{"id":1157,"date":"2026-05-05T12:07:09","date_gmt":"2026-05-05T11:07:09","guid":{"rendered":"https:\/\/www.oekrned.nl\/wpwrdbk\/?page_id=1157"},"modified":"2026-05-05T12:07:21","modified_gmt":"2026-05-05T11:07:21","slug":"maroesja","status":"publish","type":"page","link":"https:\/\/www.oekrned.nl\/wpwrdbk\/maroesja\/","title":{"rendered":"Maroesja"},"content":{"rendered":"<p>Marko Vovtsjok<br \/>\nMaroesja (1862)<br \/>\n\u041c\u0430\u0440\u0443\u0441\u044f &#8211; \u041c\u0430\u0440\u043a\u043e \u0412\u043e\u0432\u0447\u043e\u043a<br \/>\nVertaling Rien Hamers<\/p>\n<p>I<br \/>\nWat ik u ga vertellen, speelde zich lang, heel lang geleden af in Oekra\u00efne, in een afgelegen uithoek, en tot op de dag van vandaag is het verhaal nog niet over de wereld verspreid. Grootmoeder, die het mij vertelde, verzekerde mij dat er in zulke afgelegen streken heel wat eerlijke, grootse gebeurtenissen te vinden zijn, net als prachtige bloemen. En zo vertelde grootmoeder, zij was al zeer oud en had veel geleefd in deze wereld:<br \/>\n\u201cVeel heb ik gezien en veel heb ik meegemaakt,\u201d zei ze, \u201cmaar niets ter wereld kan zich meten met die bloemen die in de eenzaamheid groeien. Met die gebeurtenissen die verborgen blijven in de wildernis. Eeuwen komen en gaan, maar even weelderig en fris blijven die bloemen het oog lokken met hun pracht, en die stille, verheven gebeurtenissen verzachten en kalmeren het menselijke hart.\u201d<br \/>\nLang, heel lang geleden stond er in Oekra\u00efne een hoeve, en op die hoeve woonde de kozak Danylo Tsjaban met zijn vrouw en kinderen.<br \/>\nDe hoeve waar zij leefden was zo mooi dat zelfs de meest veeleisende mens zich niets beters had kunnen wensen. Ze was Danylo toegevallen na door de handen van ontelbare overgrootvaders en -moeders te zijn gegaan. En iedereen weet: waar een Oekra\u00efner en een Oekra\u00efense vrouw zich vestigen, daar bloeit meteen een kersentuin naast het witte huisje, verspreiden allerlei bloemen hun geur, slingeren kromme paadjes door steppe en bos, en klinken melodieuze liederen. Je kunt je dus voorstellen wat voor tuin het was, gekoesterd door zoveel generaties van de Tsjabans; hoeveel bloemen er groeiden, hoeveel geliefde plekjes er waren, in de steppe, in het bos en op de aangrenzende weide, en wat een rijkdom aan liederen!<br \/>\nZelfs God had deze hoeve gelukkig geplaatst tussen steppe en bos, rivier en weide, berg en dal. Aan de ene kant verdween de groene, eindeloze, geurige steppe uit het zicht, golvend van groen; aan de andere kant rezen bergen op naar de hemel, soms begroeid met bomen en zacht gras, soms rotsachtig en kaal. Aan de derde kant bloeide een prachtige vallei, geheel verlaten, zonder sporen of wegen. Aan de vierde kant stroomde een rivier: soms rustig door de weide, langs zachte oevers, waarin zij alleen de hemel en zijn sterren weerspiegelde en het wuivende riet, dan weer plots tussen twee rotsige kloven terechtkwam en onder hun machtige boog luid ruiste.<br \/>\nO God, hoe mooi was het op een zomerse ochtend, wanneer de zon opkwam, de weide fonkelde van dauwdruppels, vogels opvlogen uit het riet en een lichte nevel boven de rivier opdook! Hoe zoet waren in die zorgeloze vallei, bij de eerste zonnestralen, de vroege geuren van gras en bloemen! En hoe fris stonden de bergen na de stille nacht, verguld door licht en glans! En de bossen, die zacht ritselden met hun bladeren! En de eindeloze steppe, geheel bedekt met schaduwen en stromend licht!<br \/>\nDit was de ochtend \u2014 maar wat voor een dag! Een dag waarop alles in de natuur ontwaakt was en leefde in volle overvloed van licht, leven en bedrijvigheid. Hoe ruiste het frisse bos, hoe straalde de zorgeloze vallei. Hoe koesterde de weelderige steppe, en wat deed het diepe geruis van de rivier, samen met het trillen van het heldere riet, met de menselijke ziel!<br \/>\nEn de avond! Die stille, roze avond die de aarde omhult met duisternis en koelte. En de sterren die de hemel vullen, en de maan boven de horizon, een strook maanlicht over de donkere steppe, het bosrandje verzilverd door glans, de kelken van nachtelijke bloemen in de vallei zacht verlicht door het maanlicht; sterren fonkelen in de diepte van de rivier en murmelen in stille beekjes; de ene berg geheel in nevel gehuld, de andere opgelicht, en een helder lichtje in het huisje dat verzonken ligt midden in de bloeiende tuin!<br \/>\nEn naast dit dankbare samenzijn van zachte weide en diepe rivier, van majestueuze bergen en bloemrijke vallei, van ruisend bos en golvende steppe, was er nog het goede nabuurschap: dat van goede mensen van kozakkenafkomst.<br \/>\nOp elke feestdag trokken de Tsjabans ofwel zelf op bezoek, ofwel moesten zij speuren wie daar over het steppepad naar hun huis kwam: Semen Vorosjylo of Andrij Kroek; of ze gingen ze tegemoet wanneer ze in de vallei het luide gepraat hoorden van de vrolijke en knappe Hanna, die voorop liep bij de andere meisjes en jonge vrouwen, met een enorme, kleurrijke, pas gevlochten krans op haar hoofd; of ze wachtten aan de oever tot het wankele bootje van Ivan Hrom naderde.<br \/>\nMaar wat heeft het voor zin om alle vrienden en kennissen op te sommen, om te vertellen over al hun vermaken en spelletjes, hun hartelijke ontmoetingen, lieve weerziens en zachte afscheid?Onder vreemden kan het liefste vermaak saai lijken en de grootste vreugde onbegrijpelijk. Dat is bekend, net als het feit dat soms geen enkel aantrekkelijk feest kan tippen aan een rustig gesprek tussen goede bekenden, en geen welsprekendheid het zwijgende gezelschap van een trouwe vriend kan vervangen. Het lijkt mij daarom het beste eenvoudig te zeggen dat het leven op de hoeve zeer goed was, zo goed, dat niemand er ooit aan dacht iets te veranderen of te verfraaien.<br \/>\nMaar het menselijke leven is, zoals men zegt, geen eenvoudige, gladde weg. O, hoeveel kuilen, afgronden en avonturen zijn er!<br \/>\nEn zo ging er door Oekra\u00efne een slechte geruchtenstroom, en wat erger was: er begonnen lelijke dingen te gebeuren. Hoe geuriger en frisser de bloem, hoe sneller men ernaar reikt en haar \u201com haar schoonheid plukt\u201d. Mooi was Oekra\u00efne, en daarom stroomden Tataren en andere vijanden toe, die haar verscheurden en elkaar overtroffen in bedrog, hebzucht en verraad.<br \/>\nEr waren vele bloedige, dreigende veldslagen, zware omwentelingen, droevige en angstaanjagende gebeurtenissen, het zou lang vergen om ze allemaal te vertellen.<br \/>\nOnder Bohdan Chmelnytsky \u2014 ik hoop dat u allen wel eens van hem hebt gehoord en een beetje weet wat voor hetman hij was \u2014 leek Oekra\u00efne even op adem te komen. Maar na zijn dood begonnen opnieuw zulke verwoestingen en zo\u2019n rampspoed, dat men zegt dat toen zelfs de felste ogen huilden en de wijste hoofden beneveld raakten.<br \/>\nHet Oekra\u00efense volk viel uiteen in groepen: sommigen kozen de kant van de Groot-Russen, anderen die van de Polen, weer anderen zochten vriendschap met de Tataren. Zoals helaas zo vaak gebeurt, raakten persoonlijke belangen vermengd met het gemeenschappelijke doel; er ontstonden ruzies en twisten, en uiteindelijk gebeurde wat het spreekwoord zegt: \u201cZe spanden het paard recht in, maar reden toch scheef.\u201d<\/p>\n<p>II<br \/>\nOp een avond verzamelden zich gasten bij Danylo Tsjaban. De avond was stil en donker; de gasten waren in gedachten verzonken en somber, de gastheer en -vrouw niet bedrijvig en niet vrolijk. Men sprak meer met de ogen dan met woorden. Het leek alsof allen door dezelfde gedachten werden omhuld en alsof dezelfde zorgen als een last op ieders hart drukten. Af en toe richtte men zich met vragen tot Andrij Kroek over de stad Tsjyhyryn, en wanneer men sprak, ging het steeds weer over die stad Tsjyhyryn.<br \/>\nHet was duidelijk dat Andrij Kroek die stad goed kende: zonder te aarzelen antwoordde hij, en met zijn verhaal leek hij als het ware de muren van Tsjyhyryn te tekenen, haar straten en haar vestingwallen.<br \/>\nDe vrouwen luisterden bedrukt naar het gesprek van de mannen; wanneer dat gesprek verstomde en rookwolken de snorrengezichten begonnen te omhullen, fluisterden zij zachtjes onder elkaar. In dat gefluister ging het telkens over veldslagen, over verbrande steden, verwoeste dorpen, over mensen die in de strijd waren gesneuveld. Steeds bleker werden de vrouwen gezichten, steeds vaker glansden tranen in hun ogen.<br \/>\nE\u00e9n oude vrouw zat erbij alsof zij versteend was, onbeweeglijk; slechts af en toe, wanneer iedereen zweeg, sprak zij, alsof zij plots ontwaakte:<br \/>\n\u2014 Mijn beide mannen zijn gegaan. Ik heb ze zelf uitgezwaaid!<br \/>\n\u2014 De jouwe is ook gegaan? \u2014 vroeg een jong meisje zacht aan haar vriendin, van wie het bleke gezicht en de koortsachtige levendigheid verrieden dat ook zij pas kort geleden \u201cde hare\u201d had uitgezwaaid.<br \/>\n\u2014 Hij is vertrokken. Gisteravond hebben wij\u2026<br \/>\nZe wilde iets vertellen, maar haar lippen begonnen te beven en verstijfden, ze vertelde niets, en haar vriendin vroeg niet verder.<br \/>\nDe kinderen ravotten niet en maakten geen lawaai; ze kropen ergens in een hoekje weg en dachten met gefronste gezichtjes hun eigen gedachten, of ze gingen dicht bij de ouderen zitten, spitsten hun oren en probeerden elk woord en elke blik op te vangen.<br \/>\nAlleen \u00e9\u00e9n heel klein meisje, met een blond hoofdje, enorme glanzende ogen en rode lipjes, was ijverig met haar eigen bezigheid bezig. Van concentratie en drukte stak ze zelfs haar puntige tongetje uit en, het hoofdje schuin gehouden, bond ze kleine bosjes gras samen.<br \/>\nHet werd steeds later, en in huis werd het steeds stiller. Al snel lag ook het kleine meisje, de bosjes uit haar handjes gegleden, zelf als een bundeltje aan de voeten van haar moeder, stevig omhelsd door de slaap en geheel bedekt met lange lokken lichte krullen.<br \/>\nBuiten was het donker, en binnen werd het doodstil. Plotseling klopte iemand op het raam\u2026<br \/>\nHet gebeurde zo onverwacht dat niemand het eerst geloofde. Maar er werd nog eens geklopt, en nog een keer, duidelijk, helder en luid.<br \/>\nDe gastheer stond op en ging de deur opendoen; zijn gasten en vrienden bleven, zoals tevoren, rustig aan hun pijpen trekken; de vrouwen schrokken, de kinderen sidderden.<br \/>\nDanylo deed de deur op een kier en vroeg wie er klopte. Hij kreeg antwoord met een stem waarvan het raam rinkelend meeklonk: een vermoeide reiziger vroeg de vriendelijke gastheer om toestemming even te mogen rusten.<br \/>\nDanylo antwoordde: \u201cWees welkom,\u201d en zette de deur wijd open om de reiziger binnen te laten.<br \/>\nDoor de open deur stroomde geurige avondlucht naar binnen en een paar bleke sterren flitsten even op; toen werd de deuropening gevuld door een reusachtige menselijke gestalte. In alle hoeken klonk het zwaar en galmend: \u201cGod helpe,\u201d en met diep gebogen hoofd, zijn machtige schouders zijwaarts dragend, stapte de reiziger het huis binnen.<br \/>\nAls er in huis mensen met een zenuwachtiger aard waren geweest, zouden zij ongetwijfeld van hun stuk zijn gebracht en niet hebben geweten hoe deze reiziger te begroeten. Hoewel krachtige, schitterende kozakkenschoonheid in Oekra\u00efne geen zeldzaamheid was, zou het toch moeilijk zijn geweest een gelijke te vinden aan deze reiziger die Danylo Tsjabans huis betrad. Zijn enorme lengte, samen met een wonderlijke slankheid en slangachtige soepelheid; zijn zongebruinde, strenge gezicht met vurige ogen; zijn opmerkzaamheid voor alles en tegelijk zijn vrije, rustige kalmte, dit alles had iedereen doen huiveren.<br \/>\nMaar in Danylo\u2019s huis hadden zich mensen verzameld die niet snel in paniek raakten. Daarom begroetten zij de vermoeide reiziger zoals het een vermoeide reiziger betaamt: men nodigde hem vriendelijk uit te gaan zitten en onthaalde hem hartelijk met wat God had gegeven.<br \/>\nDe reiziger onderscheidde zich door eenvoud, bescheidenheid, welwillendheid en natuurlijkheid. Als een doortrekkend man, hier aan niemand bekend, viel hij geenszins op; evenmin liet hij zijn nieuwsgierige blik door alle hoeken van het huis dwalen, noch stelde hij sluwe of ijdele vragen over het leven van de gastheer. Helemaal niet. Geen moment. En als hij sprak, dan alleen over de gemeenschappelijke zaken die iedereen toen bezighielden en verontrustten: over vijandelijke plunderingen, over de verwoesting en verarming van Oekra\u00efne, over roof en geweld die hij onderweg had gezien. Hij vroeg de gastheer of het hier voorlopig rustig was en of de omliggende wegen veilig waren.<br \/>\nDe gastheer en zijn gasten toonden zich op hun beurt voorbeeldig. Bij het zien van zo\u2019n reiziger kwamen hun ongetwijfeld vragen op die hen de tong deden jeuken: waar kwam hij vandaan en waarheen was hij onderweg? Hoeveel bergen en dalen had hij doorkruist voordat zijn sterke lichaam vermoeid raakte? Reisde hij uit gelofte, uit noodzaak of uit een bevlieging? Waar was hij geboren en gedoopt, als hij sprak over de ongelovige Turk als over een vaak gevangen wild dier, over de Polen als over heren die hij herhaaldelijk had meegemaakt, over de Moskovieten als over bojaren die hij goed kende? Hij kende ongetwijfeld ook de Zaporozjer Sietsj en had heel Oekra\u00efne van rand tot rand gezien.<br \/>\nMaar niemand stoorde de reiziger, en niemand verlaagde zichzelf met sluwe of open vragen. Terwijl zij spraken, keken zij slechts naar hem, naar zijn eenvoudige kleding, en vroegen zich in stilte af waar die rustige akker lag, door zijn handen bewerkt, waarop hij het grote litteken had opgelopen dat van zijn gebogen neus tot aan zijn waakzame oor liep.<br \/>\nHoe langer het gesprek duurde, hoe spraakzamer de reiziger werd. Aangemoedigd door de aandacht van allen en het zwijgende medeleven begon hij de recente gevechten zo levendig en fel te beschrijven dat iedereen de adem inhield, alsof zij zelf met eigen ogen de echte veldslagen zagen. De ogenschijnlijk rustige kozakken raakten opgewonden; de vrouwen riepen uit en huilden; de kinderen, die de alles overwinnende slaap hadden verloren, zaten met half geopende mondjes en wijd open ogen roerloos op hun plaats, alsof zij betoverd waren.<br \/>\nPlotseling klonken scherp twee pistoolschoten, kort na elkaar. Iedereen in huis werd stil en spitste de oren. De schoten kwamen ergens uit de verre steppe, en opnieuw keerde dezelfde kalme stilte terug. Het zwijgen hield aan; geen enkel geluid volgde, behalve het waaien van geurige lucht door de bloeiende takken van de tuin die het huis omringde.<br \/>\n\u2014 Zelfs tot jullie hoeve reikt dat stemmetje, \u2014 zei de reiziger.<br \/>\n\u2014 Is dat soms van de weg naar Tsjyhyryn? \u2014 vroeg Andrij Kroek.<br \/>\n\u2014 Het is van alle kanten te horen, \u2014 antwoordde de gastheer.<br \/>\nIntussen begonnen de vrouwen zachtjes van de gastvrouw afscheid te nemen om naar huis te gaan. Sommigen leidden de kinderen, anderen droegen ze.<br \/>\nOnder de vrouwen waren oude, jonge en heel jonge, maar op al hun verschillende gezichten, toen het heldere licht erop viel bij het afscheid, tekende zich in talloze nuances dezelfde onwrikbare wil af die zich ook met vurige trekken op de gezichten van de mannen had geprent.<br \/>\nHet huis zonk weg in de geurige, bloeiende tuin; het trillende licht van de olielamp weerspiegelde zich op de snorrengezichten; op de drempel van de halfopen deur stond de gestalte van de gastheer, die de gasten nakeek terwijl zij stil verdwenen op de omliggende paadjes; de binnenplaats die uitliep in de steppe; nergens een hek of omheining, alleen het ruisen van bomen, alles samen vormde het, zo leek het, een vredig landelijk tafereel, maar tegelijk ademde dit tafereel ook een bijzondere, stille, zwijgende en toch dreigende kracht.<br \/>\nVan de gasten bleven alleen Andrij Kroek en Semen Vorosjylo achter.<\/p>\n<p>III<br \/>\n\u2014 En hoe kan men nu in Tsjyhyryn geraken? \u2014 vroeg de reiziger, terwijl hij zijn stem dempte, zoals een man in onzekere tijden onwillekeurig doet wanneer hij een gesprek aansnijdt over iets wat voor hem van groot belang is.<br \/>\n\u2014 Heel moeilijk, \u2014 antwoordde de gastheer. \u2014 Overal Poolse benden\u2026<br \/>\nZonder een woord te zeggen bliezen de vrienden van de gastheer grote wolken rook uit hun mond; daarbij gingen hun dikke wenkbrauwen even omhoog, en dit alles samen sprak zonder woorden duidelijk uit dat hun gedachten geheel overeenkwamen met die van de gastheer.<br \/>\nDe reiziger richtte zijn blik op de gesprekspartners en liet zijn ogen rusten op het ene onverstoorbare gezicht na het andere. Alleen al die vurige, waakzame ogen vertelden hoeveel gevaren hij al had doorstaan, hoeveel moeilijkheden hij had overwonnen, hoezeer hij eraan gewend was het onheil te trotseren en hoe bedreven hij was in de strijd met het lot.<br \/>\n\u2014 Maar mijn weg gaat recht naar Tsjyhyryn, \u2014 zei de reiziger.<br \/>\n\u2014 Nu vliegt zelfs geen kraai daar nog rechtdoorheen, \u2014 merkte Andrij Kroek op.<br \/>\n\u2014 Is het ver naar Tsjyhyryn? \u2014 vroeg de reiziger.<br \/>\n\u2014 Was het maar ver en makkelijk, maar het is dichtbij en glad! \u2014 antwoordde Vorosjylo, terwijl Andrij Kroek de reiziger scherper aankeek en de gastheer Andrij Kroek.<br \/>\n\u2014 Voor iemand van ons slag, een zwerver, is er geen kiezen van wegen, \u2014 zei de reiziger. \u2014 Soms valt de weg lastig uit, maar je neemt haar zoals ze komt\u2026 Het is goed als je een trouwe kameraad ontmoet, heren! Ik heb zo\u2019n kameraad gehad, met hem had ik goed overleg en eerlijke waarheid!<br \/>\nBij deze laatste woorden flitste iets bijzonders over de gezichten van zijn toehoorders.<br \/>\n\u2014 Dat spreekt, \u2014 zei de gastheer, \u2014 goed broederschap is beter dan grote rijkdom.<br \/>\n\u2014 De Polen hebben heren, de Turken sultans, de Moskovieten knechten, maar wij hebben broeders! \u2014 zei Andrij Kroek.<br \/>\n\u2014 Niet elke heer herken je aan zijn kaftan! \u2014 voegde Vorosjylo toe.<br \/>\n\u2014 Slecht is die priester die de feestdagen raadt als ze al voorbij zijn! \u2014 antwoordde de reiziger, terwijl hij hen met zijn fonkelende ogen aankeek.<br \/>\nZij beantwoordden hem met niet minder veelzeggende blikken.<br \/>\nEen tijdlang duurde dit woordeloze gesprek, zo welsprekend dat woorden overbodig waren: zij hadden elkaar herkend.<br \/>\n\u2014 Het gezelschap van de Sietsj groet u, \u2014 zei de reiziger, \u2014 en mij hebben zij als bode naar Tsjyhyryn gestuurd.<br \/>\n\u2014 Wij zijn u trouwe vrienden en dienaren! \u2014 antwoordden de kozakken eensgezind.<br \/>\n\u2014 Wat is er voor nieuws? \u2014 vroeg de man van de Sietsj.<br \/>\n\u2014 De een heeft zich met Moskou verzoend, de ander onderhandelt met Polen en heeft de Turken om hulp geroepen. Het zijn wrede tijden!<br \/>\nDiepe droefheid overschaduwde de gezichten van de kozakken. De zorg, tot dan toe verborgen onder uiterlijke kalmte, brak los en toonde zich in volle kracht.<br \/>\n\u2014 Ik moet Tsjyhyryn binnen zien te komen, \u2014 zei de man van de Sietsj na een korte stilte.<br \/>\n\u2014 Alle wegen zijn afgesneden.<br \/>\n\u2014 En het pad van Hoenyn?<br \/>\n\u2014 In hun handen!<br \/>\nDe Sietsj-kozak dacht na; het was duidelijk dat niet bedrieglijke hoop hem bedroefde en ook de moeilijkheid hem niet afschrikte, hij zocht eenvoudig in zijn hoofd naar nieuwe manieren en middelen om zijn doel te bereiken.<br \/>\n\u2014 Luister, kameraden, \u2014 zei hij na enig nadenken, \u2014 ik moet in Tsjyhyryn zien te komen, naar Petro Dorosjenko. Het gaat hier niet om \u00e9\u00e9n hoofd, maar om heel Oekra\u00efne\u2026 Als ik te laat kom in Tsjyhyryn, dan\u2026<br \/>\nHier liet de Sietsj-kozak zijn blik door de ruimte gaan. De huisvrouw was niet in de kamer, de kinderen waren zittend in slaap gevallen, en hij wilde zijn woorden vervolgen toen hij plots twee ogen ontmoette, als twee grote diamanten, die brandden van medeleven en aandacht. Ze glansden vanuit een donkere, onverlichte hoek van het huis, en pas bij nauwkeuriger kijken onderscheidde hij daar de slanke gestalte van een meisje, onbeweeglijk in de schaduw: steunend op haar gevouwen handjes, het hoofdje naar voren gestoken, de ogen strak gericht, zij stond daar als versteend, geheel luisterend.<br \/>\n\u2014 Dat is mijn jongste dochter, \u2014 zei de gastheer, de blik van de Sietsj-kozak volgend.<br \/>\n\u2014 Maroesja, kom eens hier.<br \/>\nMaroesja kwam naar haar vader toe. Het felle licht viel haar recht in het gezicht en gleed over haar hele slanke gestalte. Het was een echt Oekra\u00efense meisje: met donkere, fluwelen wenkbrauwen, zongebruinde wangen, een geborduurd hemd met wijde mouwen, een blauw schort en een rode gordel. Haar dikke, blonde haar was in vlechten gelegd; in de vlechten krulde het licht en glansde als zijde. Op haar hoofd droeg zij een bloemenkrans: sommige bloemen waren al verwelkt, andere nog fris en licht geurend.<br \/>\n\u2014 Maroesja, \u2014 zei haar vader, \u2014 wat heb je van ons gesprek gehoord?<br \/>\n\u2014 Alles, \u2014 antwoordde Maroesja.<br \/>\n\u2014 En wat dan?<br \/>\nMaroesja richtte haar ogen op de Sietsj-kozak.<br \/>\n\u2014 Hij moet naar Tsjyhyryn, \u2014 zei ze, \u2014 naar de heer hetman\u2026<br \/>\n\u2014 Luister, dochter, \u2014 sprak haar vader langzaam en zacht, \u2014 over wat je gehoord hebt, mag je tegen geen levende ziel spreken, alsof je het niet gehoord had. Begrijp je dat?<br \/>\n\u2014 Ik begrijp het, vader! \u2014 antwoordde Maroesja.<br \/>\nDe vader hoefde het geen tweede keer te zeggen, en Maroesja gaf geen belofte, maar aan haar onwrikbare oprechtheid bestond geen enkele twijfel.<br \/>\n\u2014 Je hoeft niet naar onze gesprekken te luisteren, Maroesja, \u2014 zei Danylo. \u2014 Ga je moeder uit de tuin halen en zeg haar dat de broeders in slaap zijn gevallen.<br \/>\nMaroesja gehoorzaamde en liep naar de deur, maar op datzelfde moment klonk plots hoefgetrappel; het leek alsof een hele ruiterbende naderde. Er klonk ruw, veelstemmig geschreeuw, en het doodsbleke gezicht van de huisvrouw verscheen in de deuropening.<br \/>\n\u2014 Ruiters\u2026 een bende\u2026 \u2014 zei ze. \u2014 Recht op ons huis af\u2026 daar zijn ze\u2026<br \/>\n\u2014 Alles is verloren! \u2014 riep Danylo dof.<br \/>\nDe Sietsj-kozak stond al rechtop en hield zijn muts in de hand. De kozakken stonden zwijgend. Er was geen spoor van paniek, maar het was duidelijk dat ieders gedachten tot het uiterste gespannen waren en dat duizend plannen en besluiten in elk hoofd rondtolden.<br \/>\nDe huisvrouw sloot de buitendeur naar de voorhal en vandaar naar de kamer en bleef staan, zonder haar ogen van haar man af te wenden, wachtend op bevelen.<br \/>\nNaast haar stond Maroesja, even bleek en even verward.<br \/>\n\u2014 Jullie slapen! \u2014 zei Danylo tegen de kozakken.<br \/>\n\u2014 Jij doet iets, naai wat! \u2014 zei hij tegen zijn vrouw. \u2014 Ik ben al v\u00f3\u00f3r de avond naar een kameraad gegaan\u2026 De kozakken zijn gekomen om de ossen te bekijken, ik ben met hen aan het onderhandelen\u2026<br \/>\n\u2014 Er is een uitgang uit de kamer naar de steppe, \u2014 fluisterde hij tegen de Sietsj-kozak. \u2014 Ga met mij mee!<br \/>\nAlles werd snel gezegd, en nog sneller uitgevoerd.<br \/>\nIn \u00e9\u00e9n ogenblik lagen beide kozakken op de banken en sliepen een benijdenswaardige slaap, met hun pijpen en mutsen onder het hoofd. Het licht speelde over hun gezichten en verstoorde hun diepe slaap geen moment; hun ademhaling was zo gelijkmatig dat men er de tijd op had kunnen tellen. De huisvrouw zat over haar werk gebogen; Maroesja ook, beiden verdiept in het fijne borduurwerk van de mouwen.<br \/>\nDanylo en de Sietsj-kozak stapten snel door de donkere voorhal, openden en sloten achter zich de deur naar de kamer.<\/p>\n<p>IV<br \/>\nIntussen was de bende aangekomen en stond al bij de veranda; het gesnuif van de paarden en het onderlinge geroep van de ruiters waren in huis duidelijk te horen. Daarna sprongen enkele mannen van hun paarden, en meteen daarop werd er heftig op de deur gebonsd, terwijl iemand met een ruwe stem schreeuwde:<br \/>\n\u2014 H\u00e9, jullie daar!.. Doe open!<br \/>\nNog v\u00f3\u00f3r de huisvrouw kon opstaan en vragen wie daar was, dreigden de deuren al uit de posten te springen door nieuw gebeuk, en een ingeslagen ruit rinkelde de kamer in toen hij samen met het raamkozijn op de grond viel. Een gezicht met stugge snorren en brede jukbeenderen keek razendsnel, achterdochtig het raam binnen, nam alles in zich op en riep:<br \/>\n\u2014 Waarom doe je niet open?..<br \/>\nDe huisvrouw liet haar werk uit haar handen vallen, maar bleef nog steeds aarzelend op dezelfde plek staan.<br \/>\n\u2014 Openmaken! \u2014 klonken ineens meerdere dreigende stemmen, en de deur beefde zo hevig onder de slagen dat het hele huis ervan dreunde.<br \/>\nDe huisvrouw deed de deur open. Een bende vreemde soldaten stormde het huis binnen en begon met lawaai en geschreeuw alle hoeken af te speuren.<br \/>\nDe huisvrouw verzamelde de kleine kinderen om zich heen, die abrupt uit hun slaap waren gewekt, geschrokken en verbijsterd, met ogen vol tranen, alles gadegeslagen. Zijzelf stond terzijde en keek gereserveerd toe hoe al haar huisraad, al haar bezittingen op de grond werden gesmeten, kapotgeslagen en vernield.