Nazar toe.<br \/>\nWe aten en praatten; de soldaat bleef drinken. Hij werd bleek en boog zich over de tafel. Hij keek naar ons, naar mijn man en mij, en zei:<br \/>\n\u2014 Ach, jonge mensen, jonge mensen! Jullie zullen niet lang samen leven&#8230; Maar goed, treur niet!.. Jullie hebben geleefd, genoten \u2014 en dat is genoeg. Er zijn er die vanaf hun doeken geen liefde of goedheid kennen \u2014 hun hele leven onder de stok&#8230; Zo leef je dan!.. Zonder familie, zonder verwanten, zonder welkom, zonder raad \u2014 midden in alle rijkdom!<br \/>\nToen vroeg de oude vrouw hem:<br \/>\n\u2014 En waar is uw familie, oom? Waar komt u vandaan?<br \/>\n\u2014 Van de kantonisten! \u2014 antwoordde de soldaat somber. \u2014 Van diegenen van wie men zei dat ze door de cholera waren uitgedund. Geen familie \u2014 ik heb ze nooit gekend.<br \/>\n\u2014 En uw moeder?<br \/>\n\u2014 Ik zei toch: ik weet het niet!.. Waarom die dwaze vragen?<br \/>\n\u2014 Zo ben ik nu ook zonder familie! \u2014 snikte de hospita.<br \/>\n\u2014 En zij klaagt nog! \u2014 riep de soldaat. \u2014 Wat is jouw verdriet! Pah! Echt verdriet is als je niemand hebt om te gedenken en niemand jou herdenkt; nergens om heen te gaan en nergens om te blijven. Alles is vreemd voor je: het huis, de mensen, je kleren&#8230; Man van de steppe! \u2014 zei hij tegen Nazar. \u2014 Ja, broer! Mij hebben ze uit de kazernes gehaald&#8230; Mooie steppen waren dat waarschijnlijk!.. Geef me wodka, vrouw! Laten we tot de bodem drinken, want op de bodem liggen onze jonge jaren!<br \/>\nEn de tranen rolden over zijn wangen. Hij lachte tegelijk en dronk&#8230; Toen viel hij op de bank in slaap.<br \/>\n\u2014 Wel, op deze woorden \u2014 blijf gezond! \u2014 zei Nazar. \u2014 Vaarwel, broer Prokip!.. O ja, ik vergat bijna: ik heb wat geld voor je meegebracht \u2014 vijf roebel. Gebruik ze in gezondheid!<br \/>\n\u2014 Dank je, broer! Ik weet niet wanneer ik je zal kunnen terugbetalen.<br \/>\n\u2014 Ach! Als we maar leven! Dat is geen geld van mijnheer \u2014 dat is broedergeld; daar hoef je niet bedroefd om te zijn. Ik verdien wel weer wat: ik ben nu een half jaar vrij; zelfs met honden zullen ze me niet vangen.<br \/>\nEn hij ging weg, na afscheid te hebben genomen. Dat was het laatste dat we van hem zagen.<\/p>\n<p>XLVI<br \/>\nHeer, mijn God! Wat voor leven hadden wij toen! Hoewel met armoede, hoewel met verdriet \u2014 maar toch zo lief, zo gezegend! Het was licht om adem te halen, vrolijk om rond te kijken en te denken: wat ik verdien is helemaal voor mezelf; als ik zit en praat \u2014 ik ben voor niemand bang; of ik werk of niet \u2014 niemand dwingt me, niemand valt me lastig. In mijn ziel en in mijn lichaam voelde ik dat ook ik leefde.<br \/>\nEn toen kwam in het voorjaar het gerucht: de soldaten trekken op veldtocht!<br \/>\n\u2014 Dat is niet waar! \u2014 probeerde ik mezelf te overtuigen; maar mijn hart voelde meteen dat het w\u00e9l waar was. En toen kwam ook het bevel: gereedmaken voor de veldtocht!<br \/>\nProkip probeerde me op te vrolijken, legde uit dat dit ongeluk tijdelijk was, dat hij zou terugkeren, zei hij \u2014 en dan zouden we vrij zijn.<br \/>\n\u2014 Ja, ja! \u2014 zei ik. \u2014 Ja, mijn liefste!<br \/>\nMaar mijn hart deed pijn, en de tranen stroomden.<br \/>\nDe dag van vertrek werd vastgesteld. We gingen naar de hoeve om afscheid te nemen. Mijnheer en mevrouw waren niet thuis; alleen grootmoeder beheerde het huishouden. Ach, mijn lieve grootmoedertje! Ik herkende haar al van verre op de binnenplaats, en zodra ik haar herkende, begon ik te huilen. Alleen haar levende ziel hield haar nog in leven. Ik liep naar haar toe en omhelsde haar als mijn eigen moeder.<br \/>\n\u2014 Waarom huil je, mijn duifje? \u2014 vroeg ze zacht.