{"id":1482,"date":"2026-09-03T11:03:47","date_gmt":"2026-09-03T10:03:47","guid":{"rendered":"https:\/\/www.oekrned.nl\/wpwrdbk\/?page_id=1482"},"modified":"2026-09-03T11:06:52","modified_gmt":"2026-09-03T10:06:52","slug":"myrny-ossen","status":"publish","type":"page","link":"https:\/\/www.oekrned.nl\/wpwrdbk\/myrny-ossen\/","title":{"rendered":"Loeien de ossen ook als de voederbakken vol zijn?"},"content":{"rendered":"<p>Panas Myrny, Ivan Bilyk<br \/>\n Loeien de ossen ook als de voederbakken vol zijn? (1875)<br \/>\n \u0425\u0456\u0431\u0430 \u0440\u0435\u0432\u0443\u0442\u044c \u0432\u043e\u043b\u0438, \u044f\u043a \u044f\u0441\u043b\u0430 \u043f\u043e\u0432\u043d\u0456? &#8211; \u041f\u0430\u043d\u0430\u0441 \u041c\u0438\u0440\u043d\u0438\u0439, \u0406\u0432\u0430\u043d \u0411\u0456\u043b\u0443\u043a<br \/>\n Vertaling Rien Hamers<\/p>\n<p>DEEL EEN<\/p>\n<p>I DE VELDKONINGIN<br \/>\nBuiten was het volop lente. Waar je ook keek, overal was alles ontloken, ontbloeid, uitbundig tot bloei gekomen. De heldere zon, warm en vriendelijk, had nog geen brandsporen op de aarde achtergelaten: zoals een meisje met Pasen tooit zij zich in haar weelderige gewaad\u2026 Het veld \u2014 als een eindeloze zee \u2014 had, zover het oog reikte, een groen tapijt uitgerold dat je ogen deed lachen. Daarboven had de hemel zich uitgespreid als een blauwe tent \u2014 geen vlekje, geen wolkje, zuiver en doorschijnend \u2014 de blik zonk er gewoon in weg\u2026 Uit de hemel, als gesmolten goud, stroomde het fonkelende zonlicht op de aarde neer; over de akkers speelde een golf van zonlicht; onder die golf rijpte het lot van de landbouwer\u2026<br \/>\nEen zacht briesje ademde aan uit warme streken, liep van akker naar akker, voedde en verfriste elke halm\u2026 En zo voerden zij onderling een stille, geheime conversatie: je hoorde alleen het ritselen van het roggeveld en het gras\u2026 Van bovenaf klonk het lied van de leeuwerik: een stem als een zilveren belletje, hij trilde, vloeide over, verstilde in de lucht\u2026 Die onderbroken werd door de roep van een kwartel die omhoog schoot; en overstemd door het opdringerige getsjirp van de sprinkhanen in het gras, alsof ze elk moment zouden barsten, en al dat geluid vloeide samen tot een wonderlijk geruis dat de ziel binnendrong, er goedheid, oprechtheid en liefde voor alles in losmaakte\u2026<br \/>\nWat is het mooi, en aangenaam, en vrolijk! In het hart verstommen de stormen, zorgen dringen zich niet op: goede hoop omhult je met warme gedachten en wensen\u2026 Je wilt zelf leven en liefhebben; je wenst iedereen geluk. Niet voor niets trekken de boeren op zo\u2019n uur \u2014 als het zondag is of een feestdag \u2014 het veld in om hun graan te inspecteren!<br \/>\nJuist in zo\u2019n tijd, op een zondag, na het vroege middaguur, liep over de weg \u2014 die zich als een slang slingerde van het grote dorp Pisky naar het ooit zo roemrijke Romodan \u2014 een jonge man.<br \/>\n\u201cNiet van rijke afkomst!\u201d zei de eenvoudige kaftan die losjes over zijn schouders hing; \u201cmaar netjes van aard,\u201d antwoordde het schone, witte, op de borst geborduurde hemd dat eronder vandaan keek. Een rode gordel met kwasten hing tot aan zijn knie\u00ebn, en een hoge grijze muts van Resjetylivka-schapenvacht, scheef op het hoofd, verklapte zijn jongensachtige aard\u2026<br \/>\nHet was inderdaad een jongeman. Op het eerste gezicht zou hij een jaar of twintig kunnen zijn. Zwart, zijdezacht dons begon net te verschijnen op zijn bovenlip, waar later de snor zou groeien; op zijn als geschaafd lijkende kin groeide hier en daar dun haar, zo fijn als spinrag. Zijn neus was klein, smal en iets puntig; zijn donkere, kastanjebruine ogen waren scherp; zijn gezicht langwerpig, kozakkenachtig; hij was van gemiddelde lengte, maar met brede schouders en een hoge borst\u2026 Dat was zijn hele schoonheid. Zulke jongemannen zie je vaak in onze gehuchten en dorpen. Slechts \u00e9\u00e9n ding was in hem uitzonderlijk, zijn blik was vurig, snel als een bliksemschicht. Daarin straalde een ongebruikelijke moed en geestelijke kracht, samen met een roofzuchtige weemoed\u2026<br \/>\nDe jongeman liep langzaam, met zijn handen op de rug; hij keek rond met zijn fonkelende ogen; soms bleef hij staan en bekeek lang het groene akkerland. Dan liep hij weer verder; dan bleef hij opnieuw ergens op een heuveltje staan en overzag nog eens het veld. Zo stak hij ook een gammel bruggetje over midden in de weilanden, in een laagte, in een beekdal. Onder het bruggetje waren de lentepoelen nog niet opgedroogd, ze stonden al in bloei en waren groen uitgeslagen: kikkers kwaakten er van de morgen tot de avond. Aan de overkant van het bruggetje kwam hij op een kleine heuvel; hij bleef staan, draaide zich naar het bruggetje toe; keek naar het roodachtige water; liet zijn blik glijden naar het uiterste roggeveld.<br \/>\n\u201cHier is het graan beter dan bij het dorp,\u201d dacht hij bij zichzelf, \u201chier is vast een steviger regen gevallen\u2026\u201d<br \/>\nHij keerde om en ging verder.<br \/>\nToen hij in het dal afdaalde, verliet hij de stoffige weg en sloeg het graspad in, en liep tussen het groene rogge door. Hij kwam bij een akker, bukte zich, trok bij de wortel een bosje rogge uit, bekeek het, keek daarna naar de hele akker, en zijn gezicht lichtte op van vreugde.<br \/>\n\u201cHier is mijn werk,\u201d leken zijn ogen te zeggen, \u201cniet vergeefs: het heeft van mij een man gemaakt, een boer, een heer van mijn land\u2026\u201d<br \/>\nHij draaide het uitgetrokken rogge in zijn handen, keek naar de andere kant van de grens, keek opnieuw naar zijn eigen akker, alsof hij de twee met elkaar vergeleek, en zei hardop:<br \/>\n\u201cKijk eens\u2026 op ons veld is de rogge beter dan bij oom Kabanets: de mijne staat dicht en krachtig, de zijne is nauwelijks van de grond gekomen, laag, geel, uitgemergeld\u2026\u201d<br \/>\nHij had het laatste woord nog niet uitgesproken, of hij hoorde: niet ver weg, vanachter het rogge, zong iemand\u2026 Hij hield zijn adem in, spitste zijn oren en luisterde\u2026 De stem was dun, soepel, helder en verspreidde zich in alle richtingen: dan vulde ze de hoge ruimte; dan gleed ze over de aarde, over het groene rogge; dan stierf ze weg in de verte boven de wijde velden; dan vloeide ze de ziel binnen als een onbewust geluk\u2026<br \/>\nDe jongeman stond als betoverd. Het leek hem alsof hij nooit eerder zo\u2019n frisse, soepele stem had gehoord. In zijn ogen flakkerde vreugde; zijn gezicht klaarde op, alsof iemand het met fris water had besprenkeld; zijn hart begon te trillen, alsof iemand het had aangeraakt\u2026<br \/>\n\u201cWie zou dat zijn?\u201d dacht hij, en hij liep op de stem af.<br \/>\nHij had nog geen tien stappen gezet, of het lied verstomde, alleen een echo ervan trilde nog boven zijn hoofd. Nog een stap, nog \u00e9\u00e9n\u2026 het rogge ritselde, begon te golven, alsof er iets in worstelde, klopte\u2026 Nog een moment, en uit het rogge tekende zich een meisjesgestalte af\u2026 De jongeman bleef staan. Het meisje schoot omhoog, als een kwartel, en rende langs de akker weg. Klein, donkerharig, getooid met veldbloemen, leek zij in niets op de vaak door de zon verschroeide, lange en soms onhandige boerinnen. Klein, rond, snel en levendig, gekleed in een groen gewaad, tussen het hoge groene rogge, leek zij wel een waternimf\u2026<br \/>\nDe jongeman hield haar in het begin misschien werkelijk voor die veldkoningin, want hij stond als aan de grond genageld, met zijn toch al langwerpige gezicht nog verder uitgerekt en zijn verbaasde ogen wijd open\u2026<br \/>\nHet meisje liep een stukje weg en bleef ook staan. Ze draaide zich om, keek hem met vrolijke ogen aan en glimlachte met haar frisse, jonge gezichtje. Toen pas kon de jongeman haar goed bekijken. Zwart, krullend haar, versierd met veldbloemen, golfde prachtig rond haar witte voorhoofd; fijne lokken van dat zwarte, glanzende haar vielen op haar witte, blozende gezichtje als een rijpe appel; haar ogen waren fluweelachtig, zwart, het leek alsof er vuur uit sprak\u2026 Twee zwarte wenkbrauwen, als twee donkere bloedzuigers, hadden zich boven haar ogen vastgezogen, die licht bedekt waren door lange, dichte wimpers. Ze was klein, lenig en levendig, met een vrolijke glimlach op haar gezicht, en ze lokte je onwillekeurig naar zich toe. Een groene wollen korset met rode stippen, een rode rok met bloemboeketten, om haar hals kostbare kralen, kruisen en gouden dukaten, alles paste wonderwel bij haar mooie meisjesachtige schoonheid.<br \/>\nZe stond tegenover de jongeman als een schilderij, alsof ze hem met haar wonderlijke schoonheid wenkte. Zonder haar uit het oog te verliezen liep hij naar haar toe.<br \/>\n\u2014 Wat loop jij hier rond? \u2014 sprak zij als eerste.<br \/>\n\u2014 En jij, waarom vertrap je het graan? \u2014 antwoordde hij niet al te vriendelijk.<br \/>\n\u2014 Is dat soms jouw graan?<br \/>\n\u2014 Van wie anders\u2026 En wat dan nog?..<br \/>\n\u2014 Foei toch, wat heb je me laten schrikken!.. \u2014 en ze zweeg. De jongeman zweeg ook.<br \/>\n\u2014 Wie ben jij eigenlijk? \u2014 vroeg hij even later, zijn woorden inslikkend. \u2014 Waar kom je vandaan? Vanwaar ben je hier gekomen?..<br \/>\nHet meisje hoorde, zoals alleen meisjes dat horen, waarom zijn stem stokte; haar ogen begonnen te fonkelen en te spelen\u2026<br \/>\n\u2014 Wat gaat jou dat aan? \u2014 vroeg ze hem, terwijl ze met haar ogen lonkte.<br \/>\n\u2014 Waarom ben je dan hier gekomen, op andermans veld? \u2014 zei hij. \u2014 Wie ben je? Wat moet je hier?.. \u2014 Je kon horen hoe hem bij elk woord de adem in de borst stokte.<br \/>\n\u2014 Dat zal ik niet zeggen! \u2014 antwoordde ze langgerekt, glimlachend, en boog haar gezichtje iets naar voren terwijl ze haar volle witte armen onder de ellebogen vouwde. \u2014 Ik ben hier gekomen omdat ik niet ver hier vandaan woon\u2026 En jij, wie ben jij?<br \/>\n\u2014 Kom hierheen! \u2014 zei hij, glimlachend en haar tegelijk met zijn ogen uitnodigend. \u2014 We gaan hier zitten\u2026 wat praten\u2026 dan zal ik je wel vertellen wie ik ben\u2026<br \/>\nAls door een pijl getroffen schrok het meisje op. Ze klapte in haar handen, barstte in lachen uit en rende weg door het woelige rogge\u2026 Verderop sprong ze het groene weiland op, dat pronkte met veldbloemen; daarna sloeg ze scherp linksaf en rende een ravijn in; als een eekhoorn in het bos schoot ze vlug een heuvel op; bleef staan, haalde adem, keek om, glimlachte en zwaaide met haar rechterhand: \u201cHierheen!\u201d \u2014 en alsof ze een verschijning was, daalde ze af en verdween achter de heuvel.<br \/>\nDe jongeman verroerde zich niet. Hij stond daar en keek haar na met nog vreemdere ogen, alsof hij door de heuvel heen keek!.. In zijn oren klonk nog haar frisse, fijne stem, haar jonge, heldere lach; voor zijn ogen zweefde als een visioen haar lenige, levendige gestalte; haar wit-roze gezichtje glimlachte hem toe, met heldere ogen en zwarte wenkbrauwen; zij helemaal, met haar groene korset en rode rok, verscheen hem als levend voor ogen!..<br \/>\n\u201cWat is dit?\u201d dacht hij. \u201cIs het echt, of verbeeld ik het me?.. En waar zou ze vandaan komen?.. Zou ze de dochter van de soldaat zijn?.. Zo werd toch gezegd dat bij die soldaat de dochter gestorven was\u2026 Hm\u2026 op de hoeven is zo iemand niet te vinden\u2026 Misschien Chomenko\u2019s dochter? Maar die hoeve ligt toch een heel eind hier vandaan\u2026 Dus vast een meisje van een hoeve: in het dorp zelf is, behalve de dochter van de priester, niemand geschikt\u2026 Maar zij is geen pastoorsdochter: die ken ik, en die zou ook geen vijf werst van het dorp weggaan\u2026 Van wie zou ze dan zijn?..\u201d<br \/>\nNog steeds zonder een antwoord op die gedachte ging hij de heuvel op om te kijken waar het meisje heen was gegaan. Het was al te laat. Het meisje was nergens te zien, alleen hier en daar, omringd door akkers, groenden de tuinen van de hoeven als weelderige bloembedden, en tussen het groene blad van kersen-, peren-, pruimen- en appelbomen witten keurige huisjes op.<br \/>\nDe jongeman bleef even op de heuvel staan, bewonderde de schoonheid van de omgeving, keek naar de ene hoeve, naar de andere; hij herinnerde zich hun eigenaars, ging in gedachten hun dochters langs, maar, verstrikt in gissingen, keerde hij terug naar huis.<br \/>\nHij liep even rustig als op de heenweg, misschien nog rustiger, en bleef maar denken en denken\u2026 En in zijn hart \u2014 dat voelde hij \u2014 ontwaakte iets onbekends, vreemds: tegelijk zwaar en licht, droevig en vrolijk, alsof hij wilde zingen \u00e9n huilen\u2026 Er kwamen geen tranen, maar zijn stem wilde breken; een onverwachte weemoed omklemde zijn hoofd; de ene gedachte joeg de andere voort: nergens houvast, niets om je aan vast te klampen, zo joegen ze achter een schim aan\u2026 En voor zijn ogen het groene korset, de rode rok, de verleidelijk glimlachende blik, de karmozijnrode lippen waar een rijtje kleine, parelwitte tanden achter schuilging\u2026 Het liep hem koud over de rug\u2026<br \/>\n\u201cDat is me wat!!\u201d zei hij hardop. \u201cBen ik soms gek geworden, of helemaal mijn verstand kwijt?.. Thuis is het vee nog niet verzorgd, en ik zwerf hier rond en vergeet alles!\u201d<br \/>\nEn terwijl hij zijn hoofd ophief, versnelde hij zijn pas, zo hard hij kon.<br \/>\nEn daar, niet veel later, doemde Pisky op. Aan de uiterste rand van het dorp, bij de weide, stond een klein huisje, met de ramen gericht op de brede weg. Achter het huisje kwamen lage stalletjes en schuurtjes tevoorschijn; iets verder lag de dorsvloer; daarachter de moestuin; en alles rondom was omheind met een lage vlechtwerkhaag. Meteen was te zien dat dit het erf van een niet al te welgestelde boer was. Niet rijkdom, maar zware arbeid viel hier het meest op. Het huis was weliswaar oud, maar netjes, witgekalkt, duidelijk verzorgd door ijverige handen; het erf was schoon aangeveegd; de omheining was heel, al was ze laag, en de poort was van planken, in kruisvorm getimmerd.<br \/>\nNiet ver van de drempel van het huis stond een vrouw die haar jeugd al voorbij was, armoedig gekleed. Ze strooide graan uit een schaal en riep luid de kippen. In plaats daarvan schoten uit het hok een klein varken en een big naar voren, en begonnen gulzig het graan op te schrokken, zonder de kippen toe te laten. Eerst schreeuwde de vrouw tegen de ongenode gasten:<br \/>\n\u2018H\u00e9, weg jullie, vette vraatzuchtigen! Weg!\u2019<br \/>\nDaarna klapte ze in haar handen en gaf de big een schop. Maar toen ze zag dat je tegen zulke onverzadigbare vreters niets uitricht met geschreeuw of een lichte afranseling, rukte ze de steel uit de bezem en begon ze de \u201converzadigbare gulzigaards\u201d langs alle kanten te slaan, tot de steel kraakte\u2026<br \/>\n\u2018Zo, vervloekten! Ellendelingen! Door jullie heb ik de steel kapotgeslagen!\u2019 \u2014 schreeuwde de vrouw uit volle borst en gooide de gebarsten steel naar het varkensvolk.<br \/>\nJuist bij dat geschreeuw kwam de jongeman het erf op. Hij had de poort nog niet eens goed achter zich gesloten, of de boze vrouw viel al tegen hem uit.<br \/>\n\u2014 Waar heb jij rondgelopen, Tsjipko, waar heb je rondgezworven? \u2014 verweet ze hem. \u2014 Kijk eens hoe laat het al is! De koe noch de merrie is gedrenkt, en hij loopt maar te dwalen\u2026<br \/>\n\u2014 Ik was op het land, mama\u2026 ik ben tot aan het ravijn gaan kijken, \u2014 antwoordde hij.<br \/>\nDe moeder keek hem scherp in de ogen, alsof ze wilde peilen of dat wel waar was. Maar de zoon draaide zich al om, ging recht op de omheining af, terwijl zij met de lege afvalemmer het huis in ging.<br \/>\n\u2014 Talmen moet je niet! Jaag de koe naar het water, want straks moet ze ook nog gemolken worden! \u2014 riep de moeder hem alsnog verwijtend na vanuit de deur van het voorhuis.<br \/>\nDe zoon hoorde dat verwijt al niet meer. Hij liet de koe uit de omheining, maakte de merrie los van de krib, en dreef ze naar de drinkplaats. Snel ging hij erheen, snel was hij weer terug. Hij dreef het vee weer het hek in en haalde een armvol vers gras. Het groene gras herinnerde hem aan het groene korset; een vertrouwde gestalte doemde voor zijn ogen op; haastig gooide hij het gras in de krib\u2026 het leek hem alsof er vanonder het gras twee zwarte ogen oplichtten, als gloeiende kooltjes\u2026<br \/>\n\u2018Verdwijn, hersenschim!\u2019 riep hij uit, terwijl hij zijn handen uit het gras trok. \u2018Wat klamp je je toch vast!!\u2019<br \/>\nHij sloot snel de omheining en ging het huis binnen. Ze aten zwijgend hun avondmaal. Daarna gingen ze slapen.<br \/>\n\u2014 Weet u, mama, of de soldaat een dochter heeft? \u2014 vroeg hij even later.<br \/>\n\u2014 Welke soldaat, mijn kind?<br \/>\n\u2014 Die bij ons veld woont, op een hoeve.<br \/>\n\u2014 Dat weet ik niet, mijn zoon. Ik weet dat hij er een had, maar ze zeiden dat ze gestorven is. \u2014 Waarom vraag je dat?<br \/>\n\u2014 Ik vroeg maar zo\u2026 om niets.<br \/>\nHet gesprek stokte. De moeder lag op de vloer te slapen. De zoon lag op de bank. De slaap wilde hem niet vatten. Het was benauwd, hij voelde zich loom, het brandde langs zijn zijden, en voor zijn ogen was steeds zij, zij alleen.<br \/>\n\u2018Ga weg, jij waanzinnige!\u2019 fluisterde hij.<br \/>\nHij draaide zich van de ene zijde op de andere, trok de deken over zijn hoofd, slapen lukte niet, hoe dan ook\u2026<br \/>\n\u2018Nee, nu niet: zo snel krijg je me niet meer het veld op!\u2019<\/p>\n<p>II DE TWEEVROUWENMAN<br \/>\nOngeveer twintig jaar v\u00f3\u00f3r de afschaffing van de horigheid kwam over diezelfde weg van Romodan waarlangs de jongeman was gegaan, een onbekende vreemdeling het dorp Pisky binnen. Het was te zien dat hij van ver kwam. Hij droeg een zwart hemd; zijn bedrukte broek was tot aan de knie\u00ebn opgestroopt; op zijn rug was met een touw kruisgewijs zijn kleding vastgebonden; over zijn rechter\u00adschouder hing aan een stok een tas \u2014 vermoedelijk met eten \u2014 en een paar versleten laarzen. Te oordelen naar zijn uiterlijk was hij een man van middelbare leeftijd. Zijn zwarte snor, zo donker als een raaf, begon aan de randen al rood te verkleuren; zijn baard stak zwart en borstelig uit, hij had blijkbaar al lang geen schaar gezien.<br \/>\nDe vreemdeling liep langzaam, stap voor stap, en keek naar alle kanten om zich heen. Je zou zeggen dat hij van seizoenarbeid terugkwam, ware het niet dat het nog vroeg in het jaar was. Het was nog maar net lente geworden. Het water was weggestroomd, het gras was groen geworden, de boomgaarden en tuinen stonden in bloei; de zon brandde nog niet zoals midden in de zomer, maar scheen vriendelijk en verwarmde zacht.<br \/>\nToen hij bij een erf kwam waar midden in een verwaarloosde moestuin een oud huisje half in de grond was gezakt, bleef de vreemdeling staan.<br \/>\n\u2018Dat zal dan wel het huis van Okoenj zijn,\u2019 zei hij bij zichzelf.<br \/>\nOp dat moment kwam uit de lage huisdeur een jonge kerel naar buiten.<br \/>\n\u2014 Gegroet! \u2014 sprak de vreemdeling hem aan.<br \/>\n\u2014 Gegroet.<br \/>\n\u2014 Woont hier Okoenj?<br \/>\n\u2014 Welke Okoenj?<br \/>\n\u2014 Karpo Okoenj, de oude man.<br \/>\n\u2014 Nee, hier woont Limar, niet Okoenj.<br \/>\n\u2014 En waar is Okoenj dan?<br \/>\n\u2014 Welke Okoenj?<br \/>\n\u2014 De oude man met de baard, die altijd zo rondliep.<br \/>\nOp hun gesprek kwam van achter het huis een oude vrouw af. Blijkbaar was ze in de moestuin bezig geweest, want haar hoofddoek was wat scheefgezakt, haar gezicht bezweet, haar handen vol aarde.<br \/>\n\u2014 Naar wie vraag jij eigenlijk, beste man?<br \/>\n\u2014 Karpo Okoenj.<br \/>\n\u2014 E-e-e\u2026 van hem is al lang geen spoor meer\u2026 Ik kende die Okoenj wel, ja, kende hem\u2026 Het zal nu al zo\u2019n tien jaar zijn dat hij gestorven is\u2026 En waarom zoek je hem?<br \/>\n\u2014 Ik moet hem hebben\u2026 Dus hij is gestorven, zegt u?<br \/>\n\u2014 Gestorven, ja.<br \/>\n\u2014 En wie is er na hem achtergebleven?<br \/>\n\u2014 Wie er na hem is achtergebleven?! \u2014 zei de vrouw, nadenkend\u2026 \u2014 Er bleef zijn nicht Hanna achter, die met Solomenko trouwde. Maar ook zij is inmiddels gestorven. Wij hebben haar erf toen gekocht. En er bleef nog Hrytsjko over, een verre verwant van hem\u2026 die is vorig jaar met de rekruten meegegaan. En volgens mij is er nu helemaal niemand meer\u2026<br \/>\n\u2014 Zo\u2026 En is jullie gemeentehuis ver hier vandaan?<br \/>\n\u2014 het gemeentehuis? \u2014 de vrouw keek hem aan en antwoordde na even nadenken: \u2014 Aan de andere kant van het dorp. Als je deze straat volgt, loop je er recht op af. Eerst zie je de graanschuren, en daarachter is meteen het gemeentehuis.<br \/>\n\u2014 Dank u wel. Vaarwel.<br \/>\n\u2014 Het ga je goed.<br \/>\nDe man ging het pad op dat de vrouw hem had gewezen. De vrouw en de jongeman bleven nog lang staan en keken hem na, tot de vreemdeling uit het zicht verdween in de kromme straat.<br \/>\n\u2014 Heb je hem niet gevraagd, Hrytsjko, \u2014 zei de vrouw toen tegen de jongeman, \u2014 wie hij is en waarom hij Okoenj zoekt?<br \/>\n\u2014 Nee, dat heb ik niet gevraagd.<br \/>\n\u2014 Let maar op, misschien is hij wel een verwant\u2026 Daar, in de Donstreek, had hij naar men zegt veel familie\u2026 Zijn broer woonde daar ook. Misschien is deze ook wel gekomen om vee op te eisen?<br \/>\n\u2014 God mag het weten.<br \/>\n\u2014 We moeten het eens uitzoeken, Hrytsjko. Zou je niet achter hem aan kunnen gaan, naar het gemeentehuis, en eens horen wat voor man dat is?<br \/>\n\u2014 Goed, mama, \u2014 zei de jongeman. En samen gingen ze hun huis in.<br \/>\nDe vrouw had inderdaad goed geraden waarom de vreemdeling naar de overleden Karpo Okoenj vroeg. Degene die rondvroeg, meldde zich in het gemeentehuis als Okoenjs neef, Ostap Chroesjtsj, die misschien al zo\u2019n vijftien jaar geleden naar de Don was vertrokken. Hij was al uit de volkstelling geschrapt, om nog maar te zwijgen van ieders gedachten. Alleen oude mensen herinnerden zich nog hoe de bebaarde, grijzende Okoenj zijn neef als jongen naar de Don had uitgezwaaid, naar zijn oom. En nu was hij teruggekeerd en vroeg hij om opgenomen te worden in de gemeenschap van Pisky.<br \/>\n\u2014 Waarom ben je daarvandaan teruggekomen? \u2014 vroeg het dorpshoofd. \u2014 Was het leven daar soms niet goed?<br \/>\n\u2014 Het is daar ook al moeilijk geworden, \u2014 zei Ostap buigend. \u2014 De verhoudingen zijn niet meer zoals vroeger: ook daar gaan er al velen van ons te gronde\u2026<br \/>\n\u2014 En hier zou het beter zijn? \u2014 vroeg de klerk.<br \/>\n\u2014 Toch wel, ziet u\u2026, het is mijn geboortestreek.<br \/>\n\u2014 Hoe moeten we je nu opnemen, als je geen papieren hebt, helemaal niets? \u2014 vroeg het dorpshoofd opnieuw.<br \/>\n\u2014 Ik heb hier nog een oud paspoort. \u2014 En hij haalde uit zijn buidel een stuk vettig papier met rafelige randen en gaf het aan het dorpshoofd.<br \/>\nDie keek het papier na, vouwde het open, las het, en vouwde het weer dicht.<br \/>\n\u2014 Wat zegt dit nu? \u2014 zei hij. \u2014 Waarom heb je je niet gemeld toen de volkstelling werd gehouden?<br \/>\n\u2014 God weet waarom\u2026 Ik wist het niet.<br \/>\n\u2014 Hoe lang is het geleden dat je je paspoort hebt vernieuwd! \u2014 zei het dorpshoofd verbaasd, terwijl hij het papier nog steeds vasthield.<br \/>\n\u2014 Daar namen ze me overal aan, ook met dit document.<br \/>\n\u2014 Hm\u2026 Wat zullen we nu doen, Vasyl Vasylovytsj? \u2014 vroeg het dorpshoofd aan de klerk.<br \/>\n\u2014 Wat? We moeten de gemeenschap bijeenroepen; laat hij de gemeenschap maar een borrel aanbieden, dan komt het misschien in orde, \u2014 antwoordde de klerk. \u2014 Anders stoppen ze hem nog als landloper in de gevangenis.<br \/>\n\u2014 Wees zo goed, \u2014 zei Ostap buigend, \u2014 doet u alstublieft moeite voor mij! Als ik u niets kan geven, dan zal ik het tenminste met werk vergoeden.<br \/>\nDe klerk draaide alleen maar aan zijn rossige snor en ging samen met het dorpshoofd het andere huis binnen.<br \/>\nDrie weken later maaide Ostap hooi voor de klerk. En wat voor maaier hij was: zo vlug, zo werklustig, onvermoeibaar! Hij bracht overal orde in, gaf iedereen het voorbeeld, hij was een geboren aanvoerder. En een maand later werd hem meegedeeld dat hij voortaan een burger van Pisky was, kozak, Ostap Makarovytsj Chroesjtsj.<br \/>\nOstap sloeg een kruisje over zijn borst toen hij het hoorde. Die herfst ging hij meteen naar de moestuin om werk te zoeken. Hij had niet lang nodig om een plek te vinden: al gauw regelde de jood dat hij in dienst kon, en hij werd meteen aan het werk gezet.<br \/>\nOstap had het goed: hij kreeg kleren en brood van de jood, een goede beloning en ook wel wat van voorbijgangers. Hij werkte een jaar, en het tweede jaar kocht hij al grond en een huis. Precies aan de rand van het dorp, op een open plek, stond een verlaten huis van een wees, afgezonderd: niet gepleisterd, geen dakbedekking, de moestuin niet omheind, typisch een weeswoning, nog buiten het dorp bovendien.<br \/>\nOstap kocht het huis en stuurde zonder lang nadenken de oudere buren naar Motrja Zjoekivna, een arme, niet mooie, al wat oudere vrouw, die samen met haar oude moeder in de buurt woonde.<br \/>\n\u2014 En wat denk je, Motrja, \u2014 zei haar moeder, \u2014 ga maar! Het huis is van jou; je hoeft niet meer rond te zwerven op je oude dag, zoals ik\u2026<br \/>\n\u2014 Als ik moet gaan, dan ga ik! \u2014 antwoordde de dochter. \u2014 We hebben al genoeg doorstaan!<br \/>\nZe ruilden brood en trouwden op zondag.<br \/>\nToen Motrja haar nieuwe huis betrad, leek het alsof ze opnieuw geboren werd. Ze maakte alles schoon, poetste en ordende. In de lente groef ze de moestuin om, plantte zaden; ze wreef het huis wit, pleisterde het; de stoep maakte ze van gele klei; rond het huis veegde ze schoon met een bezem. Alles was netjes \u2014 plezierig om te zien \u2014 en de moestuin stond groen\u2026<br \/>\nMaar het bleef maar beperkt: de moestuin was van haar, maar verder geen stukje land. Ze moest bij anderen gaan maaien, het brood verdienen, bukken zonder ophouden, zonder rust\u2026 Zo werkten Motrja, Ostap en Orysjka \u2014 haar oude moeder \u2014 zich uit de naad, en toch leefden ze armoedig. Soms in de winter was er zelfs niets om knoedels van te koken, dan moesten ze droog brood eten\u2026<br \/>\nOstap \u2014 in het begin vrolijk, praatgraag, oprecht \u2014 had medelijden met Motrja en was vriendelijk tegenover zijn schoonmoeder; maar later werd hij steeds somberder. Verdriet begon zijn ogen te doordringen, onuitsprekelijke droefheid drukte op zijn hart en ziel\u2026 In de herfst of winter liep hij soms over het erf, het hoofd op de borst, en sprak de hele dag geen woord.<br \/>\nZo verstreek een jaar; het tweede jaar ging voorbij; en zij \u2014 alle drie (kinderen hadden ze niet) \u2014 waren somber, ongelukkig\u2026 Geen geluk \u2014 geen vreugde!<br \/>\nDe winter viel. Fijne sneeuw dwarrelde zoals in de koude dagen; de wilde wind joeg de sneeuwvlagen rond en huilde als een beest in het bos door de schoorsteen van Ostaps huis. De nacht was gevallen. Motrja en Orysjka zaten op de vloer; voor hen flikkerde op een stoeltje een klein lichtje in een lampje, het stond op het punt uit te gaan. Ze spinden in stilte; elk dacht diep na over zware zorgen. Ostap lag op de oven\u2026 Stil, alleen het geluid van de spinrollen zoemde\u2026<br \/>\n\u2014 O-oh! \u2014 zuchtte Ostap zwaar. \u2014 Ik ben het zat om hier rond te treuren, \u2014 sprak hij tegen zichzelf. \u2014 Als het lente wordt, ga ik werk zoeken. Misschien vind ik een goede plek, en dan laat ik jullie overkomen\u2026<br \/>\n\u2014 En als je niets vindt? \u2014 zei Motrja. \u2014 Dan verlies je de zomer\u2026 en wat zal ik hier met mijn handen verdienen? \u2014 voegde ze verdrietig toe en trok een grimas.