<br \/>\nTerwijl sommigen Andrij Kroek met vragen bestookten, hij gaapte slechts breeduit in plaats van te antwoorden en slingerde, als beneveld door de slaap, van de ene kant naar de andere, zoals een jas op een paal in harde wind, stootten anderen Semen Vorosjylo in zijn zij. Die richtte zich half op, keek hen aan, hield hen nu eens voor zijn vriend Herasym, dan weer voor zijn vriend Javdokym, en zakte vervolgens opnieuw op de bank neer alsof hij neergeschoten was.<br \/>\n\u2014 Hij is het! Diezelfde!.. Nee, toch niet!.. Nee, hij is het! \u2014 schreeuwde de militaire bende, ruzi\u00ebnd onder elkaar terwijl zij beide kozakken door elkaar schudden.<br \/>\n\u2014 Waar is de gastheer?.. Breng de gastheer hier! \u2014 schreeuwde de aanvoerder, duidelijk buiten zichzelf.<br \/>\n\u2014 Vanmorgen is hij naar een vriend gegaan, op bezoek, \u2014 antwoordde de huisvrouw.<br \/>\n\u2014 Op bezoek?! Ik zal jullie wel eens bezoek leren! Verraders! Oproerkraaiers!.. Wat zijn dat voor mensen?<br \/>\nEn in plaats van te wijzen, haalde hij met zijn zweep eerst uit naar Kroek en daarna naar Vorosjylo, en trad toen met zo\u2019n dreigende houding op de huisvrouw toe dat zij achteruit week alsof zij voor een woedend dier stond.<br \/>\n\u2014 Bekende mensen, \u2014 antwoordde zij, haar schrik overwinnend. \u2014 Ze zijn gekomen om bij ons ossen te verhandelen en wachten op mijn man.<br \/>\n\u2014 Ja, ja, edele heer, \u2014 mengde Andrij Kroek zich erin terwijl hij opstond en zogenaamd de laatste slaap uit zijn ogen wreef. \u2014 We zijn ossen komen kopen en hebben de baas niet thuis getroffen. Wat moet je dan, zeg ik tegen mijn kameraad hier, hij wees op Vorosjylo, die ook wakker leek te worden en nederig met zijn ogen langs alle gezichten ging, zorgvuldig vermijdend iemands blik te kruisen. \u2014 Wat dan, kameraad, zeg ik\u2026 De baas is niet thuis, h\u00e8? Niet thuis, dan niet thuis. Wat er niet is, daar valt niet over te oordelen\u2026<br \/>\n\u2014 Houd je mond, dwaas! Bedriegers! Verraders! Wij kennen jullie wel! Bind ze vast! \u2014 brulde de aanvoerder naar zijn mannen, en meteen stortten zij zich als wouwen op de kozakken.<br \/>\nJuist op dat moment ging de deur open en trad Danylo het huis binnen.<br \/>\n\u2014 Wie ben jij? \u2014 schreeuwde de aanvoerder, op hem afstormend.<br \/>\n\u2014 Ze noemden mij vroeger hier de eigenaar, \u2014 antwoordde Danylo.<br \/>\n\u2014 H\u00e9, jullie daar! Staat er wacht bij het erf? Niet slapen! Horen jullie?<br \/>\n\u2014 Als je leven je lief is, \u2014 begon hij, zich weer tot Danylo richtend, \u2014 antwoord me nu meteen, zonder omwegen: waar is die opstandige Zaporozjer? Antwoord rechtuit!.. Anders maak ik je tot as.<br \/>\nHet werd luid en opschepperig gezegd. Danylo keek naar de tamelijk grove gestalte tegenover zich, die hem nauwelijks tot aan de kozakken-schouder reikte, en antwoordde kalm:<br \/>\n\u2014 Ik weet van geen enkele opstandige Zaporozjer.<br \/>\n\u2014 Ik verbrand je huis tot as! Ik laat er geen spoor van over! Hoor je?!<br \/>\n\u2014 Dat is uw wil en uw macht, \u2014 antwoordde Danylo even rustig.<br \/>\n\u2014 Hij ontsnapt ons toch niet! Is het de moeite waard je zo op te winden?! \u2014 zei een ander, kennelijk ook een officier, die zich, nauwelijks het huis binnengekomen, al op een bank had ge\u00efnstalleerd en aan een pijp met een amberkleurig mondstuk trok. \u2014 We hebben sinds vanmorgen bijna niets gegeten! \u2014 voegde hij er met een zucht aan toe.<br \/>\n\u2014 Wat is er te eten?! \u2014 brulde de aanvoerder woedend, terwijl hij plots woest rondliep en aan de lucht snoof. \u2014 Wat is er? Breng het hier! Vlug! Breng het!<br \/>\nEn hij stampte met zijn voeten en sloeg met zijn sabel op tafel.<br \/>\n\u2014 Vrouw, \u2014 zei Danylo, \u2014 maak haast met het avondeten.<br \/>\nDe huisvrouw ging snel aan het werk. Haar ogen gleden door het hele huis, langs alle hoeken, alsof zij iemand zocht, en het leek alsof er even een onrustige schaduw over haar verder onbewogen gezicht trok.<br \/>\nZij zocht naar Maroesja \u2014 en merkte nu pas dat het meisje tijdens de verwarring ongemerkt was verdwenen.<\/p>\n<p>V<br \/>\nDe prachtige, donkerblauwe, doorzichtige en warme nacht straalde geheimzinnig, toen Maroesja haastig het huis verliet, onder het takkendak van een bloeiende kaliniboom dook die over de grond kronkelde, en zich in de tuin bevond. Daar werd ze verborgen door krullende appelbomen en dikke, netachtige kersenbomen.<br \/>\nZe bleef even staan, wachtend tot haar hart tot rust kwam. Iedere ader in haar lichaam bonkte, haar benen voelden zwak, gedachten fladderden door elkaar; glinsterende beelden dartelden voor haar ogen en brandende tranen rolden uit haar ogen door een nieuwe, tot dan onbekende pijn, een mengeling van verdriet en een lichte, hoopvolle vreugde.<br \/>\nDoor de frisse nachtelijke lucht keerde haar bewustzijn terug, de tranen hielden op en haar gedachten waren weer op orde.<br \/>\nAlles om haar heen rook zo heerlijk, zo vers en bloeiend! Alles was zo lief en dierbaar voor het hart! Vol liefde en droefenis boog ze zich neer en kuste hartstochtelijk het gras, de bloemen, de gebogen takken, terwijl ze haar ogen heen en weer wendde en met heel haar wezen zowel twijfel als oprechte genegenheid toonde voor iets dat nog niet helemaal duidelijk was, maar haar ziel al volledig in beslag had genomen.<br \/>\nEen zacht geruis tussen de bomen joeg haar een rilling over het lijf en deed haar gloeien. Ze drukte zich tegen de aarde en haar hele witte gestalte verdween tussen de bloeiende witte takken.<br \/>\nAlles werd weer stil.<br \/>\nVoor een korte tijd leek ze vast te zitten aan de grond in deze stille tuin, onder het zachte licht en de twinkelende sterren, omgeven door de kalme geuren van bloemen en gras, overal om haar heen was het stil, en de kreten die vanaf het erf kwamen, trilden scherp door de warme lucht.<br \/>\nZe wilde net de takken opzij duwen die haar verborgen, toen opnieuw een zacht geritsel klonk, hetzelfde als eerder, en recht voor haar verscheen plots de reusachtige gestalte van de Zaporozjer krijger, tussen twee hoge kersenbomen.<br \/>\nMaroesja\u2019s hart trilde van vreugde en vervolgens angstig en beangstigend.<br \/>\nNa een korte stilte zette de krijger zich verder in beweging, blijkbaar op weg naar de uitgang van de tuin richting de rivier. Zijn enorme gestalte leek een gigantische schaduw, zo licht, zo stil en soepel sloop hij tussen de dicht verweven kersen en krullende appelbomen door: geen geritsel, geen beweging was merkbaar.<br \/>\nZelf begrijpend noch wetend waarom of waarvoor, volgde Maroesja de krijger, slechts af en toe stilstaan bij het bonzen en bevriezen van haar hart.<br \/>\nZo gingen ze samen door de hele tuin, kwamen buiten de levende, kronkelende groene afscheiding en stonden bij de rivier.<br \/>\nDe rivier wiegde tussen de oevers met een zorgzaam geruis. Het riet langs de oever glinsterde in de duisternis; gouden sterren fonkelden op de golven en schitterden aan de hemel. Aan een iep, waarvan de lagere takken in de rivier hingen, was een boot vastgemaakt, licht en kwetsbaar als een schelp. De aangrenzende weide, de bergen, alles was gehuld in stilte, warmte en doorzichtige, zachte mist.<br \/>\nHier bleef de krijger stilstaan, keek om zich heen en dacht na, toen hij plots een zachte, kinderlijke stem achter zich hoorde en tegelijk het aanraken van tere kinderhandjes voelde. Hij draaide zich om, een man die door niets te verrassen of te schokken was, en zag Maroesja voor zich.<br \/>\n\u2014 En wat is er, meisje? \u2014 vroeg hij met een rustige stem, alsof er geen dreiging of gevaar in de lucht hing.<br \/>\nMaroesja kon geen woord uitbrengen, maar greep zijn hand en keek smekend in zijn ogen.<br \/>\nHaar ogen spraken echter zo overtuigend en veelzeggend dat de krijger haar over het hoofd streek. Haar gebogen gestalte toonde iets van tedere zachtheid, iets van medelijdend medeleven.<br \/>\n\u2014 We kunnen naar Tsjygyryn komen! \u2014 sprak Maroesja.<br \/>\n\u2014 Hoe kunnen we dat doen, jongedame? \u2014 vroeg hij zacht glimlachend.<br \/>\n\u2014 In het veld staat vaders wagen met hooi, \u2014 zei Maroesja, \u2014 de ossen grazen ook in het veld\u2026 Ik weet alles, waar en wat\u2026 We spannen de ossen in\u2026 Jij gaat liggen in het hooi\u2026 Ik breng je naar de boerderij van Knysj\u2026 Daar is de rivier\u2026 en aan de overkant is al de macht van Tsjygyryn!<br \/>\nDe krijger keek in haar schitterende ogen, naar haar trillende, lichte gestalte, en hoorde haar hartje bonzen. Plots voelde hij dat zijn sterke, geharde hart in zijn borst leek te smelten, en iets gebeurde met hem dat hij later niet goed kon uitleggen, alleen herinneren.<br \/>\n\u2014 Wie gaf jou dit idee, lieve Maroesja? \u2014 vroeg de krijger.<br \/>\n\u2014 Ik ken een verhaal, \u2014 antwoordde Maroesja, \u2014 over een meisje dat ontsnapte aan rovers.<br \/>\n\u2014 Vertel me dat verhaal, Maroesja, \u2014 zei de krijger.<br \/>\n\u2014 Gaan we ook naar Tsjygyryn? \u2014 vroeg Maroesja verlegen.<br \/>\n\u2014 Naar Tsjygyryn gaan we ook, \u2014 antwoordde de krijger, alsof hij haar een traktatie beloofde. \u2014 We nemen de oever deze kant op, door het veld\u2026 Dat kunnen we doen. En onderweg gaan we het verhaal horen.<br \/>\nHand in hand begonnen ze langs de oever te sluipen. Eerst hoorden ze nog het rumoer en de stemmen vanaf Danylo\u2019s erf, maar daarna omringde hen volledige stilte, zoals alleen \u2019s nachts kan op een verlaten rivierbank, wanneer zelfs het klotsen en de glans van de golven de stilte niet verstoort, maar slechts versterkt.<br \/>\n\u2014 Kom, vertel het verhaal, Maroesja, \u2014 zei de krijger, toen ze de rivier bereikten.<br \/>\nVeel zorgen, hoop en angst vulden Maroesja, en ze keek met een aarzelende blik naar de krijger; hij glimlachte naar haar. Zelfs in het schijnsel van de flikkerende nachtlichtjes was er in hem zoveel tederheid en moed te zien, dat Maroesja meteen een last van haar hart voelde vallen en al haar trillers verdwenen.<br \/>\n\u2014 Goed, begin, lieve Maroesja, begin! \u2014 zei de krijger. \u2014 Ik luister heel graag naar verhalen.<br \/>\nMaroesja begon:<br \/>\n\u2014 Er was eens een kozak, en hij gaf zijn dochter ten huwelijk.<br \/>\n\u2014 Als het met een goede man is, dan is het goed! \u2014 merkte de krijger op.<br \/>\n\u2014 De jonge vrouw hield niet van de bruidegom, \u2014 vertelde Maroesja verder, \u2014 maar ze gehoorzaamde haar vader, trouwde en de jongeman bracht haar naar zijn boerderij.<br \/>\n\u2014 Arme vrouw! \u2014 voegde de krijger toe.<br \/>\n\u2014 Maar het huis van de jongeman was bijzonder, \u2014 vervolgde Maroesja. \u2014 Het stond midden in een dicht bos, er waren geen paden, en niemand kon er wegkomen: overal rondom was woestijn. Het jonge meisje was zwaar bedroefd.<br \/>\n\u2014 Ze mocht wel verdrietig zijn! \u2014 merkte de krijger op.<br \/>\n\u2014 Eerst keek ze naar niets, ze bleef zich zorgen maken, maar daarna begon ze alles te bekijken en te onderzoeken\u2026 Alle rijkdommen\u2026 maar zij had geen behoefte aan rijkdom, ze wilde alleen weten waar haar man iedere avond met zijn kameraden heen ging. Maar zodra ze opstapten, verdwenen ze meteen in het bos, slechts even het geluid van paardenhoeven, en dan weer stilte\u2026<br \/>\nZe liep door het hele huis, en had overal sleutels van. Alleen \u00e9\u00e9n kelder mocht ze nooit betreden. Die kelder stond onder dikke, takkenrijke eiken; de deur was zwart onder het groene loof, als de muil van een beest.<br \/>\n\u201cWat verbergen ze daar?\u201d \u2014 dacht het meisje.<br \/>\nZe dacht eraan en liep meteen naar de kelder. Ze zag op de sluiting een slot dat zelfs met tien mensen niet te openen was.<br \/>\nZe klopte op de deur, maar het klonk dof, alsof ze tegen steen sloeg. Ze keek door een kier \u2014 het was donker als in een put.<br \/>\nPlotseling flitste er iets onder de drempel, als een vonkje. Ze boog zich naar de grond. Iets glinsterde.<br \/>\n\u201cWat zou dat zijn?\u201d dacht ze bij zichzelf.<br \/>\nEn hoewel ze bang was, stak ze toch haar hand naar binnen en greep het vast.<br \/>\nZe voelde, iets kouds. Ze keek, het was een afgehakte, witachtige pink met een ringetje eraan.<br \/>\n\u201cNu weet ik het,\u201d dacht de jonge vrouw, \u201cze trekken rond om te roven.\u201d<br \/>\nEn haar man was nog wel zo vriendelijk geweest.<br \/>\n\u2014 Probeer maar eens een mens op het uiterlijk te beoordelen! \u2014 zei de Sietsj-kozak.<br \/>\n(Intussen begon het al dag te worden. Een vroege ochtendbries streek over de steppe. Ze liepen nog steeds hand in hand langs de stille oevers.)<br \/>\nDe jonge vrouw begon te piekeren wat ze moest doen; ze dacht zo diep na dat het in haar hoofd begon te suizen alsof ze onder een molenrad stond. Rondom zwartten de bossen, dicht als muren. Zo\u2019n wildernis overal, dat je er alleen maar in kon verdwalen, geen schuilplaats te vinden, geen weg naar de bewoonde wereld.<br \/>\nWaar moest ze heen vluchten?<br \/>\nLang dacht ze na en bleef maar denken. De zon was al ondergegaan, en zij dacht nog steeds. De sterren verschenen aan de hemel, en zij dacht nog steeds.<br \/>\nToen hoorde ze: ze komen eraan!<br \/>\nDe man kwam binnen en was zo blij haar te zien.<br \/>\n\u2014 Ik heb je gemist! \u2014 zei hij.<br \/>\nHij strekte zijn armen naar haar uit, maar zij zag bloed op zijn mouw.<br \/>\n\u2014 Wat is dat op je mouw? \u2014 vroeg ze.<br \/>\n\u2014 Ach, ik heb op een prachtig dier gejaagd, \u2014 antwoordde hij lachend.<br \/>\nZijn kameraden hoorden het en lachten ook.<br \/>\nZe keek naar haar man, hij was haar al niet lief, en nu leek hij nog angstaanjagender.<br \/>\nZe keek naar zijn makkers, geen enkel vriendelijk gezicht.<br \/>\nZe dacht na hoe ze met hen moest leven, vergat alle angst en besloot te vluchten.<br \/>\n\u2014 Ik vlucht, waar mijn ogen me ook brengen!<br \/>\nDe Sietsj-kozak luisterde graag naar het verhaal; hoezeer zorgen zijn hoofd ook bezighielden, hij keek naar Maroesja en glimlachte alsof men hem met zoete honing onthaalde.<br \/>\nZodra ze had gewacht tot iedereen het huis uit was, sloot ze snel de poort, de deuren en de ramen stevig af en rende het bos in.<br \/>\nEr waren geen wegen, geen paden, geen enkel spoor, alleen de avondster scheen haar bij, en daaraan hield ze haar richting.<br \/>\nDe hele nacht liep ze maar door, en het bos werd steeds dichter en donkerder.<br \/>\nEindelijk begon het heel langzaam licht te worden, en stilletjes drongen rode zonnestralen het bos binnen. Ze dacht dat het bij het aanbreken van de dag wat vrolijker voor haar zou zijn, toen hoorde ze achter zich een achtervolging, steeds dichterbij. Takken kraakten, paarden snoven, de stem van haar man klonk dreigend: \u201cIk zal haar vinden!\u201d Zijn makkers riepen naar elkaar: \u201cHier is ze! Daar is ze! Ze vlucht deze kant op!\u201d<br \/>\nZe keek om zich heen, nergens een schuilplaats!<br \/>\nAlleen \u00e9\u00e9n boom stond daar, met een ruige kruin uitgespreid. Ze snelde erheen, klom tot helemaal in de top en hield zich stil verborgen.<br \/>\nMaar in haar haast liet ze haar hoofddoek vallen. Toen de achtervolgers daar aankwamen, zagen ze meteen de witte doek op de grond\u2026<br \/>\n\u2014 Ach! \u2014 riep de kozak levendig uit.<br \/>\nZe begonnen allemaal te roepen: \u201cHaar doek! Haar doek! Ze is hier! Ze is niet ver! Ze is deze kant op gevlucht!\u201d<br \/>\nZe begonnen te zoeken, te snuffelen, takken met hun sabels af te hakken, struiken met hun paarden te vertrappen.<br \/>\nToen zei haar man: \u201cZou ze misschien in een boom geklommen zijn?\u201d<br \/>\nHij greep zijn speer en begon met alle kracht tussen de takken te steken.<br \/>\n\u2014 Ach! \u2014 zei de kozak. \u2014 Arme jonge vrouw, wat heeft ze geleden!<br \/>\nDe scherpe speer drong in haar zij, trof haar arm, schampte haar schouder \u2014 ze schreeuwde niet, gaf geen kik, maar warm bloed druppelde, druppelde van de boom\u2026<br \/>\nDe kozak kreeg opnieuw medelijden met de arme jonge vrouw; hij zuchtte en jammerde vol medelijden.<br \/>\nDruppels van haar bloed vielen recht op het hoofd van haar man.<br \/>\n\u2014 Wat een warme dauw druppelt er van deze boom! \u2014 zei hij.<br \/>\n\u2014 Ze is vast verder gevlucht, \u2014 zeiden zijn makkers.<br \/>\n\u2014 Verder, haar achterna!<br \/>\nEn ze verspreidden zich in het dichte woud.<br \/>\nToen klom zij zachtjes uit de boom en rende opnieuw weg.<br \/>\nLang rende ze, heel lang, tot ze op een weg uitkwam. Daar zag ze een oude kozak lopen met een wagen vol hooi. Ze snelde naar hem toe en smeekte: \u201cNeem me mee, goede man, verberg me ergens! Ze zitten achter me aan! Ze willen me vangen en doden!\u201d<br \/>\nDe kozak zei: \u201cIk vervoer hooi; ga op de wagen liggen, kruip zo diep mogelijk weg en blijf stil.\u201d<br \/>\n\u2014 Dappere kozak! Moge God hem gezondheid schenken voor wie weet hoe lang! \u2014 zei de tevreden kozak.<br \/>\nNauwelijks had de oude kozak haar in het hooi verstopt en de ossen met de zweep aangespoord, of daar kwamen de achtervolgers al aan.<br \/>\n\u2014 Heb je soms een jonge vrouw gezien? \u2014 riepen ze hem toe. \u2014 Welke kant is ze op gegaan?<br \/>\n\u2014 Niet gezien, \u2014 antwoordde de kozak.<br \/>\n\u2014 Wat vervoer je daar?<br \/>\n\u2014 Hooi.<br \/>\n\u2014 Is het goed hooi? Geef eens wat aan onze paarden.<br \/>\nDe kozak hield de wagen stil en gooide wat hooi af voor hun paarden.<br \/>\n\u2014 Je pijp is zeker nog niet uit? \u2014 vroeg een van de rovers.<br \/>\n\u2014 Nee, hij brandt nog, \u2014 antwoordde de kozak.<br \/>\n\u2014 Geef eens vuur.<br \/>\nDe kozak gaf hun zijn pijp, en ze gaven die aan elkaar door en staken hun eigen pijpen aan.<br \/>\nMaar de aanvoerder stak zijn pijp niet aan en voedde zijn paard niet. Hij kwam bij de wagen staan, boog zijn dreigende hoofd erover en mompelde dof: \u201cIk zal haar vinden! Ik zal haar vinden!\u201d<br \/>\nEn zij hoorde dit alles, ze voelde zelfs zijn hete adem.<br \/>\nZo verstreek een heel uur, tot zijn makkers riepen:<br \/>\n\u2014 Aanvoerder! Te paard! Te paard! Het wordt al licht!<br \/>\nEn allen sprongen op hun paarden en galoppeerden het donkere bos in\u2026<br \/>\nDe oude kozak reed verder en bracht de jonge vrouw naar het erf van haar vader.<br \/>\n\u2014 Moge het geluk haar gunstig zijn! \u2014 zei de kozak. \u2014 Wat een prachtig verhaal, lieve Maroesja, en veel dank ervoor! Een prachtig sprookje! Zo mooi dat je het met woorden niet kunt uitdrukken!<\/p>\n<p>VII<br \/>\nZe hielden geen moment halt en waren al een flink eind verder.<br \/>\nDe dageraad was nog niet aangebroken, maar de zachte, warme nachtlucht was al frisser geworden. Vanuit een ver klooster, dat achter de vage contouren van de verre bossen nauwelijks zichtbaar was, klonk zacht het luiden van de klokken. Een bijzonder, gedempt gerinkel gleed door het riet langs de oever. De rivier, die zich ver in een zachte bocht had teruggetrokken in een slaperige inham, keerde vandaar terug alsof ze plotseling was opgeschrikt, ze rolde haar golven onrustig en luid vooruit, bedaarde daarna steeds meer en verdween uit het zicht, alsof ze dof mopperde.<br \/>\nBij deze inham sloegen zij een andere richting in.<br \/>\nEr was geen weg en geen pad, maar Maroesja kende de streek goed en al spoedig leidde zij de Sietsj-kozak naar de open steppe.<br \/>\nDe scherpe, frisse geur van pas gemaaid steppegras en bloemen, afkomstig van de enorme hooibergen die overal verspreid lagen, omgaf hen. De Sietsj-kozak liet zijn blik waakzaam in alle richtingen gaan. Niet ver achter zich zag hij in de schemering een woning, overschaduwd door een dichtbegroeide boom.<br \/>\n\u2014 Dat is ons huis, \u2014 zei Maroesja. \u2014 De omheining is dichtbij, daar voor ons.<br \/>\n\u2014 Ga voor, Maroesja, \u2014 zei de Sietsj-kozak.<br \/>\nHoewel er nergens een teken van een omheining te zien was, volgde hij zonder aarzelen haar lichte voetstappen.<br \/>\nNauwelijks hadden ze vijf passen gezet of Maroesja zei: \u201cHier!\u201d Ze bevonden zich boven iets dat leek op een ruime kuil midden in de vlakke steppe. Ze daalden af, en onderaan zag de Sietsj-kozak een wilgenomheining, met daarin twee paar prachtige, steil gehoornde ossen, die op de vlakke grond leken op donkere heuvels.<br \/>\nMaroesja opende de omheining en streelde met bevende hand eerst de ene, dan de andere gehoornde kop. Een zacht, vriendelijk geloei was haar antwoord. Alsof ze begrepen dat voorzichtigheid en stilte nu het belangrijkst waren, stapten de ossen, eenmaal naar buiten geleid, over de steppe als zware boten op stille golven, geruisloos, gelijkmatig, snel.<br \/>\nDe wagen stond niet ver van een hooiberg, hoog beladen met hooi.<br \/>\n\u2014 Wat is er? \u2014 vroeg Maroesja toen ze zag dat de Sietsj-kozak stilhield en haar aankeek.<br \/>\n\u2014 Wat ben jij klein, Maroesja! \u2014 zei hij. \u2014 Wat ben jij klein! Iedereen zou je eerder voor een steppeleeuwerik houden dan voor een verantwoordelijke voerman!<br \/>\nEn inderdaad, Maroesja was tenger; in de eindeloze steppe, naast de enorme wagen en de krachtige ossen, en naast de reusachtige Sietsj-kozak leek zij nog kleiner en breekbaarder.<br \/>\n\u2014 We hebben mama\u2019s hoofddoek bij de wagen laten liggen, \u2014 antwoordde Maroesja. \u2014 Ik zal hem op z\u2019n boers ombinden, en als ik op de wagen zit, lijk ik een oude vrouw\u2026<br \/>\nAl keken haar grote ogen onder de boerenhoofddoek uit, waaronder haar lichtkrullende zijden haar en haar rozige schouders verdwenen waren.<br \/>\nDe Sietsj-kozak glimlachte en kon of wilde enkele minuten geen woord zeggen. Toen hij weer sprak, was zijn stem heel zacht.<br \/>\n\u2014 Ken je de weg goed, Maroesja?<br \/>\n\u2014 Ja. Het is rechttoe rechtaan tot aan het meertje. Bij het meertje buigt de weg naar rechts, dan zie je de boerderij van heer Knysj, en daarachter is de weg vrij tot aan Tsjyhyryn, zei mijnheer Kroek tegen vader\u2026<br \/>\n\u2014 Ken je heer Knysj?<br \/>\n\u2014 Ja. Hij komt soms bij vader om dingen te kopen.<br \/>\n\u2014 En hoe denk je dat hij je zal ontvangen?<br \/>\n\u2014 Dat weet ik niet.<br \/>\n\u2014 En als hij je slecht ontvangt?<br \/>\n\u2014 Zou hij ons verraden? \u2014 antwoordde en vroeg Maroesja tegelijk. \u2014 Hij komt bij vader\u2026 hij is een vriend\u2026<br \/>\n\u2014 Weet je, Maroesja, dat er nu overal troepen staan, dat overal vijanden rondzwerven? Weet je dat er nu, in plaats van bloemen, aan weerszijden van de weg misschien rookwolken opstijgen van geweervuur, dat er bloedvergieten zijn?<br \/>\n\u2014 Dat weet ik! \u2014 antwoordde Maroesja.<br \/>\n\u2014 Boze, vijandige ogen zullen je in het gezicht kijken, en als je \u00e9\u00e9n woord verkeerd zegt, als je maar even beeft, dan is alles verloren!<br \/>\n\u2014 Ik zal me niet verspreken, niet beven\u2026 Ik ben niet bang voor de vijand, ik ben alleen bang voor mislukking!<br \/>\n\u2014 Maroesja, weet je, misschien wacht ons de dood\u2026<br \/>\n\u2014 O, eerst moet jij in Tsjyhyryn zien te komen! \u2014 zei Maroesja.<br \/>\nHoeveel smeekbede en vastberadenheid lag er in haar zachte woorden! Daarmee eindigde hun gesprek. De ossen waren spoedig ingespannen.<br \/>\n\u2014 Maroesja, \u2014 zei de Sietsj-kozak, \u2014 als iemand je aanhoudt, blijf dan niet bij de wagen hangen als een vogeltje bij zijn nest\u2026 begrijp je?<br \/>\n\u2014 Ik begrijp het! Ik moet zijn zoals jij.<br \/>\n\u2014 Zeg tegen iedereen dat je hooi naar heer Knysj brengt. En als we geluk hebben en zijn erf bereiken, zeg dan tegen wie je tegemoetkomt: \u201cMooie vachten hebt u, al zijn ze nog niet rijp om te maaien, ze zijn goed!\u201d Hoor je?<br \/>\n\u2014 Ik hoor het, \u2014 antwoordde Maroesja.<br \/>\nDe Sietsj-kozak begroef zich in het hooi op de wagen. Maroesja nam plaats als voerman, de ossen zetten zich in beweging, en de wagen reed schommelend door de met dauw bedekte steppe.<br \/>\nDe sterren begonnen te verbleken; de wind werd levendiger, en de dauwdruppels schitterden helderder in het gras.<br \/>\nLangzaam bewoog de enorme wagen over de steppeweg. In het licht van de uitdovende sterren flitste de steppe voorbij, pas gemaaid en al weer zacht begroeid met jong gras en bloemen, bezaaid met nog geurige hooibergen. Alles was stil rondom, en twee of drie verre roepen, twee of drie verre schoten, maakten de stilte nog voelbaarder.<br \/>\nVoor Maroesja strekte het landschap zich wijd en ver uit. Elk geluid ving haar scherpe oor; elk geritsel van gras of vogelvleugels, en onophoudelijk dwaalden haar ogen rond, elke stip volgend. In het halfduister van de zomerochtend was haar gezicht niet duidelijk zichtbaar; ze toonde geen enkele gedachte of emotie, maar haar hele kleine gestalte boven op de ruige groene wagen sprak van waakzaamheid en gespannen onrust.<br \/>\nPlotseling klonk het hoefgetrappel van een grote ruiterafdeling; rechts verscheen een menigte ruiters die in razende vaart op haar wagen afstormden.<br \/>\n\u2014 Halt! Halt! \u2014 riepen hees enkele stemmen van verre.<br \/>\nZe hield de wagen stil.