<br \/>\n\u2014 En u blijft hier achter, in deze hel!<br \/>\n\u2014 Ja, vogeltje, hier blijf ik. Hier ben ik geboren, hier ben ik gedoopt, hier ben ik wees geworden\u2026 hier zal ik ook sterven, mijn kind.<br \/>\n\u2014 En zult u tot aan uw dood blijven lijden?<br \/>\n\u2014 Ik zal lijden, vogeltje.<br \/>\nZe zegende ons als haar eigen kinderen, gaf ons wat ze kon. We namen afscheid en gingen\u2026 En meer dan eens draaiden we ons om en keken terug. Grootmoeder stond op de drempel; rondom was het stil; overal was het helder; van het veld waaide een briesje; uit de bosjes kwam koelte; ergens ruiste water; en hoog boven alles straalde en schitterde de hoge, stralende zon\u2026<\/p>\n<p>XLVII<br \/>\nIk begeleidde mijn man tot in Kyiv. In Kyiv bleef ik dienen, en hij trok met het leger ver weg, naar Litouwen.<br \/>\n\u2014 Droog je niet uit met tranen, liefste! \u2014 zei hij. \u2014 Ik kom terug\u2026 hoop ik. Hoop jij ook. Wacht op mij!<br \/>\nIk wacht\u2026 O, wat is die dienst toch lang! Het is al zeven jaar sinds hij vertrok. Zal ik hem ooit nog zien?.. In mijn eigen dorp ben ik niet geweest. Via anderen heb ik gehoord dat iedereen nog leeft. Alles gaat daar zoals vroeger. Grootmoeder leeft en lijdt, en van Nazar is er geen enkel nieuws.<br \/>\nIk dien, neem werk aan, verdien wat ik kan. Wat is ons geld? Het is met bloed verdiend! En toch wordt het mij soms zo licht, zo vrolijk te moede, wanneer ik denk dat als ik maar wilde \u2014 ik die dienst onmiddellijk zou kunnen verlaten. Ik denk daaraan \u2014 en houd het weer een jaar vol. Die gedachte troost en sterkt me, dat ik vrij ben, dat mijn handen niet gebonden zijn. \u201cDit ongeluk is tijdelijk, niet eeuwig!\u201d \u2014 denk ik.<br \/>\nHoe zou ik mijn man ook maar \u00e9\u00e9n ogenblik kunnen vergeten? Hij heeft mij uit de hel, uit het juk bevrijd!.. Eerder zal God mij vergeten! Hij is mijn man en mijn weldoener. Zegen hem, Moeder Gods: ik ben vrij! En ik loop, en ik spreek, en ik kijk rond \u2014 het kan me niet schelen dat er heren in de wereld zijn!<\/p>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>Marko Vovtsjok Het instituutsmeisje (1861) \u0406\u043d\u0441\u0442\u0438\u0442\u0443\u0442\u043a\u0430 &#8211; \u041c\u0430\u0440\u043a\u043e \u0412\u043e\u0432\u0447\u043e\u043a Vertaling Rien Hamers \u00a0 Voor Taras Sjevtsjenko I Mensen verbazen zich dat ik zo vrolijk ben: ze denken dat ik nooit verdriet of ellende heb gekend. Maar ik ben nu eenmaal zo geboren. \u201cWord geboren &#8211; en aard naar je natuur,\u201d zeggen ze. Het gebeurde dat [&hellip;]<\/p>\n","protected":false},"author":1,"featured_media":0,"parent":0,"menu_order":0,"comment_status":"closed","ping_status":"closed","template":"","meta":{"footnotes":""},"class_list":["post-1155","page","type-page","status-publish","hentry"],"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/www.oekrned.nl\/wpwrdbk\/wp-json\/wp\/v2\/pages\/1155","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/www.oekrned.nl\/wpwrdbk\/wp-json\/wp\/v2\/pages"}],"about":[{"href":"https:\/\/www.oekrned.nl\/wpwrdbk\/wp-json\/wp\/v2\/types\/page"}],"author":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.oekrned.nl\/wpwrdbk\/wp-json\/wp\/v2\/users\/1"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.oekrned.nl\/wpwrdbk\/wp-json\/wp\/v2\/comments?post=1155"}],"version-history":[{"count":1,"href":"https:\/\/www.oekrned.nl\/wpwrdbk\/wp-json\/wp\/v2\/pages\/1155\/revisions"}],"predecessor-version":[{"id":1156,"href":"https:\/\/www.oekrned.nl\/wpwrdbk\/wp-json\/wp\/v2\/pages\/1155\/revisions\/1156"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/www.oekrned.nl\/wpwrdbk\/wp-json\/wp\/v2\/media?parent=1155"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}