<br \/>\n\u2014 Jij redt je hier wel met je moeder voor de winter\u2026 en ik, als het moet, blijf daar en overwinter daar. Ik ben het hier zat!<br \/>\nDe lente kwam. Ostap overlegde met zijn vrouw en schoonmoeder, pakte zijn paspoort en vertrok. Motrja bleef samen met haar oude moeder achter om het huishouden te doen.<br \/>\nOstap werd tijdens de Grote Vastentijd naar de Don gestuurd; en op groene zondag kwam er een document uit de Don naar Pisky: was er daar werkelijk zo\u2019n en zo\u2019n kozak Ostap Chroesjtsj? En waar kwam hij vandaan? Waarom noemde hij zich bij jullie niet Chroesjtsj, maar Prytyka\u2026 dat hij een vrouw en drie kinderen had achtergelaten, drie jaar lang verdwenen was, niemand wist waar hij was\u2026 En nu staat hij in het paspoort al als Chroesjtsj, en bovendien getrouwd. Wat is dit voor teken? Hoe kan er zo\u2019n verwarring ontstaan?<br \/>\nZo had de Don het Pisky-gemeentehuis opgeschrikt\u2026 En dit onverwachte document gaf het dorpshoofd meteen werk!<br \/>\nToen de kozakkenoudsten het lazen, lieten ze hun hoofd en handen zakken.<br \/>\n\u2014 Wat is dit! \u2014 riepen het dorpshoofd en de klerk in koor. \u2014 Nu krijgen we vast problemen met het district\u2026 En hoe zouden we zo\u2019n zwerver kunnen geloven?! Hij komt \u2014 God weet waar vandaan \u2014 zegt God weet wat en wie; en wij \u2014 stilletjes, geen woord! \u2014 en leggen onze handen neer\u2026 Okoenjs neven, en Okoenjs, en overal Okoenjs\u2026 Hoe kunnen we hem niet aannemen? Maar kijk, wat een neef!<br \/>\n\u2014 Ja, inderdaad\u2026 \u2014 mompelde de klerk, zich excuserend \u2014 ik zei toch: we wachten nog even, stellen het uit\u2026 Maar jullie luisterden niet?<br \/>\n\u2014 Wat moeten we nu doen? \u2014 vroeg het hoofd, alsof hij het niet had gehoord.<br \/>\nDe klerk zweeg, zijn ogen op de grond gericht. Het was duidelijk dat hij zich iets probeerde te herinneren.<br \/>\n\u2014 Niet voor niets droomde ik vannacht van een zwarte hond, \u2014 mompelde het hoofd. \u2014 Mijn vrouw had het juist voorspeld: er zou iets gebeuren\u2026 Zo is het ook!<br \/>\n\u2014 En ik zag een rode zeug, \u2014 voegde de klerk er nog bij.<br \/>\nNa overleg stuurden ze meteen een tiental man op pad om Motrja te halen. Motrja kwam.<br \/>\n\u2014 Heeft de man je iets verteld over de Don? \u2014 vroeg de dorpsoudste haar.<br \/>\n\u2014 Nee, hij heeft niets verteld, \u2014 antwoordde Motrja, verbaasd over de vraag. \u2014 Wat is er dan? Is er een gerucht? \u2014 vroeg ze met een bevend stemmetje.<br \/>\nZo en zo, ze zeggen dit en dat wonder\u2026<br \/>\nToen Motrja dit hoorde, verbleekte ze; haar gezicht werd wit als krijt, ze beefde als een blad aan een es. Ze wilde iets zeggen, maar kon geen woord uitbrengen, alleen zuchtte ze zwaar en keek vreemd met troebele ogen\u2026<br \/>\n\u2014 Waarom zucht je zo? \u2014 donderde het hoofd. \u2014 Heb je dat van je man geleerd? Die verkrampte zich ook zo toen hij hier kwam\u2026 Vervloekt! Door jullie ga ik nog naar Siberi\u00eb\u2026<br \/>\nMotrja zei niets, ze keek alleen maar jammerlijk. Als iemand toen in haar ziel had kunnen kijken, wat zou hij daar hebben gezien! En als iemand in haar hart had gekeken, wat er daarin omging!<br \/>\n\u2014 Ga maar! \u2014 riep het hoofd, toen hij zag dat ze niets meer zei.<br \/>\nMotrja draaide zich om en liep weg. Ze liep door de straat, zag niets voor zich; ze kwam thuis als een dronken persoon, alsof ze bezopen was\u2026<br \/>\n\u2014 Wat is er, dochter? \u2014 vroeg haar moeder. \u2014 Waarom riepen ze je?<br \/>\nMotrja\u2019s zicht werd geel, de wereld wankelde, alles draaide\u2026 Ze wist niet meer hoe ze op de bank terechtkwam, niet uitgedaan, niet uitgeschoven, en viel neer. Tranen stroomden uit haar ogen als erwtjes.<br \/>\n\u2014 Wat is er, dochter? God verhoede\u2026 \u2014 stamelde Orysjka. In haar gedachten flitste Ostaps dood voorbij.<br \/>\nMotrja zei niets; ze huilde stilletjes. Orysjka keek aandachtig naar haar. Haar hart voelde naderend onheil; het leed stond al voor haar ogen\u2026 Haar kaken trilden, een muis leek over haar gezicht te rennen.<br \/>\n\u2014 Spreek! Waarom huil je? \u2014 riep ze uit.<br \/>\nMotrja veegde haar tranen weg met haar mouw en kreunde\u2026 Daarna probeerde ze, snikkend en woorden onderbrekend, te spreken:<br \/>\n\u2014 O-o, mijn God!\u2026 Hij was inderdaad altijd somber\u2026 hij zweeg\u2026 hij was bezorgd\u2026 en toch riep hij het telkens uit in zijn droom over de Don\u2026 over Chivrja en Hrytsjko\u2026 Het is echt zo!.. O, mijn arme hoofd is verloren!<br \/>\n\u2014 Wat is er dan? Vertel nu, maak mijn hoofd niet gek! Over welke Chivrja heb je het?<br \/>\n\u2014 Over de vrouw van die rotzak, zodat hij\u2026 noch geluk, noch leven heeft!<br \/>\n\u2014 Wie?<br \/>\n\u2014 Ostap\u2026<br \/>\n\u2014 Ben je gek geworden, dochter?<br \/>\n\u2014 Je zou vanzelf gek worden als je zoiets meemaakt\u2026<br \/>\n\u2014 Motrja! Maak mijn hoofd niet dol: vertel normaal wat er is.<br \/>\n\u2014 Die zwerver, die landloper\u2026 liet zijn vrouw met kinderen achter bij de Don\u2026 en is hier op mijn hoofd beland\u2026 God! Waarom straf je mij zo in deze wereld? \u2014 riep Motrja en begon weer te huilen.<br \/>\nNu pas begreep Orysjka wat er aan de hand was. De belediging, de berg van het zware leed van haar dochter, het geroezemoes en de spot van de mensen \u2014 alles samen steeg op in het hoofd van de moeder, drukte zwaar op haar oude hart\u2026 Ze keek nog eens naar Motrja, zakte terug, kreunde, ging stil zitten op de vloer en greep met koude handen de rand van de plank om niet te vallen. Haar oude lichaam trilde, wiegde, haar oude hoofd hield zich niet vast, het hing op haar borst. Orysjka hielp haar moeizaam rechtop, kreunde zwaar\u2026 Motrja hield niet op met huilen. Haar bittere gehuil en het gekreun van haar moeder vermengden zich, echo\u00ebnd door het huis, langs de witte muren. En ze leken donker te worden voor dochter en moeder; het huis leek donker, en de wereld die door de ramen viel, zwart in hun ogen\u2026 En in dat duister stond hun lot, zwart, donker, angstaanjagend, met een mager, door armoede geteisterd gezicht, met hongerige, kwaadaardige ogen.<br \/>\nZo\u2019n ongeluk voltrok zich voor het middageten. Het eten stond al lang in de oven: toen Motrja naar het gemeentehuis ging, had ze het erin gezet om het te laten opwarmen. Nu herinnerde niemand zich het nog. Het verdriet voedde hen zonder maaltijd. Niemand haastte zich naar de oven. Ze vergaten zelfs hun lunch.<br \/>\nDe dag kwam en ging zo. Toen de zon onderging, bescheen ze de aarde met glanzende stralen; de aarde glimlachte ter afscheid, en werd donker. De nacht viel; de sterren kwamen tevoorschijn; de maan kwam achter het bos uit, en begon de omgeving te bekijken\u2026 Alles sliep als betoverd, in de stilte van de warme nacht, alleen een nachtegaal sliep niet, hij zong zijn geliefde lied in de groene tuin, maar het ongeluk in Orysjka\u2019s en Motrja\u2019s hart sliep ook niet\u2026 Het begon zijn eigen lied te zingen, bitter, droevig, hopeloos\u2026 En dat lied verspreidde zich niet over de wereld, ging niet echo\u00ebnd door de wei, zoals het nachtegaallied, maar drukte als een zware steen op de ziel, verward met een zwerm donkere gedachten, brandend het hart met ongeremde droefheid\u2026 Motrja en Orysjka sliepen niet, huilden niet, alleen zuchtten ze af en toe\u2026<br \/>\nEn waar kwam dit ongeluk vandaan? Waarom had het hen zo vastgegrepen? Wat was Motrja voor Ostap\u2026 wat bleef er nu van haar over?.. Motrja en Orysjka dachten en peinsden\u2026 Was het een getrouwde vrouw? een meisje in bedekking?\u2026 Noch vrouw, noch meisje, maar een getrouwde weduwe\u2026 Zonde voor God, hoe te boeten? Schaamte voor de mensen, hoe weg te wassen? En misschien zou er ook straf komen, al niet in deze wereld, dan in de volgende\u2026 Ostap was onzeker, hij was iets slechs, iets angstigs\u2026 Angst sloop werkelijk hun ziel binnen na zulke gedachten, en beiden baden stilletjes.<br \/>\nHoezeer ze die hele nacht ook hebben geleden, ze konden geen troost voor zichzelf vinden.<br \/>\nZelfs de dorpsbestuurders konden geen raad verzinnen. Ze beraadslaagden, overlegden, maar uiteindelijk moest het naar de districtshoofd en van daar naar de gouverneur. Ze gingen schrijven en rapporteren\u2026<br \/>\nNiet lang daarna kwam het gezag naar het dorp. Ze vroegen uit, noteerden, schreven alles op. Motrja kreeg de schrik van al die sluwe vragen; Orysjka leed mee, terwijl ze naar haar dochter keek.<br \/>\nEn in het dorp, het enige gespreksonderwerp, het enige waar men over sprak, was Chroesjtsj. Alsof alles op de wereld voor Pisky instortte, behalve Chroesjtsj; en door hem ook Motrja\u2026 Wie haar niet kende, begon te vragen: waar is ze en wat doet ze? Motrja kon haar ogen nergens laten zien zonder dat men met de vinger naar haar wees. Ze kwam op straat, kleine kinderen volgden haar; ze werkte in de moestuin, zag twee vrouwen bij het hek staan, die fluisterden en naar haar keken. Zelfs in de kerk was er geen rust: daar hield men haar ook voortdurend in de gaten.<br \/>\n\u2014 Zie je\u2026 zie je haar! Klein, donkerharig\u2026 het hoofd bedekt met een zwarte doek, hoorde Motrja achter zich in een vrouwelijk stemmetje.<br \/>\n\u2014 Is dat de donkerharige die een kruis maakt?<br \/>\n\u2014 Ja, ja\u2026 dat is zij\u2026 is getrouwd met een getrouwde man.<br \/>\nMotrja hoorde het, maar durfde zich niet om te draaien: het was haar schaamte en het was eng. Ze viel op haar knie\u00ebn, drukte haar hoofd tegen het podium, fluisterde een oprecht gebed, vroeg God om genade, boette voor haar zonde, en slikte ondertussen haar tranen in.<br \/>\nPas toen de oogst begon, vergaten de mensen een beetje Chroesjtsj. Hun eigen zorgen, werk en vermoeidheid hielden de tongen van de mensen een beetje bezig.<br \/>\nToen, v\u00f3\u00f3r de tweede feestdag van de Onbevlekte Maagd, leidden ze Chroesjtsj in ketenen door Pisky. Toen de mensen het hoorden, leek het alsof het hele dorp uit hun huizen rende, alsof er een beer voorbij kwam: \u201cChroesjtsj!.. Chroesjtsj komt!.. Ze brengen Chroesjtsj!..\u201d riepen ze van alle kanten. Jong en oud liep naar hem te kijken.<br \/>\nZe brachten Chroesjtsj naar het Hetman-huis; zetten hem in de gevangenis achter ijzeren staven en begonnen hem uit te horen. Er kwamen opnieuw vragen en tegenvragen\u2026 Motrja verloor helemaal haar rust: ze namen haar mee van de tuin naar het dorp en terug\u2026<br \/>\nEn toen, een tweede ramp: Motrja merkte dat er iets in haar buik begon te bewegen\u2026<br \/>\nDe mensen merkten het op en riep luid:<br \/>\n\u2014 Heb je het gehoord? \u2014 vroeg een vrouw aan een andere op straat. \u2014 Ze is zwanger\u2026<br \/>\n\u2014 Ja, liefje, ik heb het gehoord\u2026 en zeg maar: van hem!!<br \/>\n\u2014 Dit belooft niet veel goeds, moeder\u2026 Misschien is het snel het einde van mijn leven\u2026 Vorig jaar scheen de staartster, en nu komt er weer zo\u2019n teken\u2026<br \/>\n\u2014 Ik zeg je: zulke dingen gebeuren niet zonder reden!<br \/>\nMaar als ze zo doorgingen met praten, kon je het niet negeren.<br \/>\nOp zondag of een feestdag verzamelde zich een hele groep mannen, kwamen vrouwen, jonge mannen en meisjes, het werd een grote menigte, en ze begonnen voor de honderdste keer over die merkwaardige Chroesjtsj te praten.<br \/>\nEn toen \u2014 niemand weet hoe \u2014 kwam het gerucht in het dorp dat de gevangene niet Chroesjtsj of Prytyka was, maar gewoon Ivan Varenyk, de lijfeigene van heer Polsky, die in Pisky heerste.<br \/>\nDit gerucht bracht de rechtbank en de gemeenschap in verwarring. Wat moesten ze met hem doen? Hoe hem nu berechten? Ze gingen naar de heer, maar de heer trok zich terug: doe maar wat je wilt, zei hij\u2026 Toen nam de gemeenschap de zaak in handen. Zoals ze de jongens bij de Moskovi\u00ebrs trainden: \u201cIn de Nekrut! Op het voorhoofd! Op het voorhoofd!\u201d riep de gemeenschap. Het hoofd ging naar het Hetmanshuis, deed wat nodig was, en de \u201cgetransformeerde\u201d werd rechtstreeks uit de gevangenis naar de registratie gebracht. Nadat ze zijn voorhoofd hadden kaalgeschoren, transformeerden ze hem nog een vierde keer, en zo werd hij van Varenyk ineens Chroesjtsj. Kort daarna dreven ze hem ergens heen, en daarna keerde hij nooit meer terug en liet hij niets meer van zich horen. Ostap werd aan de Moskovi\u00ebrs overgedragen v\u00f3\u00f3r Pokrov. Maar daarvoor, voordat hij vertrok, baarde Motrja een zoon, en wat voor een! De bevalling was zwaar en moeilijk: Motrja worstelde twee dagen en nachten lang, schreeuwde niet met haar eigen stem\u2026 Wat de vroedvrouw ook probeerde, niets hielp. Motrja stond op het punt te sterven. Ze schreeuwde niet meer en kreunde niet, lag als een dode plank\u2026 Pas op de derde dag \u201chad de Heer genade\u201d: tussen het stille gehuil van Orysjka klonk het luide kindergehuil\u2026<br \/>\n\u2014 Pas op de derde dag &#8220;ontfermde de Heer zich over haar&#8221;: te midden van Orysjka&#8217;s zachte huilen klonk plotseling een luide kinderkreet&#8230;<br \/>\n\u2014 Een generaal!.. \u2014 riep de langhielige vroedvrouw verheugd uit.<br \/>\nOrysjka stak haar hand op, maakte het kruisteken\u2026 Motrja zuchtte diep, en opende haar dichtgeknepen ogen\u2026 Het huis vulde zich met stille vreugde.<br \/>\nToen de mensen hoorden over deze geboorte, werd er opnieuw geroddeld. Er ging gefluister, spot en verborgen angst door het dorp\u2026 Het kwam zelfs zo ver dat niemand Varenyk nog als man beschouwde, maar als een klein, gemeen kereltje\u2026 Sommigen merkten zelfs kleine hoorntjes op zijn hoofd, zoals ze die tijdens de registratie knipten. En Kyrylo Knoer \u2014 een buurman \u2014 zwoer bij Christus dat hij, toen hij samen met Ostap baadde, het staartje had gezien\u2026 Om het maar bij de naam te noemen: een kortstaartige duivel, punt uit!<br \/>\nEn toen werd er ook nog dat kindje geboren, en nog wel in zo\u2019n moeilijke bevalling!!<br \/>\n\u2014 Iets klopt er niet, moeder\u2026 \u2014 zeiden de vrouwen en schudden hun hoofd.<br \/>\nEn niet \u00e9\u00e9n, niet twee liepen haastig naar Motrja om te zien of er misschien tekenen te vinden waren op hem? E\u00e9n zag een klein moedervlekje op zijn linkerknie\u2026 \u201cDat is het!\u201d \u2014 dacht ze en rende meteen terug naar huis.<br \/>\n\u2014 Wat is er dan?? \u2014 vroeg haar vriendin.<br \/>\n\u2014 Dat is het, buurvouw, precies!! \u2014 zei de vriendin, terwijl ze het kruisteken maakte.<br \/>\nNiet lang daarna fluisterde het hele dorp over die vlek. Iedereen in koor: \u201cduiveltje\u201d, en daarmee was het klaar!<br \/>\nZe moesten peetouders vinden, maar niemand wilde. Wat te doen? Het kind was al drie dagen niet gekerstend\u2026 God verhoede dat er iets gebeurde, en het zou sterven, nog niet gedoopt!<br \/>\nOrysjka rende naar de buren\u2026 iedereen begroette haar en week uit\u2026 Ze liep door het huis, niet meer zichzelf: haar grijze haar glansde, haar droge handen deden pijn\u2026 Motrja had niets meer om zich op voor te laten staan: ze ademde al nauwelijks.<br \/>\nOp dat moment kwamen er reizende Moskovi\u00ebrs het dorp binnen. Orysjka sprak tot hen: \u201cMoskovische zwaantjes, doop het kind!\u201d Ze kocht een kwart liter wodka voor de Moskovi\u00ebrs. Toen stemde er \u00e9\u00e9n toe. De Moskovi\u00ebr werd peetvader, Orysjka zelf peettante.<br \/>\nZe brachten het naar de priester. En de pastoor zei zelf: \u201cHoe kun je zo\u2019n misvormd kind dopen?!\u201d<br \/>\n\u201cMijn God!.. wat moeten we met hem doen?! \u2014 huilde Orysjka \u2014 tot de priesteres: \u201cMoeder!\u2026 ik zal u garen spinnen, smeek de pastoor!\u201d<br \/>\nDe priesteres had medelijden. Het kind werd door de priester gedoopt en kreeg de naam Netsjypor.<\/p>\n<p>III DE KINDERJAREN<br \/>\nHet geluk was Motrja niet gegeven. Ze kende het niet als kind, zag het niet als meisje of vrouw, en hoopte er ook niet op als weduwe\u2026<br \/>\nNiet alleen zij, maar ook haar oude moeder werd door de mensen gemeden. De plek waar ze woonden werd als iets verschrikkelijks gezien, men liep eromheen\u2026 Men zei dat er elke nacht een slang in de schoorsteen vloog: een voorbijganger had hem in het huis gezien en kwam er met moeite levend uit\u2026 Een onzekere plek! Soms liep er \u2019s nachts niemand langs hun huis zonder zich te kruisen; en de kinderen mochten er overdag al helemaal niet komen\u2026<br \/>\nDe plek werd werkelijk een woestenij. Gelegen aan de rand van het dorp, helemaal buiten de bebouwing, onomheind, niet bewerkt, een klein gegraven greppeltje, en dat was het\u2026 Het vee liep eroverheen \u2014 er was geen omheining \u2014 door de moesbedden heen; de honden nestelden zich daar, de nesten werden verwoest\u2026 Een woestenij! Het huis, hoewel oud, leek levend toen Ostap het had opgeknapt, voordat hij trouwde; maar toen het ongeluk kwam, dat niet alleen het huis maar ook Ostap zelf trof, verviel het huis\u2026 De dakconstructie was hier en daar rot, het dak op sommige plekken ingezakt, de ramen stuk: in plaats van ruiten hingen lappen stof; bovendien hadden regen en sneeuw het verder beschadigd\u2026 Het huis stonk naar verlatenheid! En binnen was het niet beter. De muren waren zwart, begroeid met schimmel door het regenwater dat door het slechte huis sijpelde; de dikke oven was gebarsten \u2014 rookte en smeulde; in plaats van banken stonden kromme ezels, erop zitten was eng; de tafel wiebelde; de vloer, plank aan plank: Motrja had twee planken verbrand om op te stoken, want er was niets\u2026 Onbeschrijfelijke armoede, eindeloos gebrek.<br \/>\nHet leven van Motrja was zwaar. Haar oude moeder keek met droevige ogen naar het huis, naar dat slechte onderkomen, dat hen zoveel leed en moeite had gebracht\u2026 Ze zouden het allang hebben verlaten, als er ergens een toevlucht was geweest. Maar waar? Bij zo\u2019n tekort, bij zo\u2019n armoede?! Toen men Motrja op het werk aannam, deed ze het met tegenzin.<br \/>\nIn de zomer ging Motrja maaien. In Pisky nam niemand haar aan, want men zag dat waar Motrja maaide, het hele veld in kronkels neerlag. In het naburige dorp Bajraky verdiende Motrja brood, daar ging ze aan het werk tijdens de oogst.<br \/>\nWat Motrja in de zomer verdiende, moesten ze in de winter van leven\u2026 als het al genoeg was! En vaak was er niet eens een snufje zout of een stofje meel\u2026 Aan kleding kon men al helemaal niet denken!! Wat Motrja als meisje had gekocht, was versleten: alleen het lint en de band hingen nog\u2026 Als ze vlas verdiende, dat was goed. Ze week het, droogde het, sloeg het: de stengels voor brandstof, de vezels om te spinnen. Zo spon ze twee jaar lang, en dan was er een hemd; ze heeft gesponnen, een rok, een jas\u2026 Ze liep in versleten kleren zelfs tijdens feestdagen. Anderen liepen in schorten en kleden, en bonden hun hoofd met zijden sjaals, maar Motrja was altijd in haar versleten rok en jas. Ze bond er een schoon doekje bij en zo liep zij\u2026 Zo was het dagelijks en voor de feestdagen! En wat oud of gescheurd was, repareerde ze, stopte ze, om het oude lichaam van haar moeder of het kind te bedekken, broeken, korte broek\u2026 Nood! Voor de winter was er voor allen maar \u00e9\u00e9n rok. Als Motrja uit ging \u2014 moeder moest thuisblijven met de jongen \u2014 en zich niet laten zien! Als de moeder ergens heen moest, moest Motrja thuisblijven\u2026 want er was maar \u00e9\u00e9n paar laarzen!<br \/>\nWerk is niet eng, als er kracht is. Motrja was dag en nacht aan het werk; in de zomer op het veld, in de winter thuis. En Orysjka \u2014 al oud \u2014 voelde zich niet goed, ze deed niets anders dan op het kind letten\u2026 Als Motrja \u2019s zomers niet thuis was, kookte de oude vrouw het eten, zorgde voor het kind, voedde het en legde het te slapen; de kat miauwde erbij\u2026<br \/>\nHet kind groeide echter geweldig uit, vol van gestalte, donkerharig, groothoofd, intelligent\u2026 Alleen was het een beetje somber, teruggetrokken, stil. Andere kinderen waren levendig, draaiden als tolletjes, konden niet stilzitten\u2026 Je zegt tegen hen: geef dit! geef dat! en ze schoten weg als een pijl\u2026 Tsjipka, zoals hij heette, was anders, nee! Als Motrja of Orysjka eens zei: \u201cBreng water, Tsjipka!\u201d, of een mes, of een spinnewiel\u2026 dan begon hij: \u201cWaar ligt het? Of waar staat het?\u201d Zo vroeg hij rond, stond rustig op, liep rustig, tilde het op en gaf het rustig\u2026 Motrja hield daar niet van bij Tsjipka. \u201cTsjipka zal een grote luiaard worden! \u2014 klaagde ze tegen Orysjka \u2014 als hij iets moet doen, moet hij er een week over nadenken om het te bedenken\u2026\u201d Soms gaf ze hem een klap op zijn rug, zodat hij \u201cniet te lang nadacht\u201d\u2026 Dan liet Tsjipka zijn handen zakken en huilde door het hele huis\u2026 Dan had de oude vrouw werk! Orysjka was helemaal dol op Tsjipka: zo hield ze van hem en had ze met hem te doen! Ze gaf hem speelgoed, een klein lemen haantje, een fluitje; en wat eten betreft, ze at zelf niet, liet het voor hem achter\u2026<br \/>\nToen Tsjipka ouder werd en begon te rennen, rende hij uit de hof naar het erf, en dan rechtstreeks naar de kinderen. Maar de kinderen accepteerden hem niet. Ze begonnen hem uit te lachen, te trekken, soms zelfs te slaan en weg te jagen\u2026 Niet voor niets zijn de heren trots op hun afkomst. In het dorp vroegen ze ook, wie van welk geslacht is\u2026 Alleen in de hof vragen ze: waarmee is die familie beroemd geworden, door geschiedenis, door gevechten, door diensten? Maar het dorp kent \u00e9\u00e9n roem, eer. Zo vragen ze: van een \u201ceerlijk\u201d geslacht? Dan pas maken ze vriendschap\u2026 Tsjipka was een \u201cbastaard\u201d\u2026 Hoe kunnen kinderen Tsjipka dan als speelgenoot accepteren?! Alleen maar om te spotten\u2026<br \/>\n\u201cEen bastaard!\u201d \u2014 schreeuwde een witkop, mager jongetje, toen hij Tsjipka van verre zag.<br \/>\n\u201cPak hem!\u201d \u2014 riep een ander\u2026 \u201cLaten we hem pakken!\u201d<br \/>\nZe renden, omcirkelden hem. Iemand trok Tsjipka van achteren aan zijn zwarte haar. Tsjipka draaide zich om, fronste zijn wenkbrauwen, trok een vies gezicht, keek alleen met zijn ogen\u2026 Zijn ogen waren boos, en de kinderen waren niet vriendelijk geweest. Tsjipka keek somber en scherp naar hen. En zij hielden hun buik vast van het lachen\u2026<br \/>\n\u201cTsjipka! waar kom je vandaan?\u201d \u2014 trok een jongen hem aan zijn mouw en vroeg.<br \/>\nTsjipka zweeg, snufte.<br \/>\n\u201cBen je uit een ei gekropen?\u201d \u2014 vroeg een ander\u2026<br \/>\nIedereen lachte. Tsjipka liet zijn hoofd hangen, keek naar de grond, peuterde met zijn nagel onder zijn nagel.<br \/>\n\u201cNee!.. mijn grootmoeder ving me in de hof\u2026 in het onkruid,\u201d zei hij somber, en bleef peuteren.<br \/>\nGelach weerklonk  op het erf\u2026<br \/>\n\u201cDus je kwam uit het onkruid, Tsjipka?\u201d<br \/>\n\u201cNee\u2026\u201d<br \/>\n\u201cWaar is dan je vader, als je niet uit het onkruid komt?\u201d<br \/>\n\u201cIk weet het niet\u2026\u201d<br \/>\n\u201cPrecies\u2026 je bent een bastaard!\u201d<br \/>\n\u201cDat is een leugen!\u201d \u2014 Tsjipka keek opzij als een wolf.<br \/>\n\u201cEn wie ben jij dan?\u201d<br \/>\n\u201cIk\u2026 ben Tsjipka.\u201d<br \/>\n\u201cJij bent Tsjepiha, niet Tsjipka!\u201d \u2014 riep iemand van binnen en gaf  Tsjipka een ruk\u2026<br \/>\n\u201cWaarom geef je een ruk?\u201d \u2014 huilde Tsjipka. \u201cBlijf stil, ik zal het aan mijn grootmoeder zeggen en dan krijg je op je kop!\u201d<br \/>\n\u201cBen ik bang voor je grootmoeder, nee hoor!\u201d \u2014 zei de jongen, en trok weer.<br \/>\nDaarna trok een tweede, een derde. Tsjipka draaide zich rond, als een beer aan de ketting, en de jongens lachten en trokken aan zijn haar, totdat Tsjipka huilde. Toen joegen ze hem weg.<br \/>\nTsjipka rende huilend naar huis.<br \/>\n\u201cWaarom huil je, Tsjipka?\u201d \u2014 vroeg Orysjka.<br \/>\nTsjipka klaagde, huilde\u2026 Orysjka pakte zijn hand, leidde hem naar het huis en begon hem te troosten.<br \/>\n\u201cGa daar niet heen, mijn kind! Ga niet, mijn zoon! Zie je wat slechte kinderen het zijn: ze slaan je, kleine, doen je pijn\u2026 Ga niet!\u201d<br \/>\nOm Tsjipka een beetje te kalmeren, ging hij bij zijn grootmoeder op schoot zitten of legde zijn hoofd tegen haar aan. Om het kind te vermaken, begon de oude vrouw hem een verhaaltje te vertellen over een gespikkelde kip of over een mus, een dappere jongeman\u2026 Tsjipka luisterde en dacht: \u201cWaarom huilen die oude man en vrouw? Waarom kakelt die kip? En waarom schudt het gras de mus niet meteen, die dappere jongeman?\u201d<br \/>\nTsjipka hield erg van verhalen luisteren. In verhalen vond zijn altijd al slimme hoofd veel te ontdekken. Voor hem was een verhaal geen verzinsel, maar een werkelijkheid. Meermalen vergeleek de jongen een verhaal met het echte leven en het echte leven met een verhaal, en bedacht, verwonderde zich\u2026 In de verhalen spraken dieren en vogels op dezelfde manier als mensen\u2026 Anders tjilpen de vogels, loeien de ossen, blaffen de honden\u2026 En niemand weet wat ze zeggen\u2026 \u201cHet zou goed zijn om dat te weten: wat zegt het vee als het loeiend van het veld naar huis gaat? Welke liedjes zingt een vogel in het veld? En waarom zingen sommige vogels zo mooi, terwijl de mussen alleen tjilpen? Waarover praat het gras met zichzelf als het, alsof het leeft, zachtjes ritselt met de kleine blaadjes?\u201d<br \/>\n\u201cPraten de ossen, grootmoeder?\u201d \u2014 vroeg Tsjipka aan Orysjka.<br \/>\n\u201cGod weet het, zoon\u2026 Ze zouden zeggen wat ze zeggen.\u201d<br \/>\n\u201cEn de vogels?\u201d<br \/>\n\u201cOok de vogels praten\u2026\u201d<br \/>\n\u201cHoe praten ze? Waarover praten ze?\u201d \u2014 bleef hij vragen.<br \/>\nEn de oude vrouw vertelde, zo goed als ze kon, over alles aan Tsjipka. \u201cHet vee loeit nooit zonder reden\u2026 als het naar huis terugkeert en loeit, dan is het blij dat het bijna thuis is en kan rusten\u2026 Of misschien is het hongerig en eet het iets om zich te voeden\u2026 En de vogels tjilpen zoals de Heer het gegeven heeft: de een zingt mooi, de ander niet. Zie je de nachtegaal? Hoe mooi hij zingt! Hij was ooit een mens en werd een vogel\u2026\u201d En dan begon ze te vertellen hoe een moeder haar kinderen \u2014 een zoon en een dochter \u2014 vervloekte omdat ze haar man hadden gedood\u2026 \u201cDe zoon zei: \u2018Doe het niet, zus!\u2019 Maar de zus luisterde niet en doodde hem. Daarom vervloekte de moeder hen. Tegen de zoon zei ze: \u2018Vlieg, zoon, als een grijze nachtegaal en zing voor de mensen, \u2019s morgens en \u2019s avonds, zodat de mensen je horen en niet genoeg krijgen!\u2019 En tegen de dochter: \u2018Word een ellendige brandnetel, zodat mensen je vervloeken, je uit de tuinen trekken!\u2019\u201d De zoon vloog als nachtegaal en de dochter werd brandnetel\u2026 Zo: als de nachtegaal zingt, luistert de hele wereld, zo mooi! En de brandnetel wordt altijd uitgerukt, als slecht kruid, zodat het de gewassen niet verstikt en mensen niet prikt.