<br \/>\nIn een oogwenk waren ze om haar heen, en ruwe vragen in een voor haar vreemde taal regenden van alle kanten neer:<br \/>\n\u2014 Waarheen? Waarvandaan? Van wie ben je?<br \/>\n\u2014 Van de hoeve, \u2014 antwoordde Maroesja. \u2014 Ik ben de dochter van schaapherder Danylo. Ik breng hooi naar het landgoed Hony, naar heer Knysj.<br \/>\nDe ruiters leken gerustgesteld en weken wat uiteen. Een hese stem zei ge\u00ebrgerd:<br \/>\n\u2014 Ik zei jullie toch dat het loos alarm was, en jullie schrikken als steppevogels! Waar zijn jullie Poolse spionnen dan?<br \/>\n\u2014 Maar er is geen kwaad gebeurd doordat we een halve verst zijn omgereden! \u2014 antwoordde een tweede stem, blijkbaar van een jonge, beweeglijke en zorgeloze man.<br \/>\n\u2014 Als er wind in je hoofd waait, is niets een probleem! \u2014 mopperde de eerste ontevreden.<br \/>\nHet verdere gemopper werd overstemd door het geklap van een zweep en het getrappel van een paard dat vooruit schoot.<br \/>\n\u2014 O, wat een driftkop! \u2014 zei de tweede stem met een lichte lach. \u2014 Volg mij, jongens! Neem de wagen mee!<br \/>\nDe troep reed verder, en onder hun toezicht reed ook Maroesja\u2019s wagen mee.<br \/>\nWaar zij ook keek, overal zag ze om zich heen sombere, dreigende gestalten, ruwe en strenge gezichten. Ze reden in rustig tempo, alsof ze uitrustten, verzonken in hun gedachten. Op sommige gezichten lag droefheid, op andere zorg, ontembare moed of gereserveerdheid.<br \/>\nVoorop reden twee officieren die blijkbaar ruzieden. Zonder hun woorden te horen, begreep Maroesja dat de een vrolijk en jong was \u2014 te zien aan zijn levendige bewegingen \u2014 en de ander een zwaarlijvige, ontevreden man, die als een loodzware last op zijn ongeduldige paard zat.<br \/>\nZe probeerde geen enkel woord te missen dat in de groep werd gewisseld en vroeg zich af waarover de officieren twistten, misschien over haar wagen? Waren ze hem vergeten? Wat zou er gebeuren? Hoe zou heer Knysj haar ontvangen? Zou ze hem bereiken? Zou hij Tsjyhyryn bereiken?<br \/>\nDe wagen schommelde zacht verder. De laatste nachtschaduwen verdwenen; de frisse ochtendlucht was voelbaar. De ossen stapten nu opgewekter, de paarden kwamen dichterbij en rukten met genoegen plukken geurig hooi uit de lading.<br \/>\nPlotseling dwong iets haar om haar blik naar links te wenden, en ze ontmoette een onderzoekende, doordringende blik van fonkelende ogen die haar aandachtig en wantrouwig volgden.<br \/>\nVlak naast de wagen reed een niet meer jonge ruiter. In het schemerlicht zag zij duidelijk zijn ruwe, intelligente trekken. Zijn blik leek te zeggen: \u201cWat een vreemd klein meisje! En vreemd is ook hij die zo\u2019n breekbaar wezentje \u2019s nachts, in deze onzekere tijden, als voerman laat rijden!\u201d<br \/>\n\u2014 Heb je, meisje, nog vader en moeder? \u2014 vroeg hij plotseling. Toen hij merkte dat ze hem niet begreep, herhaalde hij het in gebroken Oekra\u00efens.<br \/>\n\u2014 Ja, vader en moeder leven nog, \u2014 antwoordde Maroesja.<br \/>\nZijn blik werd nog onderzoekender. Een ijzige kou trok door haar lichaam; de steppe leek te kantelen voor haar ogen, haar hoofd tolde. Maar ze herinnerde zich de woorden van de Sietsj-kozak en sprak rustig:<br \/>\n\u2014 Leven uw vader en moeder nog? Heeft u veel familie? Heeft u kinderen? Dochters of zonen?<br \/>\nOf het nu haar zachte stem was of de gewone vraag, maar iets in hem ontwaakte. Herinneringen, beelden, verdriet en hoop leken zijn sterke gestalte te beroeren.<br \/>\n\u2014 Ja, ik heb een dochter, \u2014 zei hij na een lange stilte.<br \/>\n\u2014 Groot? \u2014 vroeg Maroesja.<br \/>\nHij glimlachte, alsof hij een klein, broos figuurtje voor zich zag.<br \/>\n\u2014 Ongeveer zo groot als jij, misschien nog kleiner, \u2014 antwoordde hij peinzend.<br \/>\nVoorop kibbelden de officieren nog steeds.<br \/>\nPlotseling begon iemand achteraan zacht te zingen: \u201cVspomni, vspomni, moja ljoebeznaja, nasjoe prezhnejoe ljubov\u2026\u201d (\u201cHerinner je, herinner je, mijn liefste, onze vroegere liefde\u2026\u201d).<br \/>\nMaroesja huiverde. Haar ondervrager neuriede zacht mee; zijn stem werd een hartstochtelijk, bitter gefluister. E\u00e9n voor \u00e9\u00e9n vielen stemmen in, tot de hele troep zong en de zang ver over de steppe rolde.<br \/>\nToen het lied verstomde, werd het licht. Het was alsof de dageraad plotseling een deur had opengegooid. Niet ver van de weg lag een klein stil meertje, bedekt met ochtendmist. Vanaf het meer boog een zwarte weg naar rechts, naar een hoeve waar een dunne rookpluim omhoogsteeg.<br \/>\nDat was de hoeve van heer Knysj.<br \/>\nHuiveringwekkend was het in de schemering van de warme nacht, in het halfduister van de dageraad, maar in het schitterende licht van de gezegende ochtend werd het nog huiveringwekkender. De vrolijke grootsheid van de natuur werkte vreemd op de ziel: nu eens wond zij haar op, dan weer kalmeerde zij haar, dan weer vervulde zij haar met een dubbel gevoel, van angst en hoop, die elkaar aangrepen en bevochten zonder elkaar te overwinnen, zoals twee even sterke krachten \u2014 vuur en water \u2014 die nooit ineen kunnen vloeien.<br \/>\nMaroesja zocht met haar ogen de oudere ruiter die van haar was weggereden en in de menigte was verdwenen. Al spoedig vond zij hem terug; hun blikken kruisten elkaar. In zijn ogen lag geen nieuwsgierigheid of scherpe oplettendheid meer, een zekere aarzeling, onzekerheid en zelfs vrees hadden zich over zijn ruwe, roofzuchtige gelaat verspreid en het op wonderlijke wijze verzacht.<br \/>\n\u2014 Mijn hemel, wat een kleintje! \u2014 zei een van de ruiters toen hij Maroesja in het zonlicht zag. \u2014 En ze rijdt maar voort, gereserveerd, niet bang voor kruit of kogels.<br \/>\n\u2014 Zo\u2019n kleintje zal geen enkele kogel raken, denk ik, \u2014 antwoordde een ander. \u2014 Net een maanzaadje!<br \/>\n\u2014 Bij hen zijn zelfs de meisjes niet bang, zo is dat volk nu eenmaal, \u2014 viel een derde in. \u2014 Ik heb gezien hoe, midden in het gevecht, wanneer het bloed stroomt en de aarde beeft, er een tussen hen doorloopt en haar eigen mensen verzamelt alsof ze bessen plukt in een tuin, bij God!<br \/>\n\u2014 En hoeveel van hen sterven er niet! \u2014 zei nog iemand die zich bij het gesprek voegde.<br \/>\n\u2014 We zullen toch allemaal sterven, op de een of andere manier, \u2014 klonk het van opzij. \u2014 Het komt er alleen op aan op de beste manier te sterven! Dat is het!<br \/>\nVanuit de verte klonken enkele schoten, en hun echo joeg als een toverspreuk alle andere gedachten uiteen. Een begonnen overweging, een half uitgesproken zin, alles brak af als een draad die met een scherpe schaar werd doorgesneden. De hele troep werd als \u00e9\u00e9n wezen dat waakzaam de oren spitste en klaarstond voor de tegenaanval.<br \/>\nOok de officieren hielden hun paarden in; ze hielden op met ruzi\u00ebn en elkaar te plagen.<br \/>\nOpnieuw klonken schoten.<br \/>\n\u2014 Dat is van onze kant! Zeker van onze kant! \u2014 riep de jonge officier.<br \/>\n\u2014 Vooruit! Vooruit! Te hulp! Onze mensen vechten! H\u00e9, Ivan! Breng de wagen naar de hoeve en regel het daar\u2026 Vooruit!<br \/>\nMaroesja had nog niet goed begrepen wat er gebeurde of de troep stormde als een wervelwind weg. Al spoedig waren ze uit het zicht verdwenen, allen behalve Ivan, aan wie was opgedragen \u201cde wagen te brengen en orde op zaken te stellen\u201d. Als wilde vogels vlogen ze weg zonder om te kijken; alleen de oudere Moskoviet die met haar had gesproken, keerde zich nog eenmaal om en keek naar haar.<br \/>\n\u2014 Rijden, kleintje, rijden! \u2014 zei Ivan terwijl hij zijn korte pijp aanstak.<br \/>\nMaroesja wierp een blik op hem. Hij deed haar denken aan een egel\u2026<br \/>\n\u2014 Rijden! Rijden! \u2014 herhaalde hij strenger.<br \/>\nDe wagen bewoog zich langzaam voort, in de richting van de hoeve van heer Knysj.<br \/>\nLangs de weg flitsten ingezaaide velden voorbij, hier en daar meedogenloos vertrapt. De schoten klonken steeds vaker. Toen Maroesja ongemerkt een heuvel opreed waarover de weg verder slingerde, zag zij tenten en kampdoeken; erboven kringelden zwarte rookpluimen en af en toe sloegen vurige tongen van rood vuur omhoog. In de heldere ochtendlucht klonken menselijke stemmen en kreten, het zwakke, klagende loeien van vee, kindergehuil, het ratelen van geweren en het gekraak van verwoeste huizen.<br \/>\nBoven op de heuvel zag Maroesja het slagveld als in haar handpalm. Ze zag een dorp in vlammen; twee kindergestalten die hand in hand wegrenden zonder te weten waarheen; enkele vrouwenfiguren die roerloos in de steppe lagen uitgestrekt. Voor haar ogen vielen mensen kreunend neer; verschrikte paarden zonder ruiters stormden rond; de woeste benden dunden uit; de aarde raakte bedekt met doden en gewonden; het gras, doordrenkt met warm bloed, werd donkerder. De hemel kreeg een dreigend roodblauwe kleur. Wolken stof draaiden in golven omhoog.<br \/>\nEn recht voor haar lag groen en geurig de kleine hoeve van heer Knysj; de wagen reed er langzaam heen. In de dichte tuin tekenden zich al bomen en struiken af met hun kantachtige bladeren en bloemen. Door de open poort zag zij donkergele, gevederde kippen die rondliepen op het brede erf, begroeid met zacht, fluweelachtig gras en vol landbouwwerktuigen. Bij de poort zat een enorme, ruige hond. Hij had de wagen al opgemerkt en wachtte hem gereserveerd maar aandachtig af, als iemand die in zijn leven al veel heeft gezien en zich heeft voorgenomen zijn gevoelens niet te haastig te tonen.<\/p>\n<p>IX<br \/>\nNauwelijks was de wagen bij de poort tot stilstand gekomen of er stond een jongetje van een jaar of vijf voor Maroesja, roodwangig, stevig, als een arendsjong. Was hij werkelijk een arendsjong van de steppe geweest, dan nog had hij niet sneller kunnen toesnellen, niet moediger zijn blik in de hare kunnen boren, niet vlugger haar, de wagen en de ossen kunnen opnemen.<br \/>\n\u2014 Is heer Knysj thuis, jongen? \u2014 vroeg Maroesja.<br \/>\n\u2014 Komt u bij grootvader op bezoek? \u2014 vroeg het kind in plaats van te antwoorden.<br \/>\n\u2014 Ja, bij grootvader. Is hij thuis?<br \/>\n\u2014 Ja.<br \/>\n\u2014 Waar is hij dan?<br \/>\n\u2014 Daar in de tuin, of misschien in huis, of misschien op het erf.<br \/>\n\u2014 Roep je grootvader dan, jongen.<br \/>\nMaar grootvader kwam al naar de poort toe.<br \/>\nEen wat gebogen, goedhartige oude man in eenvoudig linnen boerenkledij, in hemd en wijde broek, met een strooien hoed op. Hij maakte een beleefde buiging voor de aangekomen soldaat en herkende meteen Maroesja, zonder ook maar een zweem van verbazing te tonen, alsof hij haar verwachtte, alsof zulke bezoeken de gewoonste zaak van de wereld waren.<br \/>\n\u2014 Ach, klein meisje! \u2014 zei hij. \u2014 Gezond en vrolijk? Wees welkom in huis! En als je je binnen verveelt, dan weet Taras wel waar de aardbeien groeien en waar de frambozen rijp zijn. We kunnen ook pampoesjki of maanzaadbroodjes eten. En er zijn pasteitjes op voorraad, zulke pasteitjes dat ze een hongerige ziel kunnen opvrolijken!<br \/>\nIvan hoorde de woorden maanzaadbroodjes, pasteitjes.<br \/>\n\u2014 Het ontbreekt je zeker niet aan proviand in huis? \u2014 zei hij streng, maar in zijn stem klonk al een zachtere toon, gewekt door de gedachte aan gebak en spijzen.<br \/>\n\u2014 God zij dank! \u2014 antwoordde de gastheer. \u2014 Wees welkom, wees welkom in huis!<br \/>\nWat een hartelijke, oprechte, ongekunstelde man leek heer Knysj!<br \/>\n\u2014 Wees welkom, waarde gast\u2026 niet verwacht, maar God heeft u gezonden\u2026 gezonden! Onverwacht, maar des te dierbaarder! Wees welkom!<br \/>\nDe onverwachte maar \u201cdierbare gast\u201d, moe en hongerig, begon geen uitleg of gesprek en volgde de gastheer naar binnen, zijn vermoeide lichaam strekkend, geeuwend, zich krabbend, kortom, genietend van de zeldzame gelegenheid om lichaam en ziel wat te laten rusten. Hij had voor zichzelf al uitgemaakt dat de gastheer een eenvoudige, goedige boer was, en dacht vooral aan wat voor pasteitjes en dranken hem wachtten.<br \/>\nMaroesja reed de binnenplaats op en volgde hen; achter haar liep Taras.<br \/>\n\u2014 Heer Knysj! \u2014 zei Maroesja. \u2014 Wat een prachtige oogst hebt u. Al zou men hem onrijp maaien, dan nog is hij goed!<br \/>\n\u2014 God zij dank, meisje, God zij dank! Dit jaar is alles goed gegroeid! \u2014 antwoordde heer Knysj zonder zich om te draaien.<br \/>\nGeen trilling in zijn stem, geen verandering in toon of houding, geen versnelling of vertraging in zijn kleine, haastige pas; niets veranderde aan zijn ijverige, enigszins trotse uitstraling van een boer die met stille voldoening zijn gast wilde verrassen met zijn gerechten, die hij wellicht hoger achtte dan wat ook ter wereld.<br \/>\n\u201cWat is er aan de hand? Heeft hij het niet begrepen?\u201d<br \/>\nMaroesja voelde haar hart zwaar samentrekken. Ze wist niet wat te denken of te doen en besloot opnieuw hetzelfde: te zijn zoals hij.<br \/>\nZe zei niets meer en ging het huis binnen.<br \/>\nHet was een ruime, koele, sneeuwwitte boerenhut met brede banken, een tafel met een wit kleed en een lemen vloer. Aan de muren hingen bossen halfverwelkte, geurige steppekruiden; in de hoek, achter de met witte doeken versierde iconen, hingen ook kruiden, vermengd met gedroogde bloemen van vorig jaar, gewijde wilgentakken en groen van Pinksteren.<br \/>\nDe gastheer nodigde hen uit te gaan zitten en was geheel in beslag genomen door de maaltijd. In zijn ijver om zich niet te schamen en zijn huishouden van de beste kant te tonen, liep hij heen en weer, dekte de tafel, rende naar de kelder, rommelde in de voorraadkamer, liet lepels vallen, goot drank van de ene fles in de andere, klom naar de zolder voor gerookte worst. Door al die oprechte drukte liet hij de hongerige gast wachten, maar vulde diens gedachten tegelijk met dankbaarheid, vermengd met lichte ergernis en ongeduld, die echter niet de overhand kregen.<br \/>\n\u2014 Maak u toch niet zo druk om mij, gastheer! \u2014 zei de gast af en toe.<br \/>\n\u2014 Dat kan niet\u2026 dat kan niet\u2026 staat u mij toe, heer\u2026 hoe heet u, edele heer? \u2014 antwoordde de oprechte gastheer.<br \/>\n\u2014 Ik heet Ivan, \u2014 zei hij zuchtend.<br \/>\n\u2014 Welnu, heer Ivan, sta mij toe u te onthalen met wat God ons heeft geschonken. Sta het mij toe!<br \/>\n\u2014 Wij zijn militairen, wij zijn niet gewend zoet te eten; als we maar niet hongerig blijven, is het goed! \u2014 probeerde heer Ivan voor zijn eigen bestwil tegen te sputteren.<br \/>\n\u2014 Nee, nee, u moet het toestaan! \u2014 hield de gastheer vol.<br \/>\nMaroesja zat op de bank, uiterlijk rustig en stil, zoals hij, maar zulke golven van hoop en angst overspoelden haar dat niemand ze met woorden zou kunnen beschrijven.<br \/>\nTaras keek vanuit een hoek naar de gasten en telde bij het raam de schoten die duidelijk tot aan de hoeve doordrongen.<br \/>\nEindelijk stond alles voor het ontbijt klaar. Heer Ivan stortte zich erop met een bijna vijandige vastberadenheid, als een soldaat die geen acht slaat op smaakgenot. Maar al snel werd hij zachter, zelfs beleefder; na enkele glaasjes likeur werden zijn ogen glazig en speelde er een vage glimlach om zijn mond.<br \/>\nDe gastheer herinnerde zich telkens nieuwe lekkernijen en liep weer naar de kelder of de zolder, steeds eerst toestemming vragend aan heer Ivan.<br \/>\nEn heer Ivan verzette zich niet meer, maar knikte alleen goedkeurend.<br \/>\n\u2014 En jij, Taras, tel je de kauwen? \u2014 zei de gastheer tegen zijn kleinzoon. \u2014 Ga wat hooi bij de ossen gooien. Dat is me een werker, al reikt hij nog niet tot aan de hemel! \u2014 voegde hij eraan toe tegen heer Ivan.<br \/>\nHeer Ivan wilde iets gewichtigs antwoorden, maar bracht niets gewichtigs uit; hij glimlachte slechts langzaam en vaag.<br \/>\nTaras sprong van de bank en liep naar buiten.<br \/>\nMaroesja kon de spanning niet langer verdragen, stond ook op en zei:<br \/>\n\u2014 Ik ga met Taras mee.<br \/>\n\u2014 Ga maar, kleintje, \u2014 zei de gastheer. Toen ze langs hem liep, streek hij haar even over het hoofd, slechts een lichte aanraking, maar alsof hij haar daarmee door een toverspreuk weer zekerheid en moed gaf.<br \/>\n\u2014 Gastheer! \u2014 begon heer Ivan plotseling, met moeite zijn gedachten verzamelend. \u2014 Ons hooi\u2026 het genomen hooi\u2026 krijgsbuit\u2026 geef losgeld\u2026 groot losgeld\u2026 dat is goed\u2026 heel goed\u2026<br \/>\n\u2014 Zoals u wilt, heer Ivan, \u2014 antwoordde de gastheer. \u2014 Neem het hooi of neem losgeld, wat u verkiest.<br \/>\n\u2014 Ja\u2026 dat is goed\u2026 dat is\u2026 goed\u2026 \u2014 mompelde heer Ivan.<\/p>\n<p>X<br \/>\nToen Maroesja naar buiten kwam, zag ze haar wagen nog op dezelfde plaats staan; Taras trok er met armenvol hooi van af en gooide het voor de ossen neer, en de ossen namen die verdiende hulde waardig en statig in ontvangst.<br \/>\nBevend liep Maroesja onopvallend om de wagen heen, in een poging te raden wat haar zo kwelde.<br \/>\nLang bleef ze zo rondcirkelen, als een gewonde vogel boven een verwoest nest; Taras, die zijn taak had volbracht, begon met haar over van alles en nog wat te praten, maar zij antwoordde kort, haar hele wezen was vervuld van zorg, onrust en hoop.<br \/>\nOverwegend dat dit rondlopen om de wagen argwaan kon wekken, ging ze bij hem vandaan en dwaalde over de brede binnenplaats; ze keek in de dichte boomgaard en staarde in de verte, over het veld.<br \/>\n\u201cWat moet ik doen? Wat zal er gebeuren?\u201d dacht ze.<br \/>\nToen ze langs een hoop stenen liep die op het erf was opgestapeld, hoorde ze plotseling een stem die duidelijk zei:<br \/>\n\u2014 Dank je, kleine Maroesja! Wees nergens bang voor, alles is in orde!<br \/>\nOnmiddellijk herkende ze die stem. Door vreugde getroffen als door een pijl, tegelijk betoverd en verzwakt door de angst en kwelling die nu ineens verdwenen waren, wankelde ze, viel bijna en ging op de grond zitten, niet in staat nog een stap te zetten.<br \/>\nLangzaam kwam ze weer bij zinnen en keek aandachtig rond: de stenenhoop waar ze bij zat, was kennelijk lang geleden opgeworpen, toen men de kelder had gemetseld; een luchtopening tussen de stenen gaf uit op het erf, en de overtollige stenen waren sindsdien blijkbaar niet aangeraakt, want ze waren overal met gras en brandnetels overgroeid.<br \/>\n\u201cHeb ik het me misschien verbeeld?\u201d dacht Maroesja, terwijl ze bijna bezweek van zwakte.<br \/>\nMaar de stem, die van onder de grond kwam, klonk opnieuw:<br \/>\n\u2014 Mijn trouwe meisje! Stel je hart gerust! We hebben de grootste stroom al overgestoken; aan de oever zullen we, met Gods hulp, niet verdrinken!<br \/>\nMaroesja bleef nog lang onbeweeglijk zitten, luisterend. Door zijn woorden, als door een toverspreuk, vulde haar hart zich met levende vreugde, en op haar gezicht speelde zo\u2019n stralende blos, haar ogen straalden zo helder, dat Taras, die over het erf van zijn grootvader galoppeerde, nu eens in de trotse gedaante van een hetmanspaard, dan weer als een dreigende hetman zelf, dan als een dappere kozakkenleider of kolonel, en ten slotte, opgezweept door zijn roemrijke rollen, vrijuit springend en dartelend als zichzelf, plots voor het vreemde meisje stond en verbaasd was over de verandering in haar. Hij bleef aarzelend voor haar staan en liet zijn arendsblik op haar rusten.<br \/>\n\u201cWat heeft grootvader haar gegeven?\u201d dacht hij. \u201cWat?\u201d<br \/>\nVoor zijn ogen begonnen vage visioenen te fladderen: heerlijke maanzaadkoeken in honing, lekkernijen, peperkoekpaardjes, geroosterde noten en allerlei ander lekkers. Hoe langer hij naar het meisje keek, hoe fantastischer en verleidelijker die beelden werden, en tegelijk des te meer prikkelden en beroerden ze hem. Zonder het te begrijpen, maar vol verwachting, stond hij daar te kijken, meer dan ooit lijkend op een roofzuchtig arendsjong dat zijn vleugels spreidt, zijn snavel scherpt en scherp toeziet in welke richting het moet vliegen om prooi te zoeken.<br \/>\nHij schrok op toen Maroesja begon te spreken.<br \/>\n\u2014 Zeg eens, jongen, zullen we samen naar de boomgaard gaan?<br \/>\n\u2014 Ja, dat doen we, \u2014 antwoordde hij, licht aarzelend, als iemand die nog niet zeker weet of hij er beter of slechter van zal worden. \u2014 Wat heeft grootvader jou gegeven?<br \/>\n\u2014 Aan wie? \u2014 vroeg Maroesja.<br \/>\n\u2014 Aan jou!<br \/>\n\u2014 Niets.<br \/>\n\u2014 Heeft hij dan iets beloofd? Wat heeft hij beloofd?<br \/>\n\u2014 Niets.<br \/>\nTaras keek de gast scherp en wantrouwig aan.<br \/>\n\u2014 Waarom ben je dan zo blij? \u2014 vroeg hij.<br \/>\n\u2014 Ik?<br \/>\nZe wilde zeggen: \u201cIk ben niet blij,\u201d maar zweeg en zei alleen:<br \/>\n\u2014 Laten we naar de boomgaard gaan.<br \/>\nEn ze gingen naar de boomgaard, wandelden daar, plukten bessen en bespraken van alles.<br \/>\nDe jongen Taras hield van redeneren; vooral over hoe hij dit of dat zou regelen als hij hetman was. En niemand \u2014 zelfs geen sterrenkundige \u2014 zou kunnen tellen hoeveel ongelovigen hij in woorden versloeg, hoeveel steden hij beveiligde, hoeveel dorpen en nederzettingen hij verrijkte. De woorden van Taras waren zo zoet als honing; en als men hem zo zag, kon men er zeker van zijn dat zijn daden geen alsem zouden zijn.<br \/>\nIk weet niet of er op de wereld veel is dat mooier is dan wandelen in een geurige, fris ruikende, dichte boomgaard, wanneer het hart speelt en heel je wezen, na brandend wachten en kwellende twijfel, als het ware lacht! Moge God ieder goed mens ten minste eenmaal in zijn leven zo\u2019n wandeling schenken!<br \/>\nZo wandelde Maroesja, Taras volgend door alle hoeken en paadjes van de boomgaard en met hem pratend over dit en dat.<br \/>\nEn Taras, die zijn gast rondleidde, haar met bessen onthaalde en haar met gesprekken vermaakte, keek haar toch af en toe onzeker aan. Hij kon die vage, verleidelijk zoete visioenen van geheimzinnige maanzaadkoeken, ringvormige broodjes, lekkernijen en allerlei smakelijke dingen, die ergens dichtbij moesten zijn en telkens weer voor hem verschenen zodra het stralende gezicht van het meisje zich tot hem wendde, maar niet uit zijn gedachten verdrijven.<\/p>\n<p>XI<br \/>\nIntussen was de zon hoog geklommen en stond zij zo stralend aan de hemel dat er haast nergens schaduw was; en waar die al verscheen, werd zij toch hier of daar doorboord, doordrongen of aangeraakt door een zonnestraal. Haar warme en heldere licht viel schuin door het raam van de hut, bij hetwelk de gevoede heer Ivan in slaap was gevallen, en wekte hem waarschijnlijk met zijn zachtheid en warmte, hem, die niet gewend was aan, of al lang ontwend was van, elke vorm van zachtheid en warmte op deze wereld.<br \/>\nHeer Ivan werd wel wakker, maar hield een poos zijn ogen gesloten; hij zuchtte slechts en glimlachte wat weemoedig. Met die glimlach leek hij te willen zeggen: \u201cIk weet immers heel goed dat van al deze huidige vertroetelingen geen spoor zal overblijven zodra ik mijn ogen open; dat weet en begrijp ik maar al te goed!\u201d<br \/>\nMaar plots sprong hij op alsof hij zich had verbrand; zijn gezicht nam weer de gewone, gereserveerd sombere en zelfs wat vijandige uitdrukking aan. Snel zijn kleren rechttrekkend en zich verzamelend, keek hij vijandig rond naar de witte muren waarop het vrolijke zonlicht speelde.<br \/>\nIn de hut was niemand. Hij riep luid en kortaf:<br \/>\n\u2014 H\u00e9, gastheer!<br \/>\nZijn stem was krachtig en rolde over het erf tot in alle hoeken. Maroesja en Taras snelden naar de hut en, zich verschuilend achter seringen- en viburnumstruiken, wachtten zij af wat er zou gebeuren.<br \/>\nRondom was het stil; men hoorde niets behalve het geruis en de beweging van een heldere zomerdag.<br \/>\nHeer Ivan riep opnieuw, nog luider en korter dan tevoren:<br \/>\n\u2014 H\u00e9, gastheer! Ben je soms doof?<br \/>\nKlaar voor vertrek, met zijn muts op en zijn speer zo handig mogelijk schikkend, gaf heer Ivan met zijn hiel een stoot tegen de deur, zwaaide haar open en bleef staan, niet wetend welke kant hij op moest: de gang liep door, aan beide zijden liepen paadjes door het gras, overal stond landbouwwerktuig. Aan de derde kant stond een deur halfopen naar de kamer.<br \/>\nToen klonk al het vriendelijke antwoord van de gastheer, onderbroken door een lichte, aangename hoest en een vlugge, haastige tred.<br \/>\n\u2014 Ik kom, heer Ivan, ik kom! \u2014 klonk het oprecht en hartelijk van ver.<br \/>\nMaar heer Ivan kon niet begrijpen vanwaar de stem naderde; vergeefs draaide hij zijn hoofd naar links en rechts, en ongeduldig stapte hij een willekeurige deur binnen, waar hij recht tegenover de vriendelijke, enigszins buiten adem geraakte gastheer kwam te staan.<br \/>\n\u2014 Goed gerust, heer Ivan? \u2014 vroeg de gastheer eenvoudig en meelevend, terwijl hij in de ontevreden ogen van zijn gast keek. \u2014 Hebben de vliegen u niet gebeten?<br \/>\n\u2014 Laat de duivel ze halen, al beten ze ook! \u2014 antwoordde Ivan, die zich na rust en slaap wat onpasselijk voelde.