\u201d<br \/>\nDergelijke verhaaltjes, in hun eenzaam leven, ver weg van gezelschap, legden zich diep in Tsjipka\u2019s verstand, en gedachten volgden elkaar, idee\u00ebn draaiden in zijn hoofd\u2026 Ze drongen diep door in zijn vurige hart en roerden in zijn ziel een golf van onder naar boven\u2026 Als een zwerm draaiden ze in Tsjipka\u2019s hoofd; als een sneeuwstorm draaiden en tollen ze rond\u2026 Van een grasspriet naar een vogel; van een vogel naar het vee; van het vee naar de mens, totdat ze de hele wereld omvatten! En alles leek hem levend, sprekend. En het vee, het gras, zelfs de stenen, alles had zijn eigen taal, alleen sprak het op een andere manier\u2026 Ooit was alles mensenwerk en sprak alles \u00e9\u00e9n taal\u2026 Nu kon hij niet ontdekken wat voor gesprek dat was!! En waarom? Door de mensen\u2026 Alles was de schuld van de mensen! Zij hebben dat zo gemaakt. Ze hebben de menselijke taal van het gras, de vogels en het vee afgenomen! Ze hebben hun eigen mensen \u2014 hun familie \u2014 veranderd in alles\u2026 En Tsjipka had medelijden met de mensen. Ze leken hem slecht, gemeen\u2026 En een klein beetje woede werd wakker in zijn kleine hart, groeide, en hij vermeed de mensen steeds verder\u2026 En de mensen hadden geen medelijden met hem.<br \/>\n\u201cGrootmoeder!\u201d \u2014 vroeg Tsjipka eens aan Orysjka. \u2014 \u201cHad ik een vader?\u201d<br \/>\n\u201cJa, zoon.\u201d<br \/>\n\u201cWaar is hij nu?\u201d<br \/>\n\u201cHij is naar de Moskovi\u00ebrs gegaan.\u201d<br \/>\n\u201cKijk, de jongens zeiden dat ik geen vader had\u2026 een bastaard!\u201d \u2014 zeiden ze.<br \/>\n\u201cDat zijn domme jongens!\u201d<br \/>\n\u201cEn wat dan nog? Wat is er verkeerd aan?\u201d<br \/>\n\u201cZoon, als je oud bent, zul je alles begrijpen. Denk er nu niet aan: dat is een slecht woord! Gooi het uit je hoofd\u2026 Alleen boze kinderen zeggen dat zo\u2026\u201d<br \/>\n\u201cIk zal niet boos zijn, grootmoeder!\u201d \u2014 zei Tsjipka, en dacht na.<br \/>\nEven later vroeg hij opnieuw:<br \/>\n\u201cWaarom is mijn vader naar de Moskovi\u00ebrs gegaan? Waarom heeft hij moeder verlaten?\u201d<br \/>\n\u201cDe mensen hebben het zo besloten.\u201d<br \/>\n\u201cWaarom hebben ze hem weggegeven?\u201d<br \/>\n\u201cZo moest het\u2026 Als je groot bent, zoon, zul je alles zelf begrijpen, maar nu is het nog niet goed om het je te vertellen.\u201d<br \/>\n\u201cWaarom, grootmoeder?\u201d<br \/>\n\u201cZo. Je bent nog te klein, zoon\u2026\u201d<br \/>\nZo\u2019n gesprek hielden ze niet zomaar; alles raakte Tsjipka, alles boeide hem. Hij vroeg zijn grootmoeder naar alles. De oude vrouw vertelde graag, het was haar een troost om de wereld voor zijn ogen te openen, om te zien met welk bedachtzaam hoofd haar kleinzoon zou opgroeien.<br \/>\nMet gulle hand schonk de grootmoeder alles wat haar zestigjarige geheugen had bewaard over aan het jonge hoofd van Tsjipka. En Tsjipka nam alles in zich op, hij absorbeerde het allemaal!<br \/>\nDit gebeurde \u2019s zomers, als de zon onderging en de avond over het land daalde. Grootmoeder en Tsjipka gingen naar buiten (want in huis was het benauwd), spreidden een kleed voor de drempel en wachtten Motrja op van het werk. Orysjka ging zitten, en Tsjipka, soms zittend, soms liggend\u2026 en zo spraken ze. Tsjipka luisterde meer, soms viel hij zelfs in slaap, luisterend naar de woorden van grootmoeder, die zacht kabbelden als een stroom\u2026 En soms begon hij zelf te ratelen\u2026 De nacht viel, de sterren kwamen tevoorschijn, fonkelden, schitterden\u2026 Tsjipka staarde naar de hemel.<br \/>\n\u201cWat is dat, grootmoeder?\u201d \u2014 wijst hij naar de sterren.<br \/>\n\u201cDat? \u2014 Sterren.\u201d<br \/>\n\u201cWat voor sterren zijn dat?\u201d<br \/>\n\u201cDat zijn engelen die toekijken! Iedereen heeft zijn eigen engel: die waakt over je ziel, beschermt je, zodat je niets slechts overkomt. Als er een ster valt, verplaatst de ziel zich\u2026 De ziel verplaatst zich, en de ster valt en verdwijnt\u2026\u201d<br \/>\n\u201cEn is mijn ster daar ook, grootmoeder? En die van u? En die van mama?\u201d<br \/>\n\u201cDie van jou, die van mij en die van je moeder zijn er ook.\u201d<br \/>\n\u201cMaar waar is die van mij, grootmoeder?\u201d \u2014 vraagt Tsjipka, met zijn hoofd op de knie\u00ebn van grootmoeder en zijn ogen niet afwendend van de zwerm sterren, die leken te bewegen aan de donkerblauwe hemel.<br \/>\n\u201cGod weet het, zoon! Mensen kunnen er niet bij\u2026 Dat is het werk van God, Hij weet het\u2026\u201d<br \/>\n\u201cEn God is daar?\u201d<br \/>\n\u201cDaar, zoon\u2026\u201d<br \/>\n\u201cEn wat voor God is dat, grootmoeder?\u201d<br \/>\n\u201cGod? God is de Vader. Hij houdt alles in de wereld: alle insecten, alle dieren en alle mensen\u2026 Hij ziet over alles toe, beschermt tegen het kwade\u2026 Als Hij ziet dat de duivel zich bemoeit met Zijn heilige werk \u2014 dan stuurt Hij de heilige Ilja op een vurige wagen om de duivel te straffen\u2026 Als Ilja rijdt, dreunen hemel en aarde, als een dekbed in de wind, van zijn vaart\u2026 En als hij met een vurige pijl schiet, flitst de bliksem\u2026 Dat is God! Hij is streng tegen het kwade, maar goed voor het goede. God is de Vader\u2026 Hij onderhoudt ons en voedt ons met brood\u2026\u201d<br \/>\nTsjipka raakte verwonderd. Voor zijn ogen verscheen een woedende God, omhuld met zwarte wolken\u2026 en riep Ilja, om het kwade te straffen! Ilja rijdt, hemel en aarde trillen als van een veerbed door zijn snelheid\u2026 Daar klinkt een knal\u2026 een vurige pijl splijt de hemel\u2026 Angst overspoelt Tsjipka! Buiten is het helemaal donker; de maan is niet te zien; de Melkweg fonkelt en schittert over de hemel; de sterren glinsteren, fonkelen\u2026 Tsjipka nestelt zich bij zijn grootmoeder en fluistert zacht: \u201cIk zal goed zijn, grootmoeder\u2026 ik zal geen kwaad doen, en God zal me niet straffen\u2026 Maar die kinderen die mij sloegen en wegjaagden, hen zal God straffen, want zij zijn slecht! Ik zal goed zijn, grootmoeder\u2026\u201d<br \/>\nTsjipka viel stil, zijn geest was in afwachting: hij dacht aan de strenge Ilja en de goede God\u2026 Even later vroeg hij aan grootmoeder:<br \/>\n\u201cU zei, grootmoeder, dat God ons met brood voedt?\u201d<br \/>\n\u201cJa, kind. Hij voedt ons\u2026\u201d<br \/>\n\u201cMaar waarom verdient mama dan het brood, als ze nog niet thuis is van het werk? Ze zegt dat, als ze niet werkt, er niets te eten zou zijn\u2026\u201d<br \/>\n\u201cWat een domme jongen ben je! \u2014 zegt grootmoeder. \u2014 De mens is geboren om te werken, niet om te liggen. Vroeger, zeggen ze, toen de mensen nog in het paradijs leefden, deden ze niets, zoals heiligen\u2026 Daar was van alles, te eten en te drinken! Ze wandelden rond en aten\u2026 En de duivel was jaloers op hun geluk, en begon hen te verleiden tot zonde\u2026 Ze overtraden het woord van God\u2026 Toen stuurde de Heer hen uit het paradijs met een vurige zweep, en sloot het paradijs, en zei: werk voor jezelf\u2026 Sindsdien begonnen mensen te werken. Voorheen deden ze niets, zoals heiligen!\u201d<br \/>\n\u201cWaarom hebben die mensen gezondigd, grootmoeder? Dan was mama nu thuis en hoefde ze niet zo vaak te huilen\u2026 en brood zou er zijn: als je honger had, at je gewoon\u2026\u201d<br \/>\n\u201cDat is de wil van God, mijn kind!\u201d<br \/>\nHet is geen wonder dat Tsjipka zich bekommerde om brood: voor hen was het een kostbaar goed\u2026 Wat kun je met slechts \u00e9\u00e9n hand verdienen? Ze stierven bijna van de honger\u2026 Het was een grote armoede! Er gebeurde zelfs eens iets vreemds door dat brood\u2026<br \/>\nMotrja was op het veld. Orysjka moest de bedden wieden. Toen begon Tsjipka te mokken: \u201cEten, alleen maar eten, grootmoeder!\u201d E\u00e9n woord: \u201cEten!\u201d Orysjka nam een stukje brood, brak er een stuk af en gaf het aan hem, en het resterende legde ze op de tafel: \u201cRaak dat niet aan,\u201d waarschuwde ze Tsjipka, \u201ckijk, de heilige kijkt! Als je moeder komt en vraagt: \u2018Wie heeft het brood gegeten?\u2019 \u2014 dan zal de heilige met haar vinger wijzen, en je moeder zal je slaan\u2026 Kijk goed, pak het niet!\u201d En ze liep weg.<br \/>\nTsjipka ging midden in de kamer zitten; hij keek naar het icoon \u2014 zijn ogen van het beeld afhoudend \u2014 en at. Hij had het stukje brood dat grootmoeder had gegeven opgegeten, maar had nog steeds honger! Het brood lag op tafel, hij verlangde ernaar. Hij keek naar de iconenhoek, de heilige keek! Hij probeerde stiekem het brood te pakken, maar bleef naar het icoon kijken\u2026 Hij strekte zijn hand uit, maar hield zijn ogen op het icoon gericht, het leek alsof de heilige hem aankeek, hij wilde zijn vinger opsteken in protest\u2026 maar hij trok zijn hand weer terug.<br \/>\nToen legde hij zijn hoofd op de tafel, klom op de bank, sloop weer naar het brood. Hij keek naar het icoon: de heilige keek terug, en basta! Hij wilde eten, het brood lag voor zijn ogen, maar de heilige keek\u2026 Tsjipka dacht na. En toen, ineens, sprong hij van de tafel\u2026 Zijn ogen brandden, zijn lippen waren opgeblazen\u2026 Hij greep de stoel die grootmoeder onder zijn voeten had gezet toen ze spon, schoof hem op de bank, vond een mes, klom op de stoel en prikte de ogen uit het icoon! Toen nam hij het hele brood, at het op en rende naar de bedden naar grootmoeder.<br \/>\n\u201cGrootmoeder! Grootmoeder!\u201d \u2014 roept hij.<br \/>\n\u201cWat is er, Tsjipka? Kom hier!\u201d \u2014 antwoordt grootmoeder vanuit het onkruid.<br \/>\nTsjipka rent eraan. \u201cIk heb het brood opgegeten, grootmoeder!\u201d \u2014 meldt hij trots.<br \/>\n\u201cWaarom heb je dat gegeten, zoon? En als je moeder komt en vraagt: \u2018Wie heeft het brood gegeten?\u2019 \u2014 dan zegt de heilige\u2026\u201d \u2014 \u201cEh\u2026 eh\u2026 grootmoeder, de heilige heeft niet gezien\u2026 ik heb zijn ogen dichtgedaan zodat hij niet keek!\u201d \u2014 en hij vergat het meteen.<br \/>\nToen moest het huis v\u00f3\u00f3r Kerst worden gewit en de iconen schoongemaakt. Tsjipka keek, Motrja zag dat de ogen weg waren! Ze was helemaal verbluft. \u201cWie heeft de ogen eruit gehaald?\u201d \u2014 vraagt ze aan Orysjka.<br \/>\n\u201cWaar?\u201d Orysjka keek, inderdaad zonder ogen\u2026 Toen naar Tsjipka: \u201cHeb jij de ogen eruit gehaald?\u201d \u2014 Hij lacht: \u201cJa\u2026 zodat hij niet kon zien hoe ik het brood zou eten!\u201d Orysjka herinnerde zich dat Tsjipka haar trots had verteld wat hij had gedaan. Maar wat kon ze doen? Natuurlijk, een kind: klein, dwaas\u2026 Motrja riep hem streng, waarschuwde dat de heilige hem zou straffen als hij zoiets deed, en dat was dat.<br \/>\nEr waren tijden dat niet de heilige, maar Motrja Tsjipka sloeg, en goed sloeg! Soms bleven de blauwe plekken een maand zichtbaar. Maar het is niet zo dat ze Tsjipka niet liefhad. Nee. Ze hield van hem, zoals elke moeder van haar kind. Mocht Tsjipka ziek worden, dan was Motrja zichzelf niet meer. Ze sloot geen oog \u2019s nachts: zat bij hem, huilde, bad\u2026 \u201cMaar troost en hoop! Mijn eigen kind zal opgroeien, zal op zijn oude dag voor zichzelf kunnen zorgen\u2026 Misschien hoeft hij dan niet te zweten van het werk, of te lijden van kou en honger, of van de hete zomerse zon\u2026\u201d Dat dacht Motrja. Ze sliep \u2019s nachts nauwelijks, luisterde naar het ademen van haar enige \u201ctroost en hoop\u201d\u2026<br \/>\nEn laat hem maar, gezond, doen wat Tsjipka wil, een extra stuk brood eten, of in een plas rollen\u2026 Geen probleem! Het is geen vuur dat brandt, het is Motrja\u2019s gezicht; het zijn geen vonken die spatten, het zijn haar verwijten, vervloekingen en gebeden\u2026 Een andere stiefmoeder zou haar hand over haar stiefzoon inhouden, maar Motrja, opgewonden, kon haar liefde voor haar eigen zoon niet bedwingen.<br \/>\nMaar Tsjipka was niet iemand die je met een mep tegenhield. Eerst was hij bang voor zijn moeder, later raakte hij gewend aan de slagen, ook al drongen ze diep in zijn hart, tot aan de lever\u2026 O, hij was woedend! Fel! Hij had zijn moeder de ogen kunnen uitsteken of zichzelf iets aandoen, als de grootmoeder er niet was\u2026 Haar zachte stem dempte zijn woede. Als ze hem probeerde te kalmeren \u2014 met woorden, als een spreidstok \u2014 ontspande hij. Daarom hield Tsjipka van grootmoeder: hij voelde haar liefde. Naar alles wat zij zei, luisterde hij. Van zijn moeder hield hij niet en hij luisterde niet naar haar\u2026 Hij verschool zich soms voor een klap, vluchtte weg; maar luisteren deed hij niet. Motrja huilde vaak bitter\u2026<\/p>\n<p>IV LEEF-LEEF!<br \/>\nZo leefde Tsjipka, groeide op in honger en kou, in armoede en tekort. En altijd alleen voor zichzelf, net als een vinger. Anderen trokken naar kinderen, naar de groep, en hij, altijd in eenzaamheid, helemaal alleen\u2026 Hij kroop in het struikgewas, plukte bloemen, legde ze op een hoopje en speelde er stiekem mee. Maar naar mensen, naar de kinderen, nee! Tsjipka had een goed geheugen: hij vergat nooit het advies van grootmoeder\u2026 Maar tot zijn nadeel, naast de goede gedachten, bewoog er iets slechts, rusteloos in zijn kleine hart\u2026 Het wakkerde aan, zorgde dat hij niet kon vergeten, vergaf nooit iemand wanneer het een fout zag\u2026 En het slechte groeide in zijn hart, tot een vurige wraak, die geen grenzen kende, noch verbod\u2026 Er was toen niets dat hem kon tegenhouden; welke angst er ook opdoemde, het kon zijn dappere geest, zijn koppige gedachten, zijn vurige hart niet bang maken\u2026 Zo iemand is op de wereld door niets bang te maken. Noch God, noch mensen zijn eng voor hem\u2026 God is streng voor het slechte, maar Tsjipka denkt dat Hij goed is, en slechte mensen ergeren hem\u2026<br \/>\nHij was nu twaalf jaar oud. In de herfst overlegt Motrja met haar moeder:<br \/>\n\u2014 \u201cZou het niet goed zijn om Tsjipka ergens in dienst te doen, al is het maar voor het voedsel?\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cIk dacht er zelf ook al aan,\u201d zegt Orysjka. \u201cMaar waar is hij geschikt voor? Zo onmenselijk, zwijgzaam, zo\u2019n eigenaardigheid van hem\u2026 En met de andere kinderen gaat hij niet om zoals de anderen, altijd in eenzaamheid, altijd voor zichzelf thuis\u2026\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cWat moeten we met hem doen?\u201d \u2014 antwoordt Motrja verdrietig. \u201cIedereen ziet toch hoe ik werk\u2026 Maar wat helpt mijn werk? Ik heb mijn kracht verspild, mijn gezondheid verminderd, en toch sterven we bijna van de honger\u2026 Als we hem in dienst geven, \u2014 al zou hij minder eten\u2026 er zou tenminste nog iets overblijven voor kleding!\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cZoals jij zegt, dochter.\u201d<br \/>\nMotrja ging op zoek naar werk voor hem. Niet lang daarna vond ze iets. De rijke kozak Borodaj zocht een jongen voor het vee. Daar stemde ze mee in.<br \/>\n\u2014 \u201cEn maak je klaar, Tsjipka, morgen ga je in dienst,\u201d zegt Motrja \u2019s avonds als ze terugkomt. \u201cHet is genoeg om thuis te blijven en het brood te verspillen, tijd om zelf te verdienen!\u201d<br \/>\nTsjipka stemde in met handen en voeten! Maar Orysjka begon hem te overtuigen: ze wees hem op hun bittere tekorten en armoede. Tsjipka luisterde en ging. Borodaj nam hem voor de winter aan voor voedsel en kleding. Motrja keerde blij en opgewekt terug naar huis.<br \/>\n\u2014 \u201cEn, dochter?\u201d \u2014 vraagt Orysjka.<br \/>\n\u2014 \u201cHij blijft daar\u2026 Hopelijk wordt hij op waarde geschat!\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cMisschien went hij eraan\u2026 God geve!\u201d \u2014 troost en bidt Orysjka.<br \/>\nTsjipka bleef bij Borodaj. De meester was eerst vriendelijk en aardig bij hem, liet zien en vertelde hoe, wat en wanneer iets gedaan moest worden\u2026 Maar Tsjipka wilde niets weten! De meester zei: \u201cTsjipka, ga het erf schoonmaken.\u201d En Tsjipka ging naar de schuur, klom op een hoop stro en begon er mee te spelen: stro tot slierten draaien, kruisen maken\u2026<br \/>\nOp een dag werd de meester boos dat Tsjipka niet luisterde, hij pakte hem en sloeg hem. Tsjipka werd ook boos\u2026 bijna had hij de meester verbrand! Toen er niemand in huis was, klom hij in de oven, haalde gloeiende kolen en bracht die naar de stal\u2026 Gelukkig zagen mensen het en blusten het vuur.<br \/>\nBorodaj joeg hem weg. Tsjipka ging sip naar huis, droeg in zijn hart een bitter gevoel van haat tegen het lot dat mensen in meester en arbeider had verdeeld\u2026 Motrja huilde, ze sloeg hem niet, ze huilde\u2026 Ze was bang dat Borodaj misschien zou klagen\u2026 Orysjka probeerde Tsjipka te troosten, maar Tsjipka keek alleen sip, sprakeloos, alsof er water in zijn mond gegoten was\u2026 Zo bleef hij thuis voor de winter.<br \/>\nIn de lente overlegde Motrja opnieuw met haar moeder:<br \/>\n\u2014 \u201cZullen we Tsjipka weer in dienst geven?\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cLaat hem maar in dienst gaan.\u201d<br \/>\nWeer ging Motrja op zoek naar een werkgever, en vond er snel een. De oude Oelas, een herder die de gemeenschapsschapen hoedde, zocht jongens om te helpen.<br \/>\nOude Oelas was zelf een pachtheer, werkte bij meester Polsky voor het vee. Maar toen hij oud, zwak en ziek werd, werd hij van het erf gezet, zodat hij het meesters brood niet nutteloos zou verspillen\u2026 Buiten het erf, dacht hij bij zichzelf: \u201cWaarheen nu?!\u201d<br \/>\nHij had niemand van naaste familie, en de verre familie werkte bij de meester\u2026 Oelas moest zichzelf redden! Maar de gemeenschap had medelijden: ze bouwden een onderkomen voor hem op het veld en stelden hem aan als herder.<br \/>\nTsjipka werd zijn helper bij het vee. En, wonderbaarlijk! Hij stemde meteen in\u2026 Het werk paste hem precies, het beviel hem.<br \/>\nHij stond vroeg op, nog voor zonsopgang, nam brood in zijn zak, pakte de malkaj (een soort leren draagzak) die de oude man had gegeven om de schapen te drijven, en ging naar het veld, naar de hut, om te wachten tot de kudde bijeen was.<br \/>\nToen hij aankwam, was bij de oude man alles nog gesloten. Alleen Lysko lag bij de deur, de voorpoten uitgestrekt, het hoofd erop gelegd\u2026 Hij dutte nog.<br \/>\n\u2014 \u201cLysko!\u201d \u2014 roept Tsjipka.<br \/>\nLysko heft zijn hoofd op, met tegenzin, kijkt naar Tsjipka, en legt het weer op zijn poten, geeuwend tot diep in zijn keel\u2026 Alsof hij zegt: \u201cVroeg op, jongen, de oude man slaapt nog!\u201d<br \/>\nTsjipka ging naast de hut zitten, haalde het oude brood uit zijn zak en begon te ontbijten. Ondertussen drijven de mensen hun schapen naar het veld. Ze verspreiden zich over de greppels, knabbelen aan het groene gras.<br \/>\nDaar komt ook de tweede helper, Hrytsjko, de zoon van Tsjoeproen, een jongen van dezelfde leeftijd als Tsjipka, maar duidelijk niet beter qua omstandigheden\u2026 Hij draagt een zwarte, versleten linnen broek en een zwart hemd, gescheurd en met de zoom opgerold tot boven de knie\u00ebn.<br \/>\nHrytsjko was een wees, zoon van een kozak. Na de dood van zijn ouders (beiden stierven in hetzelfde jaar aan cholera) gaf de gemeenschap de wees aan een verre tante, de weduwe Vovtsjysa. Toen de jongen op eigen benen kon staan, nam de oude man hem in dienst als helper bij de kudde.<br \/>\nHrytsjko gaat naast Tsjipka zitten, maakt zijn zak open en haalt er droge broodjes uit \u2014 zwart als aarde \u2014 en ze ontbijten samen, af en toe een woord wisselend\u2026<br \/>\nPlots kraakt de deur, de oude man verscheen in de deuropening.<br \/>\n\u2014 \u201cZijn jullie er al, jongens?\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cJa, hier zijn we.\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cWaarom zijn er zo weinig schapen?\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cZe komen eraan.\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cEn jullie ontbijten?\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cJa, we ontbijten.\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cGoed, ontbijt maar, terwijl ik de schapen bijeen schaar. Ondertussen ga ik me wassen en gereedmaken, en dan gaan we!\u201d<br \/>\nDe oude man gaat naar de gang; pakt een beker water en wast zich\u2026<br \/>\nOndertussen is het al licht, het daglicht is er, alleen de zon laat nog op zich wachten\u2026 Ze kleurt de hele oostelijke horizon lichtroze, maar is nog niet boven de heuvel verschenen, nog geen straal over de aarde geworpen\u2026 En de aarde is al klaar om haar te begroeten: het groene gras spreidt de kleine blaadjes, bedekt met de verse ochtenddauw. Zoals een meisje dat wacht op haar geliefde, zich wast en opmaakt, trilt alsof ze koortsig is, gloeit alsof ze in vuur staat, ze blijft stil, wacht lang en wordt levend, niet geduldig, zo wacht de aarde op de stralende zon\u2026 en verandert zelfs als ze nog niet is gekomen. Een zachte wind streelt de aarde, het groene gewaad wordt donker en fronst; de wind gaat liggen, het gewaad glanst en glimlacht\u2026<br \/>\nDe schapen zijn bijeen, de oude man maakt zich gereed. Hij verlaat de hut, draagt een strohoed op zijn hoofd; op zijn schouder, over de rug, hangt een tas met brood en een jas voor het geval van slecht weer; in de hand zijn malachaj.<br \/>\n\u2014 \u201cKom op jongens, laten we gaan!\u201d \u2014 zegt de oude man.<br \/>\nDe jongens staan op, stoppen hun zwarte brood in de zakken en rennen om de verspreide schapen samen te drijven, hongerig knabbelend aan het dauwige gras\u2026 De schapen worden verzameld tot de kudde.<br \/>\n\u2014 \u201cA-goe-oe\u2026 tjie-oe-oe!\u201d \u2014 roept de oude man. \u201cTresh-teresh-tresh!\u201d<br \/>\nHij fluit op de malkaj\u2026 Tsjipka of Hrytsjko opent het hek van het veld, en langzaam, het hoofd buigend, drijven ze de schapen het veld in\u2026 De jongens aan de zijkanten, de oude man achteraan, en Lysko, met zijn staart en hoofd omhoog geheven, loopt trots voor de oude man uit, als een trouwe helper voor de leider.<br \/>\nDe kudde schuifelt langzaam, roepen \u201cbe-e!\u201d en \u201cme-e!\u201d, kakelen als oude vrouwen in de winter bij de oven, wanneer ze beginnen met spinnen\u2026 En het stof volgt als een wolk achter de schapen\u2026<br \/>\n\u2014 \u201cA-goe-tjie-oe-oe!\u201d \u2014 roept de oude man, klappend met de malkaj.<br \/>\n\u2014 \u201cWaarheen, roodkopje?\u201d \u2014 roept Hrytsjko tegen een schaap dat zich van de kudde had verwijderd en snel naar het groene gras sprint. Het schaap luistert niet naar Hrytsjko\u2019s roepen: het rent snel naar een groen plekje om vers gras te grijpen en even zijn dorst te lessen van het stof dat tot diep in de ingewanden drong, verstikte en kneep.<br \/>\nHrytsjko ziet dat ook de andere schapen van het rode schaap afwijken, hij rent erachteraan, roept \u201cteresh! teresh!\u201d en zwaait met de malkaj. De dwalende schapen keren met tegenzin terug naar de kudde.<br \/>\nDe zon begon boven de heuvel te verschijnen, speelde, glimlachte\u2026 Als lichte bliksemschichten renden haar stralen over de aarde, en de dauw glinsterde als kristal op het groene gras\u2026 Na de zon ontwaakte alles in het leven. Daar tsjirpten en tjirpten de sprinkhanen alsof ze uit elkaar zouden springen; daar schreeuwden de kwartels zoals bij het slachten; hier bleven de schapen blaten, mekkerden, kwekkerden\u2026 Een zacht briesje waaide, en overal verspreidde het de warmte van de vroege zomerochtend\u2026 Zo mooi, zo vrolijk!<br \/>\nTsjipka liep langs de kudde, het hoofd gebogen\u2026 Waarover dacht hij? Wat overwoog hij? Hij dacht aan niets, overwoog niets\u2026 Hij luisterde naar wat er in zijn hart en ziel gebeurde\u2026 Hij probeerde te begrijpen, en vergat alles\u2026 vergat alles\u2026 Het voelde zo goed, zo vrolijk; hij voelde zich vrij, onbelemmerd\u2026 Hij rende langzaam voort. De zak op zijn schouder, de malkaj in zijn hand\u2026 Het maakte hem niet uit!.. Hij zette de ene voet voor de andere, dacht niet: waar hij was, wat hij deed, hoe hij liep\u2026 Zijn hart klopte licht; vreemde vreugdes, geen droom, geen sluimering, omhulden zijn ziel\u2026<br \/>\nZe brachten de kudde naar de plek waar ze moesten zijn. De oude man floot met de malkaj, de schapen verspreidden zich over het groene veld\u2026<br \/>\n\u2014 \u201cNu, jongens, rusten we even!\u201d<br \/>\nOnze herders gingen met z\u2019n drie\u00ebn onder een boom zitten. De oude man haalde een stuk brood en een beetje zout tevoorschijn en begon zelf te ontbijten\u2026<br \/>\nHrytsjko, of hij nu zat of niet \u2014 zie daar \u2014 reed nu plots op een ram, maakte geluid en floot\u2026<br \/>\nTsjipka lag op zijn rug en keek naar de blauwe lucht. De lucht was blauw, helder \u2014 geen wolkje, geen vlekje \u2014 diep, wijds en uitgestrekt. Je kon de diepte niet overzien, je kon de horizon met het oog niet bereiken! Zijn blik verdween in de blauwe afgrond, als in een grijze mist\u2026 alleen groeiden en verspreidden zijn gedachten\u2026<br \/>\n\u201cWat is daar? \u2014 dacht Tsjipka. \u2014 Daar is het vast mooi\u2026 Oh, wat blauw!\u2026 hoe de zon straalt!..\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cOpa!\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cWat is er, zoon?\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cWat is daar?\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cWaar?\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cAan de hemel!\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cGod\u2026\u201d<br \/>\nTsjipka dacht na\u2026 Hij keek naar de hemel, het was zo mooi om naar te kijken\u2026<br \/>\n\u2014 \u201cZijn er, opa, mensen daar?\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cWaar?\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cIn de hemel\u2026\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cNee, zoon! Daar is de Heilige God, zijn engelen en de zielen van de rechtvaardigen\u2026\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cIs er ooit iemand daar geweest?\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cZe zeggen van wel. De priester leest dat ook in de kerk.\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cEn het is daar vast mooi\u2026 kijk: wat blauw, wat mooi!..\u201d<br \/>\nDe oude man had gegeten en bad tot God.<br \/>\n\u2014 \u201cMooi, zoon! \u2014 fluisterde hij, na het gebed tegen Tsjipka. \u2014 Mooi!.. Niet zoals hier, op aarde\u2026 Daar is alles goed, heilig\u2026 Hier is alles zondig en slecht\u2026\u201d<br \/>\nDe oude man zweeg. Even later hoestte hij en begon opnieuw:<br \/>\n\u2014 \u201cEn toch houdt slechts \u00e9\u00e9n barmhartige God ons in leven, anders zou Hij ons allang uitroeien, zoals een onheilig beest. Kijk: een schaap!.. Wat kan het iemand aandoen?.. Niets!.. Het loopt rond, knabbelt aan groen gras\u2026 een schaap, niets meer!.. En wij slachten het, wij eten het als hongerige wolven\u2026 En wat eten we niet allemaal?.. Maar dat is alles, zonde! Alles zal ons beloond worden in het hiernamaals, alles\u2026 Wij zijn zondige, vervloekte zielen! We martelen niet alleen het vee, soms steken we ook onze eigen broeder\u2026 Zie je! De broer heeft dat en dat, en ik heb niets\u2026 Ik zal de broer doden, zijn goederen zal ik mij toe-eigenen! En de mens doodt de mens\u2026 Doodt, zonder te denken aan wat hem in het hiernamaals zal overkomen! Het kwaad verwart hem, en hij doodt\u2026 Och, wij zijn zondige, vervloekte zielen!\u201d<br \/>\nTsjipka luisterde, en een gevoel van angst en koude trok door zijn ziel\u2026 en zachtjes fluisterde hij achter de oude man:<br \/>\n\u201cWij zijn zondige, vervloekte zielen!.. En mijn moeder is zondig \u2014 denkt hij \u2014 want zij sloeg mij toen ik klein was, zij gooide mij midden in de winter op straat zodat ik niet om brood zou vragen\u2026 Maar mijn grootmoeder is niet zondig: zij sloeg mij nooit; zij gaf mij alles, had medelijden met mij, sprak me toe, zoals opa\u2026 En opa is waarschijnlijk ook niet zondig\u2026 En Hrytsjko? Hrytsjko is zondig: kijk hoe hij op die ram rijdt!..\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cHrytsjko! Hrytsjko!\u201d \u2014 riep Tsjipka terwijl hij opstond, \u2014 \u201crij niet op de ram, dat is zonde!\u201d<br \/>\nMaar Hrytsjko hinnikte en sprong over het hele veld\u2026<br \/>\n\u2014 \u201cRijdt hij op een ram?\u201d \u2014 vraagt de oude man. \u2014 \u201cKijk! Ik begrijp niet waarom hij zo roept\u2026 Kom hier, kom hier!\u201d \u2014 riep hij ver weg met zijn herdersfluitje naar Hrytsjko.<br \/>\nHrytsjko sprong van de ram en rende naar de wilgen langs het pad. De oude man rook aan zijn tabak, verspreidde zijn mantel, draaide zich naar de zon en verwarmde zijn oude lichaam. Tsjipka ging naast hem zitten.<br \/>\nAl snel keerde Hrytsjko terug met een volle zak musjes.<br \/>\n\u2014 \u201cKijk, opa, hoeveel musjes ik gevangen heb!\u201d \u2014 pochte hij.<br \/>\n\u2014 \u201cWaarom heb je ze gevangen?\u201d \u2014 vroeg de oude man zonder zijn hoofd op te tillen.<br \/>\n\u2014 \u201cZodat die rotbeesten zich niet voortplanten!\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cHebben ze iemand iets aangedaan?.. Dat is zonde!\u201d \u2014 sprak Tsjipka, waarbij hij het laatste woord benadrukte.<br \/>\n\u2014 \u201cEn wie riep \u2018hij leeft, hij leeft\u2019 toen de joden Christus martelden?\u201d \u2014 antwoordde Hrytsjko en schudde de musjes uit de zak, met hun gele snavels.<br \/>\nTsjipka keek naar de oude man die daar rustig lag te dutten en hun gesprek niet volgde. De musjes begonnen zich te verspreiden. Hrytsjko pakte het herdersfluitje.<br \/>\n\u2014 \u201cWaarheen?.. waarheen!..\u201d \u2014 riep hij. En hup! Hij ging met het fluitje los op de musjes\u2026 hun ingewanden sprongen eruit\u2026<br \/>\n\u2014 \u201cDat is voor jullie, levend-levend!.. levend-levend!\u201d \u2014 riep Hrytsjko, terwijl hij steeds opnieuw met het fluitje sloeg.<br \/>\nTsjipka keek afwisselend naar de musjes en naar de oude man: zou hij iets zeggen? De oude man lag stil. \u201cDus het is waar dat ze riepen: levend-levend!\u201d \u2014 dacht Tsjipka en hij greep in\u2026 Zijn ogen brandden, hij beefde helemaal\u2026<br \/>\n\u2014 \u201cWacht, Hrytsjko! Wacht! Niet slaan\u2026 We kunnen ze beter de nek omdraaien!\u201d<br \/>\nHij greep een musje en draaide het hoofdje om\u2026 Nog voor hij met zijn oog kon knipperen, had hij in de ene hand het lijfje en in de andere het hoofdje.<br \/>\n\u2014 \u201cEn het leeft! en het leeft!!\u201d \u2014 riep Tsjipka\u2026<br \/>\n\u2014 \u201cEn het leeft! en het leeft!..\u201d \u2014 echoode Hrytsjko\u2026<br \/>\nAl snel waren de musjes weg: er lagen alleen nog hoofdjes en lijfjes\u2026<br \/>\n\u2014 \u201cNu kunnen we ze ook met het fluitje slaan,\u201d \u2014 zei Tsjipka en nam het fluitje in de hand. Hrytsjko deed hetzelfde. Ze stapelden de musjes op elkaar en sloegen erop, alsof ze korenschoven dorsten\u2026 Er bleef geen mus meer over: alleen maar vlees en ingewanden, vermengd met aarde.<br \/>\n\u2014 \u201cLaten we er nog meer vangen,\u201d \u2014 zei Hrytsjko, \u2014 \u201cer zijn er nog meer.\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cLaten we gaan,\u201d \u2014 stemde Tsjipka toe.<br \/>\nEn ze renden naar de wilgen, elkaar voorblijvend.<br \/>\n\u2014 \u201cWaar gaan jullie heen?\u201d \u2014 vroeg de oude man, terwijl hij zijn hoofd optilde. \u2014 \u201cGa eerst de schapen bijeen drijven! Kijk hoe ze verspreid lopen\u2026 Anders pakt het wild ze nog\u2026\u201d<br \/>\nDe oude man ging weer liggen en viel al snel in slaap.<br \/>\nDe jongens renden\u2026<br \/>\n\u2026Snel dreven ze de schapen bijeen en klommen, als jonge poezen, in de wilgen om musjes te vangen. Met z\u2019n twee\u00ebn vingen ze er zelfs meer dan Hrytsjko alleen. Vervolgens, nadat ze de nekken hadden gedraaid, sloegen ze met de fluitjes\u2026 alles werd tot pulp geslagen!<br \/>\nDe zon steeg steeds hoger. Eerst straalde en verwarmde ze zo mooi, maar nu brandde ze al zo fel dat de oude man wakker werd\u2026<br \/>\n\u2014 \u201cAh, wat is het warm!\u201d \u2014 zei hij en schoof zijn mantel onder de wilg in de schaduw. \u2014 \u201cLaten we eens ruiken en spelen\u2026 Jongens, het lijkt erop dat ze ergens musjes vangen\u2026\u201d<br \/>\nDe oude man rook.<br \/>\n\u2014 \u201cAh\u2026 dat is goed!\u201d \u2014 zei hij, niesde en pakte een fluit uit de zak.<br \/>\nHij nam de fluit, bevochtigde het gaatje, floot \u00e9\u00e9n keer, twee keer, en begon te spelen, \u201cDe Herder\u201d. De fluit klonk luid over het veld, alsof iemand jammerend zong; het geluid stierf langzaam weg, alleen het gesnuif bleef\u2026 Dan weer, een tweede keer\u2026 een derde keer\u2026 en er klonk een zware klaagzang\u2026 Het werd triest, zwaar\u2026 De kudde boog het hoofd alsof ze luisterde naar die zware klaagzang\u2026 De fluit stopte weer. Even later klonk een zacht gelach tussen de tranen dat het veld vrolijk maakte; daarna sterker\u2026 sterker\u2026 de tranen droogden op\u2026 het gelach stierf weg\u2026 en een vrolijke, dansende kozak klonk\u2026<br \/>\n\u2014 \u201cDat is opa die speelt,\u201d \u2014 zei Tsjipka. \u2014 \u201cLaten we naar hem gaan!\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cJa, laten we gaan.\u201d<br \/>\nZe renden.<br \/>\n\u2014 \u201cMisschien is het tijd, jongens, om de schapen te laten drinken!\u201d \u2014 begroette de oude man hen.<br \/>\nDe jongens verzamelden de kudde en dreven die naar de waterplaats. Daar gebeurde bijna een ongeluk. Terwijl ze de kudde over de wei dreven, verscheen ineens een grijze wolf en trok schielijk een lammetje het bos in\u2026 De kudde schrok en week opzij, Hrytsjko werd bijna omvergeworpen; Lysko sprong achter de wolf aan. Tsjipka volgde Lysko. De wolf zag dat hij geen kans had, liet het lammetje los en vluchtte het bos in\u2026 Tsjipka en Lysko achtervolgden hem. De oude man hoorde dat Lysko naar de wolf blafte en kwam er zelf bij\u2026 Maar waar in het bos zou je de wolf vinden? Het enige wat gebeurde, was dat de oude man Tsjipka prees, omdat hij niet bang was voor de wolf en het lammetje had gered.<br \/>\nZe keerden terug van de waterplaats. Ze lunchten met droog brood met zout; de oude man ging weer slapen; de jongens liepen rond om de schapen bijeen te drijven; Tsjipka vertelde over hoe de wolf hem leek: \u201cGroot, maar laf\u201d; Hrytsjko, ongeacht het verbod, deed een ritje op de ram, zolang opa het maar niet zag\u2026 Daarna lunchten ze. Tsjipka vroeg de oude man van alles; de oude man vertelde over alles, speelde op zijn fluitje\u2026 Zo ging het tot de zon begon te zakken. Dan zei de oude man altijd tegen de jongens: \u201cTijd, jongens, om naar huis te gaan!\u201d<br \/>\nDe jongens verzamelden de schapen in de kudde en dreven ze naar het dorp. Daar, in de wei, werden ze begroet door de mensen, en ieder nam zijn eigen schapen mee naar huis. Nadat ze de schapen hadden verspreid, gingen de jongens terug naar huis, en de oude man sloot zich op in zijn hut tot de volgende ochtend.<\/p>\n<p>V GEHEIM \u2014 NIET GEHEIM<br \/>\nTsjipka voelde zich goed bij opa als herder. Het werk was niet zwaar en precies geschikt voor hem, naar zijn leeftijd en naar zijn karakter. Maar het was niet alleen nutteloos werk. Opa kreeg in de zomer vijf cent per schaap. Hij gaf Tsjipka en Hrytsjko voedsel en nog vijf zakken brood, plus twee of drie lammetjes per jaar. Wat nog meer? Voor het voedsel verdiende hij zijn eigen geld, dat ging naar kleding, de lammetjes waren winst.<br \/>\n\u2014 \u201cDank U, Heer, dat U ons uit onze ellende heeft verlost!\u201d \u2014 dankte Motrja God. \u2014 \u201cIk had al niet meer gedacht dat er iets goeds uit hem zou komen\u2026\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cHij begint verstand te krijgen,\u201d \u2014 antwoordde Orysjka \u2014 \u201chij zag zelf wat er moest gebeuren\u2026 En voor mij, oud vrouwtje, viel er brood van hem te eten\u2026 dank God!\u201d<br \/>\nZo waren ze blij en dankten God dat ze even konden ontsnappen aan de zware armoede, nood en ellende\u2026 En in hun huis werd het schoner, lichter; het brood was niet meer zo zwart en droog; de pap bij de soep kwam niet tekort; soms was er zelfs kaas voor de vareniki\u2026 En de kleren, voor de feestdagen, waren zoals bij andere mensen; en op gewone dagen hingen ze niet als oude vodden\u2026 Het huis rondom werd bepleisterd, al was het met rode klei, maar netjes; het dak werd geplakt, geen rotte, gatenvullende woning; achter het huis keek de schuur uit, de kelder was donker\u2026 Er was al een varken met een biggetje en tien lammetjes. Tegen Pasen hadden ze hun eigen biggetje en hun eigen lammetje, en de paastafel was wit\u2026 Er was meer en betere welvaart.<br \/>\nEn toen, na het overlijden van een kinderloze, verre verwant van Motrja, werd hun een stuk akkerland nagelaten, ongeveer tien dagwerken groot\u2026 Na rechtszaken en geruchten, na twee zakken tarwe en twee ooien die Motrja aan de dorpssecretaris gaf, werd het land gegeven aan Motrja door de gemeenschap\u2026<br \/>\n\u2014 \u201cMaak je geen zorgen, Tsjipka,\u201d zei Motrja blij, \u2014 \u201cnu hebben we eigen rogge, eigen tarwe, gierst, gerst en boekweit\u2026 Ik zal een plekje voor aardappelen uitkiezen, voor de winter hebben we genoeg!\u2026 En tegen Kerst voeden we het varken\u2026 We verkopen het spek, pekelen het vlees, maken worst\u2026 Het komt goed! Laat onze vijanden nu maar lachen, laat ze ons vermijden!\u201d<br \/>\nMotrja leek jonger, vrolijk.<br \/>\nMaar waren het echt zulke gelukkige en heldere dagen die Tsjipka vormden? Of waren het alleen successen en vreugdes die zijn jonge kracht voedden, die uit zijn scherpe blik en moedige houding naar voren kwam?<br \/>\nO, nee! Het leven is als een doornenveld: je komt er niet door zonder je voeten te prikken.<br \/>\nDe eerste doornenprik in Tsjipka\u2019s leven was de dood van zijn oma. Hij was toen net vijftien jaar oud. Oma was al oud, wit als melk, droog als een beschuit. Zelfs in de zomer verliet ze de hut niet, behalve op de heetste dag, dan ging ze op de stoep zitten, legde haar droge, blauwe handen in haar schoot en genoot van de zon. Maar in de herfst bleef ze bij Motrja steeds maar klagen:<br \/>\n\u2014 \u201cOch, dochter, ik voel me zo slecht\u2026 Zo slecht, zo slecht! Het voelt alsof iets in mij stolt; ik kan mijn handen en voeten helemaal niet bewegen, ik weet niet eens of ze er nog zijn\u2026 Waarschijnlijk komt mijn einde dichterbij\u2026\u201d<br \/>\nZo zei Orysjka het \u2019s avonds, en tegen de ochtend, gaf de oude vrouw haar ziel aan God.<br \/>\nOma lag op de tafel in het huis. Kruis in de handen, kaars bij het hoofd\u2026 Ze sloot haar ogen, kneep haar mond dicht\u2026 De priester kwam, de koster, de mensen verzamelden zich, namen de oude vrouw, droegen haar naar het kerkhof, lieten haar in het graf zakken en dekten haar toe\u2026 Motrja huilde. Tsjipka huilde niet\u2026 Hij voelde alleen angst en medelijden\u2026<br \/>\n\u2014 \u201cEr is geen oma meer\u2026 \u2014 dacht hij. \u2014 Oma is dood\u2026 er zal geen oma meer zijn\u2026 De dood heeft oma genomen\u2026 wrede dood\u2026 Maar wat is dat voor dood? Wie weet?..\u201d<br \/>\nEen donkere schim stond op in Tsjipka\u2019s gedachten, als een angstaanjagend, koud, onaangenaam wezen\u2026 Spreek, kijk, en daar\u2026 tanden geklemd, tong verstijfd, ogen dichtgeslagen\u2026 Ze gooien je in de aarde \u2014 donkere, onaangename duisternis, stomheid, ondoorgrondelijke kou en mist! Zelfs de wormen kruipen, koud en slijmerig, kronkelen zich op, draaien zich, haasten zich naar het lichaam\u2026<br \/>\n\u2014 \u201cUgh!.. walgelijk\u2026 eng!\u2026\u201d Tsjipka rilde.<br \/>\n\u201cEn van wie komt dit? \u2014 vroeg zijn angstige gedachte. \u2014 Ze zeggen van God?.. De dood van God?.. donkere stilte\u2026 wormen\u2026 alles van God?! Heer God! Moet dit echt?.. En voor slechte mensen genoeg, maar voor goede?.. Maar oma was zo goed, zo vriendelijk voor iedereen\u2026 En toch zo gestraft?.. Is het hetzelfde voor iedereen?.. Waar is dan de rechtvaardigheid?.. O nee, nee! hier klopt iets niet, hier is iets anders, iets\u2026 anders\u2026\u201d<br \/>\nTsjipka raakte in gedachten verzonken\u2026 Hij werd angstig, grauw, kromp in elkaar, keek vreemd\u2026 Hij hief zijn ogen op naar jou, en zag niets; roep hem, hij hoort het niet\u2026 En hij zakte in elkaar. \u2019s Nachts stond hij op, kleedde zich aan, deed zijn schoenen aan\u2026<br \/>\n\u2014 \u201cTsjipka! Waar ga je heen?\u201d \u2014 vroeg zijn verbaasde moeder.<br \/>\n\u2014 \u201cHa-a?\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cWaar ga je heen?\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cOma roept\u2026 ik ga naar oma\u2026\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cMaar God zij met je! Oma is er niet meer, ze is dood\u2026\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cWat is dat dan?.. Luister!..\u201d \u2014 En hij spitste zijn oren, luisterde\u2026 \u2014 \u201cO-o-o-o! \u2018Tsjipka!.. Chii-ip-ka!..\u2019 Hoor je?.. \u2014 Nu, nu, oma\u2026 ik kom nu!..\u201d<br \/>\nHij grijpt zijn laarzen, trekt ze aan, wikkelt zijn deken om zich heen\u2026<br \/>\n\u2014 \u201cGod zij met je! Waar ga je heen?\u201d \u2014 bekruist Motrja hem en maakt zich zorgen.<br \/>\nZe probeert hem te kalmeren; ze helpt hem uitkleden, doet zijn schoenen uit\u2026 Dan wordt hij een beetje rustiger en gaat op de bank zitten.<br \/>\n\u2014 \u201cGa liggen, zoon.\u201d<br \/>\nTsjipka beweegt zich een beetje, schuift op, en blijft zitten\u2026 Even later trilt zijn lichaam, zijn hoofd zakt op zijn borst, zware snikken klinken\u2026<br \/>\n\u2014 \u201cWaarom huil je, zoon?\u201d<br \/>\nTsjipka zwijgt en huilt.<br \/>\nEen hartstochtelijke pijn overvalt hem. Motrja probeert alles te doen om hem te helpen. Ook al herstelde hij, en hoewel hij sterker werd met de jaren, verloor hij nooit zijn droevige blik, zijn sombere uitstraling. De dood van zijn oma had hem een raadsel opgegeven, dat hij maar niet kon oplossen\u2026 Hij werd steeds norser en nijdiger\u2026<br \/>\nNog voordat hij het een beetje had vergeten, kwam het volgende avontuur dat een grote rol zou spelen in het verdere leven van Tsjipka.<br \/>\nTsjipka was zeventien jaar oud. Dat jaar werden de eeuwenoude lijfeigenschapsketenen verbroken\u2026 Het was vroeg in het voorjaar. De zon kwam heel vroeg op, schitterend en alles verlichtend met een rode gloed\u2026<br \/>\n\u2014 \u201cEh, de zon is wel heel vroeg wakker,\u201d zei opa Oelas, terwijl hij naar de lucht keek, \u2014 \u201cals er maar geen regen komt!\u201d<br \/>\nEn inderdaad: nog voordat ze de kudde ver genoeg van het dorp hadden gebracht, begonnen de wolken zich van alle kanten samen te trekken en bedekten de lucht\u2026 Niet lang daarna begon het te regenen\u2026 een fijne, dichte regen, alsof het door een zeef viel\u2026 Eerst leken de schapen blij, ze verspreidden zich over het weiland, knabbelden aan het lage gras; maar toen de regen heviger werd, kwamen ze bij elkaar, hingen hun hoofden tussen de benen en bleven zo de hele dag staan. Ze konden niet naar huis worden gedreven: wat moesten ze met ze doen? En de regen viel maar door\u2026 Er bleef geen droog stukje over op onze herders, en hij dacht er niet aan om te stoppen.<br \/>\nZe gingen alle drie onder de wilg zitten. Ze wachtten tot de regen voorbij was. Lysko kroop ook opgerold bij hen in een kringetje. Iedereen was somber.<br \/>\n\u2014 \u201cDus, opa, is jullie vrijheid gekomen?\u201d \u2014 vroeg Tsjipka, om in elk geval een beetje te praten.<br \/>\n\u2014 \u201cVoor sommigen vrijheid, voor anderen slavernij!\u201d \u2014 antwoordde de oude man droevig.<br \/>\n\u2014 \u201cHoe bedoel je?\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cZo\u2026 veel praten, maar weinig luisteren!\u2026 We hebben nog te weinig gedaan, nog te weinig tranen en bloed vergoten\u2026 laat ze nog twee jaar doorkomen!.. Oh, God, God! wanneer zal jouw rechtvaardige oordeel komen?\u2026\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cMaar voor u maakt het niet uit, opa: u bent allang vrij,\u201d zei Hrytsjko.<br \/>\n\u2014 \u201cVrij?.. We waren vrij, totdat er geen vrijheid meer was\u2026 Och!\u2026 Ik werkte tot ik mijn kracht had verbruikt en geen tand meer in mijn mond had\u2026 Toen werden we van het erf af gezet, helemaal buiten! Verspil het brood van de heer niet\u2026 Gelukkig, goede mensen toonden genade, anders had ik rond moeten zwerven, verloren gaan als een hond onder de haag, voor Christus\u2019 wil mijn hand uitstrekken\u2026 Maar nu weer: betaal tien karbovanets per jaar! Voor wat?.. waar vandaan?.. Jij, zeggen ze, hoedt de gemeenschappelijke kudde, je verdient zo\u2019n vijftig roebel\u2026 Welke? waar? Ik ben oud, arm\u2026 Gelukkig hebben de mensen medelijden getoond\u2026 Maar nee! En dat geef je ze\u2026 en zelf sterf je van de honger\u2026 Vervloekt! geen rechtspraak voor jullie, geen recht!..\u201d \u2014 eindigde de oude man bitter.<br \/>\nTsjipka voelde een rilling over zijn rug gaan: hij had nog nooit de stem van zijn opa zo gehoord\u2026 Zijn gedachten raakten in de war, draaiden rond; bloed stroomde naar zijn hoofd; hij zweeg, bang om met een woord het verdriet van zijn opa te verstoren\u2026 Hij wist niet dat hij zoiets voelde, maar voelde vanuit opa\u2019s woorden dat het zwaar, zwaar was\u2026<br \/>\nTien minuten zaten ze zwijgend, alsof ze water in hun mond hadden verzameld. Het voelde zwaar aan de ziel, het hart was droevig, bijna benauwd\u2026 Zo gaat het wanneer je iets slechts voelt in je hart, maar het niet kunt benoemen. Minuten lijken uren, uren lijken dagen, dagen lijken jaren\u2026 De worm kruipt sneller dan zulke minuten\u2026 En je wilt vooruitkijken, zien wat er gaat gebeuren, en angst grijpt je, tot je haren overeind staan en je hart verhardt\u2026<br \/>\nDe oude man begon weer te praten, alsof hij tegen zichzelf sprak:<br \/>\n\u2014 \u201cNog te weinig mensen gedood, naar het hiernamaals gestuurd? Nog te weinig verloren in de reizen, alsof de aarde ze heeft opgeslokt?.. En van de levenden, nog een beetje soep gekookt?! Zo, en weer naar de oude man\u2026 Wat zal men van mij nemen?! Ik dien de mensen, dien de gemeenschap, voor brood, voor dank\u2026 dat is alles! Nou, neem maar weer mee naar het erf, ik zal liggen en brood verspillen, en goed\u2026 Neem maar?! Zo gezegd, zo gedaan, neem maar! En de steppe?.. en de schapen?.. Ik ben eraan gewend, als iets van mezelf\u2026 Vaarwel?! Zodat jullie met jullie kracht afscheid nemen!.. Een schaap voor mij is hetzelfde als een mens: het eet, het drinkt, het lijdt\u2026 maar het zegt niets, spreekt niets uit!.. Zie ik het niet, weet ik het niet, hoe deze regen hen bereikt?.. Voor mij niet op dezelfde manier: ik ben al een oude hond, heb alles meegemaakt\u2026 En dat lammetje? Het kromde zich, trilde, was verkleumd. Ik zie het, ik zie het\u2026 Ik zou je bij mijn hart verwarmen, als een kind\u2026 Maar ik kan het niet! Onze vijand neemt mij van jullie om te kwellen\u2026 Nog een beetje\u2026 nog, zie\u2026 nog\u2026\u201d<br \/>\nDe oude man kon niet verder spreken\u2026 Twee hete tranen rolden uit zijn oude, gele ogen en verspreidden zich over zijn door ouderdom en tegenslagen getekende gezicht.<br \/>\nHrytsjko zat met open mond, hij wist zelf niet wat hij moest zeggen\u2026<br \/>\nTsjipka keek aandachtig naar opa, durfde zijn ogen niet van hem af te wenden\u2026 Zijn gezicht werd bleek; over zijn rug kriebelde het alsof mieren liepen; zijn bovenlip trilde, en zijn ogen, droog en gloeiend, stonden vol tranen vermengd met bloed.<br \/>\n\u2014 \u201cWie? Wie?!\u201d \u2014 schreeuwde hij, haperend. \u2014 \u201cWie zal onze opa van ons afnemen?.. Nee!.. We geven opa niet weg, zolang hij ons niet neerlegt!\u201d<br \/>\nOpa keek op en ontmoette Tsjipka\u2019s vurige blik.<br \/>\n\u2014 \u201cDe heer zal hem nemen, Tsjipka!.. Hij zal hem meenemen, mijn zoon!.. Ik ga naar het erf, de oude leeftijd in gevangenschap doorbrengen\u2026 jullie achterlaten\u2026 Alles achterlaten: de steppe, de schapen\u2026 Lysko, mijn trouwe hart\u2026\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cHij zal hem niet nemen\u2026 nee! Laat hem het proberen\u2026 ik zal hem een haan sturen!!\u201d \u2014 zei Tsjipka dreigend.<br \/>\nOpa kon zijn oren niet geloven.<br \/>\n\u2014 \u201cWat zeg je, zoon? Heb je God in je buik, maar de tsaar in je hoofd?! Kom tot jezelf! Je zal hem kwaad doen, en anderen zullen ook lijden\u2026 Jij doet alleen schade, hij zal zich snel weer herstellen; maar de armen zullen verbranden, die misschien hun enige geluk vinden in hun bescherming\u2026 Wees voorzichtig, God zij met je!\u201d<br \/>\nHet werd nog triester, nog zwaarder. De regen viel als uit een emmer. Iedereen trok zijn mantel dicht over zijn ogen.<br \/>\nLysko kroop dichter bij opa; hij ging liggen aan zijn voeten. Opa schudde zijn hoofd: \u201cDat is zijn vader! Als twee druppels water\u2026\u201d \u2014 zei hij hardop.<br \/>\n\u2014 \u201cWie?\u201d \u2014 vroeg Hrytsjko.<br \/>\n\u2014 \u201cDie daar!\u201d \u2014 wees opa naar Tsjipka.<br \/>\n\u2014 \u201cKende u mijn vader?\u201d \u2014 vroeg Tsjipka somber.<br \/>\n\u2014 \u201cHoe kun je hem niet kennen, we komen van hetzelfde erf.\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cWas mijn vader een heer? Maar hij was een Moskovi\u00ebr!\u201d \u2014 zei Tsjipka verbaasd.<br \/>\n\u2014 \u201cWat dan nog, dat hij een Moskovi\u00ebr is\u2026 Worden Moskouse mensen geboren als Moskouse mensen?.. Blijkbaar heeft niemand je ooit over hem verteld\u2026\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cNee.\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cZie je wel! Mensen zijn hem nog steeds niet vergeten\u2026\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cWat dan?\u201d \u2014 vroeg Tsjipka, zijn oren spitst en zijn ogen op opa gericht.<br \/>\n\u2014 \u201cHm\u2026 kijk!\u201d \u2014 Opa haalde een tabaksholster van bast tevoorschijn en rook eraan.<br \/>\n\u2014 \u201cVertel, opa!\u201d \u2014 smeekte Tsjipka.<br \/>\n\u2014 \u201cGoed. Als niemand het je verteld heeft, zal ik het je vertellen\u2026 Het is een oude zaak,\u201d begon opa. \u201cIk was toen ongeveer twintig jaar, toen ze je vader als lakei bij de jongeheer brachten\u2026 Ze vertelden dat je grootmoeder de oude heer gunstig gezind was, en dat je vader werd bijgevoegd bij diens zoon\u2026 Hij was klein, mager, ziekelijk\u2026 maar zo ondeugend als een kat! Hij volgde de jongeheer, niet echt, hij luisterde niet. De jonge heer pikte hem soms, kneep in hem\u2026 Maar hij zwaaide zijn hand en sloeg hem vol op zijn gezicht\u2026 Zo verpletterde hij de neus van de jongeheer! De vrouw kwam door het geschreeuw; de heer zelf kwam binnen\u2026 \u2018Naar de stal ermee!..\u2019 De lakeien namen hem mee naar de stal en sloegen hem zo dat hij niet kon liggen of zitten\u2026 Toen had hij niemand meer om zich toe te wenden: zijn vader viel in een ketel in de wijnpers, en zijn moeder stierf aan cholera\u2026 Nadat ze hem zo gestraft hadden, vocht hij nooit meer, hij werd alleen sluw. Hij bedroog de jongeheer voortdurend en wist van alles uit zijn handen los te peuteren&#8230; totdat ze hem daarvoor uiteindelijk een flink pak slaag gaven! Toen hij gestraft was, probeerde hij zichzelf te verdrinken, maar de mensen lieten het niet toe\u2026 En de heer sloeg hem opnieuw, zodat hij zijn lijfeigene ziel niet zou verdrinken, want voor hen moest belasting worden betaald! Zo trok hij, terwijl hij reisde, mee met Sjamraj \u2014 als koetsier van het hof \u2014 naar de Don. Daar groeide hij op, trouwde en vestigde zich\u2026 Maar het kwaad dwong hem om naar Chroesjtsj te informeren, een zoon van de kozakken, van dezelfde leeftijd, die trok naar de Don naar zijn ooms, en daar, zeggen ze, stierf hij\u2026 Maar het ging niet om Chroesjtsj, maar om zijn geboortegrond\u2026 Wanneer hij eraan denkt, lijkt het alsof hij zou opstaan en vertrekken, als het niet voor slavernij was\u2026 Maar toen sprong Chroesjtsj op. Hij kreeg ergens een paspoort van de Chroesjtsj-familie en verliet vrouw, kinderen en huis, en kwam hierheen. Hij werd opgenomen in de kozakkengemeenschap. Chroesjtsj bleef Chroesjtsj! Een kozak, vrij\u2026 Misschien dacht hij de kudde van Chroesjtsj in bezit te krijgen, maar goede mensen verspreidden alles in stukjes\u2026 Zo trad hij in dienst, verdiende geld, kocht een huis en trouwde met jouw moeder. Misschien leefde hij hier twee jaar, maar toen trok hij weer naar de Don naar zijn eerste vrouw. Daar werd hij gevangen genomen! Ze brachten hem weer hierheen\u2026 rechtszaken en geruchten\u2026 Wie hij was, wat hij had gedaan\u2026 Maar, zeggen ze, onze man fluisterde tegen iemand: stuur hem weg, waarheen je maar kunt, ik heb hem niet nodig! Zo werd hij met rust gelaten, maar bij de eerste gelegenheid geslagen\u2026 Kijk! Zo\u2019n Moskovi\u00ebr is hij! Begrijp je het nu?\u201d<br \/>\nTsjipka luisterde, luisterde, en boog zijn hoofd naar zijn borst terwijl hij bleef luisteren\u2026 Hij merkte niet dat het al avond werd. Opa zorgde samen met Hrytsjko voor de kudde.<br \/>\n\u2014 \u201cKom op, tijd om naar huis te gaan!\u201d \u2014 riep opa al vanaf de weg.<br \/>\nTsjipka keek naar opa, stond op en kwam langzaam mee, achter de kudde aan, alsof hij dronken was, alsof hij verdoofd was\u2026 Zijn hoofd hing op zijn borst, zijn ogen waren op de grond gericht\u2026 Hij hoorde niets, zag niets\u2026 Hij wist niet wanneer hij het dorp bereikte of weer thuis kwam\u2026 Pas toen hij in huis was, kwam hij weer bij zinnen.<br \/>\n\u2014 \u201cWas mijn vader echt zo, mama?\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cHoe bedoel je?\u201d<br \/>\nTsjipka begon te vertellen\u2026<br \/>\n\u2014 \u201cZo was hij\u2026\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cWaarom hebt u me dit niet eerder verteld?\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cWat zou dat hebben uitgemaakt, zoon?\u201d<br \/>\nTsjipka zweeg. Hij dacht na\u2026<br \/>\n\u2014 \u201cNiets\u2026\u201d \u2014 zei hij langzaam en viel weer stil.<br \/>\nHet huis werd somber, als een kelder\u2026 Tsjipka zat op de bank, zijn benen bungelden, zijn hoofd hing bijna tot aan zijn knie\u00ebn\u2026 Als je hem zo zou tekenen, zouden ze zeggen: hier zit geen man, dit is het verdriet zelf. Motrja, terwijl ze naar hem keek en aan vroeger dacht, huilde zachtjes\u2026<br \/>\n\u2014 \u201cNee! Mijn vader deed verkeerd,\u201d \u2014 begon Tsjipka op een doffe, monotone manier\u2026 \u2014 \u201cNee\u2026 verkeerd!.. Waarom heeft hij ze niet uitgeroeid, niet verbrand?..\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cWie, zoon?\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cDe heren!\u201d \u2014 zei Tsjipka vastberaden.<br \/>\n\u2014 \u201cWat zeg je, zoon? Laat God hen daarvoor belonen, niet de mensen!\u201d<br \/>\nTsjipka zweeg. Motrja maakte het kruisteken en begon opnieuw te huilen. Haar zachte gehuil vulde het huis in de donkere avond; het gleed over de vloer, het plafond, de witte muren en drukte op het hart van zowel moeder als zoon.<br \/>\nHij zat treurig, stil als een muur. In zijn gedachten, voor zijn ogen, vloog zijn vader rond als een zwarte raaf\u2026<br \/>\n\u201cMijn arme vader! \u2014 dacht hij. \u2014 Jij kende vanaf je jeugd geen lot, misschien tot aan je dood\u2026 Ze joegen je van het ene einde van de wereld naar het andere, van het landgoed van de heer naar de Don, en van de Don naar de legerkeuring&#8230; Waar ben je nu? Wat is er nu met je?.. Brandt je pijnlijke lichaam onder de grond? Heeft de Moskouse zweep je in stukken geslagen? Heeft een vijandige kogel je in de strijd doorboord?.. Zijn je botten samen met paardenbeenderen in \u00e9\u00e9n kist, op \u00e9\u00e9n hoge heuvel begraven?! En niemand zal zeggen, niemand zal weten dat je gemartelde ziel er ligt zonder vergelding\u2026 Misschien bracht het lot je naar een ver land, naar de andere kant van de wereld, denk je slapeloze nachten aan je moeder: hoe zij hier, arme vrouw, terugkeert, wat mensen met haar doen\u2026 O, onze God, God! Jij, universele koning: jij ziet alles, weet alles\u2026 alleen jij waakt over de aarde en hebt macht over haar\u2026 Waarom straf je het kwade niet en laat je het goede lijden?! Waarom richt je je rechtvaardige woede niet op de misdadiger?.. Nee\u2026 jij zwijgt\u2026 zwijgt, als een stomme nacht\u2026 Ons gehuil bereikt je niet\u2026 onze tranen\u2026 onze vijanden hebben ze van je afgenomen\u2026 Jij straft hen niet\u2026 nee?!.