<br \/>\n\u2014 Ja, de duivel hale ze, heer Ivan, \u2014 zei de gastheer, bereidwillig instemmend. \u2014 Toch, moet ik zeggen, soms kan zelfs tijdens een zoete slaap ergernis een goed mens overvallen door dat gespuis\u2026<br \/>\n\u2014 Door wat? \u2014 vroeg heer Ivan, uit zijn gepeins opgeschrikt.<br \/>\n\u2014 Door de vliegen, edele heer. Je zou denken dat een goed mens voor hen soms zoeter is dan honing\u2026<br \/>\n\u2014 Mijn hoofd doet pijn, \u2014 onderbrak heer Ivan somber. \u2014 Schenk liever een glas wodka in dan nutteloos te kletsen\u2026<br \/>\n\u2014 Met genoegen, met genoegen, heer Ivan! \u2014 viel de gastheer in, zich haastend alsof hem een heel dorp met akkers was geschonken.<br \/>\nMet kleine, opgewekte pasjes ging hij voor heer Ivan uit naar binnen, terwijl deze hem volgde met dezelfde sombere en norse blik, maar ondertussen zijn borstelige snor gladstrijkend.<br \/>\n\u2014 Gaat u zitten, heer Ivan, ik schenk meteen een glaasje in, \u2014 zei de gastheer, druk rondlopend.<br \/>\n\u2014 Geen tijd om te zitten, \u2014 antwoordde heer Ivan onvermurwbaar. \u2014 Schiet op, ik drink het wel staand. En heb je het geld al klaarliggen? Ik kan niet wachten\u2026<br \/>\n\u2014 Jammer, heel jammer dat u zo\u2019n haast hebt, heer Ivan, \u2014 zei de gastheer. \u2014 Zo\u2019n wodka moet men drinken en savoureren, om eerlijk te zijn\u2026<br \/>\n\u2014 Is het geld klaar? \u2014 vroeg heer Ivan.<br \/>\n\u2014 Klaar, heer Ivan, al valt het ons zwaar.<br \/>\nHier zuchtte de gastheer en keek weemoedig naar de beurs die hij uit zijn zak had gehaald, en daarna naar heer Ivan.<br \/>\n\u2014 Geen reden om daarover te praten, \u2014 zei heer Ivan, die inmiddels een groot glas wodka had doorgeslikt als ware het een bes.<br \/>\nDe gastheer zuchtte opnieuw, berustte en zweeg. Stil haalde hij het geld tevoorschijn, de hryvna\u2019s, draaide ze om en bekeek ze, en begon ze daarna zachtjes te tellen.<br \/>\n\u2014 Kun je tot driehonderd tellen, of gaat dat je boven je macht? \u2014 vroeg heer Ivan, niet al te boos, want terwijl hij sprak, schonk hij een tweede glas in; hij sprak eerder spottend, zelfs wat schertsend. \u2014 Hoe tel jij eigenlijk?<br \/>\n\u2014 Ik tel altijd per zestigtal, heer Ivan, \u2014 antwoordde de gastheer. \u2014 Vijf, zes\u2026 er is geen betere manier dan per zestigtal\u2026 zeven, acht\u2026 mijn zalige vader vergiste zich nooit\u2026 negen\u2026 elf\u2026<br \/>\nHet tellen van de gastheer werd achteloos onderbroken door heer Ivan, die een derde glas inschonk en opdronk. Een tijdlang luisterde hij zwijgend naar het gemompel van de gastheer, onderbroken door het tellen van de munten, die hij in stapeltjes op tafel legde.<br \/>\nMaar na het vierde glas keerde alle strengheid van heer Ivan dubbel en dwars terug: zijn voorhoofd fronste zich, zijn gezicht werd donker. Op het vriendelijke groeten van de gastheer antwoordde hij niets; hij telde het geld streng na, stopte het ongeduldig in zijn zak, verliet met snelle tred het huis, maakte het paard los dat stond te grazen \u2014 het uitscheldend voor veelvraat \u2014 hief streng zijn muts op bij alle begroetingen, trok haar meteen weer bijna over zijn ogen, en liet het paard in draf het erf verlaten. Weldra verdween hij in de wijde steppe, die helder groen glansde onder de stralen van de vrolijke zon.<\/p>\n<p>XII<br \/>\nTerwijl de arendsogen van Taras gulzig het spoor volgden van heer Ivan, die over de steppe voortjoeg, richtten Maroesja\u2019s ogen zich, nadat zij de ruiter van het erf had uitgeleide gedaan, op de gastheer.<br \/>\nDe gastheer stond bij de poort en keek, blijkbaar zonder doel en zonder gedachten, heer Ivan na; net als Taras volgde hij diens snelle rit en luisterde hij werktuiglijk naar het geluid van de hoeven over de steppe. Met de ene hand aaide hij de hond die naar hem toe was gekomen, met de andere schermde hij zich als met een parasol tegen de zonnestralen die hem in het gezicht vielen. Toen, alsof hij zich genoeg had verlustigd aan het schouwspel, keerde hij zich langzaam en kalm van de poort naar het huis, terwijl hij hier en daar over het erf keek met die onderzoekende blik waarmee een zorgzame, ijverige en waakzame boer soms rondziet, om te ontdekken of er in zijn ordelijke en onberispelijke huishouden misschien iets is waaraan hij zich kan wijden en waarop hij zijn bedrijvige ijver kan richten.<br \/>\n\u2014 Grootvader! \u2014 riep Taras eindelijk, zich losrukkend uit zijn hardnekkige staren naar de ruiter die allang verdwenen was. \u2014 Waar staat het vijandelijke leger? Ik dacht, in het Grote Ravijn, maar\u2026<br \/>\n\u2014 Ach, kinderen, wandelen jullie hier in de boomgaard? \u2014 zei heer Knysj vriendelijk, zijn pas inhoudend en knikkend. \u2014 Als jullie genoeg gewandeld hebben, ga dan naar binnen; laat het heilige brood niet tevergeefs groeien!<br \/>\nEn glimlachend ging hij naar binnen; zij volgden hem.<br \/>\nIn een oogwenk waren fles en glas, die voor heer Ivan hadden klaargestaan, weggeruimd; op tafel verschenen varenyky en platte koeken, en in plaats van de scherpe geur van wodka rook men nu de frisse geur van zure room.<br \/>\nTaras, hoewel in gedachten verzonken over de vraag waar het vijandelijke leger nu zijn kamp had opgeslagen, werkte de varenyky naar binnen met niet minder ijver dan wie ook; hij at zo snel alsof hij ze achter zich wierp. Maar Maroesja dacht niet eens aan eten; terwijl haar dunne vingers de koeken braken en verkruimelden, weken haar ogen niet van het gezicht van de gastheer.<br \/>\n\u2014 Grootvader, grootvader! \u2014 begon Taras weer. \u2014 Als hij naar de Kromme Kruisen reed, dan staat het leger dus niet meer in het Grote Ravijn?<br \/>\n\u2014 Waarschijnlijk niet, jongen, waarschijnlijk niet, \u2014 antwoordde de oude man vriendelijk, terwijl hij hun oprecht eten toeschoof. \u2014 Maar je doet me aan iets denken, Taras: we zouden eens moeten kijken hoe het met onze visfuiken bij het Grote Ravijn staat.<br \/>\n\u2014 Ik ben ze helemaal vergeten! \u2014 riep Taras uit, opspringend alsof iemand hem met \u00e9\u00e9n zwaai had opgetild.<br \/>\n\u2014 Dat is me een gastheer! \u2014 zei heer Knysj glimlachend.<br \/>\n\u2014 Maar grootvader! \u2014 zei Taras. \u2014 Ik begrijp niet hoe ik dat kon vergeten!<br \/>\nHij stond onzeker voor zijn grootvader, alsof het hem niet betaamde zulke zaken in het huishouden uit het oog te verliezen.<br \/>\n\u2014 Ik ga meteen kijken, \u2014 zei hij tenslotte, zich herstellend van zijn verbazing en zijn verwarring verdrijvend met het besluit de zaak zo snel mogelijk in orde te brengen.<br \/>\nHij schoot het huis uit; even hoorde men zijn luide gestamp, toen klonk in de verte zijn stem die Rjabko riep, en daarna werd het stil.<br \/>\nMaroesja bleef alleen achter met de gastheer. Nu stond hij voor haar en keek haar aan, met een andere blik, bij het zien waarvan haar hart heftig begon te kloppen en te fladderen.<br \/>\nVoor haar ogen voltrok zich plots een wonderlijke verandering, of beter gezegd: een gedaanteverwisseling. Heer Knysj was als herboren. In plaats van het sluw-eenvoudige, goedmoedig-bezorgde gezicht van een huisvader blonken haar scherpe, doordringende ogen tegemoet, als een vlijmscherpe dolk; alle zachte rimpels waren verdwenen, zijn gelaatstrekken stonden anders, duidelijker; geen spoor van speelsheid of zorgeloosheid bleef over. Hij leek zelfs groter, breder in de schouders, zijn armen krachtiger.<br \/>\nEnkele minuten keek Knysj naar Maroesja, en Maroesja naar hem, als een betoverde vogel. Toen sprak hij, en ook zijn stem was veranderd: zoveel helderder en steviger, dat zij zich tot de vorige verhield als een viool met gebroken snaren tot een goedgestemde, zingende viool onder de hand van een meester.<br \/>\n\u2014 Maroesja, \u2014 zei hij, \u2014 niet ver van hier verblijft een vriend van je die graag een paar woorden met je wil spreken. Misschien wil je snel naar hem toe?<br \/>\nHij begreep haar antwoord zonder woorden \u2014 woorden die door grote vreugde als met een scherp mes waren doorgesneden \u2014 en gaf haar een teken hem te volgen.<br \/>\nHij ging naar buiten. Maroesja\u2019s ogen bleven blij en onzeker rusten op de oude stenenhoop, vlakbij de plaats waar zij de stem had gehoord die haar moed en vreugde had teruggegeven. Maar Knysj zette geen stap in die richting; hij bleef staan, keek aandachtig om zich heen en floot. Voron, die bij de poort de wacht hield, was met twee sprongen bij hem, ging op zijn achterpoten zitten, hief zijn kop en keek verstandig en oplettend in de ogen van zijn meester, wachtend op een bevel.<br \/>\n\u2014 Is er geen vreemde in de buurt, Voron? \u2014 vroeg Knysj.<br \/>\nVoron gaf een zacht, maar duidelijk geluid, alsof hij wilde zeggen: \u201cWees gerust!\u201d En als extra bewijs dat men zich veilig kon voelen, begon hij vliegen te vangen en in te slikken, gebruikmakend van een vrij ogenblik tussen gewichtige zorgen en belangrijk werk.<br \/>\nKnysj leidde Maroesja opnieuw de gang in, maar in plaats van de deur naar de woonruimte te openen, deed hij de tegenoverliggende deur open, naar de voorraadkamer, waar het vol lag met alles wat het menselijk leven ondersteunt. Men kon zich nauwelijks tussen de talloze zakken meel, grutten, gierst, erwten, maanzaad en bonen doorwringen; slingers hop, worsten en gedroogde appels ontnamen het licht; manden met eieren, die bij een onvoorzichtige stap zo konden omvallen, dwongen tot behoedzaam lopen; en hele rijen flessen en kruiken versperden eveneens de weg.<br \/>\nToen Maroesja binnenging, zocht zij voorzichtig waar zij haar voet kon zetten, overal dreigde gevaar. Zij keek naar Knysj, die de deur achter zich sloot, en zag plots vlak bij de drempel een opening in de vloer en een ladder die naar een onderaardse ruimte leidde.<br \/>\n\u2014 Ga stilletjes naar beneden, meisje, \u2014 zei Knysj. \u2014 Let goed op je voetjes!<\/p>\n<p>XIII<br \/>\nZij begonnen langs de wankele ladder naar beneden te klimmen, die onder hen doorboog en trilde alsof zij leefde.<br \/>\nMaroesja merkte niet hoe het onderaardse vertrek zich opende of hoe het zich weer sloot; zij bemerkte het slechts doordat zij plots in het donker stonden.<br \/>\nHoe verder zij afdaalden, des te frisser en vochtiger werd de lucht, zoals in een kelder waar nooit een warme, heldere zonnestraal binnendringt. Af en toe voelde zij hoe een zekere, vaste hand haar aanraakte en zorgzaam ondersteunde.<br \/>\nEindelijk hield de ladder op en bevond Maroesja zich op de bodem van een diepe kelder.<br \/>\nOp datzelfde ogenblik nam haar begeleider haar bij de hand en leidde haar verder.<br \/>\nZij gingen niet ver; nauwelijks hadden zij enkele stappen in de duisternis gezet of een brede strook daglicht viel fel van boven naar binnen en verlichtte een ruime onderaardse ruimte, waar de kozak van de Sietsj rustig heen en weer liep. Hij was geheel verdiept in gedachten, maar had niets van zijn gewone waakzaamheid verloren en merkte de bezoekers meteen op.<br \/>\n\u2014 Ach, kleine Maroesja, trouwe raadgeefster! \u2014 zei hij, hen met een kalme glimlach tegemoet tredend, alsof hij gasten op een vreedzaam feest ontving.<br \/>\nHij toonde geen ontroering; slechts \u00e9\u00e9n ogenblik, niet langer, verzonken zijn schitterende ogen in de hare, die vol vreugde en hoop op hem gericht waren.<br \/>\nMaar er bestaat een geheimzinnige kracht die op bepaalde ogenblikken van het leven zelfs het diepst verborgen kloppen van het hart verraadt. Heer Knysj begreep en doorzag dat het kleine meisje voor de Zaporozjer kozak reeds alles was geworden wat het zware, sombere, eenzame en gevaarlijke leven verfraait en verlevendigt, wat het betovert en met tederheid vervult.<br \/>\nEn toen hij dit begreep, gleed er over zijn gezicht die bijzondere uitdrukking van weemoed en verlangen om iemand te koesteren, een bittere uitdrukking die vroeg of laat op het gelaat verschijnt van elke eenzame mens, hoe sterk van geest en karakter ook.<br \/>\n\u2014 Laten we verder gaan, \u2014 zei Knysj. \u2014 Daar kunnen we beter gaan zitten en spreken; daar horen we het ook eerder als er onverwacht iemand komt\u2026<br \/>\nZij liepen verder door het onderaardse gangenstelsel, dat nu eens nauwer, dan weer breder werd; soms liet het geen vonkje licht door, dan weer werd het helder verlicht doordat het licht van boven viel in cirkels, stroken, sterren, driehoeken en allerlei vormen, afhankelijk van de openingen die de natuur had gemaakt. Soms viel het licht door een spleet als door een rond venster; soms drong een bundel stralen door kleine luchtgaten of trilde een smalle lichtstreep over de zwarte aarden wand.<br \/>\nOveral waar licht naar binnen viel, waren kleine ladders aangebracht, zodat degene die zich in het ondergrondse verschool niet alleen van het daglicht kon genieten, maar ook kon zien wat er buiten gebeurde, terwijl hijzelf onzichtbaar bleef.<br \/>\nAllen zwegen een tijdlang, zoals vaak gebeurt wanneer een gedachte of gevoel het hart diep raakt.<br \/>\n\u2014 Aan tijd hebben wij geen overvloed! \u2014 zei Knysj, zich tot de Sietsj-kozak wendend.<br \/>\n\u2014 Maar aan vindingrijkheid ontbreekt het ons niet, \u2014 antwoordde de Sietsj-kozak. \u2014 Wij zullen noch moed noch gezondheid aan de deurpost hoeven te bedelen\u2026<br \/>\n\u2014 Wat mij betreft: als het tijd is om te gaan, dan gaan we!<br \/>\n\u2014 Zeker! Maak mij gereed, vriend, ik ben zo bereidwillig als een pastoorsdochter om te trouwen!<br \/>\n\u2014 Welnu, aan het werk! \u2014 zei Knysj.<br \/>\nHij liep enkele stappen opzij en keerde terug met een flinke bundel versleten boerenkleren, een valse grijze baard, snor en wenkbrauwen, een bedeltas en een bandoera \u2014 alsof hij dit alles uit de aarde zelf had opgegraven.<br \/>\n\u2014 Gaat het meisje met je mee? \u2014 vroeg Knysj, terwijl hij de bundel uitspreidde.<br \/>\n\u2014 Maroesja, ga je met mij mee? \u2014 vroeg de Sietsj-kozak.<br \/>\n\u2014 Ja, ik ga mee, \u2014 antwoordde Maroesja.<br \/>\n\u2014 Weet je dan waar we heen gaan, meisje? \u2014 vroeg Knysj.<br \/>\n\u2014 Weet je waarheen? \u2014 herhaalde de Sietsj-kozak.<br \/>\n\u2014 Nee. Ik ga waar jij zegt, \u2014 zei Maroesja. En haar hart was blij, warm en moedig bij de gedachte dat zij zou gaan.<br \/>\n\u2014 Hier is kleding voor het meisje; laat haar zich verkleden als zij werkelijk mee wil gaan, \u2014 zei Knysj, terwijl hij meisjeskleren uit de bundel haalde en haar aanreikte, als een goochelaar die uit een ei een boeket bloemen tevoorschijn tovert.<br \/>\n\u2014 Je zult een voortreffelijke bandoerist zijn, mijn vriend! \u2014 zei Knysj, terwijl hij toekeek hoe de Sietsj-kozak zich hulde in de kleren van een rondtrekkende zanger. \u2014 En je hebt een trouwe gezellin! \u2014 voegde hij eraan toe, glimlachend bij het zien hoe ijverig Maroesja haar mooie kleren ver weg legde en zich levendig hulde in oude, gescheurde lompen.<br \/>\n\u2014 We gaan naar de hetman zelf, Maroesja! \u2014 zei de Sietsj-kozak.<br \/>\nHaar vrolijke blik bracht hem even tot nadenken, maar niet lang.<br \/>\n\u2014 Terwijl wij ons gereedmaken voor de reis, vriend, \u2014 zei hij tot Knysj, \u2014 onderricht ons eens goed. Vertel ordelijk wat er hier gaande is. Ik zwerf al meer dan een maand onder het volk, maar heb nog niets zekers of deugdelijks vernomen: er is meer eensgezindheid onder marktvrouwen op een grote jaarmarkt dan hier in het roemrijke Oekra\u00efne!<br \/>\nKnysj volgde zwijgend hun verkleedpartij en, als iemand die meer vertrouwd was met voorzichtigheid dan met openhartigheid of overmoed, stemde hij noch toe noch sprak hij tegen, maar tokkelde af en toe zacht op de snaren van de bandoera die hij in handen hield.<br \/>\n\u2014 Wat voor nieuws heb je? Spreek vrijuit en zonder haast; mijn werk is als een spontane kus\u2026 jij begrijpt en doorziet meer dan ik, \u2014 ging de Sietsj-kozak verder.<br \/>\n\u2014 Ach, wat zal ik zeggen, \u2014 antwoordde Knysj. \u2014 Het volk moppert\u2026 De ene oever vertrouwt men al lang niet meer, en op de andere begint men het vertrouwen ook te verliezen\u2026 Onzekere tijden\u2026 Aan de ene kant de Moskovieten, aan de andere de Polen, aan de derde de Tataren, en in eigen huis twee hetmans die elkaar bestrijden\u2026<br \/>\n\u2014 Men vertelde dat de onze zwak is van gezondheid; is dat waar?<br \/>\n\u2014 Ziek is hij niet geweest, maar hij is vermagerd; en geen wonder: verdriet verfraait slechts de kreeft! \u2014 antwoordde Knysj.<br \/>\n\u2014 En die andere?<br \/>\n\u2014 Die? Als je goede geruchten over hem wilt verzamelen, doorkruis dan heel Oekra\u00efne en keer met lege handen terug; verzamel je slechte, dan kun je overal waar je komt doof worden.<br \/>\n\u2014 Wie van de onzen is bij hem?<br \/>\n\u2014 Antin houdt nog stand, maar ook hij zegt dat het hem te zwaar wordt: \u201cZo\u2019n nietsnut ben ik nog nooit geweest,\u201d zegt hij. In elk geval, onthoud dat zijn vrouw een goede vrouw is.<br \/>\n\u2014 Werkelijk? Die grote dame?<br \/>\n\u2014 Ja, die grote dame. Zelfs tussen brandnetels kan een lelie groeien.<br \/>\n\u2014 Waar komt zij vandaan?<br \/>\n\u2014 Dat weet ik niet.<br \/>\n\u2014 Als zij een bes van hun veld is, vertrouw haar dan niet: het zal hetzelfde dier zijn, slechts met een andere smaak. Dus de onze is sterk verzwakt?<br \/>\n\u2014 Ja, verzwakt.<br \/>\n\u2014 Wie is nu zijn raadgever?<br \/>\n\u2014 Niemand. Hij zit alleen, als een neergeschoten arend.<br \/>\n\u2014 Dat moet zwaar voor hem zijn.<br \/>\n\u2014 Jazeker.<br \/>\nDe Sietsj-kozak was gereed en nam de bandoera uit Knysj\u2019 handen. Maroesja was ook klaar, en allen verlieten het onderaardse.<br \/>\nReizende troepen die langs de hoeve trokken, zagen een waardige bandoerist die op de drempel van heer Knysj\u2019 huis zat, zacht de snaren tokkelend en met lange uithalen goddelijke psalmen zingend; terwijl zijn gezellin, gebruikmakend van de rust, op het gras sliep, en heer Knysj, het hoofd gebogen, nederig en enigszins schuchter luisterde naar deze heilige gezangen, als iemand die vaag voelt dat hij niet altijd het pad heeft bewandeld dat in de psalmen wordt gewezen.<\/p>\n<p>XIV<br \/>\nToen het ging schemeren waren de bandoerist en zijn gezellin al bij het militaire kamp, dat zijn tenten had opgeslagen niet ver van de rivier, op een heuveltje, te midden van een uitgestrekt, geurend, fris veld.<br \/>\nDe avondschaduwen werden steeds dichter, en alleen in het westen scheen een felrode strook van de avondster.<br \/>\nHet was erg stil in het kamp. De wachters, door het avondlicht verguld, leken door hun stilstand en glans alsof ze uit metaal waren gegoten. Een paar figuren bewogen zich snel en gehaast, andere zwierven langzaam rond; in \u00e9\u00e9n tent, ondanks dat het daglicht nog niet helemaal was verdwenen, was door het witte tentdoek te zien dat er een kaars brandde; af en toe klingelde ergens een wapen, of klonk er een kreet.<br \/>\nDe bandoerist werd van veropgemerkt, maar hij naderde langzaam tot midden in het kamp en riep daardoor geen haat of voorzichtigheid op.<br \/>\nZijn verschijning was voor velen zelfs aangenaam: toen hij op de bandoera speelde en langzaam, plechtig een goddelijk psalm zong, luisterde iedereen aandachtig.<br \/>\nHeel wat hoofden, verbonden met bebloede verbanden, kwamen overeind met de duidelijke intentie een aalmoes aan de zanger te geven, maar gevoelens van zwakte dwongen sommigen om frustratie te uiten of treurig te glimlachen; \u00e9\u00e9n knikte naar de gezellin om dichterbij te komen, hem van ver een stap te tonen.<br \/>\nHet meisje stond echter aarzelend, de bandoerist zei niets tegen haar, waarschijnlijk omdat hij met zijn oude ogen dat knikje niet had opgemerkt.<br \/>\n\u201cKom dichterbij, mooi meisje,\u201d sprak de gewonde man, \u201cik zal je niets doen, en je krijgt een centje!\u201d<br \/>\nAndere handen riepen ook het meisje, en zij liep rond, buigend en met trillende handen aalmoezen verzameld, terwijl ze vriendelijke blikken ontmoette en speelse groeten hoorde.<br \/>\nEn toen klonk de bandoera zo krachtig in de handen van de bandoerist dat alle aandacht erop gericht werd.<br \/>\nWat voor een lied het was, was moeilijk te ontcijferen; het leek soms een dreigend onweer, soms een pijnlijke kreet.<br \/>\nAlles viel stil, luisterend, gegrepen door een onbegrijpelijke kracht; men vergat helemaal het verlegen meisje met het hoofd naar de grond en de trillende hand. Iedereen werd betoverd door de bandoerist.<br \/>\nIn de transparante, stille lucht, in de helder-glanzende nevel van de roze avond, dreunde, trilde en ontbond het:<\/p>\n<p>Oj, jij rietvink, oj, jij kleine rietvink,<br \/>\nBouw geen nesten boven de Desna!<br \/>\nWant het water in de Desna stijgt elke dag,<br \/>\nHet zal je kinderen onder water zetten!<\/p>\n<p>Een jonge officier, mooi als een schilderij, zelfvoldaan, dapper, met militaire manieren en een militaire uitdrukking op zijn gezicht, kwam uit een tent.<br \/>\nHij kwam kennelijk uit verveling, zonder werk, maar toen hij de zang van de bandoerist hoorde, bleef hij stilstaan, liet hij de rook van zijn pijp niet langer in ringen ontsnappen; hij vergat de pijp, verloor de militaire uitdrukking op zijn gezicht en in zijn houding.<br \/>\nIets dat lang was onderdrukt, iets dat lang vergeten was, kwam bij hem terug.<br \/>\nIn \u00e9\u00e9n minuut verander je wonderbaarlijk, menselijke gestalte!<br \/>\nOp het gezicht van de officier, dat enkele minuten eerder nog een militaire parade leek uit te stralen, verscheen nu iets totaal anders.<br \/>\nZelfs de gelaatstrekken leken veranderd. Op het gladde, hellende voorhoofd verzamelden zich misschien rimpels die daar nog nooit waren geweest; de lippen, trots als de beste versiering, met een zelfvoldane en enigszins brutale glimlach, werden samengeknepen; de ogen, die gewoonlijk alleen militair keken, verzachtten merkwaardig.<br \/>\nDe dreigende, sinistere zang van de bandoerist veranderde in een andere, vol van zo\u2019n hopeloze, machteloze weemoed dat een gewonde soldaat zei:<br \/>\n\u2014 Oj, ze trekken het leven uit me!<\/p>\n<p>De Oekra\u00efne was bedroefd,<br \/>\nEr was geen plaats om te leven,<br \/>\nDe horden hebben met hun paarden<br \/>\nDe kleine kinderen vertrapt.<\/p>\n<p>Wat klein was, vertrapt,<br \/>\nWat oud was, geslagen,<br \/>\nDe jonge knechten<br \/>\nGevangen genomen!<\/p>\n<p>Luisterend naar dit eenvoudige verslag van gebeurtenissen, leek de officier zichzelf vragen te stellen over iets waar hij eerder nooit had aan gedacht.<br \/>\nHet kon zeker worden gezegd dat hij op dit moment niet met dezelfde moed, als voorheen, zou hebben geroepen:<br \/>\n\u2014 Vuur!<br \/>\nEen snorrensoldaat, wiens kleur en littekens deden denken aan een oude, beschadigde bronzen standbeeld, dat brute wrede hardheid kon uitbeelden, luisterde aanvankelijk somber maar onbeweeglijk naar de zang, liep daarna verder, verdween achter een tent, ging op het gras liggen, bedekte zich met een jas, en over zijn geharde gezicht stroomden overvloedige hete tranen, tranen die zich niet verraadden door gehuil of zuchten, volledig stil, stiller dan de lenteregen in de steppe.<br \/>\nPlotseling stopte het gezang, de bandoera speelde sneller, sneller, en sneller, en in het militaire kamp klonken dan dansende klanken:<\/p>\n<p>Oj, het meisje verkocht haar rokje,<br \/>\nKocht een pijp voor de kozak,<br \/>\nKocht de pijp voor het rokje\u2014<br \/>\nZe hield echt van hem!<\/p>\n<p>Maar het meisje verkocht haar ziel,<br \/>\nKocht tabak voor haar ziel,<br \/>\nKocht tabak voor de ziel\u2014<br \/>\nZe hield echt van hem!<\/p>\n<p>Het gelach verspreidde zich overal; sommigen begonnen mee te zingen, hun hoofd ritmisch te wiegen.<br \/>\n\u2014 Wat een bandoerist! \u2014 klonken stemmen \u2014 wat een bandoera!<br \/>\nDe bandoerist zong nog veel grappige liedjes tot vermaak van de soldaten, en met spijt namen ze afscheid van hem, maar ook met vreugde accepteerden ze de belofte terug te komen om hen opnieuw te vermaken.<br \/>\n\u2014 Waar ga je heen? \u2014 zei iemand. \u2014 Het is nacht buiten, en je weet dat de wegen onzeker zijn&#8230;<br \/>\n\u2014 Oude mannen zijn niet bang voor rovers, \u2014 antwoordde de zorgeloze bandoerist, vertrekkend, en verdween al snel met zijn gezellin in de nevel van de zomeravond.<\/p>\n<p>XV<br \/>\nDe sterren waren al aan de hemel verschenen, en de Sietsj-kozak en Maroesja liepen nog steeds hand in hand door de stille, eindeloze, slaperige steppe.<br \/>\nAlles om hen heen zweeg, en zij zeiden geen woord.<br \/>\nMaar waarom ook praten, wanneer je hand in hand op weg bent naar een goed doel?<br \/>\nHet was goed om zo te lopen, hand in hand door de slaperige steppe, in de stilte van de nacht, alleen het kloppen van je overvolle hart te voelen!<br \/>\nZe wisten niet hoe lang ze hadden gelopen, en wij zullen dat ook niet tellen \u2014 deze uren waren mooi, dus het was niet nodig ze te meten \u2014 ze vlogen voorbij als een vogel.<br \/>\nVoor hen flikkerden vage lichtjes in de nevel, en al snel tekenden zich in de mist de donkere contouren van muren en huizen af.<br \/>\nDeze stad zag somber en dreigend uit, zwart in de nachtelijke duisternis, slechts verlicht door kleine lichtpuntjes. Het gewone rumoer van de stad was niet te horen, de gebruikelijke bedrijvigheid niet zichtbaar; hier leefde iets anders; de echo van stappen was anders, de nagalm van stemmen was anders. Zoals men in de natuur weet wanneer een storm nadert, zo ademde deze plaats gereedheid voor strijd en verzet; hoe dat precies tot uiting kwam, kon men niet zeggen, maar het was overal zichtbaar: op de arme, lage huisjes tussen de tuinen, op de hoge klokkentoren, op de oude stadsmuren, en op de recent opgeworpen wallen. Alles leek klaar voor vastberaden verzet, hoewel nachtegalen lentekwetterend door de tuinen zongen en vrouwen rustig over de straten liepen.<br \/>\nNiemand riep hen toe toen ze bij de stadspoort kwamen, en ze betraden de stad zonder hinder; maar elk paar ogen leek hen op te merken en scherp in de gaten te houden.<br \/>\n\u2014 H\u00e9, broertje! \u2014 zei de Sietsj-kozak, zich tot een jonge kozak richtend, die ergens op stond te wachten, leunend tegen een hek bij een huis met een verlicht raampje. \u2014 H\u00e9, broertje, wil je alstublieft de oude bandoerist laten zien hoe hij bij de heer-hetman kan komen?<br \/>\nDe jonge kozak hief zijn muts iets op, wees naar de straat die in het donker lag, bezaaid met vonken van de ramen, en zei:<br \/>\n\u2014 Als je deze straat uitloopt, is het huis van de hetman aan de rechterkant.<br \/>\nZe bedankten de kozak en volgden de aangegeven straat, en konden meteen raden welk huis het hetman-huis was, omdat het helderder verlicht was, en omdat twee meisjes, lopend langs het huis, hun pas vertraagden, naar het raampje keken en zeiden: \u201cDe heer-hetman slaapt waarschijnlijk niet.\u201d<br \/>\nIn dat raampje tekende zich duidelijk het hoofd van een snorachtige kozak af, alsof het uit zwart steen was gehouwen, zijn hoofd steunend op zijn hand in diepe gedachten.<br \/>\nAls je goed luisterde, kon je mannenstappen horen in de kamer, soms langzaam, soms snel, verbazingwekkend duidelijk.<br \/>\nDe Sietsj-kozak klopte.<br \/>\nEen besnorde kozak stopte met denken, stond op en deed de deur open.<br \/>\nDe stappen in de kamer verstomden onmiddellijk, en er viel stilte.<br \/>\n\u2014 Vrienden komen hulde brengen aan de heer-hetman, \u2014 sprak de Sietsj-kozak, het huis binnengaand hand in hand met Maroesja.<br \/>\nHet was een gewone kamer, de tweede deur was gesloten.<br \/>\n\u2014 Dank voor jullie vriendelijke attentie! \u2014 antwoordde de besnorde kozak gereserveerd-beleefd, alsof zulke bezoeken regelmatig voorkwamen.<br \/>\n\u2014 Mag ik de hetman in de ogen kijken, broertje? \u2014 vroeg de Sietsj-kozak.<br \/>\nMaar de deur naar de tweede kamer ging al open, de hetman zelf stond voor hen, en zijn hele houding vroeg zonder woorden: waar komen deze gasten vandaan? Welke berichten brengen ze?<br \/>\nHet vuurlicht verlichtte hem niet geheel, maar in strepen en vonkjes: soms van boven, soms van opzij, soms van beneden. Hij was geheel gehuld in zwarte schaduwen en trillend gefilterd licht.<br \/>\nZijn gelaatstrekken waren moeilijk te onderscheiden, alleen zijn scherpe, nieuwsgierige ogen schitterden in de schemering als kolen.<br \/>\n\u2014 Ik buig voor u, heer-hetman! \u2014 zei de Sietsj-kozak, hem ziend, en boog diep.<br \/>\nMaroesja boog ook diep voor de heer-hetman.<br \/>\n\u2014 Dank u, \u2014 antwoordde de hetman. \u2014 Welk lied zult u voor ons zingen, vriendelijke bandoerist?<br \/>\nZijn stem alleen al verried iemand die gewend was te bevelen, niet bevelen te ontvangen, iemand die gewend was zijn verlangens en gedachten uit te drukken zonder te stoppen, en zonder aarzeling of vrees erom te strijden en ze te verdedigen.<br \/>\n\u2014 Alleen een eigen lied, heer-hetman, want ik zit niet op andermans wagen en zing niet voor de gunst van een meester.<br \/>\nDe hetman antwoordde hier niet op, maar geen woorden konden beter verbazing, woede en spijt uitdrukken dan deze stilte.<br \/>\n\u2014 Waar komt u vandaan? \u2014 vroeg de hetman.<br \/>\n\u2014 Uit Zaporizja, \u2014 antwoordde de Sietsj-kozak. \u2014 De Zaporozjer kozakken bevelen mij nederig te buigen voor de voorname heer-hetman.<br \/>\n\u2014 Dank u, \u2014 sprak de hetman. \u2014 Welkom in mijn kamer.<br \/>\nDe Sietsj-kozak volgde de hetman naar de tweede kamer, en Maroesja, nog steeds zijn hand vasthoudend, ging ook de hetmanskamer binnen.<br \/>\nEr was geen bijzondere versiering in deze kamer: dezelfde witte muren, dezelfde linden banken als in een gewoon kozakkenhuis, alleen hing er veel verschillend en kostbaar wapenwerk aan de muren en stond het in de hoeken; op de tafel lagen een banjoek en papieren.<br \/>\nDe hetman-jupans hingen op haken, en hun borduurwerk glansde. Het bed leek onneembaar voor slaap en rust, en het weggeschoven kussen aan het hoofdeinde sprak duidelijk van de hitte en pijn van het hoofd dat er kort op rustte.<br \/>\n\u2014 Ga zitten, \u2014 sprak de hetman.<br \/>\nHij ging zelf zitten en richtte zijn vurige ogen op de Sietsj-kozak.<br \/>\nZijn hele lichaam trilde zichtbaar, alsof hij zichzelf bedwong, en die teugels hinderden en irriteerden hem.<br \/>\n\u2014 Excuseer, heer-hetman, \u2014 antwoordde de Sietsj-kozak, \u2014 zie je, ik heb een kleine gezellin, ze is moe, helemaal uitgeput; ze moet rusten, arme\u2026<br \/>\nDe hetman stond op en trok een weelderige jupan van een van de dichtstbijzijnde haken en wierp die naar de Sietsj-kozak. Daarna viel zijn blik op een Perzisch tapijt dat een grote bank bedekte; hij trok het met \u00e9\u00e9n beweging los en wierp het ook naar de Sietsj-kozak, terwijl hij ongeduldig keek hoe deze zorgde voor de gezellin.<br \/>\nGeen kinderjuffrouw kon tippen aan de snelheid en vaardigheid waarmee de Sietsj-kozak het Perzische tapijt over de bank legde, het hoofdeinde slim vormend, zonder kussen; en welke kinderjuffrouw had Maroesja zo voorzichtig en teder kunnen optillen, en liefdevol op het bed leggen en bedekken met de weelderige hetman-jupan?<br \/>\nMet welk genot raakte haar vermoeide lichaam dit bed aan, klaargemaakt door een trouwe en betrouwbare hand!<br \/>\nMaar slapen kon het meisje niet; de slaap kwam helemaal niet. Ze dommelde zelfs niet in; vanonder de overvloedige plooien van de hetman-jupan werden haar ogen onwillekeurig en onoverwinnelijk gevangen door de twee tafelgenoten, en ze volgde elke kleine beweging van hen, ving de kortste uitdrukking van hun gezichten op.<br \/>\nZe zaten tegenover elkaar aan tafel, en het licht van de brandende kaars verlichtte hun gezichten en houdingen volledig.<br \/>\nWat een machtig figuur, deze Sietsj-kozak! Zijn kracht en schoonheid vervulden het hart van het meisje met groot respect en hoop.<br \/>\nMaar de tweede figuur!<br \/>\nHaar ziel was vol mededogen en ontroering, terwijl ze keek in die vurige ogen, die somber en onrustig glinsterden onder zware wenkbrauwen, naar de ongepaste rimpels die zijn grootmoedig en trots voorhoofd markeerden, naar alle sporen van vernietiging door innerlijk vuur, een vuur dat waarschijnlijk nooit dooft en onophoudelijk en onverbiddelijk brandt.<br \/>\nZe spraken beiden zachtjes. Heel zacht en beheerst.<br \/>\nZe luisterde lang naar dit gesprek, zoals men luistert naar het verre geruis van de zee.<br \/>\nUiteindelijk won de vermoeidheid het, haar ogen sloten zich onmiddellijk, en ze viel in slaap.<\/p>\n<p>XVI<br \/>\nMaroesja sliep zoals men slaapt aan zee: je slaapt, en tegelijk voel je om je heen de dreiging van een diepe afgrond, en je vangt in je droom het woeste gerommel, en hoewel er veel gedachten door je hoofd malen, lijken de eindeloze golven van die zee onontkoombaar aanwezig. Ze zag in haar droom de boerderij van haar vader, de geurige kersenboomgaard, vertrouwde gezichten, maar alles leek op een vreemde manier niet te zweven, maar eerder te zinken in een mist, naar de achtergrond te verdwijnen; op de voorgrond schitterden nieuwe beelden fel.<br \/>\nPlotseling werd ze wakker en richtte zich snel op in haar bed.<br \/>\nDe Sietsj-kozak zat nog steeds zoals eerst, leunend tegen de tafel, en zijn ogen straalden nog steeds als twee heldere sterren, verblindend rustig en gelijkmatig, als echt licht.<br \/>\nDe heer-hetman stond in het midden van de kamer. Het was duidelijk dat hij zich in hetzelfde ogenblik had losgerukt toen hem plotseling een intense pijn trof, opveerde en stil stond, alsof hij was getroffen door een gerichte klap.<br \/>\nOok de ogen van de heer-hetman straalden, maar op een andere manier; zijn hart leed pijnlijk, klaar om elk moment hartverscheurende tranen te laten stromen. Het trotse voorhoofd was verbleekt door zware kwelling, en de vele rimpels leken dieper en dieper te worden.<br \/>\n\u2014 Zou een blinde huilen, als hij het pad kon zien! \u2014 sprak hij tenslotte. \u2014 En de tijd gaat voorbij! De tijd gaat voorbij! En er is geen overeenkomst! Geen hulp! Ik weet het, ik ben het water in gegaan zonder de doorwaadbare plek te vragen, ik weet het! Maar ook jullie zullen de veilige oever niet bereiken! Ik zie het einde naderen!<br \/>\nZijn stem stokte.<br \/>\nDe Sietsj-kozak zweeg, keek alleen aandachtig naar de heer-hetman.<br \/>\nDe hetman begon opnieuw:<br \/>\n\u2014 Dus jullie hadden er al op gerekend dat ik naar het geld van Judin zou grijpen, h\u00e8? Goede mensen! Goede mensen! Jullie\u2026<br \/>\n\u2014 Heer-hetman! \u2014 onderbrak hem de Sietsj-kozak met respect \u2014 sta me de eer toe dat ik een verhaal vertel.<br \/>\n\u2014 Spreek!<br \/>\n\u2014 Er waren eens twee goede honden\u2026<br \/>\n\u2014 Ik weet het, ik weet het, ik weet het!<br \/>\nDe heer-hetman zakte op de bank bij de tafel, strekte zijn handen over de tafel en legde zijn hoofd erop.<br \/>\nZijn gezicht was niet zichtbaar, maar aan de kromming van zijn nek, die niet kon buigen, was te raden hoe zwaar de hetman-hoed kon wegen.<br \/>\nZo lag hij enkele minuten roerloos.<br \/>\nDe Sietsj-kozak, die nog steeds aandachtig naar hem keek met zijn sterachtige ogen, leek het niet nodig te vinden om vragen, uitleg of gesprekken aan te knopen.<br \/>\nEindelijk hief de hetman zijn hoofd op.<br \/>\n\u2014 Wat moet ik volgens jullie met mijn hoofd doen, h\u00e8?<br \/>\nZijn stem was ingetogen, maar er klonk diepe, scherpe bitterheid; zijn bleke gezicht vertrok langzaam.<br \/>\n\u2014 Maar wij hebben gezworen, heer-hetman, ons hoofd te dragen waar nodig, voor het vaderland. De kracht zit niet in ons hoofd.<br \/>\nDe hetman stond snel op, liep door de kamer als een gewond dier dat plots opveert en ronddraait, liep naar het raam, keek de duisternis in van de geurige, stille, warme nacht, naar de talloze fonkelende sterren, en ging weer aan tafel zitten.<br \/>\nEr viel lange tijd een stilte, zo stil dat Maroesja haar hartslag kon horen.<br \/>\nUiteindelijk stond de hetman weer op, liep naar het plankje in de hoek, pakte daar een inktpot, veer en papier, bracht het naar de tafel, spreidde het uit alsof hij wilde schrijven, en liep terug naar het raam, keek weer in de geurige duisternis van de warme nacht, naar de fonkelende sterren, en sprak toen dof, alsof een ijzeren hand zijn keel dichtkneep:<br \/>\n\u2014 Ik zal hem alles schrijven wat nodig is.<br \/>\n\u2014 Goed werk, \u2014 antwoordde de Sietsj-kozak.<br \/>\nWeer viel enkele minuten stilte.<br \/>\nIntussen kruisten de ogen van de Sietsj-kozak die van Maroesja, en met een vriendelijke knik en glimlach liet hij haar weten dat ze moest proberen weer te slapen en uit te rusten.<br \/>\nMaar zij wees hem, alsof in antwoord, naar de hetman.<br \/>\nHij begreep dat haar iets dwarszat en gaf haar opnieuw een teken om haar gerust te stellen.<br \/>\nDe hetman ging naar de tafel en begon te schrijven.<br \/>\nDeze brief moest zwaar zijn geweest, en het schrijven viel hem moeilijk.<br \/>\nToen hij klaar was, overhandigde de hetman de brief aan de Sietsj-kozak.<br \/>\n\u2014 Lees! \u2014 sprak hij.<br \/>\nDe Sietsj-kozak las het bedrukte vel, vouwde het en stak het voorzichtig onder de voering van zijn bandoeristenmuts.<br \/>\n\u2014 Wanneer breng je het? \u2014 vroeg de hetman.<br \/>\n\u2014 Zo God en het lot mij leiden, zal ik het bezorgen, \u2014 antwoordde de Sietsj-kozak.<br \/>\nHij stond op.<br \/>\n\u2014 Ga je? \u2014 vroeg de hetman.<br \/>\n\u2014 Ik ga, heer-hetman; moge uw leven gelukkig zijn.<br \/>\nMaroesja stond onmiddellijk op haar voeten.<br \/>\n\u2014 Laat je mij niet achter? \u2014 vroeg ze.<br \/>\n\u2014 Nee, ik laat je niet achter, \u2014 antwoordde de Sietsj-kozak, licht zijn donker gezicht naar haar buigend. \u2014 En als je moe bent, draag ik je in mijn armen.<br \/>\nMaroesja greep zijn hand.<br \/>\n\u2014 Ik buig voor u, heer-hetman, \u2014 zei de Sietsj-kozak, diep buigend.<br \/>\n\u2014 Hij zal ons verkopen! \u2014 mompelde de hetman.<br \/>\n\u2014 God zal het niet laten gebeuren, en het varken zal ons niet opeten, \u2014 antwoordde de Sietsj-kozak.<br \/>\n\u2014 Met hem valt niet te redeneren! \u2014 riep de hetman uit \u2014 onmogelijk\u2026<br \/>\n\u2014 Het maakt niet uit, heer-hetman, het maakt niet uit: waar het ontbreekt aan een wolvenhuid, daar zetten wij een vos neer, \u2014 zei de Sietsj-kozak. \u2014 Wees gezond en wacht op ons! Kom, kleine Maroesja.<br \/>\nZe verlieten de hetmanskamer en gingen weer naar de stadswachtpost.<br \/>\nOveral in de straten was het stil en donker; de kersenboomgaardjes glommen zacht wit; ergens klonk het water gedempt.<br \/>\nNa een paar stappen keek Maroesja nog eens naar het hetmanshuis.<br \/>\nIn de openstaande deur waaruit ze zojuist waren gekomen stond de hetman en keek hen na.<br \/>\nIn het vage licht van de fonkelende sterren was zijn figuur nauwelijks zichtbaar, maar zelfs dit vage silhouet straalde zo\u2019n uitdrukking van pijn uit dat Maroesja hartstochtelijk pijn voelde.<br \/>\n\u2014 Ben je moe, Maroesja? \u2014 vroeg de Sietsj-kozak terwijl ze door de steile steegjes liepen.<br \/>\n\u2014 Nee, \u2014 antwoordde ze. \u2014 Ik kan goed lopen. Zo ver als je wilt! \u2026 Gaan we ver?<br \/>\n\u2014 Ja.<br \/>\nEen tijdlang liepen ze zwijgend. Af en toe kwamen ze stadsbewoners uit Tsjygyryn tegen die hen inhaalden, sterke, stevige mensen die hen slechts vluchtig aankeken en dan hun weg vervolgden.<br \/>\nBij de wachtpost stond een reus met snor bijna een arshin lang recht op van de grond en blokkeerde de weg voor de bandoerist, als een klokkentoren.<br \/>\n\u2014 Waarheen leidt God u, vriendelijke heer-bandoerist? \u2014 vroeg hij.<br \/>\n\u2014 Daar waar goede mensen zijn, gewaardeerde landgenoot.<br \/>\n\u2014 En wat als we slechte mensen tegenkomen, heer-bandoerist?<br \/>\n\u2014 Als je bang bent voor de wolf, ga dan niet het bos in voor bessen, landgenoot.<br \/>\n\u2014 Als ik een dappere kozak was, heer-bandoerist, zou ik voor u buigen en vragen\u2026 maar ik ben een bange kozak!<br \/>\nMaroesja probeerde deze \u201cbange\u201d figuur beter te bekijken, maar zijn hoofd was zo hoog dat ze alleen zijn overhangende snor kon zien, als bossen verse steppegras.<br \/>\n\u2014 Het maakt niet uit, wees dapper, \u2014 antwoordde de bandoerist.<br \/>\n\u2014 Zing voor mij een doema.<br \/>\n\u2014 Goed.<br \/>\nDe bandoerist speelde zacht op de bandoera en zong zacht:<\/p>\n<p>O luister, o zie,<br \/>\nWat in Oekra\u00efne is gebeurd:<br \/>\nOnder het graf bij Soroka<br \/>\nIs een groot aantal Polen omgekomen.<\/p>\n<p>Toen het gezang verstomde, ging de \u201cbange\u201d kozak opzij, en de bandoerist ging samen met Maroesja vrijuit voorbij de wachtpost.<br \/>\nDe weg kronkelde ver en ver weg als een zwarte slang over het zachte, dichte grasveld. In de tuinen van Tsjygyryn zongen de nachtegalen.<\/p>\n<p>XVII<br \/>\nPrecies twee weken na hun ontmoeting met de heer hetman, op een stille, prachtige avond, naderden de oude bandoerist en zijn gezellin langzaam een afgebrand dorp.<br \/>\nHet was duidelijk dat deze reizigers niet teveel rust namen: hun ingevallen ogen glommen met een soort koortsige vuur, op hun met roet besmeurde gezichten, hun lippen waren droog en gescheurd.<br \/>\nToch liepen ze levendig en rustig, pratend met elkaar. Ze kwamen onderweg geen ziel tegen; overal was stilte, rust.<br \/>\nRecht voor hen stonden zwarte, verkoolde huizen en tuinen, dorpen en boerderijen rookten in de verte.<br \/>\nToen ze de afgebrande straat passeerden, waar hier en daar al groene vlekken van vers fluweelmos verschenen, sloegen ze af naar een ingestorte, verontreinigde put.<br \/>\n\u2014 Heerlijk, wat fris water uit de put drinken! \u2014 zei de bandoerist.<br \/>\nHij stak zijn hand in een diepe tas die over zijn schouder hing, haalde er een houten schep uit, joeg de drijvende houtstukken weg, schepte water en bood het aan zijn gezellin aan met een vriendelijke glimlach, die duidelijk liet zien dat hij tevreden en vol geluk was met zijn metgezel.<br \/>\n\u2014 Alstublieft, Maroesja! \u2014 zei hij.<br \/>\n\u2014 Dank u,\u2014 antwoordde Maroesja.<br \/>\nHaar glimlach liet ook duidelijk zien dat zij tevreden en gelukkig was met haar metgezel.<br \/>\nZe boog haar gebruinde lippen naar de schep met koud water, maar terwijl ze haar dorst lesde, deed ze het op een afwezige manier, terwijl haar ogen rusteloos, droevig en medelijdend de ingestorte put en het met houtblokken bedekte wateroppervlak afzochten.<br \/>\nPlotseling schreeuwde ze:<br \/>\n\u2014 Ah!<br \/>\nZe schreeuwde alsof ze eindelijk had gevonden waar ze zo wanhopig op had gewacht. Haar gezicht lichtte op, haar ogen straalden en richtten zich op haar metgezel.<br \/>\nDe blik van haar metgezel, toen hij haar geschreeuw hoorde, was niet nieuwsgierig, maar eerder een speelse triomfblik, zoals je een kind eraan herinnert dat het weer een fout heeft gemaakt, ook al had het zichzelf al meerdere keren verzekerd.<br \/>\n\u2014 Oh, wat een luide kreet! \u2014 zei hij. \u2014 Vast lekker putwater, Maroesja?<br \/>\nMaroesja lichtte weer op, maar haar ogen straalden niet meer; ze doofden meteen, haar wenkbrauwen trokken samen, en haar vertroebelde gezicht sprak duidelijk:<br \/>\n\u2014 Weer kon ik het niet volhouden!<br \/>\n\u2014 Wat van de wagen valt, is verloren,\u2014 zei de bandoerist. \u2014 Laten we het op de grond gooien! Nog zijn niet al onze meeuwen verdronken! Maroesja, genoeg! Sluit je hart niet, laat je ogen niet op de grond zakken, knijp je mond niet dicht! Hier is niemand om te luisteren of te gluren op deze verbrande plek. Laten we zitten, wat eten, en daarna verder trekken.<br \/>\nHij haalde een stuk brood, een paar verse augurken en een zakje zout uit de tas, en de reizigers begonnen te eten.<br \/>\nWat had Maroesja dan zo blij laten schreeuwen, alsof ze meteen een schat had gevonden, waarvan ze hoopte dat ze die zou vinden, maar niet?<br \/>\nEr was niets te zien bij de ingestorte, afgebrande put, behalve verkoolde houtblokken.<br \/>\nAlleen viel een verse krans van groene maagdenpalm op, die samen met de verschroeide houtblokken op het water dreef.<br \/>\nHoe was die krans hier gekomen?<br \/>\nDe bandoerist en zijn gezellin wisten dat blijkbaar niet, of het interesseerde hen helemaal niet, want ze spraken over de stad Batjoerin en noemden geen woord over de maagdenpalm.<br \/>\nHet eten was op.<br \/>\n\u2014 Wat, Maroesja, uitgerust? \u2014 vraagt de bandoerist.<br \/>\n\u2014 Ja, ja, uitgerust! \u2014 antwoordt Maroesja luid.<br \/>\nZe stond nu op, gooide de reistas over haar schouder en keek met stralende ogen naar haar metgezel.<br \/>\nVoordat ze verder gingen, haalde haar metgezel zijn oude staf uit de put en trok de verse krans van maagdenpalm eruit.<br \/>\n\u2014 Maroesja! \u2014 zei hij,\u2014 een prachtige krans zal dat worden!<br \/>\nMaroesja greep de groene takken, schudde het water ervan af en wikkelde het snel om haar hoofd.<br \/>\n\u2014 Oh, wat een prachtige krans! \u2014 zei ze.<br \/>\nEn opnieuw gingen de bandoerist en zijn gezellin levendig en rustig verder.<br \/>\n\u2014 Nu is het niet ver meer,\u2014 zei de bandoerist,\u2014 nog voordat de eerste ster verschijnt, zullen we het Dnipro-kozakkengraf zien. En inderdaad: nog voor de eerste ster aan de hemel verscheen, hadden ze het graf al in zicht.<br \/>\nDe zon was ondergegaan en er kwam avondmist, maar een bijzondere mist, goudkleurig met een tint van rozen. Jonge boompjes, dichte struiken en hoog gras dat het graf bedekte, leken zachtjes te gloeien: elk takje, elk grassprietje stak zo duidelijk af tegen de horizon dat het zwaar werd om ernaar te kijken.<br \/>\nHet zwarte gebroken kruis werd zacht verlicht en leek fluweelachtig, en de vogels hoog in de lucht leken door een soort toverspreuk regenboogkleurig te worden, dan weer donker, dan weer regenboogkleurig, afhankelijk van waar ze vlogen.<br \/>\nVanaf het graf was de Dnipro te zien.<br \/>\nHij leek daar een enorme uitgestrekte stroom van grijs-zwart ijs te zijn. Aan de overkant rezen beboste heuvels op, helemaal zwart aan de voet, bovenop alsof ze bedekt zijn met gouden vuur.<br \/>\nHet geruis van het water kwam van beneden en het klingelende riet geritsel; overal hing een vreemde frisheid, af en toe onderbroken door het eensgezinde gekrijs van een meeuw, die zelf een nauwelijks zichtbaar stipje boven de rivier was.<br \/>\n\u2014 Hier zullen we zitten en zingen,\u2014 zei de bandoerist.<\/p>\n<p>Maar alle heren, alle hertogen,<br \/>\nhebben onze velden, weiden, weiden opgeslokt!<\/p>\n<p>Het rolde over het water, daverde door de spleten en echode ver over de bergen.<br \/>\nNa het lied speelde de bandoerist enkele minuten op de snaren van zijn bandoera, terwijl zijn scherpe ogen onverstoord in de Dnipro waren verzonken. Maroesja verloor de rivier ook niet uit het oog.<br \/>\nPlots kraste een meeuw ergens dichtbij in het riet.<br \/>\nDe ogen van de bandoerist glansden helder, en opnieuw klonk over de rivier zijn gezang:<\/p>\n<p>Er is voor niemand zo zwaar,<br \/>\nAls voor een jonge sjouwer;<br \/>\nHey, hey, als een jonge sjouwer!<\/p>\n<p>Wat een sjouwer doet, verdient hij,<br \/>\nTot het zweet zijn ogen overspoelt!<br \/>\nHey, hey, tot het zweet zijn ogen overspoelt!\u201d<\/p>\n<p>Weer kraste ergens een meeuw in het riet.<br \/>\n\u201cTot het zweet zijn ogen overspoelt,<br \/>\nEn de meester klaagt.<br \/>\nHey, hey, en de meester klaagt!<\/p>\n<p>En de meester klaagt,<br \/>\nEn de meesteres schreeuwt in het gezicht,<br \/>\nHey, hey, en de meesteres schreeuwt in het gezicht!<\/p>\n<p>Aan de kant waar de meeuw krastte, kwam een smalle roeiboot uit het riet, nauwelijks te onderscheiden van het donkere water, snel voortbewegend naar een kleine baai, precies tegenover het Dnipro-graf.<br \/>\nBij nauwkeurig kijken kon je de vage contouren van de roeier zien, of beter gezegd, zijn hoge hoed.<br \/>\nZelfs zonder hem te zien, kon men zeker zeggen dat zijn hand sterk en precies was.<br \/>\nDe hand ging met de peddel om alsof het een speeltje was. De boot vloog over het water als een lichte veer in de wind.<br \/>\n\u2014 Nou, Maroesja,\u2014 zei de bandoerist,\u2014 tijd om naar de oever te gaan.<br \/>\nZonder het pad te volgen \u2014 er waren hier geen aangelegde wegen \u2014 daalden ze snel van het graf, omzeilden een rotsige, steile oever en stonden aan de rivier, die zacht tegen het gras klotste en een smalle strook witte schuimrand vormde.<br \/>\n\u2014 Gezondheid en Gods zegen! \u2014 begroette een vriendelijke stem hen.<br \/>\nEen lichte roeiboot lag op het strand, en naast de boot, met zijn kin op de peddel leunend, stond een vriendelijke boer, heer Knysj.<br \/>\n\u2014 Eer aan u! \u2014 antwoordde de bandoerist, terwijl hij zijn hoed hief.<br \/>\n\u2014 En hoe gaat het, meisje? Alles goed? \u2014 vroeg heer Knysj, nauwkeurig naar Maroesja kijkend met zijn heldere valkenogen.<br \/>\n\u2014 Alles is goed,\u2014 antwoordde Maroesja.<br \/>\nZelfs als ze niet had geantwoord, had hij haar antwoord gemakkelijk kunnen raden aan elke ader in haar levendige gezicht.<br \/>\nToch, als een man die gewend is zich niet op \u00e9\u00e9n enkel, hoe duidelijk ook, bewijs te verlaten, en niet tevreden met het getuigenis van Maroesja\u2019s gezicht, glimlachend en haar over het hoofd streelend, wierp hij met zijn snelle maar doordringende ogen een blik op haar metgezel.<br \/>\nDie keek op dat moment glimlachend naar Maroesja. Voor heer Knysj leek die glimlach behoorlijk veelzeggend, want hij stopte met hen aan te kijken en richtte zijn blik op de Dnipro.<br \/>\n\u2014 Gaan we straks varen? \u2014 vroeg de bandoerist.<br \/>\n\u2014 Nu meteen. Het zal heerlijk zijn om te varen, stil\u2026 zo stil dat je bijna geen rimpeling voelt\u2026 Zonder de frisheid van het water zou het benauwd zijn.<br \/>\nHet was duidelijk aan het gezicht en de stem van heer Knysj dat hij genoot van deze stilte, en onwillekeurig ontsnapten woorden uit zijn mond, zoals gebeurt wanneer iemand volledig betoverd is door een gevoel.<br \/>\nPlots kraste een meeuw, alsof die net achter heer Knysj vandaan schoot.<br \/>\nOnmiddellijk antwoordde van de overkant hetzelfde gekras van een meeuw.<br \/>\n\u2014 Het paar roept naar elkaar! \u2014 merkte de bandoerist op.<br \/>\n\u2014 Oh, deze vogels zijn erg gevoelig! \u2014 antwoordde heer Knysj terwijl hij in de boot ging zitten. \u2014 Ga zitten, meisje, \u2014 voegde hij eraan toe, naar Maroesja reikend.<br \/>\n\u2014 Waar is de andere peddel? \u2014 vroeg de bandoerist, zo licht en handig in de boot springend dat deze niet wiebelde.<br \/>\n\u2014 In de boot, op de bodem. We gaan!