\u201d<br \/>\nTsjipka was uitgeput. Hij viel als een blok op de bank en kreunde alleen. Een zware, onverwachte droefheid overviel hem; gedachten raakten verward, draaiden in zijn hoofd in wanorde, als een winterstorm\u2026 Hij herinnerde zich niet wat hij dacht; hij voelde niet hoe zwaar hij kreunde\u2026<br \/>\n\u2014 \u201cWaarom kreun je, zoon?\u201d \u2014 vroeg Motrja bezorgd.<br \/>\nTsjipka zweeg.<br \/>\n\u2014 \u201cVoel je je niet goed?\u201d<br \/>\nHij zweeg.<br \/>\n\u2014 \u201cSlaap je, zoon?\u201d<br \/>\nHij zweeg.<br \/>\nDe regen was allang gestopt; de wolken waren verdwenen; de heldere maan scheen door de ramen en schilderde wonderlijke patronen op de vloer en de muren. Motrja stond zachtjes op, sloop naar de bank waar Tsjipka sliep, en keek naar zijn bleek gezicht. Zijn ogen waren door vermoeidheid gesloten, zijn kaken op elkaar geklemd, zijn gezicht angstaanjagend, streng. Het hart van de moeder kromp pijnlijk bij dat angstaanjagende gezicht\u2026<br \/>\n\u2014 \u201cMoge de Moeder Gods je beschermen tegen al het kwade,\u201d fluisterde ze. \u2014 \u201cSlaap, zoon, misschien slaap je het uit.\u201d<br \/>\nZe rolde de mat uit op de vloer, ging zelf liggen en probeerde ook even te slapen.<br \/>\nNu werd Tsjipka niet door koorts overvallen, alleen zijn gezicht verbleekte een beetje. Maar verdriet omklemde zijn hoofd. Zo\u2019n verdriet en smart, dat was bijna ongelooflijk: zo\u2019n jonge jongen, en toch zo treurig!<br \/>\nTsjipka kwam er zoetjesaan als herder doorheen tot de herfst. In de herfst begonnen ze geld te innen bij opa. Opa gaf niets, want hij had geen tien karbovanets, en vijf werd niet geaccepteerd. Ze sleepten opa, als een os voor de slacht, naar de heer Polskys hof\u2026 Een nog zwaarder verdriet overviel Tsjipka, zijn droefheid omsloot hem nog steviger. Eerst, dacht hij, zou hij met opa zijn hart luchten, zich afleiden, maar nu, opa was er niet\u2026 en ze lieten hem het hof niet binnen!<\/p>\n<p>VI ONTDEKT<br \/>\nDe winter viel in. Tsjipka ging naar de weiden, liep rond de aardwoning met zijn hoofd gebogen. Het huis van opa was bedekt met sneeuw; de vorst had de kleine raampjes dichtgemetseld; de deur was dichtgewaaid, geblokkeerd. Tsjipka schopte met zijn voeten wat sneeuw opzij, duwde de deur open, stapte de aardwoning binnen. Leeg en koud! \u201cOpa is er niet,\u201d dacht Tsjipka, \u201cen de aardwoning, onlangs nog vriendelijk en warm, is koud en onaangenaam geworden\u2026 Dit is wat machtigen doen met de zwakken! Heren met lijfeigenen\u2026 Ze deden dat ook met mijn vader\u2026 ze hebben hem van mij weggenomen\u2026 ik ken hem niet, ik heb hem niet gezien\u2026 ze bedekten mijn hoofd met schaamte, met verwijten\u2026 Vervloekt!\u201d<br \/>\nTsjipka keerde terug naar het dorp. Hij liep door de straat langs de herberg; keek om zich heen, luisterde. Daar liepen mensen heen en weer; daar klaagden mannen over hun armoede en de bittere vorst; daar maakten jonge vrouwen ruzie om een omheining\u2026 Bij de herberg verzamelde zich een hele groep lijfeigenen. Geschreeuw, geroep, discussie, rivaliteit\u2026<br \/>\nDe \u00e9\u00e9n riep:<br \/>\n\u2014 \u201cWat, ze bedriegen ons? Ze mishandelen ons? Ze hebben nog twee jaar bedacht? Nog even?\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cJa, nog een beetje,\u201d antwoordden de anderen. \u201cZe hebben afgesproken om niet meteen hun herenhanden te verbranden\u2026\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cLaat de beul ze nemen, met hun handen!\u201d riepen de derden. \u201cZe zijn eraan gewend andermans hitte te grijpen\u2026\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cJa\u2026 en nu moeten ze hun eigen gebruiken, dus zeggen ze: nog twee jaar!\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cBlijkbaar hielden ze van onze handen,\u201d besloot de grijsharige oude man.<br \/>\n\u2014 \u201cWacht even!\u201d \u2014 riep weer iemand van de vurigen. \u201cZodra het gerucht de tsaar bereikt dat ze ons en hem bedriegen, zullen ze het weten! Hij zal hen dan tot lijfeigenen maken, en ons heren\u2026\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cDat zal pas gebeuren als er haar op je handpalm groeit,\u201d koelde een ander.<br \/>\n\u2014 \u201cWaarom haar? \u2014 riep de vurige. \u201cZegt de tsaar: wees heren\u2026 nou, dan zullen we dat zijn!\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cDat is pas iets!!\u201d \u2014 spotte de ander.<br \/>\n\u2014 \u201cJa\u2026 niet zoals nu!\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cIk zou mijn eigen nu als een dwaas in een slee spannen, en naar het hout\u2026 maar nu is het zo koud in huis dat zelfs de wolven huilen,\u201d zei iemand uit de groep.<br \/>\n\u2014 \u201cJa, het vriest al! Zo\u2019n winter hebben we nog niet gehad\u2026\u201d \u2014 mompelde de groep.<br \/>\n\u2014 \u201cZullen we niet naar Haljka gaan om ons te verwarmen?\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cLaten we gaan!\u201d \u2014 antwoordden meerdere stemmen samen.<br \/>\nDe menigte trok naar de herberg. Tsjipka ging naar huis, zijn hoofd gebogen, denkend aan alles wat hij had gehoord\u2026 Vervloekingen borrelden in zijn hart, brandden, kwelden hem.<br \/>\nIn de lente overlegde Tsjipka met zijn moeder:<br \/>\n\u2014 \u201cWat te doen, mama? Opa is in gevangenschap\u2026 Zal ik misschien met iemand de schapen gaan hoeden?\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cWeet je, zoon, wat ik raad? \u2014 zei zijn moeder. \u201cLaat je schapen maar zitten, het is niet aan jou om ze te hoeden\u2026 Begin liever bij de grond. Het is niet alles van een ander en voor een ander doen. Misschien krijgen we ooit een eigen kudde: dan hebben we eigen brood. Je wordt zelf de baas\u2026 En in de herfst, als God het toestaat, moet je ook aan iets anders denken. Ik ben al oud, niet veel waarde meer\u2026 wie zal het huishouden regelen? Dank God, jij bent al groot\u2026 Anderen van jouw leeftijd hebben al kinderen\u2026\u201d<br \/>\nMaar Tsjipka luisterde niet naar het advies van zijn moeder. De steppe, de weiden, daar droomde hij van! \u201cIk ben opgegroeid, groot geworden bij de schapen\u2026 bij hen zal ik ook grijzer worden,\u201d dacht hij.<br \/>\nDe volgende dag ging hij in overleg met de gemeenschap.<br \/>\nDe gemeenschap accepteerde zijn diensten niet. \u201cTe jong, onbetrouwbaar\u2026 We hebben een oude herder nodig, zodat de schapen niet verdwalen.\u201d \u2014 Zo antwoordden de hoofdmannen van de gemeenschap, en ze stelden een oude herder uit een ander dorp aan.<br \/>\nDe onrechtvaardigheid van de gemeenschap deed Tsjipka zwaar pijn. \u201cHeb ik niet gediend? Heb ik niet goed opgepast? Is er iets verloren gegaan door mij?.. En waar is gerechtigheid? Waar is die? En de gemeenschap leeft, zie ik, van onrecht\u2026 Overal hetzelfde\u2026\u201d<br \/>\nHij keerde terug naar huis, bijna huilend. Tegen wil en dank moest hij zich aan de ploeg zetten.<br \/>\nTsjipka\u2019s handen gloeiden van de arbeid. Hij huurde een ploeg en ossen, ploegde het veld, zaaide het in en verbood iedereen eraan te komen; het kwam op, dicht en recht als een borstel! Bij het hooien stond hij als maaier klaar, hij maai\u00adde twaalf hooihopen. Er was genoeg om de schapen in de winter te voeden. Toen begon het oogstseizoen, hij maait bij maanlicht. Hij verdiende zo\u2019n tien roebel; kocht bij een rondtrekkende zigeuner een oude merrie; bracht het graan bijeen en stapelde het in een dorsvloer: zulke hopen bouwde hij op!<br \/>\nDe mensen stonden verbaasd over hoe handig Tsjipka was met de voering van het bedrijf! En zie, Tsjipka had het graan al gemalen, het stro stond nog, hij had het hele erf volgestapeld in rijtjes. Er was geen vee. Tsjipka verkocht meer dan de helft van het stro, een paar zakken graan en kocht in de herfst op de markt een koe.<br \/>\nMotrja was blij. Ze liep om de koe heen zoals om een kind. En er was ook een kalfje. En melk, en kaas, en boter. Wat nog meer? Er was genoeg voor henzelf en voor anderen. Motrja verkocht melk, kannetje voor kannetje, spaarde cent voor cent. Ze had zo een mooi bedrag verzameld en voor Kerst kocht ze voor Tsjipka nieuwe kleren: een mooie grijze hoed, een rode riem, goede leren laarzen. Ze dankte God dat er uit Tsjipka een fatsoenlijk mens was geworden.<br \/>\nDaar kwam weer de mooie lente. Tsjipka stortte zich volledig op het bedrijf. Vroeg op, laat naar bed, altijd op het veld. Hij was niet echt blij, maar ook niet bezorgd: door de arbeid had hij geen tijd voor zorgen. Hij vertrouwde volledig op zichzelf en zijn werk. Hij stortte zich op het veld alsof hij er verliefd op was\u2026 Niet alleen doordeweeks, ook op feestdagen.<br \/>\n\u2014 \u201cWaarom, zoon, ben je zo op dat veld gesteld dat je zelfs op zondag niet thuis blijft?\u201d vroeg Motrja. \u201cOf let je niet goed op daar?\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cJawel, ik let goed op,\u201d lachte Tsjipka, \u201cer is zoveel te doen!\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cZoek je jezelf een vrouw, zoon, en help mij een handje\u2026\u201d<br \/>\nTsjipka antwoordde niets: hij pakte zijn hoed en verliet het huis.<br \/>\nHet was zondag. Een sombere dag. Geen regen, alleen was de zon soms achter grijze wolken verdwenen. De hoorden de kerkklokken luiden. Tsjipka kleedde zich aan en ging met zijn moeder mee. Ze kwamen terug van de kerk en middageten. Tsjipka gaf de koe en de merrie water. Het was nog vroeg. Hij liep door de hof, verveelde zich. \u201cZal ik gaan? \u2014 dacht hij. \u2014 Ik ga\u2026 Als ik haar niet zie, kan ik me vergapen aan het veld\u2026\u201d<br \/>\nHij stond op en ging. Hij stak een bruggetje over en kwam bij de weide. Toen hoorde hij, weer dezelfde stem\u2026 Hij beefde helemaal, zijn hart bonsde wild!<br \/>\n\u2014 \u201cNee, wacht\u2026 nu niet zo!\u201d fluisterde hij, \u201cnu zul je niet merken waar het ongeluk vandaan komt!..\u201d \u2014 Hij bleef nog even staan, luisterde en ging toen in een vorenrij zitten en sloop stil als een dief richting de stem.<br \/>\nHet meisje zat op een heuveltje, op het groene gras, en vlocht een krans van kamille, kleine veldbloemen en andere bloemen die daar dichtbij op de weide lagen als een prachtig tapijt, geurend in de wind. Ze zat met de rug naar de plek waar Tsjipka vandaan kwam. Rondom haar lagen bloemen in het gras verspreid; een volle schort vol veldbloemen lag op haar knie\u00ebn. Ze liet afwisselend haar handen in de bloemen glijden, pakte bloem voor bloem, combineerde kleuren en bond ze samen met flexibele stengels. Toch nam dit werk niet al haar aandacht in beslag: ze zong zachtjes.<br \/>\nEen zachte wind streek door haar kleine zwarte krullen die uit haar dikke, lange vlecht waren ontsnapt, liet een rode brede lint in haar vlecht dansen en verspreidde haar melancholieke lied over het veld\u2026 Aan haar verdrietige stem en bedachtzame gezicht was te zien dat het meisje niet zonder leed leefde.<br \/>\n\u2014 \u201cHallo!\u201d riep Tsjipka in haar oor, sluipend van achteren.<br \/>\nHet meisje schrok, trilde; ze sprong op om weg te rennen, maar liet de bloemen uit haar schort vallen, ging weer op het gras zitten en begon met beide handen bloemen terug te gooien in haar schort.<br \/>\n\u2014 \u201cWaar wil je nu heen vluchten voor mij?\u201d vroeg Tsjipka.<br \/>\n\u2014 \u201cIk ga niet weg\u2026\u201d \u2014 hijgend antwoordde ze en keek hem met haar fluweelzachte ogen aan. \u2014 \u201cO-oh\u2026 je hebt me zo laten schrikken\u2026 niet leuk van jou!\u201d<br \/>\nTsjipka voelde zich helemaal verward door haar sprankelende blik en haar frisse, heldere stem. \u201cWat een mooi meisje\u2026 zo lief en aardig!..\u201d flitste door zijn gedachten. Hij stond zwijgend voor haar en bewonderde haar schoonheid. Zij bleef stil, plukte bloemen. Hij kreeg moed, ging naast haar zitten.<br \/>\n\u2014 \u201cWat wordt dit?\u201d vroeg hij als eerste, wijzend naar de onafgewerkte krans.<br \/>\n\u2014 \u201cZie je het niet? \u2014 een krans!\u201d riep ze.<br \/>\nBeiden zwegen weer. Hij leunde iets op zijn elleboog bij haar en keek schuin naar haar gezicht dat van de plotselinge schrik bloosde, het leek te gloeien. Ze plukte bloemen en bond ze in kleine bundeltjes van dezelfde kleur. Om hen heen stil, mooi, groen; alleen het wuivende graan ritselde zachtjes in de lange aren, alsof het met zichzelf sprak; de geur van de bloemen werd samen met de lucht ingeademd, het ademen voelde licht en aangenaam\u2026<br \/>\n\u2014 Is dit jouw veld? \u2014 vroeg ze een beetje verlegen aan Tsjipka, terwijl ze haar ogen niet van de krans losmaakte.<br \/>\n\u2014 Ja, van mij.<br \/>\n\u2014 En het graan is ook van jou?<br \/>\n\u2014 Ja.<br \/>\n\u2014 En dat daar onder het bosje, is dat ook van jou?<br \/>\n\u2014 Ja, ook van mij.<br \/>\n\u2014 Maar ik hou het meest van dat plekje\u2026 Zie je wat voor mooie bloemen erop groeien.<br \/>\nTsjipka wist niet wat hij moest antwoorden, in plaats daarvan staarde hij haar maar aan. Het gesprek viel stil. Een minuut\u2026 twee\u2026 Tsjipka liet zijn ogen niet van haar af.<br \/>\n\u2014 Waarom kijk je naar me? \u2014 zei ze, terwijl ze zijn blik ontmoette. \u2014 Kijk, wat voor gezichtsuitdrukking\u2026 het lijkt alsof je me wilt opeten\u2026<br \/>\nTsjipka bleef kijken. Het was hem zo lief om naar haar te kijken!<br \/>\n\u2014 Kijk niet! \u2014 riep ze en bedekte zijn ogen met haar hand.<br \/>\nTsjipka was helemaal van slag\u2026 het voelde zo fijn dat ze zijn gezicht had aangeraakt met haar witte, zachte hand\u2026 Het leek wel alsof hij het liefst haar pink zou kussen, dat zo roze oplichtte in het licht, als een bloemetje\u2026 Ze nam zijn hand in \u00e9\u00e9n beweging aan. Hij keek opnieuw glimlachend in haar ogen.<br \/>\n\u2014 Kijk niet! hoor je? Anders draai ik me om! \u2014 Ze draaide zich inderdaad om, met haar rug naar hem.<br \/>\nTsjipka, als een klein kind, schoof naar de andere kant, maar bleef haar toch aankijken.<br \/>\n\u2014 A-a-a, vervelend\u2026 koppig! Kijk niet, zeg ik! Kijk niet! \u2014 En ze begon hem met de krans op zijn hoofd en gezicht te tikken.<br \/>\n\u201cTik maar,\u201d dacht Tsjipka, \u201ctik maar harder\u2026 tik me de hele dag, maar jaag me niet weg\u2026 Het is zo fijn en lief met jou!\u201d<br \/>\nZe sloeg met de krans op hem, en hij glimlachte alleen maar\u2026 De krans viel snel uit elkaar; de bloemhoofdjes vlogen uiteen; ze gooide de stengels in het gras en riep:<br \/>\n\u2014 Zie wat je gedaan hebt? Zie je het? Kijk?! \u2014 Ze vouwde haar witte armen onder de ellebogen en stuurde hem met haar ogen ondeugende blikken\u2026<br \/>\nTsjipka hield het niet meer. Als een kat op een muis, sprong hij op haar af; hij drukte haar stevig tegen zich aan, en gaf haar een kus op de wang, zo stevig dat het leek alsof iemand met volle kracht op de hand had geslagen.<br \/>\n\u2014 Laat los\u2026 laat los! \u2014 riep het meisje, worstelend. Hij drukte haar nog steviger tegen zich aan, tot ze met haar hand zijn gezicht sloeg\u2026<br \/>\nToen liet hij los.<br \/>\n\u2014 Nou, die is er vandoor! \u2014 zegt hij, terwijl hij een gezicht trekt. \u2014 Het duizelt me!<br \/>\n\u2014 En waarom dring jij je op, schaamteloze vent? Zodra je een meisje alleen op het veld aantreft, begin je haar meteen lastig te vallen! \u2014 zegt ze. Haar ogen lachten en speelden echter.<br \/>\n\u2014 Je bent dom\u2026 of niet?<br \/>\n\u2014 Hoezo? Nou, kijk\u2026 \u2014 ze veegde haar wang af met haar mouw.<br \/>\n\u2014 Je hebt niet echt gebeten \u2014 lachte Tsjipka.<br \/>\n\u2014 Dat zou pas goed zijn geweest, als ik je had gebeten\u2026 Dan had ik je ogen uitgestoken.<br \/>\n\u2014 Als je het had gedurfd.<br \/>\n\u2014 Dan had je het gezien\u2026<br \/>\nHet gesprek viel weer stil. Ze keek ergens ver heen, en hij\u2026 naar haar. Een windvlaag streek langs; hij brak een lichte wolk die de zon bedekte; de zon verscheen in volle pracht en overspoelde hen met glanzend licht, alsof het een gouden regen was. Het graan ruiste, hun gebogen aren hieven zich omhoog.<br \/>\nHet meisje keek Tsjipka recht in de ogen; hun blikken ontmoetten elkaar precies, en ze liet haar lange, dikke wimpers zakken en vroeg:<br \/>\n\u2014 Waar was je? Waarom heb ik je zo lang niet gezien? Waarom kwam je hier niet?<br \/>\n\u2014 Ik had er geen gelegenheid toe, \u2014 loog Tsjipka, maar dacht bij zichzelf: waarom ben ik haar hier niet gaan zien?<br \/>\n\u2014 Wat deed je dan? \u2014 vroeg ze.<br \/>\n\u2014 Bij het huis\u2026<br \/>\n\u2014 Heb je daar nog land?<br \/>\n\u2014 Nee, niet.<br \/>\n\u2014 En een huis?<br \/>\n\u2014 Ja.<br \/>\n\u2014 En je vader en moeder? Broers en zussen?<br \/>\n\u2014 Alleen mijn moeder.<br \/>\n\u2014 Waar woon je dan?<br \/>\n\u2014 In Pisky. En jij, waar?<br \/>\n\u2014 Waarom wil je dat weten?<br \/>\n\u2014 Jij vroeg het toch\u2026<br \/>\n\u2014 Waarom vertelde je het dan?<br \/>\n\u2014 Zeg me tenminste, hoe heet je?<br \/>\n\u2014 Zoals je graan kauwt\u2026<br \/>\n\u2014 Van wie ben je?<br \/>\n\u2014 Van mijn vader en moeder\u2026<br \/>\n\u2014 Wat een bijzonder meisje!<br \/>\nHij ging met zijn borst op de grond liggen, ondersteunde zijn gezicht met beide handen en keek haar aandachtig aan.<br \/>\n\u2014 Ben je echt van plan me op te eten?.. Waarom staar je zo?<br \/>\n\u2014 Omdat je zo mooi bent\u2026<br \/>\nZe glimlachte, richtte haar zwarte ogen op hem, streelde hem met haar blik, lokte\u2026<br \/>\n\u2014 Ga nu maar naar huis\u2026 Waarom ben je gekomen?.. Je wilt me opeten! Je liet me de krans niet afmaken\u2026<br \/>\n\u2014 Waarom sloeg je me dan?<br \/>\n\u2014 Waarom drong je je zo op, schurk? Weg met jou! \u2014 En met een krachtige duw van haar handen stootte ze hem weg, zodat Chipka met zijn neus voorover in het groene gras terechtkwam.<br \/>\nZe lachte luid en helder, als zilver dat over een gouden schaal rolt.<br \/>\nTsjipka had zijn hoofd nog niet opgetild of hij hoorde iemand roepen: \u201cHalja!.. Halja!.. Halja!..\u201d<br \/>\nHet meisje schrok, trok zich op. Tsjipka keek van haar naar de kant waar de stem vandaan kwam.<br \/>\n\u2014 Wie is dat? \u2014 vroeg hij.<br \/>\n\u2014 Ik weet het niet! \u2014 zei ze. \u2014 Maar als een verstoorde kwartel, plotseling opvliegend uit haar nestje, schoot ze omhoog, zo sprong ze weg van hem, en voor je met je ogen kon knipperen, vloog ze door het graan.<br \/>\nTsjipka stond op, richtte zich op en liet haar niet uit het oog\u2026 Zij raasde als een wervelwind door het dichte graan, dat zich achter haar uitstrekte als golven onder de druk van een sterke hand die een boot bestuurt. Verder en verder, over het bloeiende weiland, klom ze de heuvel op en verdween langzaam uit het zicht\u2026 Tsjipka rende haastig achter haar aan\u2026 Ze verdween achter de heuvel\u2026 Hij spande zijn benen alsof hij een dief achtervolgde; hij schoot als een pijl vooruit; in \u00e9\u00e9n oogwenk stond hij bovenop de heuvel, haalde adem, en keek in het dal, en zijn ogen vingen dit op.<br \/>\nBij de boerderij, misschien twee huizen van de top van dezelfde heuvel waar hij stond, stond een vrouw op het erf, met haar hand boven de ogen tegen de zon, en riep luid: \u201cHalja!\u201d Het meisje rende recht op de vrouw af en riep van ver: \u201cWat is er? Hier ben ik! Hier! Straks\u2026 meteen\u2026 nu\u2026\u201d Al snel bereikte ze de vrouw, en samen gingen ze het erf op.<br \/>\n\u2014 Nou, nu weet ik ook wie jij bent! \u2014 riep Tsjipka luid en vrolijk, terwijl hij zich omdraaide.<br \/>\nDaarna was Tsjipka niet meer te herkennen: de oude droefheid viel van zijn gezicht weg, verdriet spiegelde zich niet langer in zijn ogen; hij werd vrolijker, vriendelijker; soms kon je zelfs een liedje van hem horen\u2026 Zijn geluk lokte hem, streelde hem, verwende hem met goede hoop; de wereld glimlachte liefelijk naar hem, hoewel hij er veel kwaad, gehuil en gejammer in zag\u2026 Hij keek nu niet boos naar de wereld; luisterde met een gevoelig hart; hij wilde de hele wereld omhelzen, haar tranen drogen, het verdriet kalmeren\u2026<br \/>\nHij keerde in gedachten naar zichzelf terug, en hoorde hoe angst en hoop in zijn hoofd streden: de hoop overwon de angst, dan weer de angst de hoop. Toch had hoop de overhand! \u201cMisschien\u2026 kan alles gebeuren in de wereld! Soms zal een arme een rijke vrouw liefhebben, en de rijke vrouw de arme, en ze trouwen\u2026\u201d Maar de angst schrok de hoop weer op: \u201cMisschien houdt de moskoviet van haar, de rechter van de heer\u2026 God, laat het niet gebeuren! Haar frisse schoonheid zal verwelken onder het koude, gele oog van de rechter\u2026 de heldere ogen zullen doven, de roze lippen verbleken\u2026 haar ziel zal stikken\u2026 Heer, laat het niet gebeuren! Niet \u00e9\u00e9n ziel zal sterven, maar twee tegelijk! Of misschien\u2026 \u2014 hoop dringt weer naar boven \u2014 het geluk\u2026 wat een ramp\u2026\u201d En zijn ogen straalden van vreugde; zijn hart klopte vrijer in zijn borst\u2026<br \/>\nSinds die tijd leek het veld betoverd voor hem. Hij bleef er een dag of twee, en dan vertrok hij weer\u2026 \u201cMisschien zie ik haar van ver, als ik niet kan praten\u2026\u201d Hij liep door het veld, van akker tot akker, van het pad naar de heuvel, van de heuvel naar het pad; overal keek hij rond, observeerde alles\u2026 \u201cHier zag ik haar voor het eerst\u2026 hier vlocht ze een krans\u2026 dat is de plek waar we zaten\u2026 hier rende ze heen\u2026 en hier is ze recent geweest, want het spoor is vers\u2026\u201d Hij keek \u2014 en kon het niet bijhouden, ze schoot plotseling door het graan, alleen haar kleding wapperde\u2026 Tsjipka merkte op dat ze voorzichtig werd.<br \/>\n\u2014 Ah, ze is weg!.. \u2014 zei hij luid. \u2014 Daar, daar al\u2026 achter de heuvel\u2026 Wat een meisje!!<br \/>\nEn hij keerde terug naar Pisky, blij en vrolijk dat hij haar tenminste van ver had gezien.<\/p>\n<p>VII DE HEER<br \/>\nEn Hrytsjko dan?<br \/>\nHrytsjko was geen flapdrol. Zodra hij hoorde dat opa naar de boerderij werd gebracht:<br \/>\n\u201cEh, als dat zo is, hoeft het ook niet meer om op de schapen te rijden, of ze na te jagen, want daar heb je weinig aan\u2026 Ik heb gediend, gediend, en alleen voor mezelf\u2026 Tijd om aan brood te denken,\u201d dacht hij.<br \/>\nHij besloot datzelfde voorjaar opa te verlaten. Ze gingen werken in Pisky, en Hrytsjko ging mee, met de zeis over zijn schouder en een tas met droge broden, een oud jasje en niet de beste laarzen op de rug.<br \/>\nDe onbekende plaatsen die Hrytsjko voor het eerst doorkruiste, de mensen die ze tegenkwamen, alles was vreemd en indrukwekkend voor de jongeman. Hij stond met open mond te kijken.<br \/>\n\u201cAh, hoe leven mensen! Ah, hoe hebben ze zulke gebouwen opgericht\u2026 welke deuren, welke ramen\u2026 alles is zichtbaar, alsof je in water kijkt! En wat kost dat? Als ik een steen had gegooid naar een ruit, zou ik er misschien een jaar voor moeten werken\u2026 Zoveel rijkdom, zoveel luxe!\u201d \u2014 dacht hij terwijl hij een brede straat met enorme winkels passeerde.<br \/>\nDe straat was werkelijk verbazingwekkend. Aan beide zijden rezen in een rechte lijn hoge paleizen op: sommige wit als sneeuw, andere groen als wilde marjolein, weer andere blauw als Chinees porselein. De bonte kleuren sprongen in het oog. De jongeman wist niet waarop hij zich moest richten, waar hij eerst naar moest kijken: de glanzende deuren die schitterden in de zon, alsof ze van kristal waren, met aan weerszijden grote rode of blauwe panelen met gouden beslag, of met mooie afbeeldingen van allerlei spullen, machines, brillen, brood, worst, hammen; of de spiegelende ramen ter grootte van een man, waarin keurig uitgestalde gouden en zilveren producten te zien waren, bedekt met bonte katoenstoffen, glanzend zijde, zachte fluwelen stoffen die blauw of rood waren, een hele zee van kunstbloemen, zo levendig dat ze je bijna naar de neus lokten om eraan te ruiken\u2026<br \/>\nLangs de straat bewogen mensen op de stoepen; in het midden, met stenen geplaveid, ratelden koetsen, karren en phaetons, rinkelden rijtuigen van de stadsbode\u2026<br \/>\nArbeiders liepen langs een winkel met kinderspeelgoed.<br \/>\n\u2014 Oom Ostap! \u2014 draaide Hrytsjko zich naar een van zijn kameraden. \u2014 Wat is dat?<br \/>\n\u2014 Poppen.<br \/>\n\u2014 Waarvoor?<br \/>\n\u2014 Voor de heren, als speelgoed\u2026<br \/>\n\u2014 Kijk eens, wat voor beest dat is, met zijn mond zo wijd open alsof hij je wil opeten! Kijk, zo rood in zijn mond\u2026 En die tanden?! Stel je voor dat hij iemand te pakken krijgt met die tanden\u2026<br \/>\n\u2014 Denk je dat hij leeft? Dat is gemaakt van iets\u2026<br \/>\n\u2014 Echt waar? Waar dan?! Kijk eens hoe zijn ogen glanzen!<br \/>\n\u2014 En wat dan? Zijn ogen zijn van glas\u2026<br \/>\n\u2014 Waarom is hij zo eng? En waarom maken ze zo\u2019n enge pop? \u2014 vroeg Hrytsjko, terwijl hij er door het glas naar keek.<br \/>\n\u2014 Ach, laat maar, kom\u2026 anders verdienen we nog een pak slaag hier.<br \/>\nZe liepen verder. Toch kon Hrytsjko die enge pop niet uit zijn hoofd zetten. \u201cWat voor beest is dat? \u2014 dacht hij. \u2014 Manen als een paard, maar de rest, God waar het op lijkt! En hij is vast woest\u2026 Woester dan een wolf! Niet voor niets die mond zo wijd open, die tanden bloot\u2026 En zou een mens zoiets kunnen vangen? Waarschijnlijk niet! Hij is sterker dan de sterkste man\u2026 En zou ik hem aankunnen? Nee\u2026 Tsjipka waarschijnlijk ook niet\u2026 en die heeft toch een wolf alleen van de schapen weggejaagd\u2026 Dit vang je niet\u2026 En waar komt zoiets vandaan!.. Mijn lieve God\u2026\u201d<br \/>\n\u2014 Oom Ostap!<br \/>\n\u2014 Wat?<br \/>\n\u2014 Wat is dat voor een beest? \u2014 vroeg Hrytsjko weer, terwijl ze een iets stillere straat met winkels overstaken.<br \/>\n\u2014 Ik wist zijn naam, maar ik ben het vergeten!<br \/>\n\u2014 Hoe heet het dan? \u2014 vroeg hij aan een derde.<br \/>\n\u2014 Het beest\u2026 We zagen er een in het raam: witte manen, rood lichaam, open mond alsof hij je wil verslinden, \u2014 antwoordde Hrytsjko.<br \/>\n\u2014 En de staart, lang? Met een pluim aan het eind?<br \/>\n\u2014 Ja, ja!<br \/>\n\u2014 Dat is een leeuw.<br \/>\n\u2014 Een leeuw?! \u2014 zei Hrytsjko verbaasd. \u2014 Wat is dat, een leeuw?<br \/>\n\u2014 Een beest\u2026 de koning van de dieren\u2026<br \/>\n\u2014 Koning?! Dat is dus die koning! Een echte koning, die iedereen gehoorzaamt. Want hoe kun je zo\u2019n verschrikking niet gehoorzamen?!<br \/>\n\u2014 Natuurlijk. Daarom is hij koning, \u2014 antwoordde de man.<br \/>\n\u2014 En hij moet ook erg groot en sterk zijn?<br \/>\n\u2014 Natuurlijk, sterker dan elk ander beest!<br \/>\n\u2014 Hoe vang je zoiets dan? \u2014 vroeg Hrytsjko.<br \/>\n\u2014 Hoe? Ze vangen hem op een of andere manier\u2026 ze weten hoe, als je hem in huis houdt.<br \/>\n\u2014 Alleen onze koning kan hem vangen; maar wij, vergeet het maar! \u2014 zei Hrytsjko.<br \/>\n\u2014 Ja! De koning vangt hem, \u2014 zei oom Ostap. \u2014 Hij stuurt jongens zoals jij\u2026 en dan vang je hem maar!<br \/>\n\u2014 En als hij bijt? Als hij je opeet?!<br \/>\n\u2014 Wat dan nog?<br \/>\n\u2014 En als ik dat niet wil?<br \/>\n\u2014 Dan wordt je hoofd eraf\u2026<br \/>\n\u2014 Maar hoe vang je zoiets als je er al bang van wordt alleen al door te kijken\u2026 Een wolf is al eng, maar dit is een monster, lieve God!