<br \/>\nDe boot gleed snel het water op en schoot over de donkere Dnipro.<\/p>\n<p>XVIII<br \/>\nWat heerlijk om te varen over een brede rivier op een warme zomernacht!<br \/>\nSterren branden boven je en sterren branden onder je; boven vaart de maan, en beneden vaart de maan.<br \/>\n\u201cOh, kijk daar de oevers!\u201d \u2014 denk je, terwijl je in de donkere lijnen tuurt. Daar groeit vast een dennenboom, want er kwam net een harsachtige geur van daar aanwaaien, en daar verderop staan ongetwijfeld talloze bloemen, want de warme wind blies een net geplukt, door dauw besprenkeld boeket in je gezicht.<br \/>\n\u2014 Nou, wat is er voor nieuws? \u2014 vroeg de bandoerist.<br \/>\n\u2014 Niet veel, \u2014 antwoordde heer Knysj terwijl hij met de peddel stuurde.<br \/>\n\u2014 En hoeveel is niet veel?<br \/>\n\u2014 Zo weinig dat een klein kind er met twee vingers niets van kan grijpen.<br \/>\n\u2014 Is hij thuis?<br \/>\n\u2014 Ja, hij is kaploens aan het braden en verwacht gulzige gasten.<br \/>\n\u2014 Als hij kaploens braadt, betekent dat dat hij iets heeft bedacht: hij zal zich niet voor niets inspannen, hij is geen gewone gastheer.<br \/>\n\u2014 Wie kan doorgronden wat hij bedenkt: hij heeft zoveel plannen als een hond sporen.<br \/>\n\u2014 Nou, hij zal niet zomaar op een heilige plek terechtkomen; hoogstens per ongeluk.<br \/>\n\u2014 Waarschijnlijk. En die dan?<br \/>\n\u2014 Eh! Als iedereen zoals hij was, dan konden mensen nog goed leven. Dat is een echte man. Zijn ziel, als hij naar de hemel gaat om maanzaadkoek te eten, zal niet klagen dat er een worm in de stam zat!<br \/>\n\u2014 Heeft hij geschreven?<br \/>\n\u2014 Ja. Maar het was niet makkelijk voor hem! Zijn hele wezen krulde, alsof berkenbast in het vuur lag.<br \/>\n\u2014 De helft van het werk is gedaan, en daarvoor danken we God. Hij is graag bezig\u2026<br \/>\n\u2014 Misschien draait hij een beetje met mij; ik ben als een karper, die spartelde aan de haak\u2026 Maroesja, je bent moe, h\u00e8? Ga maar liggen en rust even uit. Ik zal je een verhaal vertellen.<br \/>\n\u2014 Dat is een goed idee, \u2014 merkte Knysj op.<br \/>\n\u2014 Ik wil niet slapen, ik blijf zitten, \u2014 begon Maroesja.<br \/>\nMaar twee sterke, handige handen spreidden in \u00e9\u00e9n beweging een dikke wollen deken op de bodem van de boot, hielpen Maroesja voorzichtig en legden haar op het bed.<br \/>\n\u2014 En ik zal het verhaal vertellen, \u2014 zei de Sietsj-kozak opnieuw.<br \/>\n\u2014 Oh, luxe! \u2014 zei Knysj. \u2014 Ach, wat jammer dat ik maar twee oren heb: als ik kon, zou ik er twintig bij lenen en met allemaal luisteren.<br \/>\n\u2014 Er was eens een kozak, \u2014 begon de Sietsj-kozak, \u2014 een goede, vrome man, maar toch een dwaas. Aan de buitenkant leek hij gereserveerd, en vanaf het eerste woord deed hij gereserveerd, maar als je hem dieper bekeek, zat er zo\u2019n dwaasheid in dat andere, verstandige kozakken er dronken van werden, als van een slecht kruid. Deze kozak besloot een huis voor zichzelf te bouwen. En hij zei tegen zijn vrouw:<br \/>\n\u2014 Nou, vrouw, ik zal je verbazen: ik bouw een huis zoals nog nooit eerder op de wereld is geweest. En ik zal het niet bouwen zoals anderen.<br \/>\n\u2014 Hoe dan? \u2014 vraagt de vrouw.<br \/>\nHij knipoogde, alsof hij wilde zeggen: \u201cJij bent niet bij de juiste terechtgekomen, ik zal niets verklappen!\u201d \u2014 hij lachte en ging het bos in om te hakken\u2026<br \/>\n\u2014 Kijk! \u2014 fluisterde Maroesja plotseling, \u2014 kijk!<br \/>\nEn ze wees vooruit, naar rechts.<br \/>\nMaar Knysj, die daar met zijn gezicht naartoe zat, knipperde al voorzichtig met zijn valkenogen, alsof hij bekende dingen herkende.<br \/>\nDe Sietsj-kozak, toen Maroesja riep, bewoog niet, maar vroeg alleen aan Knysj:<br \/>\n\u2014 Wat is daar?<br \/>\n\u2014 Zij zijn het, \u2014 antwoordde Knysj.<br \/>\nOp een zanderige landtong, die als een zilveren lint in het donkere, door sterren verlichte water stak, stonden twee mannen in jassen en hoge hoeden, blijkbaar wachtend op de boot die naar hen toe kwam.<br \/>\nHoewel de boot nog een kwart werst van de landtong verwijderd was, waren de mannen zo duidelijk zichtbaar tegen de lucht dat Maroesja onmiddellijk de bekende figuren Semen Voroshylo en Andrij Kroek herkende.<br \/>\nHoe dichter de boot bij de landtong kwam, hoe duidelijker het werd dat de kozakken die aan het wachten waren, niet vrolijk waren.<br \/>\nAndrij Kroek stond, leunend op zijn stok, en keek nors, zonder zijn ogen van de boot te wenden; Semen Voroshylo leek ergens over na te denken, en zijn linkerhand maakte voortdurend bewegingen die gewoonlijk woede of ongenoegen tonen, over hoop, vrienden of vijanden die hen bedrogen hadden.<br \/>\nToen de boot met de punt de landtong raakte, haalden beide kozakken hun hoeden af en zeiden:<br \/>\n\u2014 Gezondheid!<br \/>\n\u2014 Gezondheid! \u2014 antwoordden Knysj en de Sietsj-kozak.<br \/>\nZe keken een paar minuten naar elkaar.<br \/>\nDe gezichten van de Sietsj-kozak en Knysj waren rustig, hun ogen scherp gericht op de twee anderen.<br \/>\nDe gezichten van de kozakken waren merkbaar somber, en hun ogen, in plaats van de aangekomen vrienden te mijden, dwaalden of werden verborgen onder gefronste wenkbrauwen.<br \/>\n\u2014 De boot hierheen, naar deze oever, \u2014 mompelde Semen Voroshylo somber.<br \/>\nEn terwijl hij dat zei, begon hij Knysj zorgvuldig te helpen de boot uit het water te trekken.<br \/>\n\u2014 Maroesja, \u2014 zei Andrij Kroek, terwijl hij een klein pakketje uit zijn borst haalde, \u2014 dit stuurde je moeder.<br \/>\nEn hij gaf haar het pakje.<br \/>\n\u2014 Dank u! \u2014 antwoordde Maroesja. \u2014 Hoe gaat het met hen? Zijn ze allemaal gezond?<br \/>\n\u2014 Iedereen gezond. En het maakt niet uit, alles is goed gegaan.<br \/>\n\u2014 En ik krijg geen traktatie? \u2014 vroeg de Sietsj-kozak. \u2014 Als ze gebracht is, graag, maar zo niet, zeg het dan eerlijk.<br \/>\n\u2014 We zijn overal geweest, \u2014 begon Andrij Kroek, \u2014 maar het gaat niet allemaal zoals\u2026<br \/>\n\u2014 Terwijl wij langs die luie knechten liepen, hebben we een paar schoenen kapot gelopen, \u2014 onderbrak Semen Voroshylo hem. \u2014 Zoals gezegd: niet de heren zelf, maar die knechten!<br \/>\nDe boot lag al op het zand, en nu stonden alle vier tegenover elkaar.<br \/>\n\u2014 Is het mislukt? \u2014 vroeg de Sietsj-kozak.<br \/>\n\u2014 Het is niet helemaal mislukt, maar ook niet helemaal gelukt, \u2014 antwoordde Semen Voroshylo.<br \/>\n\u2014 Hebben jullie Samoes gezien?<br \/>\n\u2014 Nee, we hebben Samoes niet gezien.<br \/>\n\u2014 Waarom niet?<br \/>\n\u2014 We hebben op hem gewacht, maar hij kwam niet.<br \/>\n\u2014 We dachten eerst te vertrekken, maar toen besloten we dat we hem toch niet zouden treffen, want men zei dat hij naar Kyiv was gegaan.<br \/>\n\u2014 Dus de vergadering was zonder hem?<br \/>\n\u2014 Zonder hem.<br \/>\n\u2014 Zo\u2019n vergadering kun je eerder schande noemen dan vergadering, \u2014 zei Andrij Kroek. \u2014 Zeven vrouwen kwamen, spraken zeven woorden, en de rest ging op de stammen zitten, praatten over het weer, snoven tabak, luisterden naar wat er gezegd werd en gingen toen naar huis!<br \/>\n\u2014 En wat hebben ze besloten?<br \/>\n\u2014 Niets. Ze zeiden dat ze moesten nadenken; nogmaals, ze moesten nadenken.<br \/>\n\u2014 En hoe lang gaan ze nadenken?<br \/>\n\u2014 Volgende week zaterdag komt de vergadering weer bijeen.<br \/>\n\u2014 Nou, heren kozakken, \u2014 zei de Sietsj-kozak \u2014 voordat die zaterdagvergadering plaatsvindt, gebruik je edele benen niet voor niets, bezoek wie nodig is en zeg: als tegen de afgesproken tijd alles niet op orde is, dan is het gedaan. En als het nu mislukt, vertrouw er dan niet op dat het nog op ons aankomt.<br \/>\nNoch Andrij Kroek noch Semen Voroshylo antwoordden hierop, misschien omdat ze op dat moment hun pijpen aanstaken.<br \/>\nDe pijpen deden er echter langer over dan gewoonlijk om te branden. Eindelijk, toen de rook in wolken opstak, zei Semen Voroshylo:<br \/>\n\u2014 Misschien is het beter om te wachten op berichten van Broej en Popik\u2026 Misschien is het dan zekerder\u2026 We hebben al langer gewacht\u2026 We kunnen nog een kort moment wachten\u2026<br \/>\n\u2014 Ja, soms als je haast hebt, breng je de mensen alleen maar aan het lachen, \u2014 merkte Andrij Kroek op terwijl hij zichzelf bedekte met een dikke rookwolk.<br \/>\n\u2014 Zaken liggen vaak onder de bank, \u2014 voegde Semen Voroshylo toe.<br \/>\n\u2014 Het gebeurt, hoe dan ook, \u2014 antwoordde de Sietsj-kozak.<br \/>\n\u2014 Als we toen niet naar jullie leider hadden geluisterd en ons niet hadden gehaast, dan waren we nu misschien niet voor dom versleten, \u2014 zei Andrij Kroek.<br \/>\n\u2014 Volgens mijn dwaze verstand zijn jullie juist zo voor dom versleten omdat jullie toen op pad gingen als jonge heren die overzee eendjes gingen jagen.<br \/>\nTerwijl dit gesprek plaatsvond, verzamelde Knysj, zonder een woord te missen, droog riet, stookte een vuur en maakte alles gereed om kasja te koken.<br \/>\nEen paar minuten bleef het stil.<br \/>\nToen vroeg de Sietsj-kozak zoals gewoonlijk rustig:<br \/>\n\u2014 Dus, heren kozakken, hoe staan we ervoor? Brengen jullie mijn groet over of niet?<br \/>\n\u2014 Natuurlijk, dat kan, \u2014 antwoordde Andrij Kroek.<br \/>\n\u2014 Dat kan, \u2014 zei ook Semen Voroshylo.<br \/>\n\u2014 Alleen\u2026 \u2014 zei Andrij Kroek \u2014 jullie jagen maar nutteloos rond\u2026<br \/>\n\u2014 Meneer Andrij, \u2014 antwoordde de Sietsj-kozak \u2014 daar zullen we niet met jou over praten. Ik ben als die koppige vrouw wiens man haar onder water houdt maar haar niet vertelde dat alles geknipt moet worden, niet geschoren. Gooi mij in de draaikolk van de Dnipro, en terwijl ik naar de bodem ga, laat ik jullie nog met mijn vingers de schaar zien.<br \/>\n\u2014 Wat een ellende, \u2014 mompelde Semen Voroshylo voor zich uit.<br \/>\n\u2014 En ga je de kasja snel opdienen? \u2014 vroeg de Sietsj-kozak aan Knysj.<br \/>\n\u2014 Het kookt al. Ga zitten en neem je lepel.<br \/>\nIedereen ging rond de ketel zitten.<br \/>\n\u2014 Wat, Maroesja, zo somber? \u2014 vroeg de Sietsj-kozak.<br \/>\n\u2014 Vermoeid misschien, \u2014 zei Andrij Kroek.<br \/>\n\u2014 Nee, \u2014 antwoordde Maroesja \u2014 ik ben niet moe.<br \/>\n\u2014 Je mist je familie, \u2014 zei Semen Voroshylo.<br \/>\n\u2014 Nee, \u2014 antwoordde Maroesja \u2014 ik mis ze niet.<br \/>\nHaar ogen waren echter bezorgd en verdrietig en gericht op de Sietsj-kozak.<br \/>\n\u2014 Dan zal ik haar opvrolijken, ik zal het proberen, \u2014 zei de Sietsj-kozak. \u2014 Wil je dat ik je nog een verhaal vertel, Maroesja? Wil je dat?<br \/>\n\u2014 Ja, \u2014 antwoordde Maroesja.<br \/>\n\u2014 Goed, luister. Ik vertel je hoe een rivierkreeft water ging halen!<br \/>\nEr was eens een kreeft. Een wonderlijke kreeft. En het gebeurde dat al het water rond zijn huis volledig was opgedroogd en hij moest water halen, of hij nu stierf of niet. Dus de kreeft zat daar en zei:<br \/>\n\u2014 Wie zal ik sturen om water te halen? Wie zal ik sturen om water te halen?<br \/>\n\u2014 Alstublieft, de kasja is klaar, \u2014 zei Knysj.<br \/>\nIedereen begon te eten.<br \/>\n\u2014 Deze kasja, vrienden, zou zelfs een Turkse koningin met haar vingers opeten, \u2014 zei de Sietsj-kozak, terwijl hij zijn snor achter zijn oren legde.<br \/>\n\u2014 Goede kasja, \u2014 bevestigde Andrij Kroek.<br \/>\n\u2014 Als het jullie bevalt, heren, dan dient het lot ons nog steeds, \u2014 zei Knysj.<br \/>\n\u2014 De kreeft dacht lang na, \u2014 vertelde de Sietsj-kozak \u2014 wie hij zou sturen om water te halen, en kon niemand kiezen: de een kende de weg niet, de ander wel, maar was onzeker; een was ongehuwd en kon onderweg vast komen te zitten; een ander ging zelden naar de kerk, wie weet hoe dat zou gaan; de vijfde was zwak, bij de tiende waaide het hoofd alle kanten op \u2014 allemaal ellende.<br \/>\n\u2014 Ik ga zelf! \u2014 besloot de kreeft.<br \/>\nHij nam een vat en ging op pad.<br \/>\nHij liep en liep\u2026 En onderweg mopperde hij:<br \/>\n\u2014 Waarom ren ik zo? Goddelijke vrienden hebben me in de war gebracht! Niets werkt!<br \/>\n\u2014 Wat peper bij deze kasja zou goed zijn! \u2014 zei Semen Voroshylo.<br \/>\n\u2014 Goede peper zou heerlijk zijn! \u2014 stemde Andrij Kroek toe.<br \/>\n\u2014 En de kreeft liep zeven jaar water te halen, \u2014 vervolgde de Sietsj-kozak \u2014 het achtste jaar kwam hij terug, begon over de drempel te klimmen en het water viel eruit.<br \/>\n\u2014 Ach, arme kreeft! \u2014 zei Knysj.<br \/>\nHet water viel en zei:<br \/>\n\u2014 Zo krijgt de duivel het voor elkaar!<br \/>\nMaroesja lachte, Knysj ook, maar Andrij Kroek en Semen Voroshylo zaten nog steeds stijf als pas verloofde dorpsmeisjes.<br \/>\n\u2014 Eh, waar is de maan gebleven! \u2014 zei Knysj. \u2014 Het is tijd!<br \/>\nIedereen stond op.<br \/>\n\u2014 Dus dit is je laatste woord? \u2014 vroeg Andrij Kroek aan de Sietsj-kozak.<br \/>\n\u2014 Ja.<br \/>\n\u2014 Dan, tot ziens.<br \/>\n\u2014 Tot ziens.<br \/>\n\u2014 En als ze daar beslissen aan wie het bericht gaat?<br \/>\n\u2014 Dan aan Knysj.<br \/>\n\u2014 Goed. Tot ziens.<br \/>\n\u2014 Dank u.<br \/>\nDe boot voer snel weg, vloog over de donkere Dnipro, en de zanderige zandbank met de zwarte silhouetten met het inmiddels gedoofde vuur verdween al snel uit het zicht.<\/p>\n<p>XIX<br \/>\nDrie dagen na de eerder beschreven tocht over de Dnipro was het een zondag, en in de stad Hadjatsj luidden de oude klokken, die de stadsbewoners bijeenriepen voor de ochtenddienst.<br \/>\nNog net bij het aanbreken van de dag leek de stad Hadjatsj, met al haar smalle straatjes, lage huizen en dichte tuinen, omhuld door een lichte mist. Zelfs de figuren die van alle kanten naar de kathedraal kwamen, leken erin te zijn gehuld.<br \/>\nToch, ondanks deze vroege nevel, was het gemakkelijk te zien aan hun gang en hele houding dat het voornamelijk militairen waren.<br \/>\nDe dag ervoor had het geregend, nu was de lucht vochtig, en de stilte was volmaakt. Zo\u2019n stilte dat je van veraf de stappen op de natte straten en steegjes kon horen; een voet die onvoorzichtig in een plas trad, spatte luid, en de druppels die van het loof vielen, druppelden zo duidelijk dat je ze kon tellen.<br \/>\nIn het kerkportaal en op de begraafplaats, die opvallend op een tuin leek \u2014 hier bloeiden niet alleen kalina, vogelkers, vlier, rozenbottel, rozen, witte, gele en roze acacia\u2019s, maar er groeiden ook volop appel-, peren-, pruimen- en kersenbomen, en het sappige, fluweelzachte gras trilde van de tuinbloemen en kruiden \u2014 hadden zich al veel gelovigen verzameld en, wachtend op de ochtenddienst, spraken zij met elkaar over de wereldse zaken.<br \/>\nDe voor de lezers bekende bandoerist was ook aanwezig, samen met zijn gezellin. Hij zat op de onderste trede van de kerktrap en vertelde, met een licht verlengde, onderwijzende stem, aan de kozakken en kozakinnen die zich op de treden boven en onder hem hadden geschaard en voor hem in een halve cirkel stonden, over de zieleroerselen die een ziel moest hebben gehad om het hemelse rijk te bereiken.<br \/>\nToen hij zijn verhaal over de laatste beproeving had be\u00ebindigd en zwaar zuchtte \u2014 zoals ook de meeste luisteraars \u2014 dook de bandoerist een paar minuten weg in vrome overdenkingen en liet zijn ogen bedachtzaam rondgaan over de dingen die langzaam uit de duisternis tevoorschijn kwamen.<br \/>\nDe eensgezinde stilte werd verbroken door twee jonge kozakken die aankwamen, met buitengewoon lange snorren en een bijzonder slank en lenig postuur, opvallend netjes en levendig, zoals men gewoonlijk ziet op grote vergaderingen, luidruchtige banketten en andere parades.<br \/>\n\u2014 Gezondheid! \u2014 zeiden de kozakken en zetten op een zelfverzekerde manier hun mutsen af en weer op, alsof ze dat hun hele leven al zo deden.<br \/>\n\u2014 En zal de heer hetman ook komen? \u2014 vroegen enkele stemmen in koor.<br \/>\n\u2014 Ja, \u2014 antwoordden de kozakken.<br \/>\nDeze woorden, luid en helder uitgesproken, leken de bandoerist uit zijn vrome gedachten te wekken. Alsof hij met spijt de hogere wereld verliet waar zijn gedachten zweefden, achtte hij het zijn plicht om zich te mengen in de belangen van anderen, zondige mensen.<br \/>\n\u2014 Laat mijn ogen ook de edele heer hetman zien, \u2014 zei hij.<br \/>\n\u2014 En de hetmansvrouw? \u2014 vroeg een levendig, klein, mollig meisje, dat op een strik leek.<br \/>\n\u2014 Ook de hetmansvrouw zal er zijn, \u2014 antwoordden de kozakken.<br \/>\n\u2014 En de vrouw van de broer?<br \/>\n\u2014 Waarschijnlijk ook.<br \/>\n\u2014 En wie is die vrouw van de broer? \u2014 vroeg de bandoerist.<br \/>\n\u2014 De vrouw van de broer van de hetman, \u2014 antwoordden verschillende stemmen, \u2014 Mechtodijivna.<br \/>\n\u2014 Mechtodijivna? \u2014 zei de bandoerist zacht. \u2014 In onze streken heeft men nog nooit van haar gehoord. Is zij in de gunst van de heer hetman?<br \/>\n\u2014 Zeer in de gunst! \u2014 antwoordde het meisje. \u2014 Ze hoeft maar met een wenkbrauw te knipperen, en alles gaat zoals zij wil!<br \/>\n\u2014 In zo grote gunst? Zoiets stuurt God soms de mensen toe, \u2014 merkte de bandoerist op. \u2014 Dat gebeurt!<br \/>\n\u2014 Wat is dat voor geklets: &#8220;in de gunst, in de gunst!&#8221; \u2014 mengde een oude grijsharige man zich in het gesprek, wiens ogen glansden onder zijn warrige wenkbrauwen als lichtende raamopeningen onder een ongekamd rieten dak. \u2014 Ze vraagt niemand om gunst. Kijk naar haar: recht als een pijl; men ziet dat ze nooit voor iemand haar rug boog of haar hoofd boog!<br \/>\n\u2014 Dus zij is trots? \u2014 vroeg de bandoerist. \u2014 Je krijgt geen toegang tot haar?<br \/>\nEn meteen voegde hij toe, met een onderwijzende toon:<br \/>\n\u2014 Trots is een zonde. Een trotse man is als een blaas op het plein: vandaag opgeblazen, morgen gesprongen!<br \/>\n\u2014 Wat zou dat, geen toegang! \u2014 antwoordde een vrouw, groot, rechtop, met ogen glanzend als zwarte diamanten \u2014 ze is als een brandende vonk: waar ze verschijnt, wat ze ook aanraakt, alles rondom haar ontvlamt!<br \/>\n\u2014 Heeft ze de heer hetman ook in vuur gezet? \u2014 vroeg de bandoerist, terwijl hij zijn leerzame toon, bedoeld voor gewone zondige mensen, vriendelijk omzette in een speelse toon.<br \/>\n\u2014 Zelfs een natte eik zou vlam vatten bij haar, \u2014 zei iemand, die ook op de kerktrap zat, maar verder weg en achter de rijen hoge mutsen niet zichtbaar was. Aan de stem was echter duidelijk te horen dat het een jonge, sterke man was, want zijn stem zou zelfs de oude klokkentoren van Hadjatsj kunnen vervangen, die alleen siste en floot.<br \/>\n\u2014 Geeft de heer hetman haar geschenken, satijn en fluweel? \u2014 vroeg de bandoerist. \u2014 Kleedt zij zich als een vorstin?<br \/>\n\u2014 Nou, een keer kwam een kozak haar tegen, en hij vroeg haar het paard water te geven! \u2014 vulde de vrouw aan met diamanten ogen.<br \/>\n\u2014 Ze kleedt zich als een gewone jonge vrouw, \u2014 bevestigde een van de nette kozakken, met buitengewoon lange snorren en een slank, lenig postuur \u2014 je kunt haar niet behagen, want ze kan alles zelf en doet alles zelf. Ze accepteert geen geschenken.<br \/>\n\u2014 En wat voor heer is haar man? \u2014 vroeg de bandoerist.<br \/>\n\u2014 Maakt niets uit, hij lijkt een gewone heer.<br \/>\n\u2014 Leven ze harmonieus samen?<br \/>\n\u2014 Ja, in harmonie.<br \/>\n\u2014 Hij lijkt misschien gereserveerd, maar is een gevoelige man, \u2014 zei een oudere kozak, steunend op zijn knuppel naast de bandoerist; hij leek zelf gereserveerd, maar was ook een gevoelige man.<br \/>\n\u2014 En wat zijn dat voor baardige heren rond Hadjatsj? \u2014 vroeg de bandoerist. \u2014 Gisteren, toen wij de stad binnenkwamen, ontmoetten we er twee \u2014 zulke trotse, hooghartige mannen, pure arrogantie! Ogen schuin en strak, neuzen omhoog, onderlip een el vooruit&#8230;<br \/>\n\u2014 Dat zijn Moskouse heren, gasten van de heer hetman, \u2014 legde een jonge hetmanskozak uit.<br \/>\n\u2014 Nu zijn ze al vertrokken, \u2014 merkte zijn kameraad op, \u2014 er waren er zelfs meer op bezoek bij ons.<br \/>\n\u2014 Vertrokken? Waarom dat?<br \/>\n\u2014 Wie weet, tegenwoordig is het niet meer zoals vroeger. De heer hetman trakteert hen, spreekt vriendelijke woorden, maar het is niet hetzelfde. Men zegt dat de laatsten ook vertrekken.<br \/>\nEr viel een stilte van enkele minuten. Men hoorde de stappen op de straten en het neervallen van regendruppels van het loof. De sterren begonnen te verbleken. Alles werd duidelijker, trad uit de duisternis en nam zijn ware vormen aan, alsof iemand langzaam het nevelige deken optilde.<br \/>\nAan de rechterzijde klonk een langzame, regelmatige, zekere tred: tussen de bomen verscheen een grote, stevige gestalte in een donker habijt, wandelend naar de kerkdeur.<br \/>\n\u2014 Vader Micha\u00efl! Vader Micha\u00efl! \u2014 klonk het tussen de mensen; wie zat, stond op, wie stond, steunde op zijn knuppel en richtte zich op.<br \/>\nVader Micha\u00efl was, om het zo te zeggen, buitengewoon schilderachtig. Een waardige houding, streng gezicht maar met een zacht en vriendelijk uiterlijk, grijze golvende baard als een waterval, rustige bewegingen, doordringende, heldere en tegelijk vriendelijke stralende ogen, dit alles vormde het ideale type herder, vaker te zien op afbeeldingen dan in het echte leven.<br \/>\nDat iedereen zich om hem heen schaarde, liet zien hoezeer zijn parochianen hem vereerden.<br \/>\nDe bandoerist naderde ook voor de zegen en bracht zijn gezellin mee.<br \/>\n\u2014 Zegen mij, vader,\u2014 zei hij,\u2014 wij komen uit verre streken en zijn gekomen om te bidden in de door God beschermde stad Hadjatsj. Zegen ook mijn gezellin, vader. Wij waken erover, vader, om christelijk te leven en elkaar te helpen. Ik heb niet van \u00e9\u00e9n oven brood geproefd, ik heb veel gezien in mijn lange leven, dus misschien kan ik haar op het ware levenspad brengen, en zij heeft jonge, levendige kracht, zodat zij mij, oude man, waar nodig van de berg af helpt en waar nodig de berg op ondersteunt&#8230; Men moet elkaar helpen. In de Heilige Schrift staat: \u201cDraagt elkanders lasten.\u201d Met \u00e9\u00e9n hand knoop je geen knoop&#8230;<br \/>\nVader Micha\u00efl, die rustig en vriendelijk aandachtig naar de woorden van de spraakzame bandoerist had geluisterd, schrok bij zijn laatste uitdrukking niet bepaald op \u2014 dat kon men niet met zekerheid zeggen \u2014 maar keek hem op een bijzondere, indringende manier in de ogen.<br \/>\n\u2014 Ja,\u2014 ging de spraakzame bandoerist verder,\u2014 er wordt gezegd: \u00e9\u00e9n gloeiende kool dooft zelfs in de oven, maar een hoop blijft zelfs op het veld smeulen.<br \/>\nDe lichte, heldere ogen van vader Micha\u00efl bleven even doordringend, aandachtig, vriendelijk en kalm naar de bandoerist kijken.<br \/>\n\u2014 Het is goed voor een rivier om zijrivieren te hebben, goed voor een goede veldheer om&#8230;<br \/>\n\u2014 Je spreekt wijze woorden,\u2014 onderbrak vader Micha\u00efl hem rustig,\u2014 al het goede op aarde wordt in stand gehouden door de eensgezindheid van de gelovigen, en ieder moet, naar zijn kracht en kunnen, zijn naaste helpen. Heeft God jullie van ver hierheen gebracht?<br \/>\n\u2014 Ik ben bijna heel Oekra\u00efne doorgereisd voordat ik hier aankwam.<br \/>\n\u2014 Is het moeilijk op de wegen tegenwoordig?<br \/>\n\u2014 Wie niets heeft, hoeft geen rovers te vrezen; overal zijn we gelukkig doorgekomen.<br \/>\n\u2014 En hoe staan de graanvelden?<br \/>\nVader Micha\u00efl vroeg dit met dezelfde gelijkmatige, rustige stem, maar op een bijzonder langzame en duidelijke manier.<br \/>\n\u2014 Z\u00f3 staan ze dat je ze zelfs groen al zou kunnen maaien,\u2014 antwoordde de reizende bandoerist op zijn gebruikelijke, zorgeloos-lerende toon, die hem blijkbaar tot gewoonte was geworden, maar ook nu weer bijzonder duidelijk en bedachtzaam.<br \/>\n\u2014 De heer hetman! De heer hetman! \u2014 riepen de keurig uitgedoste kozakken.<br \/>\nAllen richtten hun ogen naar de kant waar het geratel van wielen en het gestamp van vurige paarden te horen was.<br \/>\nVader Micha\u00efl ging de kerk binnen.<br \/>\nDe heer hetman en de vrouw van de hetman zagen eruit zoals het hoorde: satijn, fluweel, gouden ringen en borduursels, kostbare stenen en felle kleuren gepaard aan een gezet voorkomen, trots, een brede gang en een verzorgd bleek gezicht.<br \/>\nMajestueus, als twee zware boten, gleden zij het midden van de kerk binnen, vriendelijk knikkend als antwoord op de eerbiedige, diepe buigingen van het gewone volk.<br \/>\nOndanks deze waardigheid meenden sommigen, die de heer hetman beter en van dichterbij kenden, ditmaal iets bijzonders aan hem te bespeuren.<br \/>\n\u2014 De heer hetman is vandaag somber! \u2014 zei de een.<br \/>\n\u2014 De heer hetman is vandaag niet vrolijk! \u2014 zei een ander.<br \/>\n\u2014 Waarom begint de heer hetman zo te peinzen? \u2014 vroeg een derde.<br \/>\n\u2014 Ik kwam hem donderdag tegen toen ik van de hoeve reed,\u2014 viel een piepklein vrouwtje, dat op een bundeltje leek, ertussen,\u2014 hij reed als een onweerswolk! Hij had de teugels laten vieren, zijn hoofd gebogen, en zijn wenkbrauwen waren bijna over elkaar gekruist. En hij was zo&#8230;<br \/>\nMaar de verdere beschrijving werd onderbroken door de verschijning van nog twee personen.<br \/>\n\u2014 De vrouw van de broer! De vrouw van de broer! \u2014 ruiste het rondom.<br \/>\nDe bandoerist richtte zijn blik op de vrouw van de broer.<br \/>\nDe vergelijking met een \u201cvlammende vonk\u201d was niet slecht, en de gedachte dat deze rechte, als een pijl gespannen rug zich nooit voor iemand had gebogen, dat dit moedige hoofd zich voor niemand had neergeknield, was zeer aannemelijk.<br \/>\nToen de vrouw van de broer de treden van het kerkportaal betrad, hield de gezellin van de reizende bandoerist haar zachtjes tegen bij de wijde mouw van haar hemd.<br \/>\n\u2014 Mevrouw,\u2014 zei de gezellin,\u2014 u bent uw hoofddoek verloren.<br \/>\nEn zij gaf haar een rode hoofddoek.<br \/>\nDe lange, statige gestalte hield stil, draaide zich om, keek naar de rode hoofddoek en naar het meisje dat hem vasthield, nam de doek aan en zei:<br \/>\n\u2014 Dank je, meisje.<br \/>\nHet was duidelijk dat haar zenuwen sterk waren, dat zij niet zou opschrikken van een onverwachte gebeurtenis, niet zou gillen van schrik of verbazing, dat haar donkere, grote ogen, diep als de zee, alles recht aankeken en evenmin zouden doven of knipperen als de heldere sterren die vanuit de hoogte de zondige aarde verlichten.<br \/>\n\u2014 Hoe heet je, mijn liefje? \u2014 vroeg zij. \u2014 Je bent hier zeker niet van hier?<br \/>\n\u2014 Nee, ik kom van ver.<br \/>\n\u2014 Van ver? Daarom ben je zo vermoeid? Waar kom je vandaan?<br \/>\n\u2014 Hoe zou zij zich alle dorpen en hoeven kunnen herinneren die wij zijn doorgetrokken, edele vrouwe,\u2014 viel de bandoerist in. \u2014 We hebben van alles gezien: het goede en het kwade, waarheid en onrecht, we hebben rondgezworven langs oevers en door moerassen, maar, God zij dank, de barmhartige, zijn we toch weer op het rechte pad gekomen. Scheef ingespannen, maar recht gereden.<br \/>\n\u2014 Welnu, dan zij God geprezen,\u2014 antwoordde de vrouw van de broer. \u2014 Kom naar het hetmanshof,\u2014 voegde zij eraan toe,\u2014 de heer hetman en zijn vrouw luisteren graag naar goddelijke psalmen.<br \/>\nMet deze woorden verdween zij door de deuren de kerk in.<br \/>\nToen zij verdwenen was, werd ook de broer van de hetman opgemerkt, die daar had gestaan en aandachtig had geluisterd naar wat de oude kozak over hem zei; uiterlijk gereserveerd, maar een sluwe vos.<br \/>\n\u2014 Kom naar het hetmanshof,\u2014 zei ook de broer van de hetman.<br \/>\nDe bandoerist boog diep en antwoordde:<br \/>\n\u2014 Dank aan de edele heer voor zijn goedheid. Meteen na de dienst zullen wij komen.<br \/>\nVan binnen uit de kathedraal klonk reeds de rustige, krachtige stem van vader Micha\u00efl, de geur van wierook verspreidde zich, en het koor van welluidende zangers barstte los.<br \/>\nDe ochtenddienst begon, en allen stroomden samen het oude kathedraalgebouw binnen, waarbij zij met ellebogen en schouders de talrijke duivels aanraakten die kolen onder zondaars en zondaressen schoven; die verzetten zich, met open monden en wijd opengesperde ogen in het vuur, en schilderden zo aanschouwelijk de verschrikkelijke toekomst van die zwakke stervelingen die niet de kracht hebben weerstand te bieden aan de wereldse verleiding.<\/p>\n<p>XX<br \/>\nDe dag was drukkend en heet, ondanks het feit dat de druppels van de overvloedige regen van gisteren fonkelden op het gras. Een jonge, zwartogige kozakkenmeid, die sprak met een even zwartogige en even jonge kozak \u2014 aan wie hij blijkbaar iets voor hem zeer belangrijks en interessants toevertrouwde \u2014 overgoot hem plotseling met een regen van warme, heldere, glinsterende blaadjes, doordat zij ongemerkt een dichtbebladerde, bloeiende tak van een oude, breed uitwaaierende vlierstruik boven hun hoofden losschudde.<br \/>\nDe verschrikte kozak sprong op met een voor hem ongekende snelheid, in tegenstelling tot zijn zojuist nog waardige en vastberaden voorkomen, en de guitige schoonheid barstte luid in lachen uit, terwijl zij met de geborduurde mouw van haar sneeuwwitte hemd haar frisse wang afveegde, waarop ook enkele blaadjes waren terechtgekomen.<br \/>\nDe straten van Hadjatsj leken van verre op zwarte fluwelen linten, hier en daar bijeen gehouden door glanzende ringen en afgezet met felgroene franjes; van dichtbij leken zij op door de regen losgeweekte zwarte aarde, omzoomd met dicht gras en dooraderd met vrij diepe plassen.<br \/>\nOnophoudelijk hoorde men het geklap van deuren die open- en dichtgingen, en in de lucht droegen zich van alle kanten begroetingen, waarmee gastvrije huisvaders hun feestelijke gasten ontvingen.<br \/>\nNiet alleen verblindde de zon met haar gouden glans, ook de hemel verblindde met zijn heldere blauwheid, waardoor de zwarte wolken die vanuit het westen naderden nog zwarter leken; hun randen tekenden zich des te scherper af.<br \/>\n\u2014 Vannacht komt er een zware storm,\u2014 sprak de heer hetman.<br \/>\nHij zei dit met zulk een onrust, en er ontsnapte hem tegelijk zo\u2019n zware zucht uit zijn borst, dat de Moskouse bojaar met rossige baard, die tegenover hem op de galerij aan tafel zat, vroeg:<br \/>\n\u2014 Vreest de heer hetman soms de storm?<br \/>\n\u2014 Het is Gods macht, en daarom moet iedere christen beven,\u2014 antwoordde de heer hetman peinzend.<br \/>\n\u2014 De Heer is barmhartig, Hij zal genadig zijn! \u2014 zei de Moskouse bojaar met de rossige baard. \u2014 Maar de wolken zijn groot.<br \/>\n\u2014 Ja, Hij is groot,\u2014 bevestigde de heer hetman, terwijl hij achteloos keek naar de donkere wolkenband die snel over het heldere blauw van de hemel schoof.<br \/>\nDe heer hetman sprak elk woord loom en met tegenzin uit, streek vaak met zijn vingers over zijn voorhoofd, alsof hij daar een ondraaglijke pijn had; zijn doffe ogen dwaalden ergens in de verte, en over zijn volle, gladde gezicht \u2014 ja, niet alleen over zijn gezicht, maar over zijn hele zware, logge gestalte \u2014 lag de afdruk van een innerlijke onrust en vermoeidheid, wellicht het gevolg van die onrust, ondraaglijk voor een verwende edelman.<br \/>\nEn terwijl de heer hetman loom, onoplettend en bezorgd was, was zijn gesprekspartner en gast, de Moskouse bojaar met de rossige baard, levendig, beweeglijk en zorgeloos.<br \/>\nDe zware, onhandige gestalte van de heer hetman leek nog zwaarder en onhandiger naast de welgedane maar wendbare en soepele figuur van de ander; de halfgesloten ogen van de heer hetman nog doffer en levenlozer vergeleken met de ogen van de ander, die alle kanten opschoten, nieuwsgierige, glanzende ogen.<br \/>\nToen hij opnieuw herhaalde, terwijl hij achteloos zijn schitterende blik op de naderende wolken wierp en met zijn witte hand zijn rossige baard streelde: \u201cGod zal wel genadig zijn!\u201d, leek hij in deze woorden zijn hele aard te openbaren.<br \/>\nMen kon met zekerheid zeggen dat het hem niet ontbrak aan scherpzinnigheid, vlugheid van geest en inzicht voor tien, maar dat over dit alles een zorgeloos \u201chet komt wel goed\u201d heerste, dat alles bestuurde.<br \/>\nMen kon erop wedden dat hij, alvorens bijvoorbeeld over een afgrond te gaan via een dunne, wankele paal, heel goed alle gevolgen van zo\u2019n oversteek zou overwegen; maar na zijn krullen te hebben geschud, zou hij zeggen: \u201cIk kom er wel over!\u201d, en gaan.<br \/>\nEn niet alleen wanneer hij er gelukkig overheen kwam, maar zelfs als hij zijn botten brak en zijn hoofd heel bleef, zou hij bij de eerste gelegenheid opnieuw zijn krullen schudden, opnieuw zeggen: \u201cIk kom er wel over!\u201d en even zorgeloos gaan.<br \/>\n\u2014 Wij zijn allen zondige mensen,\u2014 antwoordde de heer hetman,\u2014 en niemand van ons kan zeggen: vandaag zal ik voor mijn zonden niet de verdiende vergelding ontvangen!<br \/>\nHij sprak dit op belerende toon, zoals men zulke woorden pleegt uit te spreken, maar in zijn geleerdheid lag eerder de geprikkelde angst van een hoogwaardigheidsbekleder dan het berouw van een christen.<br \/>\n\u2014 De Heer verdraagt de zonden lang,\u2014 antwoordde de Moskouse bojaar, blijkbaar menend dat hij bij deze woorden zijn levendige, glanzende ogen naar de hemel moest opslaan; maar halverwege naar het stralende zwerk liet hij zijn blik afdalen naar het pad dat zich over het brede erf slingerde, waarlangs langzaam een oude bandoerist naderde met een door de zon gebruind meisje, met een krans van verse bloemen in het haar.<br \/>\nDe ogen van de heer hetman, die schuin op zijn gesprekspartner gericht waren, volgden onmiddellijk diens blik naar het pad, en de verschijning van de oude bandoerist had een merkwaardige uitwerking op hem: zijn loom-gereserveerde gezicht vlamde plotseling op, werd toen bleek, en zijn lippen begonnen licht te beven; hij streek snel met zijn hand over zijn voorhoofd, knipperde met de ogen en keek angstig en onderzoekend naar de Moskouse bojaar, alsof hij op diens gezicht wilde aflezen of er misschien een vermoeden in zijn ziel was geslopen.<br \/>\nMaar het gezicht van de Moskouse bojaar \u2014 waarop men trouwens alleen met zijn bojaren-toestemming iets kon lezen \u2014 verried niets anders dan die lege, wat verveelde nieuwsgierigheid die bezit neemt van mensen die lange tijd in afzondering verkeren, of te midden van mensen die hun al lang van alle kanten bekend zijn en voor hen geen enkel belang meer hebben.<br \/>\nToen de heer hetman op het gezicht van de Moskouse bojaar niets voor hem van betekenis vond, liet hij zijn oogleden zakken naar zijn handen, gevouwen op de wijze waarop geestelijken of zeer vrome personen ze plegen te vouwen, zij die sinds lang gewend zijn niet alleen aan het gebed, maar ook aan de, zo men wil, theatrale uiting ervan. In die houding leken zware gedachten hem te omhullen, of liever vrome overpeinzingen, die uit de wereld van de zondige werkelijkheid voeren naar de hogere wereld, die de godvruchtige verbeelding bevolkt met tweevleugelige engelen en cherubijnen, zesvleugelige serafijnen, wonderbaarlijke glans, hemels licht en paradijselijke muziek.<br \/>\nZo diep verzonk de heer hetman in gedachten, zo geheel leek hij opgenomen in een andere, betere wereld, dat de Moskouse bojaar tweemaal moest herhalen:<br \/>\n\u2014 Heer hetman, de bedelmonniken zijn gekomen! Heer hetman, zij zijn gekomen!<br \/>\nEindelijk kwam de heer hetman tot zichzelf, richtte zijn ogen op de aangekomen oude mannen, boog zijn edele hoofd vriendelijk als antwoord op hun diepe buigingen \u2014 bijna tot op de grond \u2014 riep een kozak die bij de deur op bevelen stond te wachten, en beval met langgerekte, goedhartige stem de gasten te onthalen.<br \/>\n\u2014 Staat het de doorluchtige heer hetman toe dat een oude bandoerist speelt en zingt? \u2014 vroeg de oude bandoerist eerbiedig, bij elk woord diep buigend of een zo nederige blik werpend dat die elke buiging waard was.<br \/>\nDe heer hetman gaf vriendelijk toestemming en nodigde de vermoeide bandoerist uit om te eten.<br \/>\nHij was zelfs zo attent dat hij met zijn witte edele hand een plaats aanwees en eraan toevoegde:<br \/>\n\u2014 Hier brandt de zon niet.<br \/>\nDe bandoerist, die met gepaste eerbied zijn nederige dankbaarheid voor de genadige gunst van de doorluchtige heer hetman betuigde, ging zitten op de aangewezen plaats, op de treden in de hoek van de galerij, geheel in de schaduw. De Moskouse bojaar, die de oude grijsaard tamelijk aandachtig bekeek, kon slechts een deel van zijn grijze baard zien, een krachtige schouder bedekt met een oud en grof maar sneeuwwit linnen hemd, en de voorkant van een enorme laars die duidelijk getuigde van onophoudelijke reizen over stoffige en modderige wegen; zijn hele gestalte en gezicht flikkerden slechts als stoffige vlekken door het groene, dichte netwerk van een oude perenboom met kleine blaadjes, die zo laag over de hele galerij hing dat haar takken met hun glanzend groen het plaveisel raakten.<br \/>\n\u2014 Zet uw muts op, oude man,\u2014 zei de vriendelijke heer hetman.<br \/>\nDe Moskouse bojaar, die als het ware werktuiglijk een perentak had opgelicht, liet hem weer los, eveneens als vanzelf, en richtte zijn ogen op het meisje, de gezellin van de oude bandoerist.<br \/>\nHet kwam de Moskouse bojaar goed uit haar te bekijken: zij had zich precies tegenover hem neergezet, en bovendien viel een zonnestraal van boven op haar neer.<br \/>\nDe bandoera begon te klinken en zang verhief zich.<br \/>\nO stralend paradijs, o prachtig paradijs! zong de vrome grijsaard.<br \/>\nBij de eerste tonen verschenen de edele vrouw van de hetman en de vrouw van de broer, die zich op enige afstand neerzetten en eveneens luisterden naar de plechtige zang van de psalmen.<br \/>\nBeide vrouwen zaten met gevouwen handen in dezelfde onderdanige houding, de ogen neergeslagen, het type van edele slavinnen verbeeldend, en toch waren zelden twee personen van hetzelfde geslacht en bijna dezelfde leeftijd zo ongelijk aan elkaar.<br \/>\nHet knappe, adellijke gezicht van de doorluchtige hetmansvrouw droeg het duidelijke stempel van langdurige verveling en droefheid, zoals die vaak voortkomen in een weelderig maar leeg bestaan; en daarbij iets van onzekerheid, zoals bij kinderen wanneer een begaafde leraar hun plots een tot dan toe onbegrijpelijke les helder uitlegt, een les die eerst ondraaglijk leek maar ineens boeiend wordt. Het was de toestand van een kinderlijke, onervaren, nog ongewende overdenking, die niet verder reikt dan het onrustige: \u201cHoe kan dat?\u201d, \u201cIs het werkelijk zo?\u201d, \u201cDus z\u00f3 zit het!\u201d, en tegelijk de zorg van een vreedzame huisvrouw die onverwachts een onbekende, gevaarlijke weg is ingeslagen.<br \/>\nHet gezicht van de vrouw van de broer werd gekenmerkt door rust, maar die rust was te vergelijken met die van de hete zomerdag die het toen was: alles bloeit, geurt en ademt met duizenden levensvezels; er is geen windvlaag, geen gedonder, geen bliksem, maar men weet dat plotseling alles kan verduisteren; dat er een storm kan losbarsten die veel van de omringende bloeiende schoonheid zal vernietigen.<br \/>\nO stralend paradijs, o prachtig paradijs! zong de oude bandoerist.<br \/>\n\u2014 Meisje, hoe heet je? \u2014 vroeg de Moskouse bojaar de kleine gezellin van de grijsharige bandoerist.<br \/>\nDe stem van de Moskouse bojaar was van nature zacht, maar nu hij haar nog verder dempte \u2014 wellicht om de anderen niet te storen in hun genot van de psalmzang \u2014 werd zij fluweelzacht; zijn gezicht was doorgaans vriendelijk, maar nu, blijkbaar om het kleine bedelaresje aan te moedigen dat hij met zijn bojarenwoord vereerde, veranderde het geheel in goedhartige mildheid en leek te zeggen: \u201cAls jij een verstandig meisje bent, dan zal het mij niet aan honingkoek ontbreken.\u201d<br \/>\nToch richtten de heldere ogen van het meisje zich wantrouwig op hem; zij antwoordde niets op zijn vriendelijke vraag en liet zich blijkbaar in het geheel niet verleiden door de gulle beloften die zijn uitdrukking haar scheen te doen.<br \/>\nDe Moskouse bojaar herhaalde welwillend zijn genadige vraag:<br \/>\n\u2014 Hoe heet je, meisje?<br \/>\nHet meisje sloeg haar ogen neer en antwoordde:<br \/>\n\u2014 Maroesja.<br \/>\n\u2014 Maroesja? \u2014 zei de Moskouse bojaar, alsof hij daarmee wilde uitdrukken: \u201cWel, als je Maroesja heet, des te beter; jij hebt geen reden tot zorgen.\u201d<br \/>\n\u2014 Je bent moe geworden, Maroesja, is het niet? \u2014 ging hij verder.<br \/>\nMaroesja antwoordde opnieuw niet, en hij moest zijn vraag nogmaals herhalen, wat hem blijkbaar in het geheel niet ergerde; want toen hij eindelijk het antwoord kreeg: \u201cJa, moe geworden\u201d, vroeg hij even vriendelijk:<br \/>\n\u2014 De weg is lang, nietwaar? Waar komen jullie vandaan?<br \/>\nEn opnieuw antwoordde het wilde boerinnetje niet meteen; en opnieuw herhaalde hij met dezelfde onveranderlijke mildheid:<br \/>\n\u2014 Een lange weg? Waar kom je vandaan?<br \/>\n\u2014 Ik weet het niet.<br \/>\nOp dat ogenblik verstomde de stem van de bandoerist; men hoorde alleen nog een aangename, heldere naspel op de bandoera.<br \/>\nDe heer hetman, die tot dusver geheel was opgegaan in het luisteren naar de goddelijke psalm, leek te ontwaken, wendde het hoofd af en zijn ogen ontmoetten die van zijn voorname gast.<br \/>\n\u2014 Het is heilzaam voor de ziel om te horen,\u2014 sprak de heer hetman, als tot zichzelf.<br \/>\n\u2014 Heilzaam voor de ziel,\u2014 bevestigde de voorname gast.<br \/>\nDaarna stond hij op en, zich tot de bandoerist wendend, vroeg hij:<br \/>\n\u2014 Weet jij soms, beste man, hoe het lied over de struikrover langs de weg gezongen wordt?<br \/>\n\u2014 Nee, doorluchtige heer, dat ken ik niet,\u2014 antwoordde de bandoerist. \u2014 Wel ken ik het lied over de popenzoon en over de gevangene, en over de weduwe&#8230;<br \/>\n\u2014 Leer dat over de rover maar: een mooi lied! \u2014 onderbrak de Moskouse bojaar hem. \u2014 Wat een prachtige goesli heb je! Kom, laat mij die eens van dichtbij bekijken!<br \/>\n\u2014 Zeker, doorluchtige heer, kijkt u maar,\u2014 zei de goedhartige bandoerist, terwijl hij de bandoera aan de bojaar overhandigde.<br \/>\nDe bojaar draaide het eenvoudige instrument in zijn handen, ging naast de oude bandoerist zitten, \u00e9\u00e9n trede hoger, en herhaalde:<br \/>\n\u2014 Prachtige goesli! Prachtige goesli!<br \/>\nMaar terwijl hij de bandoera prees, keek hij niet naar het instrument, maar recht in het gezicht van zijn eigenaar.<br \/>\nDe eigenaar echter, die naar alles te oordelen een buitengewoon zachtmoedig man was, raakte door de indringende bojarenblik in het geheel niet van zijn stuk.<br \/>\nMet gepaste eerbied, maar volkomen vrijmoedig, legde hij de nieuwsgierige bojaar de bouw van zijn instrument uit; hij toonde niet alleen geen haast om het gesprek met de hoge gast te be\u00ebindigen \u2014 een gesprek dat eenvoudige mensen vaak in verwarring brengt \u2014 maar raakte zelfs op dreef en haalde allerlei bijkomstigheden aan, zowel uit zijn eigen zwerversleven als uit dat van zijn mede-bandoeristen.<br \/>\n\u2014 Kent u Semen Broej niet? \u2014 vroeg hij goedmoedig. \u2014 Kent u hem werkelijk niet? Zo\u2019n lange, zwartgebaarde oude man, met zo\u2019n lange neus en blind aan het linkeroog? Hebt u hem nergens ontmoet? Dat verbaast mij. Waar je ook gaat, je komt hem overal tegen. Kent u hem echt niet? En hebt u nooit van hem gehoord? Ik kwam hem vorige week tegen in Bobryky. \u201cWel,\u201d zeg ik, \u201cmaak je de duivel blij, Semen?\u201d En hij speelde daar voor de jonge vrouwen \u201cDe goede vrouw\u201d. Hij is een felle kerel, edele heer: drie keer getrouwd geweest&#8230; Maar wat heeft hij een wonderlijke bandoera! Van zulk hout gemaakt, edele heer, dat zij speelt wat zij wil. Met deze eigen oren heb ik gehoord (hier raakte de bandoerist zijn oren aan) hoe Semen zei: \u201cIk zal jullie over Jarema zingen\u201d \u2014 tok! \u2014 en de bandoera speelde over Holota! Een betoverde bandoera! Men zegt dat een magi\u00ebr haar gemaakt heeft. En wie een slecht geweten heeft, moet maar niet komen luisteren, zij zet je voor heel de gemeenschap te schande! Dan begint zij te spelen: \u201cJij bent een dief, jij verleidt andermans vrouwen, jij houdt de vasten niet!\u201d, kortom, ieder krijgt wat hem toekomt.<br \/>\n\u2014 En speelde die bandoera ook over jou, beste man? \u2014 vroeg de bojaar, die hem met vriendelijke aandacht had aangehoord.<br \/>\n\u2014 Ook over mij speelde zij, edele heer.<br \/>\n\u2014 En wat speelde zij dan over jou? Misschien: \u201cGodsman, waarheidslievende pelgrim!\u201d h\u00e8?<br \/>\n\u2014 Nee, edele heer,\u2014 zuchtte de bandoerist met oprechte spijt,\u2014 nee! Ik ben een zondig mens. Het was op een vrijdag; ik kwam van ver, was moe en zo hongerig dat ik kromgebogen liep \u2014 en de boze verleidde mij&#8230; Hij verleidde mij, edele heer, hij verleidde mij! Ik ga de herberg binnen, drink een glaasje, kijk om, daar ligt een worst. En wat voor een worst, edele heer, dat kan men niet beschrijven! En die worst keek mij recht aan, waarachtig, edele heer, zo keek zij mij aan, zo keek zij&#8230; En ik hoor haar mij toefluisteren: \u201cEet mij, eet mij, zo een heb je nog nooit geproefd.\u201d Ik hierheen, ik daarheen, nee! Ik voel al hoe zij mijn lippen zalft, zo zachtjes, zo dat mijn buik ervan krimpt&#8230; En ik heb haar opgegeten, edele heer. Ik weet zelf niet hoe, maar ik heb haar opgegeten&#8230; En wat denkt u? Nauwelijks kwam ik buiten, of Semens bandoera begon te spelen: \u201cWorst gegeten, worst gegeten, worst, worst, worst&#8230;\u201d Ik brandde van schaamte&#8230; Ik brandde helemaal op&#8230;<br \/>\n\u2014 En wat denk jij, beste man: als iemand geen betoverde bandoera heeft, dan komt hij dus ook niet te weten dat jij worst hebt gegeten, h\u00e8? \u2014 vroeg de bojaar vriendelijk, half schertsend.<br \/>\n\u2014 In de Heilige Schrift staat geschreven: \u201cEr is niets verborgen dat niet vroeg of laat openbaar wordt,\u201d \u2014 antwoordde de bandoerist,\u2014 en toch bedrijven wij, zondige mensen (ik spreek nu niet over u, edele heer), heel wat heimelijke streken! De een bouwt zijn hele leven zulke paleizen van listen dat de duivel zich van plezier de buik vasthoudt, en toch blijft alles netjes toegedekt. Maar,\u2014 voegde de bandoerist er op vermanende toon aan toe,\u2014 al gebeurt het niet in deze wereld, dan zal in de andere wereld voor elke slechte daad de verdiende vergelding volgen!<br \/>\n\u2014 Sommigen krijgen hun loon ook al in deze wereld,\u2014 merkte de bojaar op, niet zozeer belerend als wel veelbetekenend.<br \/>\n\u2014 Zij krijgen het, edele heer, zij krijgen het,\u2014 antwoordde de bandoerist op ongedwongen, enigszins plechtig-tevreden toon, zoals vrome mensen de straf over slechten en zondaars voorspellen.<br \/>\n\u2014 Zij krijgen het, zij krijgen het,\u2014 herhaalde de bojaar.<br \/>\nDe reizende bandoerist had de bojaar blijkbaar, uit verveling of speelsheid, zeer geboeid; het gesprek met hem amuseerde de wispelturige in zijn gunst en hooghartigheid zijnde edelman.<br \/>\nDe heer hetman zat nog steeds met gevouwen handen, maar hij leek allerminst meer iemand die in hogere sferen vertoefde; integendeel, een hevige onrust scheen hem te hebben aangegrepen. Telkens wanneer de voorname gast hem de rug toekeerde, wierp hij, als zocht hij redding, verschrikte blikken naar zijn broer, die eveneens stil naar de galerij was gekomen en ogenschijnlijk kalm luisterde naar het gesprek tussen de bojaar en de bandoerist. Zijn rust leek de heer hetman toe te spreken:<br \/>\n\u2014 Voorlopig is het niets; vooralsnog is er geen reden tot vrees. We zullen zien wat er verder gebeurt.<br \/>\nMaar nog vaker richtte de heer hetman zijn smekende ogen op de vrouw van de broer; en wanneer hij op tien verwarde blikken \u00e9\u00e9n antwoord kreeg dat hem onmiddellijk geruststelde, zuchtte hij zacht, wreef zich over het voorhoofd en trachtte eruit te zien zoals een man van hoge stand betaamt.<br \/>\nDe hetmansvrouw, die zichtbaar niet begreep maar instinctief aanvoelde dat allen in het geheim door iets belangrijks werden beziggehouden, dat er ergens een gevaar in de nabijheid school, hield een tijdlang iedereen scherp in het oog; maar daarna, alsof zij voor zichzelf toegaf dat dit waken vergeefs was, gaf zij zich weer over aan onderdanige gedachten en overpeinzingen, men had kunnen denken dat zij indommelde.<br \/>\nWie weet hoe lang het gesprek tussen de bojaar en de reizende bandoerist nog had voortgeduurd, als de vrouw van de broer niet was opgestaan en, op weg naar de tuin, de bojaar had gestoord, die juist midden op het pad zat.<br \/>\n\u2014 Mag ik passeren,\u2014 zei de vrouw van de broer, met een eerbiedige buiging.<br \/>\nDe bojaar week terstond opzij; zijn knappe gezicht kleurde zichtbaar, en als door iets onverwachts overrompeld, keek hij lang de statige gestalte na die rustig verdween in het dichte groen van de bloeiende tuin.<br \/>\nDaarna wendde hij zich opnieuw tot de bandoerist, maar hij keek hem slechts aan en sprak geen woord.<br \/>\nDe vlugge, scherpe, zorgeloze bojaar werd plotseling door een zekere bekommernis bevangen; toch kon men niet zeggen dat het louter een zware zorg was, want zijn gezicht vlamde meer dan eens op en leefde op met een bijna vreugdevolle glans.<br \/>\n\u2014 En zeg eens, hoe lang is het geleden dat je in Tsjyhyryn was? \u2014 vroeg hij de bandoerist, terwijl hij hem aankeek met die afwezige blik waarmee mensen kijken die geheel in beslag genomen zijn door hun eigen zaken en slechts mechanisch woorden uitspreken die hun niet langer werkelijk interesseren.<br \/>\n\u2014 Ach, naar Tsjyhyryn is het tegenwoordig moeilijk door te dringen, edele heer,\u2014 antwoordde de bandoerist. \u2014 Overal troepen, Polen, Tataren\u2026 Op alle wegen zoemen de kogels\u2026 Wie het leven niet liefheeft, moet daar maar heen gaan, voor hem is het gedaan. Ik beken, ook ik heb heel wat angsten uitgestaan. Nadat ik van een landgenoot, Ivan Doednyk, allerlei verhalen had gehoord over het bloedbad daar, liep ik en dacht: \u201cWat als er een of andere heiden op mij afstormt!