<br \/>\n\u2014 De koning geeft daar niets om. Hij zegt: vang hem! Dus vang hem maar\u2026<br \/>\n\u2014 En is er bij ons niet iemand die zoiets vangt?<br \/>\n\u2014 Zoiets komt hier niet voor.<br \/>\n\u2014 Waar komt hij dan wel voor?<br \/>\n\u2014 O ergens overzee.<br \/>\n\u2014 Is daar ook land?<br \/>\n\u2014 God weet het. Misschien is er land, anders zou dit beest niet van overzee zijn\u2026<br \/>\n\u2014 En waarom zeggen oude mensen dat er overzee geen land is, maar alleen drie katten\u2026 waarop het land rust?<br \/>\n\u2014 Misschien leeft hij daar, tussen die katten! \u2014 zei de derde man.<br \/>\nHet gesprek hield hier op.<br \/>\nDe werkers liepen stilletjes, voet voor voet, ieder met zijn eigen gedachten.<br \/>\nToen ze de stad verlieten en het veld opgingen, op het geharde pad, begonnen andere zaken Hrytsjko\u2019s hoofd bezig te houden; andere gedachten kwamen in zijn hart.<br \/>\nMidden in de brede, uitgestrekte steppe, zo vlak als een handpalm, waarover alleen de woeste wind blies en af en toe een zwarte raaf krijste hoog boven hem, zijn sterke vleugels uitslaand, of een steppemeeuw krijste terwijl hij van hoop naar hoop vloog, alsof een moeder om haar kinderen huilde, daar schilderde zijn verbeelding het ene tafereel na het andere\u2026 Voor zijn ogen ontstonden sc\u00e8nes van het stedelijke leven, luidruchtig, druk, bedrijvig. Alles brulde en raasde, als water in een ravijn, en deed hem schrikken met zijn luxe, gehaastheid, geroep en geschreeuw.<br \/>\nDe meeuw krijste, en plots bracht dit zijn gedachten naar het dorp, naar een rustig huisje, herinnerde hem aan de vrouw, aan de kinderen\u2026 De vrouw was klein, netjes, vlug, alles bij haar liep ordelijk, niet alleen in het huis maar ook in haar werk: snel, met alles onder controle, haar werk ging goed, schoon en verzorgd\u2026 Hij keek naar haar werk en voelde medelijden dat zij zo hard moest werken. Hij voelde de drang om het zwaarste werk zelf te doen, zodat zij haar witte handen minder zou vermoeien. Dat zij wanneer ze iets deed, het zou lijken op een spel, niet uit noodzaak, maar speels, als voor een poppetje.<br \/>\nEn als een vrije dag kwam, zondag, zouden ze samen naar de kerk gaan, en uit de kerk naar het eten; na het eten rusten\u2026 Maar dan, kijk: Ivasjj of Vasyljko komt aangerend, gaat rechtop staan naast moeder, klimt op haar arm, laat haar niet dutten.<br \/>\n\u2014 Ga, Ivasjko, ga spelen, \u2014 zegt de moeder, \u2014 terwijl papa slaapt\u2026<br \/>\n\u2014 Di-ma-ie\u2026 ma\u2026 \u2014 stamelt het kind.<br \/>\nEn vader hoort het, kijkt door zijn wimpers naar het kind en voelt blijdschap in zijn hart\u2026<br \/>\nDe zoon trekt zich terug van de moeder; komt op zijn kleine benen bij hem. Hij draait expres zijn hoofd een beetje opzij, kijkt schuin naar het kind.<br \/>\n\u2014 Zie je, zie je! Je hebt papa wakker gemaakt, \u2014 zegt de moeder, \u2014 je liet hem niet rusten\u2026<br \/>\n\u2014 Wakke-maak\u2026 tsi-ti\u2026 \u2014 stamelt het kind verder.<br \/>\n\u2014 En de vader neemt een stok, en \u2014 aargh!<br \/>\nHet kind staat, kijkt aandachtig van vader naar moeder.<br \/>\n\u2014 Ja-ja!.. ja-ja! \u2014 zegt hij tegen moeder, zwaaiend met zijn kleine handje in de buurt van vader.<br \/>\n\u2014 Och jij, rotjong! Waarom sla je je vader? Hier, blijf staan: ik til je op, \u2014 zegt hij; staat op, pakt het kind op en wiegt het. Het kind ligt er lachend. De vrouw kijkt liefdevol en vriendelijk van het kind naar haar man\u2026<br \/>\n\u2014 Niets ter wereld hoef ik, \u2014 fluisterde hij in zijn gedachten, \u2014 alleen een warm huis, een lieve vrouw en een klein kindje! Dan zou ik alles hebben\u2026 We zouden brood verdienen in de zomer, en de hele winter goed leven!<br \/>\nMet die gedachte in zijn hart trok hij onopgemerkt door de eindeloze steppe, zonder vermoeid te raken, over de lange droge wegen zonder dorst of pijn; hij wilde alleen maar snel op de plaats van bestemming aankomen, geld verdienen, terug naar het dorp gaan, een erf kopen, trouwen en rustig als dorpsbewoner leven.<br \/>\n\u2014 In de stad is zoveel lawaai en drukte, maar op het platteland is het het beste, rustig en vrij\u2026<br \/>\nZe kwamen op hun bestemming aan. Hrytsjko bleef bij de zijnen. Met het hele gezelschap gingen ze aan het hooien en later ook aan de oogst van het graan.<br \/>\nHet werk ging hem gemakkelijk af, want het moeilijkste werk, het zwaarste werk, wordt lichter als men het vrijwillig doet, met plezier, met hoop in het hart dat het niet tevergeefs is, dat door dat werk zijn geluk zal komen, dat nog onzichtbaar is, nog niet hoorbaar, dat ergens ver weg, na jaren van arbeid, nood en tegenspoed, in zijn gedachten al als roze bloemen van hoop verschijnt\u2026 Licht werk om alles aan te pakken, hij werkt als een os, onvermoeibaar; als een meester werkt hij altijd vrolijk en rustig.<br \/>\nZo werkte Hrytsjko in de lente en de zomer. De hele dag liet hij de zeis alleen uit zijn handen wanneer hij moest eten of slapen. En hij sliep die korte zomernachten een diepe slaap, zoals een man slaapt die door zwaar werk uitgeput is. Maar zodra het ochtendgloren opkwam, het zonlicht begon te flikkeren, de zeis wikkelde zich weer in zijn handen, als een adder over de vlakke steppe. De meester keek toe met bewondering voor zijn oprechte werk, prees hem en verhoogde zijn loon een beetje.<br \/>\n\u2014 Misschien ben jij, Hrytsjko, van plan om dorpen en tuinen te kopen, dat je zo hard werkt? \u2014 zeiden de dorpsgenoten tegen hem.<br \/>\n\u2014 Waarom niet? \u2014 vroeg Hrytsjko glimlachend. \u2014 Wat is er vreemd aan? Pak de zeis, en aan het werk!<br \/>\n\u2014 Zorg wel dat het lijntje niet breekt, \u2014 zei iemand.<br \/>\n\u2014 Maak je geen zorgen: dat is niet jouw natuur! \u2014 antwoordde Hrytsjko en greep opnieuw naar de zeis.<br \/>\nHoe hard Hrytsjko ook werkte, hoeveel hij zich ook inspande, tegen de herfst moest hij toch zijn verdiende loon tellen, en hij telde slechts honderd!<br \/>\n\u201cDat is ook goed,\u201d dacht hij bij zichzelf, \u201chet is tenslotte toch iets. Wat doe je met honderd? Je kunt er een klein stukje grond van kopen, maar er is nog veel meer nodig. Wat pak je aan? Misschien voor de winter genoeg?\u201d<br \/>\nEn inderdaad, Hrytsjko bleef. De dorpsbewoners gingen terug naar huis, maar hij trok verder, naar Rostov. Onderweg ontmoette hij mensen zoals hijzelf.<br \/>\n\u2014 Waarheen? \u2014 vroegen de reizigers altijd.<br \/>\n\u2014 Naar Rostov.<br \/>\n\u2014 Ga niet naar Rostov, laten we naar Cherson gaan! \u2014 raadde er een van hen.<br \/>\n\u2014 Waarom?<br \/>\n\u2014 Daar is weinig te verdienen, maar in Cherson op de schepen is het erg goed.<br \/>\n\u2014 Maar het is verder.<br \/>\n\u2014 Een halve week\u2026 Wat dan nog? Laten we gaan!<br \/>\n\u2014 Nou, laten we dan maar gaan, \u2014 dacht Hrytsjko, en ging mee met de mensen.<br \/>\nZe kwamen vroeg aan in Cherson; liepen door de stad, keken rond; gingen naar de aanlegsteiger.<br \/>\nDe riviermond lag voor hun ogen, zo ver als het oog reikte, vol vogels; over het water kwamen schepen, pontons, barkassen, vlotten, en ertussen gleden stoomschepen. Mensen op de aanlegsteiger bewogen als mieren, renden, sjouwden van alles, schreeuwden, maakten kabaal.<br \/>\n\u2014 Vijftig kop per honderd planken! \u2014 schreeuwde een baas van een vlot. Het volk rende erheen.<br \/>\n\u2014 Drie zeven-en-een-halve kop per plank! \u2014 riep een ander \u2014 en de mensen, als een golf, lieten het vlot en renden naar het andere.<br \/>\n\u2014 Een roebel per dag! \u2014 schreeuwden vanaf een schip.<br \/>\n\u2014 Een roebel en een kwart!\u2026 Anderhalf!<br \/>\nIedereen riep zijn prijs, iedereen rende als waanzinnig van het ene schip naar het andere, van vlot naar vlot, waar meer werd betaald. Nadat ze een prijs hadden afgesproken, klommen de arbeiders op het vlot of ponton, haalden alles eruit en sjouwden vaak tot hun middel in het water planken en vaten, sommige zelfs veertig vaten tegelijk aan touwen.<br \/>\nHrytsjko ging ook aan een vlot aan het werk. Op een dag verdiende hij bijna drie roebels.<br \/>\n\u201cAh! \u2014 dacht hij \u2014 als ik een maand zo werk, word ik een krachtpatser!\u201d<br \/>\nToch, zie daar! Zo\u2019n werk komt niet elke dag voor, en bovendien verandert het loon met de dag: het stijgt als er veel goederen komen, en daalt als er maar twee of drie pontons zijn\u2026 Maar het dagloon viel nooit onder een roebel; soms steeg het zelfs tot vijf. Het was toch veel lucratiever dan hooien!<br \/>\nHrytsjko was blij, dankte in stilte zijn raadgevers. Hij werkte als een os, de hele dag; sliep op kale grond of op houten planken; stond op zodra het daglicht kwam en begon weer met werken; at bijna niets, en wat hij at, gebeurde onderweg, terwijl hij op alles lette om zoveel mogelijk te verdienen!<br \/>\nTegen de late herfst, toen de pontons stopten met aankomen, en de barkassen en schepen nog maar af en toe kwamen, moest hij dagen wachten op werk. Hrytsjko telde zijn winst: twee honderd roebels en een beetje lag in zijn zak!<br \/>\nHrytsjko was zo blij als een kind. Nu werd zijn hoop, die bij het vertrek naar werk nog maar een droom was, concreter: een stadstuintje, een nieuw warm huis leek al in zijn zak te liggen\u2026<br \/>\n\u201cHet zou tijd zijn om naar huis te gaan,\u201d \u2014 dacht Hrytsjko, maar de winter kwam eraan.<br \/>\n\u2014 Wat voor werk is er hier in de winter? \u2014 vroeg hij aan de bekende inwoners van Cherson.<br \/>\n\u2014 Riet maaien, \u2014 raadden ze.<br \/>\nHrytsjko ging riet maaien.<br \/>\n\u2014 Zo kan ik tenminste van dat geld leven en me kleden, en als de lente komt, ga ik terug naar Pisky!<br \/>\nDe winter ging voorbij, de lente kwam. Het werk begon weer op de aanlegsteiger en op het land.<br \/>\nHrytsjko stelde het idee om in de lente naar huis te gaan uit: hij stelde het uit tot de herfst. \u201cMisschien komt er ondertussen iemand van de zijnen, dan kunnen we samen gaan.\u201d<br \/>\nHrytsjko had gelijk: in de lente kwamen de arbeiders uit Pisky; ze vroegen hoe het ging, wat er gebeurd was; ze vertelden over Pisky, wie getrouwd was, wie gestorven, wie een huwelijk had gesloten; ze vertelden hoe het de lijfeigenen ging en welke belastingen er waren\u2026<br \/>\n\u2014 En wat voor een leven Tsjipka heeft, als je dat eens wist, Hrytsjko! \u2014 ze lopen er helemaal mee te koop tegenover hem.<br \/>\n\u2014 En is hij al getrouwd?<br \/>\n\u2014 Nog niet. Maar hij is dom als hij niet trouwt\u2026 Zijn moeder piekert elke dag; hij stelt alles steeds uit; ze zegt dat hij geen gelijke voor zich kan vinden!<br \/>\nHrytsjko was daar ook blij om.<br \/>\n\u2014 Wij pasten samen op de schapen. Hij is een goede kerel, maar eigenaardig op zijn eigen manier. En nu, zeggen ze, gaat het goed met hem? Nou, dat is mooi!<br \/>\nHrytsjko had in het voorjaar en de zomer hard gewerkt; in de herfst keerde hij terug naar Pisky met zijn verdiensten.<br \/>\nZodra hij thuiskwam, begon hij meteen land te zoeken. Toen was het niet moeilijk om grond te kopen: de kozakken, gehoord hebbend van de Koebaanse woestijnen die een schatkist aan de kolonisten had gegeven, trokken massaal naar de Koeban. Hrytsjko kocht snel een groot stuk land met een nieuw huis, schuren, een kelder en een put. Voor alles betaalde hij ongeveer anderhalve honderd roebels of iets dergelijks.<br \/>\nToen hij het land had gekocht, voelde Hrytsjko zich meteen anders, alsof hij groeide en sterker werd. De mensen in het dorp begonnen te praten: \u201cKijk die jongeman eens! Wat een eigenaar!\u201d Ouders en moeders keken naar hem met ogen vol ambitie, vooral de armere families, als naar een nuttige schoonzoon. Maar Hrytsjko keek nu met geheel andere ogen naar de mensen: hij keek op naar de rijken en keek neer op de armen.<br \/>\nOnder de jonge mannen gedroeg hij zich hooghartig. Wanneer hij de straat op ging of naar een avondbijeenkomst, keek hij neer op hen. \u201cWaar zijn jullie geweest? Wat hebben jullie gezien? Wat weten jullie? Kijk hoe ik was\u2026 daar en daar!\u201d Soms begon hij verhalen te vertellen zoals een Rus die terugkeert naar zijn geboortedorp. De jongens luisterden, met open mond en gespitste oren. Maar hij vertelde zulke dingen dat het bijna ongelooflijk leek!<br \/>\nDe meisjes, die zulke praatjes onmiddellijk opmerkten, lachten soms hardop om zijn verhalen en zetten bloemen in het openbaar in zijn haar; maar in hun eentje dachten ze: \u201cO, wat zou het mooi zijn om met Hrytsjko te zijn! Hij heeft een huis, een tuin, en waarschijnlijk geld\u2026 je hoeft niet meteen veel te werken\u2026 Dat zou heerlijk zijn!\u201d<br \/>\nZo, terwijl Hrytsjko opschepte over zijn ervaring en trots was op zijn rijkdom, dacht hij niet meer aan armoede. Hij wilde zijn bezit combineren met het bezit van een vrouw, zodat alles \u00e9\u00e9n groot geheel werd! Na hierover te hebben nagedacht, stuurde hij ouderlingen naar de rijkste kozak, Loza, die elk jaar tien slaven op pad stuurde voor zout en vis. Ook Loza was van Hrytsjko\u2019s soort: hij wilde niet dat zijn dochter zou trouwen met een gewone kozak, een jongen die ooit in een versleten broekje achter schapen aan gerend had.<br \/>\n\u2014 Mijn dochter heeft thuis nog maar een beetje brood gegeten, \u2014 antwoordde Loza de ouderlingen.<br \/>\nDit temperde Hrytsjko\u2019s trots enigszins. Hij werd stiller, vernederd, en ging zelfs eens langs bij Tsjipka, die hij eerst minachtte, maar die was niet thuis.<br \/>\nHrytsjko vestigde zich voor de winter bij een andere familie, van wie hij het land had gekocht, met de afspraak dat zij tot de lente in het verkochte huis mochten blijven wonen. Hij ging dus bij de buren wonen, wat ook zijn huis was, en begon na te denken over welke vrouw hij zou nemen. Hij wilde een rijke vrouw, maar ook mooi\u2026 Hij dacht lang na, overwoog alle meisjes van het dorp, en zonder het zelf te merken, werd hij verliefd op het buurmeisje, een vrolijke, ijverige en werkzame meid, hoewel ze geen grote schoonheid was.<br \/>\nChrystja, zo heette ze, was na de dood van haar ouders nog maar klein. Familieleden hadden wat ze konden weggedaan; er waren nog vijf dagen land over, dat door een oom werd bewerkt bij wie ze eerst woonde. Toen ze groot werd, zag ze dat ze ondanks haar werk bij de oom niets voor zichzelf kon krijgen. Dus verliet ze hem en ging zelf werken als dienstmeid.<br \/>\nEen rijke weduwe, de Koerassische Perpelycha, die niet ver van Hrytsjko\u2019s huis woonde, nam Chrystja in dienst. Ze leefde daar als in haar eigen huis. Perpelycha was een goedhartige oude vrouw. Ze had een groot gezin, dochters, wees- en kleinkinderen om voor te zorgen, te voeden en te kleden. Chrystja, een jonge, vrolijke, kwetterende en ijverige meid, had van kinds af aan geen rust voor handen en voeten gekend, en was gewend aan werk. De vrouw des huizes hield van haar dienstmeid, en de dienstmeid hield van haar. Voor een buitenstaander leek Chrystja geen dienstmeid, maar een echte dochter.<br \/>\nZo kwam Chrystja, klein en zwartharig, niet erg mooi, ongemerkt in Hrytsjko\u2019s hart. Hij vergat de grote bruidsschat die hij voor een vrouw had gedacht; schoonheid was nu niet belangrijk, hij wilde trouwen met Chrystja. Hun verloving duurde niet lang: na Epifanie stuurde Hrytsjko de ouderlingen naar Chrystja, en een week later trouwden de twee.<br \/>\nIn het voorjaar kocht Hrytsjko Chrystja\u2019s land van haar oom, kocht een paar ossen en een koe van het laatste geld dat hij had verdiend op de vlotten en met riet maaien, en begon het land te ploegen samen met een arme buur-kozak. Hrytsjko leefde nu een rustig boerenleven, niet helemaal zoals hij zich als jongeman had voorgesteld, maar toch goed, net als iedereen.<br \/>\nMet zijn vrouw leefde Hrytsjko vredig en vriendelijk: in hun ruime, vrolijke huis hoorde men geen geschreeuw of ruzie. Doordeweeks werkten ze samen; op zondagen gingen ze samen naar de kerk; na de lunch rustten ze uit of gingen op bezoek, of ontvingen gasten. Zo werden ze onder de mensen gerespecteerde eigenaren, eerlijke en harde werkers, goede buren, een bewonderenswaardig paar.<br \/>\n\u2014 Kijk maar, kinderen, neem een voorbeeld aan hoe men in vrede moet leven! \u2014 zeiden sommige moeders tegen hun dochters en schoonzonen, of tegen hun zonen en schoondochters. \u2014 Kijk naar Hrytsjko en Chrystja\u2026 Hij was wees, zij was wees. En wat is er van hen geworden? Door eerlijk werk hebben ze zoveel bereikt! Ze zullen eerlijk leven\u2026 in vrede en harmonie, als broer en zus\u2026 niemand zal hen verstoren\u2026 Ze hebben maar \u00e9\u00e9n gedachte, \u00e9\u00e9n raad\u2026 Zo moet men op de wereld leven!<\/p>\n<p>TWEEDE DEEL<\/p>\n<p>VIII DE SIETSJ-BEWONER<br \/>\nHet grote dorp Pisky strekte zich uit over de vlakte, langs en dwars, in de diepte van een dal, en voor het dorp leek het alsof iemand meel had gestrooid, wit zand tussen de zwarte aarde. Alsof iemand een wit kleed had neergelegd om de voeten te vegen bij het betreden van het dorp. Midden in het dorp stond een kleine oude kerk, een beetje scheef gezakt op \u00e9\u00e9n kant en bijna \u00e9\u00e9n met de grond vergroeid. Niet alleen het dak, maar hier en daar ook de balken waren bedekt met groen mos.<br \/>\nTegenover de kerk, op een lage heuvel, stond een groot paleis met deuren en ramen\u2026 en het paleis was duidelijk oud en verwaarloosd. De muren waren afgebladderd, de bakstenen waren los komen te zitten; het dak was verroest; in de ramen ontbraken ruiten. Waarschijnlijk woonde er niemand, want de binnenplaats was overwoekerd met gras. Alleen twee smalle, doorgetreden paadjes liepen door de hele binnenplaats naar twee kleine huisjes, \u00e9\u00e9n aan elke kant van het paleis. Alles leek in verval, ingedeukt\u2026 Zo zag Pisky eruit in zijn vrije staat.<br \/>\nEn honderdvijftig jaar geleden was er niet alleen van dit paleis, maar ook van Pisky zelf was geen spoor. Daar was slechts een klein dorp, of beter gezegd, er waren kleine nederzettingen verspreid over het dal, als hooibergen in de winter op de steppe. Er waren misschien vijf huisjes, vaak eenvoudige aardenhutten dicht bij de grond, als grafheuvels. Alleen \u00e9\u00e9n schoorsteen herinnerde eraan dat het geen dierenhol was, maar een mensenwoning die bescherming bood tegen beesten en tegenspoed.<br \/>\nEen hut bestond uit een ingang en een kamer; er was een oven om te koken en op te warmen; er was slechts \u00e9\u00e9n klein raampje, als een luchtgat in een bijenkorf, dat uitkeek op het pad. Niet ver van de hut stonden wilgen in een kring, als betoverde meisjes, en in het midden was een put, omgeven door riet. Daar werd water gehaald. Er waren geen hekken. Pas later begonnen mensen tuinen af te zetten; toen dacht niemand daar nog aan. Voor je lag een uitgestrekte akker, je kon omploegen zoveel je wilde, niemand zei er iets van. Alleen de buurheer, een kolonel of centurion, dacht misschien: \u201cVang, visje, groot of klein!\u201d Terwijl hij een net spande, groeide de vis rustig aan, vermenigvuldigde zich, werd groot\u2026<br \/>\nTemidden van de lege steppe verschenen vrolijke nederzettingen, gehuchten en dorpen; hier en daar stond een kerk, wit van ver, met een kruis dat schitterde in de zon\u2026<br \/>\nZo ontstonden veel dorpen en gehuchten rondom het Hetman-district. Waar ooit een bos was, ontstond het grote dorp Birky; tussen ravijnen en heuvels leek het alsof ze uit de grond waren gegroeid. Op de hellingen, waar ooit wolven huilden en vossen holen groeven, verscheen het dorp Wolvengrot. En zo werden Pisky gesticht.<br \/>\nKortom, toen Pisky pas bestond, wat langzaam vervaagde in het geheugen van de mensen, bleef er wel \u00e9\u00e9n ding in de herinnering: dat de gestrande sietsj-bewoner Myrin Hoedzj zich er vestigde. Alleen de mensen vergaten dat Myrin al een oudere man was, stevig gebouwd, met een lange snor en een naar achteren gekrulde oseledets (traditionele lange dikke lok kozakken-haar), en dat hij, lang nadat hij zich had gevestigd, zijn gewoonte van het kozakkenleven \u2014 vechten \u2014 niet had opgegeven.<br \/>\n\u201cVechten deed ik tegen de Polen, tegen de Ottomanen, tegen de Tataren,\u201d zei hij, \u201cen nu zal ik vechten, tegen het beest!\u201d En zie daar: hij nam zijn geweer op de schouder en trok de velden door zo ver het oog reikte\u2026 Dagenlang, soms twee, soms drie, er kwam geen einde aan. En daar \u2014 kijk! \u2014 hij bracht vijf of zes wolfshuiden mee.<br \/>\nZo ging Myrin jagen, vechten, hakken, totdat hij zelf oog in oog kwam te staan met een beest dat hem overwon. En dat beest was niemand anders dan Marina Zajtsivn\u0430, de dochter van een kozak uit de Pisky-gehuchten.<br \/>\nOp een dag kwam Myrin van de jacht terug. De zon brandde in de avondlijke lucht. Een hete wind waaide\u2026 \u201cIk kom thuis,\u201d zei Myrin, \u201cuitgeput, doorweekt van het zweet. Dorst, mijn hart brandt. En zie daar, plots springt er een wezel uit een hol, met een emmer in de hand, en springt tussen de wilgen, naar de put!\u201d Toen hij de emmer zag, voelde hij een plotselinge opwelling van vreugde. \u201cIk ga wat koel water drinken,\u201d dacht hij. Hij liep naar de put. Het meisje boog zich over de put, nam water en zong zacht\u2026 Zo\u2019n lieflijk, belangrijk lied, het raakte zijn hart. Hij kwam dichterbij. \u201cMeisje!\u201d zei hij, \u201claat me wat water drinken!\u201d Ze keek hem lief aan\u2026 en stopte met zingen. Hij wilde al drinken\u2026 maar zij \u2014 hup, de emmer! \u2014 het water was weg, slechts een plas op de grond. \u201cWacht, wacht,\u201d zei het meisje, \u201cik haal een andere!\u201d<br \/>\nMaar daar, bij de put\u2026 ze boog zich voorover, haalde water op, en eindelijk was er water! Koud en helder als een traan. Hij dronk het op, bijna een hele emmer in \u00e9\u00e9n keer, bedankte haar en ging naar huis. Maar wat een teken\u2026 het meisje ging maar niet uit zijn gedachten: steeds draaide ze voor zijn ogen. \u201cWat een onrein water,\u201d dacht ik, \u201cen toch heb ik ervan gedronken!\u201d De dagen gingen voorbij, en het was alsof alles zich bleef herhalen. Toen besloot hij te gaan jagen, maar telkens weer verscheen zij als een schim tussen de struiken! Bij de eerste wolvenaanval miste hij, bij de tweede miste hij opnieuw, en bij de derde keer schoot hij in een boomstam\u2026 oh, hij werd er helemaal gek van!<br \/>\n\u201cHet is alleen goed om een kozak te zijn op de sietsj, en hier\u2026 moet je je brood verdienen!\u201d zei hij tegen zichzelf. Na een week ging hij naar Zajetsj op het erf, vertelde hem zijn avontuur, en als grap vroeg hij om diens dochter. Zij praatten met z\u2019n twee\u00ebn\u2026 Zajetsj riep Marina, haar oude moeder was het jaar ervoor gestorven. \u201cZo en zo,\u201d zei hij tegen zijn dochter, \u201cMyrin wil je als vrouw. Ga je met hem mee?\u201d Ze was jong, verlegen. \u201cIk weet het niet,\u201d antwoordde ze\u2026 \u201cWie weet het wel?\u201d vroeg haar vader. Ze zweeg. Zo dronk hij met Zajetsj een goed glas en zij regelden het. Hij zegende hen, en een week later, op zondag, gingen zij naar de priester en trouwden zij.<br \/>\nSindsdien stond  het sietsj-geweer te roesten, het buskruit verdween, de vuursteen werkte niet meer. Myrin Hoedzj begon het veld te ploegen en het graan te bewerken, terwijl Marina hun zoon Ivan wiegde\u2026<br \/>\nOp de uitgestrekte, vrije steppen groeide Ivan op, vol jonge kracht. Het bloed van zijn ouders, van het sietsj-leven, sprak al vroeg in hem. Zijn favoriete spel was het bouwen en omploegen van aardehutten, wallen, greppels, schansen\u2026 Toen hij hoorde van de oorlogen en campagnes van zijn vader tegen de Turken, Tataren en Poolse heersers, zette hij alles om in kinderspellen. Hij bouwde een schans en sloeg die dan om, alsof hij in een echte strijd zat. Zijn vader keek en lachte: het was heerlijk om zijn eigen jeugd in het kind te zien! Soms moedigde hij Ivan aan: \u201cKomaan, zoon! Leer vroeg, het zal later van pas komen!\u201d<br \/>\nMaar de moeder was niet blij met deze gevaarlijke spelletjes. Ivan was haar enige kind. Ze dacht angstig dat, als haar enige opgroeide en daar\u2026 God verhoede! \u2014 een aanval kwam van Tataren of een ander leger, hij misschien nooit zou terugkeren. Ze vreesde dat hij ver weg, in vreemde landen, zijn lichte hoofd zou leggen, en zij zou zijn ogen niet meer sluiten: roofvogels en raven zouden hem verscheuren, hongerige wolven zouden zijn botten verspreiden\u2026 Alleen de koekoek zou misschien een bericht brengen dat haar arme zoon in het open veld gesneuveld was. Haar hart deed pijn, het was bitter en verdrietig\u2026<br \/>\nEn \u2018s avonds, als Ivan niet kon slapen, nam zijn moeder zijn blonde hoofd in haar handen, kuste hem, streelde hem en fluisterde zacht over een ander leven: het rustige leven van een boer, zomers ploegen op een goede akker, winters warm in huis, omringd door spelende kinderen, bezoekers van vriendelijke buren, geen sietsj-gezelschap dat dood en verderf bracht.<br \/>\nLangzaam keerde Ivan zich naar de armen van zijn moeder. De volgende dag groef hij geen greppels, bouwde geen schansen, viel niets aan, maar liep vrolijk over het veld of door de tuin, zingend en genietend van het leven.<br \/>\nAlles wat hij hoorde en zag, drong door tot zijn kinderlijke verstand. Zijn vader vertelde over expedities naar Turkije, en de volgende dag speelde Ivan oorlog met die verhalen. Dan fluisterde zijn moeder hem \u2018s avonds over liefde voor alles levende, en Ivan legde zijn speelgoedwapens neer, bewonderde de schoonheid van de wereld, de bloeiende planten, de dieren, luisterde naar de zang van de leeuwerik\u2026 Zijn vader keek naar hem en zei: \u201cIvan, waarom gebruik je je Berestetsjko niet?\u201d<br \/>\n\u201cIk wil niet!\u201d<br \/>\n\u201cWaarom niet?\u201d<br \/>\n\u201cMoeder zegt dat het zondig is om van kinds af aan te leren vechten\u2026 We moeten in vrede leven met mensen.\u201d<br \/>\n\u201cJe moeder liegt! Met goeden kan dat, maar met de slechten, als je ze niet onderwerpt, zullen zij jou onderwerpen\u2026\u201d<br \/>\nZo leek het Ivan belangrijker het zachte, vriendelijke woord van zijn moeder te horen dan de strenge en harde woorden van zijn vader. Dus toen Ivan zestien werd, liet hij helemaal zijn oorlogsspeeltjes achter zich en begon hij bij de ossen te lopen, te kijken naar de ploeg en de eg. Eerst was alles nog als een spel voor de jongen, maar later werd het onderdeel van zijn dagelijkse werk en kwam het hem na aan het hart. Hij raakte meer bedroefd wanneer een ondergeschikte of een grijze os ziek werd dan door de verhalen van zijn vader over de Tataarse aanvallen\u2026 Zijn moeder was blij. En ook zijn vader, het was niet gemakkelijk voor zijn sietsj-hart om te zien dat de ridderlijke aard in zijn zoon vervaagde, maar toch treurde hij er niet te zeer om\u2026 Het oude ridderdom verdween overal. Er was geen gelijkheid meer, geen broederschap. De kozakkenleiders, die vroeger, bij verkiezingen, door het volk met hun borst werden teruggehouden zodat ze zich niet zouden verheffen, staken nu hun hoofden omhoog, terwijl de gewone kozakken bijna tot op de grond bogen\u2026 Wrekers, juristen, allerlei militaire kameraden hadden hun netten uitgespreid, en vingen daarin de eenvoudige duisternis als konijnen\u2026 Er was geen hetman meer. En wat had hij toen nog te betekenen, wie gaf toen om hem?! Het land werd overal belegerd door de adel, het doordrong het hart, en, als een zwerm leeuweriken, het verscheurde zijn halfdode lichaam\u2026 Onze jonge leeuwen treurden, maar het was al te laat! Zelfs het land dat zij met lange speren hadden bewerkt, bezaaid met hun botten terwijl ze zich verdedigden tegen de vijanden, werd nu hun vijand, waarvoor ze moesten vluchten\u2026<br \/>\nEr ontstond chaos, gejaag\u2026 Mensen trokken van de ene plaats naar de andere, op zoek naar vrijheid, in hun verlangen de heersers kwijt te raken; niet vreemden, maar hun eigen verwante heren! Ze vluchtten van de heren naar de kozakken, gaven de militaire wrekers een basarinka om zich in het \u201ckozakkenregister\u201d in te schrijven; en de kozakken zochten nauwelijks genade bij de heren, ze renden naar de kozakkenleiders, vroegen om \u201cbescherming\u201d\u2026 En de heer en de leiders waren als broers! Raaf pikt raaf geen oog uit. Vaak echter, de heer zelf, de leider zelf\u2026 Wie is dan je vijand?<br \/>\nHet is waar, de mensen van Pisky waren nog vrij. Maar wat had dat voor zin, als ze moesten afwachten tot ook zij ingesloten zouden worden\u2026 Overal slavernij, overal menselijke ellende, niemand om raad te geven. Achter de Dnipro kwamen de Haidamaken op, maar ook zij keerden terug naar het roversleven, het waren geen echte ridders. En toen ging het gerucht rond: Tekelij heeft in de Sietsj orde op zaken gesteld! De kozakken verspreidden zich, sommigen kwamen om, anderen gingen naar de Turken, en weer anderen naar Oekra\u00efne, naar de ploeg. Twee of drie kwamen zelfs naar Pisky, maar zij stierven al snel. Er is alleen nog de herinnering, dat zij de kerk begonnen te bouwen\u2026<br \/>\nDit alles beleefde de oude Myrin, terwijl hij achter de ploeg liep; zijn vurige hart doorstond alles, terwijl hij over zijn erf tobde\u2026 Myrin bleef alleen, als een vinger. Zoals een eik tussen esdoorns in het bos, zo stond hij in de gemeenschap van Pisky. Volledig alleen! En zijn zoon, zijn eigen kind, keerde zich af van de vaderlijke geest! Triest en onbeholpen moest de Sietsj-man zijn leven slepen op zijn oude dag\u2026 En overal vijanden, en toch geen vijanden, want de mensen waren moedeloos: niemand wil zich met kracht meten! Overal stilte, je zou kunnen sterven\u2026 En toch weerklonk de kozakkenaard luid in zijn oude hart; zijn hand zocht om zich te meten met een vijand\u2026 Maar behalve de vijand in eigen huis, was er geen vijand\u2026 Triest en stil!<br \/>\n\u201cOns land wordt leeg, stil! Binnenkort zal het beschimmelen te midden van deze troebelheid!\u201d zei Myrin soms, denkend aan het verleden. \u201cEn wat voor orde is er nu? Wat voor orde is dat?\u2026 De ene slaat de andere in slavernij\u2026 De kozakkenleiders hebben alles onder controle\u2026 Ze hebben al het land ingenomen\u2026 Niet voor niets zingt men in het lied: \u2018O, jullie adelaars, jullie adelaars, jullie hebben onze steppen en weiden ingenomen!..\u2019 En nu laten ze het werk doen met vreemde handen\u2026 O, vroeger was het bij ons op de Sietsj, in ons kozakkenland niet zo! Iedereen gelijk, iedereen vrij\u2026 Vandaag jij de ataman, morgen ik! En het land, zoveel als je wilt\u2026 Ploeg, zaai, maai, waar je maar wilt\u2026 Vrijheid was het\u2026 En nu? Nu wat?.. Vertel mij: waar leidt dit toe?! Nee! Geen goed\u2026 geen, en waarschijnlijk zal er nooit goed zijn!\u201d voegde hij eraan toe, als een spijker die inslaat, en zweeg.<br \/>\nDe mensen luisterden, neergeslagen. Anderen krabden achter hun hoofd\u2026<br \/>\nEven later, nadat hij had uitgeademd, vervolgde Myrin:<br \/>\n\u201cMet de Poolse heren hebben we gevochten, gestreden, we stonden als \u00e9\u00e9n man\u2026 Waarom? Om door onze eigen leiders te worden geslagen, teruggebracht in slavernij?! Het kwam hierop neer: onze boter en onze huid! Nou, draag het, zolang het nog heel is\u2026 voordat het van je wordt afgetrokken\u2026 En waarom dat alles? Alles omdat ieder alleen voor zichzelf zorgt\u2026 Het ongeluk van een broer is het ongeluk van een ander! Geen eenheid, de duivel neemt dan de vrijheid! Maar stel dat we samen de sikkels zouden pakken en alle brandnetels zouden maaien\u2026 Dat zou iets zijn! Waar kijk je naar? Maaien, zeg ik! Maaien, anders wordt het erger!..\u201d<br \/>\nZo riep de ietwat dronken Myrin herhaaldelijk uit tegen zijn buren, wanneer zij zich verzamelden voor een feest, op zondag of een andere dag.<br \/>\nDe mensen van Pisky luisterden en dachten na\u2026 Sommige van de oudere boeren discussieerden met Myrin: \u201cVroeger was er ook geen goedheid of orde, alleen herrie, ruzie en willekeur.\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cWat hebben we toen allemaal moeten verduren van de Polen en de Tataarse invallen! Wat hebben we getolereerd van de Turken en de Moskovi\u00ebri\u2026! En soms, zelfs je eigen broer, een Zaporizjer, als hij in huis kwam, kon je hem niet eens met wierook verdrijven\u2026 Alles was verwoest!\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cEn nu? En nu??\u201d schreeuwde Myrin.<br \/>\n\u2014 \u201cEn nu? Nu, godzijdank, is het rustig\u2026 We hebben brood, vee neemt toe, en bescherming is veilig\u2026 We leven als mensen!\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cLeven jullie?!\u201d schreeuwde Myrin. \u201cJullie krioelen, maar jullie leven niet! Jullie bloeien\u2026 Maar wacht, wacht even. Jullie zullen nog meemaken wat de berenmannen hebben meegemaakt! Ook jullie zullen geslagen worden, zoals de Podoli\u00ebrs! Dan zullen jullie weten: leven jullie, of niet! Jullie zullen het zien\u2026 Het is al duidelijk waar de wind vandaan waait\u2026\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cTerwijl de opschepper zich maar opblaast, zal het huis rijker worden!\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cNarren! waardelozen! stomkoppen!!\u201d riep Myrin tenslotte uit, en zweeg\u2026<br \/>\nDegenen die recent uit andere plaatsen naar het vrije Pisky waren gekomen, strekten hun handen uit naar Myrin. Ze begonnen over de huidige orde te klagen, vooral over de heren. Ze vertelden hoe in het Hetmanland niet alleen de kolonel de mensen mishandelde, maar hoe de kolonelvrouw meisjes wekenlang in houten boeien hield, hun haar sneed, hoofden insmeerde met teer en met veren bestikte; hoe niemand trouwde of een bruid nam zonder een huwelijksheffing te betalen\u2026<br \/>\n\u2014 \u201cJa, oom Myrin zegt de waarheid,\u201d siste iemand tussen de tanden door. \u201cHet zou opgeruimd moeten worden\u2026 maar er is niemand om het te doen!\u201d<br \/>\nMyrin zat met gefronste wenkbrauwen, rood als vuur, zwijgend. Alleen was te zien hoe zijn borst op en neer ging en hoe soms onder zijn dikke wenkbrauwen een bliksemflits glinsterde\u2026<br \/>\nZo ruzieden ze, schreeuwden; de een zegende, de ander vervloekte de oude orde, en dan gingen ze weer uit elkaar. En de volgende dag gingen zowel de \u00e9\u00e9n als de ander weer aan het dagelijkse boerenwerk.<br \/>\n\u2014 \u201cWie zal ons nu onderwerpen?.. Als het onder de hetmans niet lukte, dan nu \u2014 het maakt niet uit!\u201d<br \/>\nIedereen wroette in zijn erf als een kip op een nest. Hij repareerde, schoof, trok, verzorgde de kuikens\u2026 Pisky groeide, en werd rijker\u2026 En soms, kijk: van hier of daar kwam een vreemdeling, uit de nieuwe Sietsj, van de Turken (want daar is het Turkse geloof, het land van de ongelovigen!), of van achter de Dnipro, van de Polen, en allemaal naar de vrije steppen, naar de vrije steppen\u2026 Ze groeven een hut uit, namen een vrouw, en leefden als rustige boeren. Kijk: hut na hut, leemhuis na leemhuis, uit kleine nederzettingen werden huizen tot een heel dorp, met straten, tuinen, boomgaarden, weilanden! Dankzij de Zaporizjer en hun eigen kerk\u2026 Je hoefde niet meer naar een vreemde priester te gaan om een kind te dopen of te trouwen.<br \/>\nIntussen was Ivan al meer dan twintig jaar. Een volwassen jongeman, tijd om aan een vrouw te denken. Zijn vader wilde er niet over horen. \u201cJe bent nog jong!\u201d zei hij. Het haar van de zoon begon al te krullen, maar Myrin zei, als men over een bruid sprak: \u201cHet melk is nog niet eens opgedroogd bij haar lippen!\u201d De oude wachtte nog op iets, raadde zijn zoon niet aan te trouwen.<br \/>\nMaar toen Myrin hoorde dat Otsjakiv was verwoest, riep hij Marina (de oude Sietsj-man durfde zijn zoon hieraan niet te herinneren) en zei:<br \/>\n\u2014 \u201cEr valt nu niets meer te wachten\u2026 Genoeg! Alles is niet langer als vroeger, door luie boeren bewerkt\u2026 We hoeven niet meer als kozakken te vechten, noch onze kinderen\u2026 Het kozakkenrijk is voorbij, het boerenleven is gekomen\u2026 Tijd dat je als zoon een eigenaar wordt\u2026 Tijd om een vrouw te zoeken, jouw eigen nest!\u201d<br \/>\nEn de moeder had al een meisje uitgezocht. Bij de rijke kozak Kabanets was er \u00e9\u00e9n dochter, Motrja. Mooi, energiek; een hardwerkende en onvermoeibare huishoudster. De moeder vertelde Ivan: zo en zo, dat zei de vader. Ivan glimlachte alleen. Zijn moeder raadde hem Motrja aan. En in zijn hart huppelde het allang, telkens wanneer hij Motrja tegenkwam.<br \/>\nZe overlegden, en de vader en moeder zegenden Ivan met heilig brood; de oude zuchtte zwaar, de moeder huilde, en ze stuurden de oudsten naar Kabanets.<br \/>\nKabanets kende de oude Myrin goed, kende Marina en haar familie. Alle mensen eerlijk, hardwerkend, geen zwervers, geen dronkaards. Wat wil je nog meer?<br \/>\n\u2014 \u201cDat jij het weet, dochter!\u201d zei hij tot Motrja.<br \/>\nMotrja stond bij de oven en rommelde bij de hoek. Ze bloosde, gloeiend van opwinding, nog mooier dan ze al was.<br \/>\n\u2014 \u201cAls moeder het ook zegt\u2026\u201d antwoordde ze haar vader.<br \/>\n\u2014 \u201cEn jij, vrouw?\u201d vroeg Kabanets aan zijn vrouw. \u201cZeg eens iets!\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cWat moet ik zeggen? Marina is een goed mens\u2026 Myrin is een beetje eigenzinnig\u2026 Maar zou zij met Myrin moeten leven? En Ivan is een prima jongeman!\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cNou, laten we dan de bemiddelaars zijn!\u201d antwoordde Kabanets de oudsten.<br \/>\nDe handen van de jongelingen werden aan elkaar gebonden en ze werden gezegend met heilig brood en zout. Ivan keerde terug met groot plezier: de oudsten hadden het uitgewisselde brood naar het huis van de vader gebracht.<br \/>\nTwee weken later werd het jonge paar getrouwd.<br \/>\nIvan Hoedzj begon een rustig, vredig en vriendelijk leven met zijn jonge vrouw, een rustig boerenleven. Hij bewerkte het land, bouwde bezit op. Motrja hield samen met haar schoonmoeder orde in het huis. Ze leefden alsof ze honing dronken\u2026 En intussen kwamen de kinderen. Binnen drie jaar baarde Motrja drie zonen, sterk als valken. Voor de oude vrouw een vreugde en vermaak in haar ouderdom! En de jongens waren echt gezond en sterk: \u00e9\u00e9n Maksym, de tweede Vasyl, de derde Onysjko, allen roodwangig en krachtig! Het hart van vader en moeder straalde van blijdschap als ze hen zagen; ook de oude Marina was blij, terwijl ze haar kleinkinderen wiegde\u2026 Alleen Myrin keek er soms somber bij\u2026 Toch zette hij vaak Maksym op zijn knie, en terwijl het kind speelde met zijn grote grijze snor, vertelde hij hem angstaanjagende verhalen over oude conflicten\u2026<br \/>\nVan die verhalen klopte het sissende bloed van de Sietsj hard in het hart van de kleine kleinzoon. Maksym hield meer van zijn grootvader dan van zijn vader of moeder; hij genoot van de angstaanjagende, soms grappige verhalen; hij hield van de wijze, eerlijke, goede lessen van zijn grootvader\u2026 En de grootvader hield van zijn nieuwsgierige, levendige kleinzoon. Aan het einde van zijn leven schonk de oude man zijn door jaren en tegenspoed getekende hart aan het jonge kind! Ouderdom verbond zich met jeugd, jeugd kleefde aan ouderdom. Ze leefden \u00e9\u00e9n leven; genoten van \u00e9\u00e9n vreugde; deelden \u00e9\u00e9n verdriet\u2026 De oude Sietsj-man blies zijn ziel in de jonge ziel van zijn kleinzoon!<\/p>\n<p>IX PISKY IN SLAVERNIJ<br \/>\nMaar Myrin had niet lang de tijd om van zijn kleine kleinzoon te genieten; en de kleinzoon niet lang om naar de verhalen van zijn grootvader te luisteren. Het leven draaide plotseling zijn zware wiel, en bracht Pisky\u2026 in slavernij!<br \/>\nHet ongeluk ging op bezoek bij de Polen, maar draaide af naar Pisky. Het nieuws daverde als een donderklap: de inwoners van Pisky waren aan een generaal verkocht! Rond die tijd waren de Polen in opstand gekomen. Het verscheurde lichaam van de Republiek der Twee Naties trilde als een kalkoen nadat zijn kop was afgesneden. Hoe Kostjoesjko zich ook verzette, hoe fel hij ook probeerde de moed in het volk te wekken, hij kon niets doen\u2026 Hij vervloekte de adellijke elite die het vaderland tot de dood had gebracht, botste van verdriet op zijn eigen dood, wierp zijn zwaard weg als iets wat niet meer nodig was, en schreeuwde met een stem die niet de zijne was: \u201cKaput Polen!\u201d Die kreet weerklonk ver, heel ver, tot in Pisky\u2026 Zo kwam Pisky onder het gezag van de Poolse heer.<br \/>\nWat voor heer was dat? Wie was hij? Waar kwam hij vandaan?<br \/>\nMen zegt dat het een arme edelman was, uit die \u201cbroze adel\u201d die in Polen, onder het bewind van de magnaten, rondhing op het hof, hun honing, wijn en sterke drank dronk, brood at dat door boerenarbeid was verdiend, danste op de muziek van de heren, een machtige magistraat als beschermheer koos, voor een ambt, voor zitting in het parlement, reisde met hem naar bijeenkomsten, riep wanneer de heer wilde: akkoord! \u2014 en tegelijk klaarstond om voor de broodheer het zwaard te trekken en broederbloed te vergieten\u2026 Dwaas, grillig, lui van aard, soms verried hij zijn heer, liep naar een ander die hem meer drank gaf, of hem met door boeren verdiend geld lokte\u2026 De magistraat werd boos, smeet zijn poort open, gooide gouden munten naar de dronken menigte, verleidde trouwknechten van een derde magistraat met die munten, werd kwaad op degene die hij had verleid, wilde wraak\u2026 en opnieuw vloeide het broederlijke bloed\u2026 Zo ging het leven eeuwenlang door onder de heerschappij van de adel, totdat Polen viel, verzwakt door het gedrag van zijn losbandige edelen\u2026 Voor de magnaten maakte het niets uit!<br \/>\nZe hadden onmetelijk veel land: boerderijen, dorpen, zelfs complete steden, niet tientallen, maar honderden dorpen in ons uitgestrekte Oekra\u00efne overal, van de San tot de brede Dnipro; in die boerderijen, dorpen en steden woonden tienduizenden mensen met gezonde handen om te werken, die, alsof God zelf hen gestraft had, moesten werken voor \u00e9\u00e9n luie magistraat\u2026 Het maakte de magnaten niets uit!<br \/>\nMaar de \u201cbroze adel\u201d kreeg nu werk\u2026 Ze werden overal ingezet als opzichters, beheerders, rentmeesters van kleine landgoederen, en sommigen gingen in dienst bij een machtige, ooit een vijand, nu een heer: een Rus! De Poolse heer trok met zijn soldaten van de snelle Styr tot aan de koude Neva\u2026 Hij voegde zich bij een regiment, manoeuvreerde langs de vooraanstaande edelen, totdat hij uiteindelijk bij de generaal kwam\u2026 en zo bij Pisky!<br \/>\nDe inwoners van Pisky waren nog niet bij hun positieven, toen de edelman zelf arriveerde in Pisky \u2014 en niet alleen, maar met een joodse man erbij \u2014 gekleed, gescheurd, in een lange, versleten mantel, een keppeltje op het hoofd, pantoffels aan de voeten\u2026 Wie nog nooit een jood had gezien, wist niet waar hij eerst naar moest kijken: naar de generaal, of naar zijn jood die hem volgde, als een aangehecht staartje van de generaal\u2026<br \/>\nDe generaal was de eerste die de inwoners van Pisky toesprak.<br \/>\n\u2014 Jullie zijn nu geen kozakken meer, \u2014 zei hij terwijl hij tot de gemeenschap. \u2014 Genoeg met het voortbrengen van opstanden! Jullie zijn nu van mij\u2026 Voor mijn trouwe diensten heeft de keizerin Pisky aan mij toegewezen\u2026<br \/>\n\u2014 Hoezo? Wat? Waarom?? \u2014 bulderde de gemeenschap, alsof de zee voor een storm brulde.<br \/>\nMyrin stapte weg van de burgers. Hij stapte naar voren, naar de generaal.<br \/>\n\u2014 Dus zo is het, \u2014 zei hij \u2014 is dit hoe het gaat?! Strekken jullie nu ook jullie handen naar ons uit? Al naar de vrije steppe toe? Help ons! Zijn ze daar misschien vergeten welke afspraak we hadden, h\u00e8? Vergeten??<br \/>\nDe generaal deed een stap achteruit, keek scherp naar Myrin; achter de rug van de generaal gluurde het angstige gezicht van de jood met zijn peies\u2026 De mensen aarzelden\u2026 Stil\u2026 Niemand zei iets\u2026 De generaal hoorde het hart van Myrin bonzen\u2026<br \/>\nEn Myrin sprak tot de generaal en de burgers:<br \/>\n\u2014 En wat, goede mensen? Was het niet ik die jullie waarschuwde? Was ik niet jullie profeet?.. Dus, nu moeten jullie zelf kiezen!<br \/>\nDe boeren begonnen te brommen als kevers\u2026 \u201cHet zal niet lukken! Nooit zal het lukken! Wat moeten we doen?.. Moeten we hem dienen?.. Nooit, hoor, Polak!!\u201d<br \/>\nDe generaal kon het niet verdragen.<br \/>\n\u2014 Stil! \u2014 schreeuwde hij en stampte met zijn voet.<br \/>\nDe kevers werden stil\u2026 Ze weekten een beetje achteruit\u2026 Myrin was niet meer te zien\u2026 Myrin verdween ergens in de menigte\u2026<br \/>\nEn de generaal, als een commando, riep:<br \/>\n\u2014 Mijn land!.. en jullie zijn van mij!.. en alles is van mij!!<br \/>\n\u2014 Ze hebben je vader bedrogen, en jij doet mee! \u2014 riep iemand van binnenuit.<br \/>\nEr was een geroep tegen de edelman! Hij sprong op van de bank, stootte bijna een voorman omver, schreeuwde tegen een knecht, duwde de jood in de wagen die al een tijdje rondliep, sprong zelf erop, en er steeg alleen een wolk stof op\u2026<br \/>\nDe laatste stond op, krabde zich achter het oor, raapte zijn hoed van de grond en zei tegen een kameraad:<br \/>\n\u2014 Zo, dat is iets! Dat is pas begroeten!<br \/>\n\u2014 Waarom heb je hem niet een lesje geleerd? \u2014 klonk het van alle kanten.<br \/>\n\u2014 Ja, waarom niet! Toen hij \u2014 de duivel mag hem hebben \u2014 zomaar opdook van nergens!<br \/>\n\u2014 Waarom heb je hem niet gewoon op de wagen gezet? \u2014 grapte iemand van binnen.<br \/>\n\u2014 Omdat hij zich niet achter jouw rug verschool! \u2014 antwoordde de laatste met een vleugje verontwaardiging.<br \/>\n\u2014 En toch heeft hij je ook nog eens berispt omdat je te voren uitkwam!<br \/>\n\u2014 Berispt!! Oh, ja, ja\u2026 ja, dat heeft hij echt gedaan! \u2014 lachte de menigte.<br \/>\nVanaf dat moment noemden ze de laatste \u201cpeetvader\u201d: peetvader, en nog eens peetvader.<br \/>\n\u2014 Genoeg nu! \u2014 riep een man met een zwarte snor en een grijs hoofd, zo grijs als een buizerd. \u2014 Er is altijd wel reden genoeg om te lachen! Zeg liever: wat moeten we doen?<br \/>\nHet gelach stierf weg. De menigte begon te overleggen:<br \/>\n\u2014 Wij zouden naar Kyiv kunnen gaan\u2026 naar de hoofdstad\u2026 zelfs naar de keizerin zelf! Wat is dit voor ongeluk? Waar komt dit vandaan?<br \/>\nZe gingen naar Myrin om raad te vragen: wat te doen, wat het beste zou zijn\u2026<br \/>\n\u2014 Zou u, Myrin, niet naar de hoofdstad reizen om te verkennen\u2026 Wat is dit voor rare zaak die daar vandaan is gekomen? Zou u niet iemand om vergeving vragen?<br \/>\n\u2014 Dat ik zou reizen? Dat ik zou vragen?? \u2014 schreeuwde Myrin met een stem die niet de zijne was. \u2014 Dan kan ik beter mijn hele familie naar het land van de Turken sturen! Het is makkelijker om in een land van ongelovigen te sterven, dan thuis, in slavernij van de heren, ten onder te gaan\u2026<br \/>\nDe menigte vertrok bij Myrin met niets, nadenkend en bedroefd\u2026<br \/>\nDe oude Sietsj-kozak werd bezorgd. Hij at niet, sliep niet\u2026<br \/>\n\u201cMijn zoon\u2026 mijn kleinzoon\u2026 eigen bloed\u2026 eigen bezit\u2026 land\u2026 vee\u2026 alles, alles in slavernij!..\u201d fluisterde de oude terwijl hij over zijn erf liep. Hij wist niet waar hij moest blijven!<br \/>\nOp een avond was de oude plotseling verdwenen. Hij was er niet \u2018s nachts, kwam \u2019s ochtends niet, kwam niet lunchen; keerde zelfs \u2019s avonds niet terug\u2026 Waar was hij? Waar was de oude Sietsj-kozak Myrin Hoedzj? Had iemand hem gezien of gehoord?.. Niemand had iets gezien of gehoord. De dag ging voorbij; de tweede dag, de derde\u2026 alsof hij in de aarde was weggezakt! Marina huilde. Haar zoon treurde. De schoondochter leek ontredderd. Zelfs de kinderen waren stil, alsof ze er niet waren\u2026<br \/>\nIntussen zat de generaal niet stil, met gevouwen handen wachtend tot de inwoners van Pisky vrijwillig hun nek onder het juk staken: \u201cGras, edele heer!\u201d De generaal wist dat een os goed moest worden getraind, zodat wanneer je zegt: \u201cnek!\u201d \u2014 hij zijn nek zou uitsteken\u2026 Maar voorlopig moest hij dwang uitoefenen\u2026 De generaal deed zijn werk\u2026<br \/>\n&#8220;De zwakke bekommert zich om de macht, maar waar bekommert een generaal zich om? Hij reed naar Hetmanske en vertelde daar wat voor &#8216;opstand&#8217; de mensen uit Pisky hadden ontketend, hoe achteloos ze waren omgegaan met de genade van de tsarina. Hij schold hen uit voor vee en adders \u2013 laat de duivels hen maar halen!&#8221; De volgende dag kwam hij weer naar Pisky, maar nu niet meer met de jood. Nog voordat het dag werd, trok een Russische troep Pisky binnen. Ze vielen aan als sprinkhanen op een groen veld en begonnen alles te vernietigen en op te eten\u2026<br \/>\nDe inwoners van Pisky hadden dit niet verwacht. Ze raakten in paniek, wisten niet wat te doen\u2026 Ze kwamen hun huizen uit; verzamelden zich als een kudde in de regen bij de kerk; stuurden iemand voor de priester om een gebed te laten lezen. De priester durfde niet, hij kwam niet. Langzaam begonnen de inwoners te schreeuwen dat ze nooit zouden buigen voor de Polen. Dat hun grootvaders en vaders hierheen waren gevlucht voor de Polen, en nu sturen de Polen deze mensen om te heersen! Misschien zouden ze nog lang door blijven schreeuwen, als de wapens hen niet tot zwijgen hadden gebracht\u2026<br \/>\nZe stuurden  hen terug naar hun huis. Als een verdwaalde kudde renden ze alle kanten op\u2026 sommigen naar andere dorpen; anderen naar bossen en moerassen; sommigen klommen zelfs op de oven\u2026 Het leek alsof een goddelijke straf over het dorp was gekomen, of dat de Tataren waren gekomen\u2026 Buiten waren meer vrouwen zichtbaar; de mannen die thuis waren, durfden hun neus niet te laten zien. Iedereen zat als een mol in zijn hol\u2026<br \/>\nZo\u2019n chaos kwam de generaal goed uit. Hij liep veilig van huis tot huis, en schreef alles van zijn bezit nauwkeurig op. Leiba volgde zijn heer stilletjes, als een trouwe hond bij zijn jager. \u2019s Nachts zouden ze naar Hetmansk vertrekken; \u2019s ochtends weer terug naar Pisky. Hij schreef en schreef\u2026<br \/>\nTerwijl de generaal zijn administratie deed, kwam Myrin ook terug. Na ongeveer twee weken keerde hij terug naar huis, door de zon gebruind, helemaal bedekt met stof.<br \/>\n\u2014 Wees niet bedroefd, zoon! \u2014 riep de oude toen hij het huis binnenkwam, \u2014 je bent zelfs vergeten te groeten. \u2014 Hier heb je het! Zolang de zon schijnt, zul je een kozak zijn\u2026 En degenen die naar mij, de dwaze, niet luisterden, laat hen nu maar doen naar wat ze weten! \u2014 En hij gaf het papier aan zijn zoon.<br \/>\nHet was alsof de zon het huis binnenkwam. Iedereen was zo blij, vrolijk\u2026 En Myrin was terug, en bracht de vrijheid mee! Nu dwong niemand hen meer tot herendiensten of belastingen\u2026<br \/>\nToen de inwoners van Pisky hoorden van het document, begonnen ze \u2019s avonds stiekem naar Myrin te rennen: vragen te stellen, te kijken\u2026<br \/>\n\u2014 Wat is dat? Hoe zit het?<br \/>\n\u2014 Zoals je ziet! \u2014 zei Myrin. \u2014 Nou, zoals je ziet!&#8221; zegt Myrin. &#8220;Wie in het register is opgenomen, is vrij en blijft voor altijd vrij, en zijn gezin en zijn nakomelingen zijn voor eeuwig vrij. Maar wie er niet in staat, die is voor de generaal\u2026<br \/>\nToen de inwoners dat hoorden\u2026 o, wat een opwinding! Hoe zouden ze het krijgen, hoe konden ze alleen maar ingeschreven worden?.. In het verleden, \u00e9\u00e9n dorp, mensen leefden samen, deelden brood en zout; werkten samen\u2026 en nu: de \u00e9\u00e9n is vrij, de ander niet!!! De \u00e9\u00e9n ingeschreven in een of ander \u201cregister\u201d, de ander (niet voor niets was hij aan het schrijven!)\u2026 bij de generaal!.. Wie staat daar ingeschreven? Wie hier? Wie komt daar nog uit?.. Ellende, niets dan ellende!<br \/>\nDe generaal had alles op een rijtje. Het was niet voor niets dat hij ongeveer een maand in Hetmansk rondhing, hij had de deuren van de oude elite afgeklopt; niet voor niets had hij elk huis in Pisky zelf bezocht\u2026<br \/>\nWat betekent dit teken: de inwoners van Pisky werden weggezonden, en nu loopt de burgemeester door het dorp en roept hij morgen alle boeren bij de kerk bijeen? \u201cAl voor de vijfde keer nieuws!\u201d \u2014 dachten de inwoners. Toch kwamen ze bij elkaar.<br \/>\nHet was nog vroeg. De zon was net opgekomen, en zo fel, boos, alsof iemand hem had gewekt. Het werd benauwd voor de inwoners van Pisky\u2026 Ze stonden op het kerkhof, murmelend\u2026 Even later rookte iets op de weg\u2026 en een luide bel klonk\u2026 Het hart van iedereen stopte even, daarna bonkte het nog heviger\u2026 Ze hielden hun adem in; hun ogen volgden de weg\u2026 \u201cTpru-uu!\u201d De paarden stopten bij de poort. De menigte bewoog, prakte samen. Iedereen wist wie er aankwam, en iedereen probeerde vooruit te kijken\u2026<br \/>\nUit de koets sprong de generaal, zoals een generaal betaamt: in uniform, in paletots, met een zilveren riem met kwasten strak om zijn taille\u2026 Achter de generaal klom een kleine, oude, wat gebochelde heer uit de koets, en achter hem, Leiba, de generaal\u2019s jood. De Russische troepen stonden niet ver van het kerkhof opgesteld, op het plein. De generaal begroette hen eerst. De soldaten kakelden terug als kalkoenen. Daarna stuurden ze Leiba om de priester te halen voor het gebed\u2026 De priester leek uit de grond op te zijn gerezen. Het gebed werd gehouden.<br \/>\nToen begon de oude heer die met de generaal gekomen was de inwoners van Pisky te onderrichten: voor welke en welke diensten ze waren \u201ctoegekend\u201d aan de generaal, wie was ingeschreven in het \u201ckozakken-register\u201d, en wie in het generaals-register. Elke boer werd afzonderlijk aangewezen en toegeroepen\u2026 en hij vergiste zich niet. kozakken, slechts een handvol; de mensen van de generaal, het hele Pisky vol!<br \/>\nToen zou de generaal pas echt een slag voeren!.. Waar was die angst gebleven?!<br \/>\n\u2014 Wij laten alles achter!.. helemaal alles!.. velden, huizen, vee\u2026 we gaan een ander land zoeken\u2026 een betere plek\u2026 vrijheid!!<br \/>\nHet geschreeuw, het gejammer was zo luid dat het in de klokkentoren weerklonk.<br \/>\nOndertussen begonnen de kozakken zich te onderscheiden. Ze kwamen uit de groep en gingen naar huis om hun vrouwen te laten zien dat hen nu niemand zou onderwerpen, want zij en hun kinderen zijn voor altijd vrij.<br \/>\nOp het kerkhof bleven alleen de generaal\u2019s mensen. Lang bleven ze roepen, schreeuwen dat ze alles zouden achterlaten en vertrekken\u2026 De generaal probeerde hen gerust te stellen dat ze hem nu niet nodig waren, dat hij hen niet met dwangwerk of herendiensten zou martelen\u2026<br \/>\n\u2014 Jullie geven me dat en dat, betaalt de belasting voor het land, en verder \u2014 leef zoals jullie willen! Ik leef niet met jullie: mijn plek is in de hoofdstad\u2026 Wat moet gebeuren, geef dat aan Leiba: hij blijft voor mij het beheer doen\u2026<br \/>\n\u2014 Wij zullen de edele heer dienen, \u2014 wierp Leiba, zich buigend, \u2014 van jongs af aan en tot het einde van mijn leven.<br \/>\n\u2014 Ik weet het, Leiba, ik weet het! Jij bent een edele jood, \u2014 antwoordde de generaal.