\u201d Plots hoor ik de aarde dreunen. Ik kijk, recht op mij af jaagt iets zwarts. En ik liep over een steppeweg, rondom niets dan eindeloze steppe. Ik zie iets zwarts, daarachter nog \u00e9\u00e9n, daarachter een derde, een vijfde, een tiende, ik meende een hele horde te zien. \u201cNu is het met mij gedaan,\u201d dacht ik! Toch hurk ik in het gras, misschien raast de duivel mij voorbij. En ik strek mij languit op de grond en lig daar \u2014 ik adem niet \u2014 en denk: \u201cWat als ze me vertrappen!\u201d En dan hoor ik iets snuiven vlak bij mijn rechteroor en gras lostrekken, steeds dichterbij, dichterbij\u2026 Ik verstijfde helemaal\u2026 Nauwelijks had ik gefluisterd: \u201cHeer, vergeef mij mijn zonden!\u201d of iets rukte mij aan mijn haar! Ik brulde over de hele steppe\u2026 Wat denkt u, edele heer! Het was een vervloekte vaars die mij zo\u2019n schrik bezorgde en bijna mijn haar afbeet. Van afgebrande hoeven had men al het vee de steppe opgejaagd, en dat vee was daar verwilderd. De vaarzen zwierven rond en begonnen te grazen, en \u00e9\u00e9n ervan graasde bijna aan mijn haar\u2026 Wat een angst heb ik toen uitgestaan! Men zegt terecht dat angst ogen zo groot als appels maakt! En hoe zou men niet bang worden als het angstaanjagend is?<br \/>\nJe wilt niet, maar je wordt toch bang. Zelfs de dappersten zijn maar dapper tot op zekere hoogte. Ik had eens een landgenoot \u2014 hij is nu gestorven, het hemelse rijk zij hem gegund, een rustige plaats, moge zijn ziel daar genieten tussen paradijselijke bloemen en zoete honing! \u2014 en die man vreesde niets ter wereld. Alleen \u00e9\u00e9n keer\u2026<br \/>\nHier onderbrak de bojaar, die het voorafgaande verhaal met weinig aandacht had aangehoord, de oude bandoerist.<br \/>\n\u2014 Je meisje is moe,\u2014 zei hij.<br \/>\n\u2014 Ja, edele heer,\u2014 antwoordde de bandoerist.<br \/>\n\u2014 Hier heb je een centje, koop een honingkoek,\u2014 zei de bojaar tegen het meisje.<br \/>\nHij reikte haar enkele koperen muntjes aan.<br \/>\n\u2014 Waarom neem je ze niet? Ben je levend of van steen?<br \/>\nHet meisje had al die tijd zo stil en onbeweeglijk gezeten dat men haar werkelijk voor steen had kunnen houden, ware het niet om haar heldere ogen en de levendige blos die fel opvlamde op haar door de zon gebruinde wangen.<br \/>\n\u2014 Zeg dank je, Maroesja, bedank de heer,\u2014 zei de bandoerist. \u2014 Ze is wat schuchter, de domkop, edele heer, vergeef haar\u2026 Bedank de heer, Maroesja!<br \/>\nMaroesja stond op en maakte een buiging.<br \/>\nMaar de genadige edelman, die haar met gulle aalmoes had beloond, zag deze dankbare buiging niet meer.<br \/>\nAlsof door een onweerstaanbare kracht gegrepen, begaf hij zich naar de deur van de middelste kamer.<br \/>\nOp de drempel bleef hij echter staan, keek om naar de heer hetman, zag duidelijk op diens gezicht de uitdrukking van iemand die zich eindelijk heeft bevrijd uit een wurgende strop, begreep die uitdrukking volkomen, greep met zijn hand de deurpost vast alsof hij zich daardoor kunstmatig op zijn plaats wilde houden, en op zijn lippen verscheen een glimlach die duidelijk zei: \u2014 Ach jullie! Denken jullie mij te misleiden?<br \/>\nMaar op dat moment klonk uit de diepte van de tuin gezang. Een zachte, lage stem zong een Oekra\u00efens lied:<\/p>\n<p>Traag water ondermijnt de oevers,<br \/>\nEen groot heer komt tot mij.<br \/>\nEn in mijn hart is zulk een gedachte,<br \/>\nAls het ruisen van de zee\u2026<\/p>\n<p>Bij de eerste tonen van die stem verslapten de vingers van de bojaar, die zich zojuist nog zo stevig aan de deurpost hadden vastgeklemd dat zij wit waren geworden; zij lieten los. Over zijn gezicht gleed de uitdrukking: \u201cLaat alles ter wereld vergaan \u2014 ik zal mij bedrinken aan deze roes!\u201d En terwijl hij zijn weelderige krullen schudde, verdween de bojaar.<\/p>\n<p>XXI<br \/>\n\u2014 Nou, moeten we nog ver lopen? \u2014 vroeg Maroesja.<br \/>\n\u2014 Ben je moe, lieverd? \u2014 vroeg de Sietsj-kozak.<br \/>\n\u2014 Nee, ik ben niet moe. Ik wil alleen weten of het nog ver is.<br \/>\n\u2014 Niet ver meer. Zie je daar voor ons, rechts, het bos? Daar zullen we uitrusten. Je bent moe, h\u00e8?<br \/>\n\u2014 Nee, helemaal niet!<br \/>\nHij boog zich toch naar haar toe en keek teder en bezorgd in haar gebruinde gezichtje.<br \/>\n\u2014 Niet moe? \u2014 herhaalde hij. \u2014 En wie liegt, weet je wat hem in het hiernamaals wacht? Zal je dan misschien een hete pan moeten likken, h\u00e8?<br \/>\n\u2014 Dat zal niet hoeven, \u2014 antwoordde Maroesja, en haar witte tanden glansden achter haar frisse lippen.<br \/>\nNa even nagedacht te hebben keek ze naar haar metgezel en zei:<br \/>\n\u2014 Maar ik lik liever die pan dan dat ik achterblijf!<br \/>\n\u2014 Dan doen we het maar zo! \u2014 zei hij en boog zich, nam het kleine meisje in zijn armen en droeg haar als een licht veertje.<br \/>\n\u2014 Nee, nee\u2026 \u2014 riep ze. \u2014 Ik kan zelf lopen, ik kan zelf\u2026<br \/>\nMaar zijn sterke handen hielden haar stevig vast en de zacht uitgesproken woorden: \u201cBlijf rustig zitten, mijn lieverd!\u201d maakten elke tegenstand tevergeefs. Ze sloeg haar armen om zijn gespierde, donkerbruine hals en legde haar hoofd tegen zijn brede schouder, even sterk als gepolijst brons.<br \/>\nHet begon te schemeren en de verzengende middaghitte was verdwenen. Het pad slingerde door de velden, over smalle akkerranden, tussen hoog, dicht, als riet wuivend graan, dan weer door kleine bosjes vol bloemen, nesten, geuren, vogels en insecten in alle kleuren. Hier en daar glinsterde een kerktoren, een meertje of vijver, een brede weide, een dorpje met witte huisjes, groene boomgaarden en bloeiende tuinen; soms lag een eenzame hoeve achter de bomen.<br \/>\n\u2014 Zie je hoeveel korenbloemen en klaprozen er tussen het graan staan? \u2014 zei de Sietsj-kozak.<br \/>\nZijn geharde gezicht, gevormd door ontberingen en een streng leven, straalde zachtheid uit toen hij bleef staan en het meisje, dat beschutting vond in zijn sterke armen, wees op de blauw en rood oplichtende bloemen tussen het gouden graan.<br \/>\n\u2014 Weet je wat, Maroesja? Hier moeten we gaan zitten en een krans vlechten, \u2014 ging hij verder. \u2014 Het wordt een prachtige krans! Zo mooi dat je het niet kunt beschrijven!<br \/>\nHij zette haar voorzichtig op het donkere gras van de akkerrand. Toen stak hij zijn lange, krachtige hand in het graan, plukte korenbloemen en klaprozen en keek af en toe glimlachend naar haar:<br \/>\n\u2014 Jij blijft rustig zitten, Maroesja!<br \/>\nZe volgde stil elk van zijn bewegingen, terwijl hij met een bloem die hij met wortel en al had geplukt zijn eigen onhandigheid op een speelse manier bespotte:<br \/>\n\u2014 Kijk nou! \u2014 zei hij. \u2014 Stuur een dwaas om te bidden, dan breekt hij zijn voorhoofd! Wat een flinke kozak ben ik! Zo\u2019n handige moet je nog eens zoeken! Stuur een beer om kwartels te vangen, en zelfs die blijft nog ver achter bij mijn behendigheid\u2026<br \/>\n\u2014 Genoeg, genoeg, \u2014 zei Maroesja, terwijl ze de bloemen verzamelde waarmee hij haar bedekt had.<br \/>\n\u2014 Of nog meer? \u2014 vroeg hij. \u2014 Kijk, deze bloem is zo prachtig dat het een wonder is!<br \/>\nHij ging naast haar zitten en volgde met grote aandacht hoe haar gebruinde handjes de bloemen tot een krans vlechten, en keek afwisselend naar haar gezicht, gebogen over het werk.<br \/>\n\u2014 Waar denk je aan, Maroesja? \u2014 vroeg hij. \u2014 Wat herinner je je?<br \/>\nOf hij zo goed kon aflezen van haar gezicht, of het gezicht zo goed kende, hij vergiste zich in ieder geval niet.<br \/>\n\u2014 Ik herinner me hoe we kransen thuis vlechten, \u2014 antwoordde Maroesja.<br \/>\n\u2014 Mis je je familie?<br \/>\n\u2014 Nee, dat maakt niet uit\u2026<br \/>\nMaar het vlechten van de krans stokte onmiddellijk, want haar grote, donkere ogen vulden zich met tranen.<br \/>\n\u2014 Mis je ze erg, mijn hartje?<br \/>\nDe tranen stroomden rijkelijk en druppelend over haar wangen, haar handjes lieten de bloemen vallen en bedekten vlug haar gezicht, en een zacht snikken ontsnapte uit haar borst.<br \/>\nMaar ze overwon al snel de plotselinge emotie en veegde met haar handen de tranen weg, keek met vochtige ogen naar haar metgezel en herhaalde met een trillende, maar inmiddels glimlachende stem:<br \/>\n\u2014 Nee, het maakt niet uit\u2026<br \/>\nToen ze echter voelde dat de tranen opnieuw opkwamen, voegde ze, glimlachend:<br \/>\n\u2014 En is die hete pan echt zo heet die je in het hiernamaals moet likken?<br \/>\nOmdat ze geen antwoord kreeg en zag dat zijn gezicht bewolkt werd, raakte ze zachtjes zijn schouder aan.<br \/>\nToen zei hij:<br \/>\n\u2014 Heb je het moeilijk, Maroesja?<br \/>\n\u2014 Jij hebt het toch ook moeilijk, \u2014 antwoordde ze, \u2014 en iedereen toch?<br \/>\n\u2014 Ja, iedereen.<br \/>\n\u2014 Laten we gaan.<br \/>\n\u2014 Laten we gaan.<br \/>\nZe namen elkaars hand en gingen verder.<br \/>\nSpoedig verscheen aan de zijkant een dorpje, waar het smalle, begaanbare pad naartoe leidde, het pad kruiste de akkers waarover de reizigers gingen.<br \/>\n\u2014 Zie je het, Maroesja, het dorp?<br \/>\n\u2014 Ja, ik zie het, \u2014 antwoordde Maroesja.<br \/>\n\u2014 Is het een groot dorp?<br \/>\n\u2014 Ja, een groot dorp.<br \/>\n\u2014 Nou, hoe groter het dorp, hoe meer vrouwen, moeders, zusters en jonge meisjes die huilen, want vele mannen, broers, verloofden en vaders gingen die weg naar de strijd en niemand weet wie terug zal keren. Het zijn zware tijden, Maroesja, snap je?<br \/>\n\u2014 Ik begrijp het, \u2014 antwoordde Maroesja.<br \/>\nZe liepen een hele tijd zwijgend.<br \/>\nHet blauwe bos dat de Sietsj-kozak had aangewezen, waar ze zouden rusten, werd dichter en groener naarmate ze naderden, en vervolgens tekenden zich de donkere eikenbladeren en de krullende groene berken aan de bosrand af.<br \/>\n\u2014 Hier zijn we dan aangekomen, \u2014 zei de Sietsj-kozak, terwijl hij de takken opzij duwde en het bos in trok. \u2014 Hier is een fijne koelte! \u2014 vervolgde hij. \u2014 We zoeken nu een rustig plekje om uit te rusten.<br \/>\nMaar het duurde langer dan gedacht om zo\u2019n plek te vinden; het struikgewas was zo dicht dat je geen stap vrij kon zetten. Naast de takken die in hun gezicht sloegen, de rozenstruiken die aan haar haar en kleding bleven hangen en met hun scherpe doornen krasten, en de omgevallen boom die de weg blokkeerde, lagen er nog kleine berken onder en hingen er hopranken van boven.<br \/>\nToch leek de Sietsj-kozak te weten waar hij heen ging, want hij stopte meerdere keren, keek om zich heen, bedacht iets en ging verder, takken opzij duwend en groene knoppen doorknippen.<br \/>\nUiteindelijk vonden ze een plek waar ze vrij konden staan en zitten.<br \/>\n\u2014 Rust even uit, Maroesja, \u2014 zei de Sietsj-kozak. \u2014 Zulke fluwelen bladeren zijn er zelfs niet bij de hoogste heer, de generaal, zoals die hier voor deze eik groeien! Kom maar hier\u2026 En de eik zelf, eerlijk gezegd, een prachtig boompje.<br \/>\nDe eik spreidde zijn weelderige takken ver uit en vormde iets dat leek op een groene tempel, waar het stil, donker en koel was. Zonlicht drong hier niet door, en alleen was te zien hoe het door het blad van naburige bomen scheen of in lichte vlekken en strepen op hun wortels en stammen viel.<br \/>\nNiet ver van de eik stak een hoge, oude stronk uit, volledig zwartgeblakerd, zonder enig teken van leven, maar toch groeide er iets groens aan \u00e9\u00e9n van zijn verrotte kanten.<br \/>\nMaroesja\u2019s ogen bemerkten het bijzondere verschijnsel onmiddellijk, maar Maroesja had duidelijk grote vooruitgang geboekt in zelfbeheersing sinds we haar zagen in het afgebrande dorp, bij de put, waar ze verbaasd was over het zicht van het frisse groen dat in de vervuilde put dreef. Nu schreeuwde ze niet, ze sprak zelfs geen woord en keek slechts kort naar het voorwerp dat haar aandacht trok.<br \/>\nDit ontging de oplettende Sietsj-kozak niet.<br \/>\nHij pakte een nog niet verwelkte tak van de vlier bovenop de droge stronk, gooide die op Maroesja\u2019s schoot en zei glimlachend:<br \/>\n\u2014 Met jou, lieve Maroesja, kunnen we echt werk verzetten. Eh! Als iedereen maar zoals jij was!<br \/>\nOp dat moment klonk ergens uit de diepte van het bos iets dat op het geroep van een oehoe leek.<br \/>\n\u2014 Vroeg op vandaag, dat roept hij nog niet echt, \u2014 merkte de Sietsj-kozak op. \u2014 Goede oehoes roepen zo.<br \/>\nHij legde twee vingers op zijn lippen en er kwam een \u201cpoegoe\u201d uit zijn mond, zo krachtig dat de luidste van de echte oehoes er niet voor zou moeten blozen.<br \/>\nEn dit \u201cpoegoe\u201d had effect: van drie kanten lieten jonge oehoes zich horen.<br \/>\n\u2014 Blijf hier zitten, Maroesja, \u2014 zei de Sietsj-kozak, \u2014 ik ben zo terug.<br \/>\n\u2014 Goed, \u2014 antwoordde Maroesja.<br \/>\nDe Sietsj-kozak week de takken opzij en sprong het struikgewas in, maar stopte plots, draaide zich naar Maroesja en zei:<br \/>\n\u2014 Verveel je niet, Maroesja.<br \/>\n\u2014 Dat zal ik niet, \u2014 antwoordde Maroesja.<br \/>\nZe wisselden glimlachen uit die alle woorden en genegenheid waard waren, en de Sietsj-kozak verdween uit zicht.<\/p>\n<p>XXII<br \/>\nMaroesja luisterde naar het zachte kraken van takjes en het geritsel van het gebladerte totdat alles volledig verstomde, toen boog ze haar hoofd en raakte in gedachten.<br \/>\nEr was genoeg om over na te denken: zoveel onverwachte en geheimzinnige dingen waren haar de laatste tijd overkomen, zoveel belangrijke en machtige mensen had ze ontmoet!<br \/>\nMaar vooral, er was zoveel in al dit alles dat voor haar nog steeds onduidelijk en onbegrijpelijk was.<br \/>\nZe liep voortdurend alsof ze boven de rand van een onzichtbare afgrond balanceerde, die ze echter levendig voelde.<br \/>\n\u201cMensen kunnen soms zo slecht zijn,\u201d dacht ze.<br \/>\nEn in haar jonge, nog kinderlijke hoofd rezen een hele reeks van die maatschappelijke vragen op, die zelfs de meest ervaren denkers soms duizelig maakten.<br \/>\nAf en toe, vermoeid door deze zware gedachten, waarop ze geen ander antwoord vond dan \u201cGods wil\u201d, \u201cGods toelating\u201d, hief ze haar hoofd op en keek om zich heen.<br \/>\nDe vreemde stilte van het bos en de koelte verfristen en streelden haar oververmoeide lichaam, dat uitgeput was door de lange reizen en voortdurende geestelijke zorgen, maar tegelijkertijd voelde ze in deze bezorgde gemoedstoestand dat het ook een soort straf voor haar was.<br \/>\nDeze rustige, gereserveerde natuur gaf geen enkel antwoord.<br \/>\nAls de vergelijking van een jonge, frisse, bezorgde ziel met een bloeiende doornige roos ergens passend was, dan niet bij de metgezel van de bandoerist, die nu onder de tent van de oude eik zat, nauwelijks zichtbaar achter het groen.<br \/>\nIn het bos werd het langzaam schemerig, alsof een onzichtbare hand er een hoed overheen trok. De heldere strepen en vlekken die op de wortels en stammen van de bomen vielen, verdwenen; alleen de dunne pijlen van de purperen zonsondergang waren nog zichtbaar.<br \/>\nPlots kwam Maroesja onder de eik vandaan; de levendige bezorgdheid van dit moment verzwolg alle andere zorgen, angsten en twijfel.<br \/>\n\u2014 Hij zei: ik ben zo terug! \u2014 fluisterde ze. \u2014 En er is niets te horen!<br \/>\nHet was waar, er was helemaal niets te horen, hoe goed ze ook luisterde. Het groene bos stond rondom als een muur: zelfs het geschreeuw van vogels doorbrak de stilte van dit woud niet, zelfs de wind liet geen blad ritselen.<br \/>\nPlots klonk er een schot, \u00e9\u00e9n, twee\u2026<br \/>\nMaroesja strekte zich op alsof ze door een donderklap werd getroffen.<br \/>\nWeer een schot.<br \/>\nEn alles bleef stil en dof. Haar gespannen gehoor ving niets op.<br \/>\nNog enige tijd verstreek, hoe lang precies, dat wist ze niet, maar voor Maroesja leek het erg lang.<br \/>\nZe stond aanvankelijk vaak op, liep rond, luisterde aandachtig, maar vermoeid door deze spanning bleef ze uiteindelijk op haar oude plek, onder de eik, roerloos, alsof ze versteend was.<br \/>\nZe stond zelfs toen niet op, toen het ritselen duidelijk hoorbaar werd; alleen haar wangen kleurden, en haar ogen keken verdrietig in die richting.<br \/>\nDeze keer was de hoop niet ijdel; het gebladerte week opzij, en een bekend gezicht verscheen tussen het wiegende groen.<br \/>\nMaar dat gezicht was zo bleek dat de blijdschap van het meisje stokte op haar lippen.<br \/>\n\u2014 Maroesja, \u2014 zei de Sietsj-kozak, \u2014 zie je het, een rode sjaal, zie je?<br \/>\n\u2014 Ik zie het, \u2014 antwoordde Maroesja.<br \/>\n\u2014 Ik zal je op het pad brengen\u2026 Loop deze weg helemaal rechtdoor\u2026 Rechtdoor, door het bos, totdat je bij het bruggetje komt\u2026 Achter dat bruggetje is er een tweede bos\u2026 en een paadje\u2026 Volg het paadje naar dat bos\u2026 Je zult een man tegenkomen, hij zal zeggen: \u201cGod help je, Maroesja!\u201d Geef hem dan dit doekje en zeg: \u201cGod help!\u201d Snap je? \u2026 Weet je het, Maroesja?<br \/>\nHij sprak duidelijk, maar met zeer lange pauzes; zijn gezicht werd steeds bleker, druppels zweet parelden op zijn voorhoofd, en hij stond niet recht zoals gewoonlijk, maar leunde met zijn schouder tegen een boom.<br \/>\n\u2014 Ga, Maroesja! Ga je?<br \/>\n\u2014 Ik ga, \u2014 antwoordde ze. \u2014 Wat doet er zo\u2019n pijn?<br \/>\n\u2014 Niets, Maroesja, het zal genezen, mijn hartje! Ga!<br \/>\nHij pakte haar bij de hand.<br \/>\n\u2014 Wat is je hand koud! \u2014 riep ze.<br \/>\n\u2014 Het gaat nu niet om mijn hand, mijn liefste. Haast je\u2026 Geef het doekje\u2026 Hier\u2026 Kom\u2026 \u2014 zei hij zo overtuigend en plechtig dat ze geen vragen meer durfde te stellen.<br \/>\nHij probeerde de takken opzij te duwen, maar het lukte niet. Het zien van zo\u2019n zwakte bij iemand die ze gewend was te zien als de belichaming van alle fysieke en morele kracht, raakte Maroesja diep. Ze werd ontzettend bleek, maar vervulde heilig zijn wens en zei niets.<br \/>\nAndere handen, gespierd en grof, arbeidershanden, zoals Maroesja nu opmerkte, staken plotseling uit en duwden het gebladerte opzij.<br \/>\n\u2014 Wees niet bang, Maroesja, \u2014 zei de Sietsj-kozak, \u2014 dit is mijn vriend\u2026 Hij bijt alleen vreemden\u2026 Toch, Ivan?<br \/>\n\u2014 Natuurlijk, klopt, \u2014 antwoordde een diepe basstem, die je al snel geloofde dat zijn eigenaar, als hij wilde, echt kon bijten.<br \/>\nDaarna zag Maroesja eerst een klein hoofd hoog tussen de bladeren, een getint gezicht met lichte snor en een paar glanzende ogen, en daarna een lange mannenfiguur die snel naar voren bewoog en voor hen een pad baande.<br \/>\n\u2014 Dit is mijn vriend, Ivan, \u2014 zei de Sietsj-kozak tegen Maroesja. \u2014 Zie je hoe groot de eiken in het bos zijn geworden!<br \/>\nIvan liep naar voren, hield meerdere keren even op en keek terug naar zijn metgezel, alsof hij wachtte of hij hulp nodig had, maar de Sietsj-kozak antwoordde hem telkens.<br \/>\n\u2014 Ga, ga, Ivan\u2026 Waarom sta je stil? Misschien wil je bloemen in het gras plukken of paddenstoelen zoeken?<br \/>\nEn Ivan ging weer verder.<br \/>\nVeel sneller dan Maroesja had verwacht, bereikten ze de bosrand.<br \/>\nVanaf deze kant, vlak bij de bosrand, begonnen de velden, en een smalle strook tussen de bloeiende boekweit, waar een zwerm bijen zoemde, leidde naar een zwarte veldweg, die met regelmatige bochten naar het dorp kronkelde dat aan de horizon zichtbaar was, en onderweg twee kleine bosjes kruiste.<br \/>\n\u2014 Zie je, Maroesja, daar is het bos\u2026 dat laatste daar\u2026 ga, mijn liefste, ga\u2026 Hier is het doekje\u2026<br \/>\nHij liet haar precies hetzelfde doekje zien dat ze eens had opgepakt op het kerkportaal en aan de vrouw van de hetman had gegeven.<br \/>\nMaroesja pakte het doekje, dacht te gaan, maar schrok zachtjes en bleef staan.<br \/>\nDe Sietsj-kozak, die haar liefkozend de hand op het hoofd had gelegd, wankelde plotseling en zou waarschijnlijk gevallen zijn als zijn vriend Ivan er niet was geweest.<br \/>\n\u2014 Bloed! Bloed! \u2014 schreeuwde Maroesja vol angst.<br \/>\nHet was inderdaad vers, warm bloed dat door de versleten jas van de oude bandoerist sijpelde.<br \/>\n\u2014 Het geeft niets, Maroesja, het geeft niets, \u2014 zei de Sietsj-kozak. \u2014 Herinner je wat we hebben besproken? Niet die kozak die stroomafwaarts vaart\u2026 maar die tegen de stroom\u2026 Dit zal genezen\u2026 We zijn tenslotte niet gegaan om bessen of frambozen te plukken\u2026 zoet en veilig verwachten heeft geen zin\u2026 Ga, mijn liefste\u2026 ga\u2026 bind je hoofd met het doekje\u2026<br \/>\n\u2014 En jij? \u2014 vroeg Maroesja, terwijl ze met trillende handjes het rode doekje op zijn advies vastbond.<br \/>\n\u2014 Ik kom, mijn hartje, ik kom\u2026<br \/>\nEr klonken achtereenvolgens drie schoten.<br \/>\nVriend Ivan spitste zijn oren en zei:<br \/>\n\u2014 Ze zijn het!<br \/>\n\u2014 Ga, Maroesja, ga\u2026 \u2014 herhaalde de Sietsj-kozak.<br \/>\nZoals gewoonlijk wilde hij haar over het hoofd aaien, maar zijn hand kon het niet opbrengen. Hij zei alleen:<br \/>\n\u2014 Ga, Maroesja, het moet!<br \/>\nZe liep.<br \/>\n\u2014 Mag ik omkijken? \u2014 zei ze, alsof ze tegen een afwezige begeleider sprak.<br \/>\nEn ze keek om.<br \/>\nAan de bosrand was al niemand meer te zien. Het bos leek een massieve groene muur.<br \/>\nDat weerhield haar er niet van nog meerdere keren om te kijken.<br \/>\nToch vergat ze, gehoor gevend aan haar hart, het haar toevertrouwde doel niet en liep zo snel als ze kon.<br \/>\nDaar was het eerste bosje, helemaal doordrenkt met karmijnrood van de ondergaande zon. Hoeveel bloemen bloeien hier en verspreiden hun geur!<br \/>\nDaar weer de velden, weer bloeiende boekweit, het zoemende zwerm bijen. Een kwartel schoot dichtbij over. Daar was het bruggetje achter het bosje.<br \/>\nIemand leek hen na te jagen, snel, haastig.<br \/>\nZe moest kijken waar vandaan en wie het was.<br \/>\nHij leek op een Tataar. Ja, zulke hadden ze al vaker op de wegen ontmoet en zich altijd voor verborgen, of in de greppel, of in het graan.<br \/>\nMoet ze zich nu ook verstoppen?<br \/>\nHij rende recht naar het bruggetje. Ze moest zich in het riet verstoppen.<br \/>\nMaar ze had nog geen stap kunnen zetten naar het dichte riet bij het bruggetje, langs de oever van een ondiep, helder stroompje, dat leek op een enorme groene borstel: er klonk een schot, en het rode doekje werd rood op het zwarte pad.<br \/>\nHet doekje trok alleen door zijn kleur aan, maar de goedheid ervan was zo duidelijk dat zelfs de hongerige Tataar het niet aandurfde om het weg te nemen en weer verder ging, alsof hij door hoop was bedrogen.<br \/>\nToen alles weer stil was, kwam er uit het bos, van de kant achter het bruggetje, een boer met een bijl en een bos groen hout op zijn schouder. Terwijl hij voorbij liep, boog hij zich voorover, keek naar het levenloze gezichtje van het meisje, legde zijn hand op de borst waaronder al een plas warm bloed lag, en zei toen:<br \/>\n\u2014 Nee, jij zult niet meer leven!<br \/>\nEn hij liep verder over zijn weg.<br \/>\nMaar hij nam het rode doekje mee.<br \/>\nDit alles gebeurde lang geleden, maar zelfs nu is er nog een klein graf in die streek dat \u201cMeisjesgraf\u201d wordt genoemd.<br \/>\nMen zegt ook dat het graf door een Zaporozjer, met zijn eigen handen, is opgeworpen.<\/p>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>Marko Vovtsjok Maroesja (1862) \u041c\u0430\u0440\u0443\u0441\u044f &#8211; \u041c\u0430\u0440\u043a\u043e \u0412\u043e\u0432\u0447\u043e\u043a Vertaling Rien Hamers I Wat ik u ga vertellen, speelde zich lang, heel lang geleden af in Oekra\u00efne, in een afgelegen uithoek, en tot op de dag van vandaag is het verhaal nog niet over de wereld verspreid. Grootmoeder, die het mij vertelde, verzekerde mij dat er [&hellip;]<\/p>\n","protected":false},"author":1,"featured_media":0,"parent":0,"menu_order":0,"comment_status":"closed","ping_status":"closed","template":"","meta":{"footnotes":""},"class_list":["post-1157","page","type-page","status-publish","hentry"],"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/www.oekrned.nl\/wpwrdbk\/wp-json\/wp\/v2\/pages\/1157","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/www.oekrned.nl\/wpwrdbk\/wp-json\/wp\/v2\/pages"}],"about":[{"href":"https:\/\/www.oekrned.nl\/wpwrdbk\/wp-json\/wp\/v2\/types\/page"}],"author":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.oekrned.nl\/wpwrdbk\/wp-json\/wp\/v2\/users\/1"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.oekrned.nl\/wpwrdbk\/wp-json\/wp\/v2\/comments?post=1157"}],"version-history":[{"count":1,"href":"https:\/\/www.oekrned.nl\/wpwrdbk\/wp-json\/wp\/v2\/pages\/1157\/revisions"}],"predecessor-version":[{"id":1158,"href":"https:\/\/www.oekrned.nl\/wpwrdbk\/wp-json\/wp\/v2\/pages\/1157\/revisions\/1158"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/www.oekrned.nl\/wpwrdbk\/wp-json\/wp\/v2\/media?parent=1157"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}