<br \/>\n\u2014 Dus akkoord? \u2014 draaide hij zich weer naar de menigte.<br \/>\n\u2014 Dat wij betalen voor ons land?.. Dat wij geven\u2026 Waarvoor?! Nooit, nooit! \u2014 schreeuwde de menigte.<br \/>\n\u2014 Zoals jullie weten\u2026 Als je niet wilt betalen, stuur ik jullie naar de herendiensten\u2026 Ik geef jullie \u00e9\u00e9n dag, denk na: wat is voor jullie het meest comfortabel\u2026 Begrijpt u? Overmorgen moet ik het weten!<br \/>\nEn hij vertrok. Op het kerkhof werd het geschreeuw nog groter\u2026 Iedereen riep dat ze zouden vertrekken\u2026 En zo gingen ze uit elkaar.<br \/>\nSommigen, de vurige tien of zo, pakten hun zakken en gingen op zoek naar een vrije plek\u2026 De rest bleef. Waarheen gaan? Hoe doen? Ze zouden eigenlijk kunnen weglopen, wegrennen, maar als ze naar hun huizen kijken, met hun tuinen en hun bewerkte velden die rondom het dorp groen zijn; als ze denken aan de handen die daar zo zorgvuldig werkten; als ze denken aan het afscheid van hun oude nest, waar ze zijn opgegroeid, gevoed en volwassen zijn geworden, met de graven van hun ouders\u2026 Dan wordt hun het eigen land lief; de angst voor het onbekende, donkere, nachtelijke toekomst\u2026 En zo bleven ze, tot het juiste moment zich zou aandienen!!<br \/>\nDe generaal arriveerde.<br \/>\n\u2014 En wat? Hoe?<br \/>\n\u2014 Wel, mijn heer, we zullen u geven wat u nodig heeft, maar raak ons niet aan!<br \/>\n\u2014 Goed, jongens! Goed! Zo had het al lang moeten zijn\u2026 Het gehoorzame kalf zuigt twee moeders. Hier, een traktatie! \u2014 Hij haalde een gouden munt tevoorschijn en gaf die aan de buitenste man.<br \/>\nLeiba draaide zich rond bij de heer, niet wetend van welke kant hij het beste kon naderen. De generaal merkte het op.<br \/>\n\u2014 Wat wil je, Leiba? \u2014 vroeg hij.<br \/>\n\u2014 Moge de edele heer vriendelijk zijn, \u2014 zei Leiba, \u2014 zodat de jongens geen herberg zullen bouwen, en geen enkele kroeg zullen houden!<br \/>\n\u2014 Luister nog eens \u2014 zei de generaal \u2014 niemand van jullie mag nog wodka drinken of een kroeg runnen! Jullie zijn van mij, en de kroeg zal van mij zijn. Hier, Leiba zal de wodka verzorgen.<br \/>\nDe inwoners van Pisky krabden achter hun oren. Ze begrepen dat dit nog maar het begin was, dat was duidelijk!!!<br \/>\nDe generaal nam afscheid van hen. Toen hij in de wagen stapte, riep hij: \u201cKijk uit\u2026 zorg goed voor Leiba!\u201d Alleen dat zagen de inwoners.<br \/>\nLeiba bleef op het erf. Een maand later kwam er een grote, grote hut naar Pisky, zoiets hadden de inwoners nog nooit gezien; en in die hut Leiba\u2019s vrouw en tien kinderen, ieder een iets kleiner dan de ander\u2026 De generaal had voor Leiba een groot stuk land aan de rand van het dorp toegewezen; in de zomer bouwde Leiba op hoge palen een huisje, en begon er zijn kroeg te runnen.<br \/>\nAlles ging weer zijn gewone gang. De kozakken en de generaal leefden rustig, vredig; ze ploegden het land, zaaiden, maaiden, dorsten; verzamelden goederen, vee; kregen kinderen, hun nageslacht groeide\u2026 En er kwamen nog enkele buitenstaanders naar Pisky, die zich tussen de boeren vestigden. Ze gaven Leiba wat de generaal toekwam, dat wil zeggen een bijdrage in natura en een kleine grondrente, en verder regelden ze hun eigen zaken naar eigen inzicht.<br \/>\nDe inwoners van Pisky raakten gewend aan Leiba. Leiba raakte gewend aan de inwoners. Ze gingen naar Leiba\u2019s kroeg om wodka te drinken. Ze vermeden de kozakkenkroegen, omdat de wodka bij Leiba goedkoper was\u2026 Leiba werd een belangrijk man in het dorp!<br \/>\nEn Leiba zelf ging het niet slecht! Uit zijn lange, vettige, demi-katoenen jas was hij gegroeid in een zwarte leren jas; en Soerka, Leiba\u2019s vrouw, liep er niet zo versleten bij als toen ze aankwam; en de kinderen van Leiba waren niet meer zo mager en ongezond\u2026 Leiba had \u2014 niemand weet waar vandaan \u2014 een geit met een geitje; bij Leiba\u2019s koe liep al de dienstmeid Hapka; Leiba had ook een paar andere geitjes\u2026 Leiba leefde met de inwoners van Pisky\u2026 je zou zeggen \u2014 alsof hij onder Christus\u2019 hoede leefde \u2014 als hij maar in Christus had geloofd\u2026 Maar Leiba had \u201congeloof\u201d; Leiba\u2019s voorouders hadden zich over Christus vermaakt\u2026 Soms werd Leiba daar boos om, als de inwoners hem plaagden! Niet zozeer Leiba zelf, als wel zijn kinderen\u2026 Meer dan eens klaagde Leiba dat de jongens zijn kinderen hun oorpluimen uittrokken, hun lippen met reuzel insmeerden, zodat ze \u2014 waar ze elkaar ook tegenkwamen \u2014 meteen toesloegen als haviken op kuikens! Maar niets hielp! De oorpluimen groeiden weer, de reuzel op de lippen werd door Soerka weer gewassen, de kinderen groeiden, werden dikker, gingen glanzen als varkentjes, waar de jongens hen mee plaagden\u2026 Goed voor Leiba!<br \/>\nHet ging de inwoners van Pisky ook goed. Pisky groeide, breidde uit, werd groter. Midden in de uitgestrekte steppe staken bloeiende tuinen met kersenboomgaardjes vrolijk af. De donkere, sombere hutten verdwenen af en toe. Tussen het groene gebladerte van stekelige peren, treurwilgen, donkergroene kersen, stonden nette witte hutjes met drie ramen, rode leemtrappen, binnen met een halletje, een stal, soms ook een kamer. Overal waren de heggen netjes gevlochten, soms met scherpe punten; de poorten waren overal van hout; bij de poorten stonden lange nekken, als wachters, de weg te bewaken\u2026<br \/>\nMyrin hoefde dat alles niet te zien. Zijn gedachte aan slavernij maaide hem neer als een zeis. De oude man kwijnde weg, kromde, verschrompelde\u2026 en stierf \u2014 de laatste zaporizja-kozak \u2014 op bijna honderdjarige leeftijd.<\/p>\n<p>X POOLSE DAMES<br \/>\nEr gaat het gezegde: ongeluk komt nooit alleen, maar met kindertjes. Voor de eerste keer kwam het ongeluk naar Pisky met de generaal. Maar zo\u2019n tien jaar later viel als uit de hemel het bericht in Pisky dat de generaal was overleden, en dat de generaalsvrouw met haar zonen naar het dorp kwam om te wonen.<br \/>\nDe inwoners van Pisky geloofden het eerst niet. Waarom zou zij hier komen? Wat had ze hier te zoeken? Wat had ze hier niet gezien? Pas toen de baarddragende kozakken het dorp binnenreden, begonnen ze een beetje te geloven. Voordat de generaalsvrouw zelf aankwam, had ze van tevoren al opzichters uit haar vaderland gestuurd. Leiba, die toen op het landgoed van de heer werkte, ging op zijn gemak aan de slag.<br \/>\nDe nieuwe opzichters kwamen aan en begonnen meteen een plek uit te kiezen voor de kamers van de generaalsvrouw. Ze keken, maten, controleerden, en zeiden toen tegen Blitsjenko en Motoezka dat ze helemaal naar het open veld moesten verhuizen. Toen ze dat hoorden, gingen ze met hand en tand tekeer! Ze raakten bijna van hun stuk\u2026 Zo moesten ze al hun bezittingen achterlaten, hun gezin in de steek laten en vertrekken\u2026<br \/>\nDe inwoners van Pisky zagen dit en werden verdrietig. Hun toekomstige lot stond voor hun ogen, triest, vol tranen, zonder vrijheid, zonder vreugde\u2026 met de zweep in de hand!<br \/>\nHet wachten op iets vreselijks is erger dan het zelf meemaken. \u201cWat zal er gebeuren? Wat gebeurt er morgen?\u201d \u2014 dacht iedereen, terwijl hij ging slapen. Ondertussen was er vandaag al genoeg werk: de kozakken hadden het huis van Blitsjenko en Motoezka overhoop gehaald\u2026 Voor morgen kwam daar een paleis. Ze hadden ook bomen gebracht: zoveel, dat de inwoners van Pisky er bang van werden\u2026 Voor overmorgen moesten de mannen de bomen omzagen. Ze pakten hun bijlen en gingen aan het werk\u2026<br \/>\nNiet lang daarna rezen er, als uit de grond, grote houten paleizen op, met twaalf kamers, kelders eronder en een metalen dak. De inwoners van Pisky stonden versteld dat zo\u2019n gebouw midden in het dorp stond, omringd door hun kleine huisjes. En het paleis zag er inderdaad veel beter uit dan de kleine Pisky-kerk. Ze waren nog meer \u2014 niet zozeer verbaasd, als wel bang \u2014 toen \u2019s avonds de baarddragende opzichter van huis tot huis liep en beval dat de vrouwen morgen het paleis moesten komen pleisteren.<br \/>\n\u2014 Oh, wat een rampspoed! Wat zal er nu gebeuren? \u2014 vroegen de vrouwen door tranen heen aan hun mannen.<br \/>\n\u2014 Niets\u2026 We moeten gaan, zodat er niets gebeurt zoals bij Motoezka\u2026 \u2014 adviseerden de mannen.<br \/>\nDe volgende ochtend, vroeg, net bij zonsopkomst, namen de vrouwen, huilden en namen afscheid van hun kinderen alsof ze op een lange reis gingen, de eerste keer dat ze naar de horigheid werden gebracht\u2026<br \/>\nHet paleis werd snel gepleisterd. Ondertussen bouwden de kozakken keukens, schuren, opslagplaatsen, een stal. Niet alleen de dame moest ergens wonen, ook het personeel moest worden gehuisvest, de voorraden opgeslagen, een paardenstal gezet\u2026 Er moest haast worden gemaakt, dat hare Excellentie nog dankbaar kon zijn aan de lange Potapovitsj!<br \/>\nEn Potapovitsj joeg die dank ook na! Hij rende heen en weer, volgde alles, hield toezicht, hing over de arbeiders heen\u2026 Het leek alsof de inwoners van Pisky nooit zo om hun eigen bezit gaven, als Potapovitsj om dat van de generaal. Zo heerlijk vond hij die dank van de generaalsvrouw!<br \/>\nZelfs onderweg liet de generaalsvrouw zich al gelden, terwijl Potapovitsj het hele dorp bij elkaar bracht: hij oefende de \u201ckroten\u201d hoe ze de \u2018mevrouw\u2019 moesten ontvangen.<br \/>\nEn toen kwam ze zelf aan\u2026<br \/>\nDe inwoners van Pisky \u2014 zowel de kozakken als de generaalmensen \u2014 kwamen samen om haar te zien, alsof het een wonder was. De kozakken werden weggestuurd. De mannen van de generaalsvrouw werden op een rij gezet, de vrouwen op een tweede, de jonge mannen op een derde, de meisjes op een vierde, en de kleine kinderen op een vijfde. Oude grijze mannen werden vooruitgestuurd met brood en zout\u2026 \u201cKijk, edelvrouw, heel jouw bezit ligt hier klaar\u2026\u201d Potapovitsj had ze zo getraind dat ze zouden zeggen: \u201cligt aan uwe Excellentie\u2019s voeten!\u201d<br \/>\nDe grijze oude mannen kwamen naar buiten zonder hoed, met brood en zout\u2026 Zo ontvingen de vader en moeder de jongelingen toen ze terugkeerden van de kerk. De generaalsvrouw was erg moe van de reis, ze zei dat ze zich ziek voelde, nam noch brood, noch zout aan\u2026 ze keek zelfs niet naar de komedie\u2026 Zo ging het feest in rook op! De inwoners van Pisky zagen hun \u201cjonge vrouw\u201d alleen van achteren \u2014 lang en mager, als een verwelkte schol \u2014 toen ze uit de weelderige koets stapte en zich de kamer in liet dragen door twee goed geklede meisjes\u2026<br \/>\nDe kinderen, twee jongens \u2014 de oudste ongeveer twaalf, de jongste tien \u2014 sprongen uit de koets achter hun moeder en renden tussen de mensen door. Ze keken niet naar de oude mannen, ze liepen langs de mannen, vrouwen en jonge mannen\u2026 Hun \u2018herenogen\u2019 sprongen onmiddellijk over de bloeiende tuin met allerlei bloemen, die achter de donkere hoofden van de meisjes uitkeken.<br \/>\nNa de meisjes bekeken te hebben, renden ze naar de jongensbank. De jongens stonden zonder hoeden, met laaggeknipte hoofden en kleine hanenkammen. De heren vroegen wat het was, grepen hun handjes en plukten zachtjes. Niet ver van de inwoners stonden de kozakken \u2014 in rode hemden, met brede baarden \u2014 en lachten om de capriolen van de heren.<br \/>\n\u2014 Kijk eens, Afonja,&#8221; zei hij, &#8220;wat een stel van die Chochols&#8230; Pak ze maar eens flink aan, heren! Vooruit, die kleine Chochol daar!&#8221;<br \/>\n\u2014 &#8220;Welke?&#8221; vraagt de oudste, terwijl hij beurtelings naar de jongens en naar de Russen kijkt.<br \/>\n\u2014 &#8220;Die daar \u2013 die smoezelige!&#8221;<br \/>\nDe heer pakte de hanenkam van een zwartharig jongetje dat aan de zijkant stond. Het jongetje rukte zich los als een havik.<br \/>\n\u2014 Waarom ruk je zo? Kijk eens hoe groot hij is!<br \/>\n\u2014 Jij\u2026 jij-juu! \u2014 brulden de baardige handhavers, met gebalde vuisten en tanden.<br \/>\nEen oude, gebogen grootmoeder, met een witte doek om haar hoofd, stak zich uit achter de andere vrouwen. Bleek als krijt, zei ze door tranen nauwelijks verstaanbaar:<br \/>\n\u2014 Waarom, heren, plagen jullie de jongens zo?! Het is zonde!<br \/>\nDe heren barstten in lachen uit en renden de kamer in.<br \/>\nNiet lang daarna kwam het bevel om te vertrekken: de vrouwe wilde uitrusten van de reis! De rijen mengden zich\u2026 De inwoners van Pisky trokken huiswaarts, met hun neuzen naar beneden, hun gedachten bedrukt en hun hart zwaar\u2026<br \/>\nMen zegt dat men het goede moet afwachten, maar het slechte komt vanzelf. De volgende dag kwam het bevel: de huizen van Omelko en Stetsko, die tegen de landerijen van het herenhuis stonden, moesten worden afgebroken, er was geen plek voor een tuin! Ze sloopten de huizen, plantten een tuin, groeven een vijver en lieten er vissen in. Even later bleek de straat te smal. Ze moest worden verbreed, daarvoor moest een deel van de moestuinen van de bewoners worden afgepakt! Dat gebeurde ook: de tuinen werden ingekort, en wat ontstond was niet zomaar een bredere straat, maar bijna een plein&#8230; Daarna kwam opnieuw een bevel: alle huisjes tegenover het paleis moesten worden afgebroken, omdat die scheefgezakte huisjes het uitzicht vanuit de ramen van het landhuis bedierven. Ook die huizen werden afgebroken, en voor het landgoed werden hoge, slanke populieren geplant&#8230;<br \/>\nZo kwam elke dag een nieuw bevel, een nieuwe vondst! Elke dag werd stukje bij beetje de vrijheid van de inwoners ingeperkt. Uiteindelijk werd alles zo ingekort dat men de inwoners veilig bij de haren kon grijpen\u2026<br \/>\nDe mensen uit Pisky hielden nog lang stand, maar uiteindelijk konden ze de macht van de generaalsvrouw niet weerstaan. Toen grepen ze naar datgene waartoe de machteloze zijn toevlucht neemt: ze sloegen op de vlucht. Iemand stond op, vertrok naar de vrije steppen van het gouvernement Jekaterinoslav of Cherson, of zelfs naar de Don, vestigde zich daar waar hij een plek vond, en een jaar later bracht hij zijn vrouw en kinderen erheen. In die tijd gingen velen ervandoor, sommigen alleen, anderen met hun hele gezin&#8230; Toen ontstond ook het gezegde: &#8220;Het zwerversbestaan is onze tante.&#8221;<br \/>\nDat voortdurende dagelijkse weglopen kwetste het hart van de generaalsvrouw diep. Overal en tegen iedereen beklaagde zij zich over de ondankbaarheid van het &#8220;Chocholse boerenvolk&#8221;, over hun ruwe, beestachtige aard. Hoe was het mogelijk? Die vervloekte &#8220;Chochols&#8221;, die boekweittelende boeren, wilden de akkers van de genadige, hooggeboren Poolse mevrouw, dochter van de familie Dirjoegin, niet bewerken! Op haar landgoed in Borodajevo was de bevolking tenminste &#8220;Russisch&#8221;, en die gehoorzaamde; maar deze &#8220;Mazepisten&#8221; gingen op de loop!<br \/>\nMaar hoezeer die &#8220;Mazepisten&#8221; ook wegvluchtten, toch bleven er meer dan honderd gezinnen achter, overgeleverd aan de Poolse heren en gedwongen hun grillen en steeds nieuwe dwangmaatregelen te dienen. De rentmeester van de generaalsvrouw, met de zweep in de hand, voerde zijn taak grondig uit. Hij had de zogenaamd ruwe, beestachtige aard gebroken; ze tam gemaakt als schapen, gekamd en gladgestreken. Hij vormde uit hen een hele schare huisbedienden, en van de trotse bewoners van de steppe maakte hij gehoorzame ossen, die nu de akkers van de landheer in alle richtingen omploegden en met graan bezaaiden, tot voordeel van de beurs van de heer&#8230;<br \/>\nEn er was heel wat nodig om die beurs te vullen! De generaalsvrouw had een gezin van jewelste, daar hielp geen lieve moeder aan. Met haar waren twee zoons meegekomen: gezette jongens, beweeglijk als jonge mestkalveren. Een jaar later bracht de generaalsvrouw haar zoons naar het internaat, en uit diezelfde school keerde haar oudste dochter terug.<br \/>\n\u2014 H\u00e9! Wie is daar? \u2014 riep de generaalsvrouw.<br \/>\nBij de drempel stond, als een paal, een lakei in een zwart rokkostuum, met een geplooide borstkraag en een horloge.<br \/>\n\u2014 Roep Potapitsj! \u2014 beval ze met een doffe, slepende stem.<br \/>\nDe lakei ging naar buiten. Kort daarna kwam Potapovitsj binnen.<br \/>\n\u2014 Luister, Potapitsj! Vera Semjonovna heeft een kamermeisje nodig.<br \/>\n\u2014 Zeker, dat is nodig, \u2014 bromde Potapovitsj met zijn zware basstem.<br \/>\n\u2014 Kies een knap meisje&#8230;<br \/>\n\u2014 Zoals u beveelt, uwe excellentie!<br \/>\n\u2014 Jong\u2026 een jaar of zestien\u2026 Maar vlug!<br \/>\n\u2014 Tot uw dienst.<br \/>\n\u2014 Morgen misschien\u2026<br \/>\n\u2014 Tot uw dienst.<br \/>\n\u2014 Goed, ga!<br \/>\nPotapovitsj ging weg.<br \/>\nEn \u2019s morgens vroeg brachten Kyrylo Otsjkoer en zijn vrouw, met hun kleine kinderen, hun oudste dochter Hanna naar het landgoed, alsof ze haar naar het graf brachten. Ze was een mooi, knap meisje.<br \/>\nHet tweede jaar kwam de tweede dochter, het derde jaar de derde.<br \/>\nWie zou hun lange zwarte vlechten uitkammen en invlechten? Wie zou hun de meisjeskorsetten aantrekken? Wie zou rokken, kraagjes en mouwen borduren?<br \/>\nOok Omelko\u2019s dochter Olesja ontkwam niet aan het herenbrood; het kleine weesmeisje Oeljana, dochter van dezelfde petekind die de generaal \u2014 moge hij in het hiernamaals rusten! \u2014 had gedoopt, liep achter de jongste jonkvrouw aan. In de meisjeskamer zaten Stecha en Maroesja achter de borduurramen; Hapka weefde tapijten. Aan het andere eind van het paleis, in de lakeienkamer, verveelden Petro, de zoon van Varenyk, en Ivan Skljar zich zonder werk; en vlak voor de zaal zat op een krukje Stepan Poegatsj, de jonge, knappe kamerheer van de generaalsvrouw, in livrei met gouden Haljans. En in de keukens, hoeveel mensen daar wel niet waren!<br \/>\nMen moest bedenken waarmee men die menigte hongerige monden zou voeden; men moest hen ook kleden\u2026 En de eigen familie dan? Drie dochters zijn als duifjes! Een gewone man moet zijn verstand gebruiken om voor zijn dochter een uitzetkist bijeen te krijgen. Maar wat voor zorgen kwelden het hoofd van de generaalsvrouw om de rijkdom te vergaren voor maar liefst drie generaalsdochters? En heeft een moeder soms maar \u00e9\u00e9n zorg! Je kunt je dochters toch niet als zaailingen wegstoppen: men moet ook aan schoonzonen denken. Meisjes zijn geen plantjes om ze voor de wereld te verbergen. Meisjes hebben de wereld nodig, veel wereld\u2026 Ze moeten gezien worden; ze moeten zelf ook zien\u2026 Ze moeten iets hebben om zich hun jonge meisjesjaren te herinneren!<br \/>\nHet generaals\u00adpaleis begon te bruisen\u2026 De muziek speelde zo dat de snaren haast braken; in de ramen brandde licht, zo veel licht dat het van verre leek alsof het paleis van binnen in brand stond! Het was een grote samenkomst\u2026 De hele binnenplaats stond vol met koetsen en rijtuigen; onder de koetsen speelden de koetsiers, hun lantaarns aangestoken, kaartspelletjes; in de stallen knabbelden de paarden smakelijk aan het geurige steppehooi.<br \/>\nIn de kamers kon men zich tussen de gasten nergens doorheen wringen! De huzaren waren uit het Hetmanschap gekomen; de oude Kryvynsky was gekomen met zijn hele keur van oudere dochters; ook de Zweedse dame was er, met haar prachtige dochter; naast haar draaide de jonge, donkerharige, vrolijke en danslustige sotnikzoon Saijenko rond; ook liep daar Pavlo, zoon van de voormalige hetman-kolonel Krjazj, samen met de zoon van kolonel Karmazin, die voor het banket helemaal uit Romny was gekomen met zijn jonge vrouw\u2026 Niet alleen uit het Hetmanschap, er kwamen ook gasten uit naburige districten naar de generaalsvrouw.<br \/>\nDe generaalsvrouw was een hartelijke gastvrouw. Voor iedereen had ze een vriendelijk woord; naar de een keerde ze zich met een glimlach, naar de ander met waardigheid; ze probeerde het iedereen naar de zin te maken, liep bij iedereen langs\u2026 De gasten hadden het vrij naar hun zin! Sommigen speelden kaarten, anderen keken toe, weer anderen praatten over van alles; daar had zich een groepje verzameld dat vertelde wat voor luiaards de lijfeigenen tegenwoordig waren geworden, en de generaalsvrouw voegde er haar woordje over haar eigen \u201cMazepa\u2019s\u201d aan toe. In de salon kakelden de dames als eksters: zonder schaamte haalden ze iedereen door het slijk\u2026 De deuren naar de zaal stonden open, en daar had zich ook een hele troep dames opgehoopt die er maar niet binnen konden komen. Terwijl ze opmerkten wie met welk meisje flirtte, fluisterden de vlugge babbelaars elkaar hun gedachten toe over liefdes, verwachtingen, over huwelijken.<br \/>\nEn in de zaal draaiden de dansen naar alle kanten, zodat de vloer dreunde. Steeds maar \u2014 draai en zwaai, draai en zwaai! De huzaren waren niet voor niets gekomen. Na de dansen, tegen het ochtendgloren, wanneer de tweede hanen kraaiden, was er het souper. Pas bij het aanbreken van de dag vertrok men weer\u2026<br \/>\nZo werden niet alleen naamdagen gevierd (en dat wel vier keer per jaar!): men hield banketten met Kerstmis, men feestte tijdens Maslenitsa, en ook met Pasen. Dat waren grote, offici\u00eble feesten op uitnodiging. Maar ook buiten die gelegenheden om, er ging geen dag voorbij of er zaten drie of vier vreemden mee aan tafel.<br \/>\nDe generaalsvrouw leefde vrolijk en weelderig. Ook de generaalsdochters verveelden zich niet \u2014 daar was eenvoudig geen tijd voor. En waarom zou een jongedame zich zorgen maken, jong, niet onaardig, uit een voorname familie en bovendien niet met lege handen? Of die handen nu leeg waren of niet, daar dachten de generaalsdochters zelf nooit over na. Hun moeder dacht voor hen, en haar plannen werden verwezenlijkt door de mensen uit Borodajivka en Pisky\u2026 De mensen uit Borodajivka brachten haar twee keer per jaar hun \u201cafdrachten\u201d, en de mensen uit Pisky werkten als ossen vier dagen per week voor haar en brachten kippen, ganzen en eieren naar het landgoed\u2026 Waarom zou men dan niet feestvieren?<br \/>\nZo gonste het generaals\u00adhof wel een jaar of vijf. Bij de oudste dochter begonnen zich al nauwelijks merkbare rimpeltjes bij de ooghoeken te vormen, haar gezicht werd wat ernstiger\u2026 Toen kwam er ineens van ver, van voorbij Borodajivka, een naburige landeigenaar, en hij trouwde met de oudste. Het huwelijk werd uitbundig gevierd. Pisky had nog nooit zo\u2019n bruiloft gezien of gehoord! Het paleis brulde en kreunde ervan\u2026<br \/>\nEen begin, zegt men, is het halve werk. Toen de huzaren zagen dat zo\u2019n buit hun voor de neus werd weggekaapt, begonnen ze nog vaker naar Pisky te komen. Een halfjaar later werd de tweede dochter uitgehuwelijkt, aan een oude huzarenkolonel. Alleen de jongste bleef over, tot troost van haar moeder. Maar ook van haar had ze weinig vreugde. De generaalsvrouw hield niet van de jongste dochter. Vaak snauwde ze haar toe, maakte ruzie met haar en kleedde haar eenvoudiger dan de oudere zusters.<br \/>\nMen vertelde dat de jongste haar moeder eens boos had gemaakt doordat ze in haar kamer het kamermeisje Oeljana had verborgen, een lastig meisje dat de generaalsvrouw voortdurend ergerde. Ze sprak brutaal, keek vrijpostig, alsof ze haar gelijke recht in de ogen keek.<br \/>\n\u201cZoals jij bent, zo is ook jouw kamermeisje!\u201d verweet de generaalsvrouw haar dochter wanneer ze kwaad was.<br \/>\nMaar de dochter had een vurig karakter en zweeg nooit. Dan ontstonden er woordenwisselingen en ruzies\u2026 Vaak werd het moederhart gekwetst door haar bittere woorden.<br \/>\nEn alsof dat nog niet genoeg was: achter de jongste dochter liep die \u201czwartgeblakerde Chochol\u201d aan, diezelfde knappe sotnikzoon Saijenko. Hij hield vol en bleef komen.<br \/>\n\u2014 Luister, Doenja, waarom komt hij hier steeds? Vandaag heb ik hem zelfs geen hand gegeven, \u2014 zei de moeder eens nadat ze Saijenko had uitgelaten.<br \/>\n\u2014 Dat was ongepast\u2026 Saijenko is een fatsoenlijk man\u2026<br \/>\n\u2014 Wie? Die roetkop?<br \/>\n\u2014 Wat dan nog dat hij een Chochol is? Zijn Chochols dan geen mensen?<br \/>\n\u2014 Mazepa\u2019s! Ketelgasten\u2026 dat zijn geen mensen!<br \/>\n\u2014 Wie weet of hij ooit ergens in is ondergedompeld of overgoten, \u2014 verdedigde de dochter hem.<br \/>\n\u2014 Pas maar op: ben jij soms niet verliefd geworden op dat kevertje, dat je hem zo verdedigt?<br \/>\n\u2014 En al was dat zo\u2026 Wat mankeert hem als man?<br \/>\n\u2014 Wat is er met jou?! Is hij jouw gelijke? Jouw vader werd door de tsarina zelf ontvangen en ge\u00eberd. Ze schonk hem Pisky\u2026 En hij \u2014 wat is hij? Misschien zat zijn vader wel bij de hajdamaken! Schurk! Peksmid! Bah!<br \/>\n\u2014 Wat kan mij zijn vader schelen? \u2014 antwoordde de dochter en liep naar haar kamer.<br \/>\nTwee dagen later was Saijenko weer in Pisky.<br \/>\n\u2014 Geen schaamte, geen eer! Ik keer hem de rug toe, en hij komt elke dag terug\u2026 Uit een lomperik wordt nooit een heer! \u2014 zei de woedende generaalsvrouw.<br \/>\nMaar de \u201clomperik\u201d hield vol. Op een dag bekende de dochter haar moeder dat ze van hem hield en hij van haar, en dat ze samen om haar zegen vroegen.<br \/>\n\u2014 Met wie? Met wie?? \u2014 schreeuwde de generaalsvrouw alsof ze met een priem werd gestoken. \u2014 Met een peksmid?!! Dan zou mijn hand eraf moeten vallen!<br \/>\n\u2014 Zoals u wilt\u2026 Als u niet wilt, dan trouwen we zonder uw zegen\u2026 God zij met u: u bent mijn moeder niet meer, en ik uw dochter niet!<br \/>\nToen de generaalsvrouw dat hoorde, barstte ze in tranen uit.<br \/>\n\u2014 Had ik ooit kunnen denken, had ik ooit kunnen verwachten dat mijn eigen kind mijn hart zo zou verwonden?<br \/>\nEen maand lang duurde de strijd. Maar toen zag de generaalsvrouw dat ze haar dochter niet kon breken \u2014 en dat er anders schande over de hele familie zou komen \u2014 en gaf uiteindelijk haar zegen.<br \/>\nEr werd geen bruiloft gevierd: de generaalsvrouw was \u201cziek\u201d.<br \/>\nSaijenko nam zijn jonge vrouw mee naar zijn dorp Kitajka, maar zonder bruidsschat.<br \/>\nDe generaalsvrouw bleef alleen achter op het landgoed. Onlangs was het nog een groot gezin geweest, vrolijk en levendig; nu was er niemand meer om haar te vermaken of haar verdriet te verdrijven. De oudste woonde ver weg in Moskou; de middelste trok overal mee met het regiment; en de jongste \u2014 hoewel niet ver \u2014 het was beter haar niet te zien! Niet zozeer haarzelf als haar \u201cMazepa\u201d, zonder wie ze geen stap zette. De generaalsvrouw vergaf de peksmid nooit dat hij het had gewaagd de \u201ceer\u201d van haar oude geslacht te krenken door met haar dochter te trouwen.<br \/>\nOp haar oude dag moest de generaalsvrouw in eenzaamheid haar dagen slijten. En de ouderdom had haar stevig in haar greep! Ze was altijd al mager geweest, maar werd nog magerder; ze kromde zich, leek kleiner te worden; haar hoofd glansde van zilvergrijs haar\u2026<br \/>\nHet huis was groot, maar leeg! Je liep aan de ene kant, en aan de andere kant echoden je voetstappen\u2026 Het maakte je treurig. Treurigheid en verveling namen bezit van haar hoofd. Zelfs een adellijk hoofd kan zich niet voor verdriet verschuilen. Ze wist zelf niet wat ze moest doen. Iets moest haar eenzame ziel verwarmen, haar verlaten hart verwarmen. Een oud hart zoekt altijd iemand om nog \u00e9\u00e9n keer zijn laatste licht aan te schenken\u2026 Maar de generaalsvrouw was allang afgekoeld tegenover mensen. Mensen zoeken zelf warmte en licht. Waar licht is, daar is warmte. Maar in haar oude hart zat nog maar een mosterdzaadje warmte\u2026 Aan wie moest ze dat geven?<br \/>\nZe dacht niet lang na: ze gaf het aan de katten. Lakeien en kamermeisjes liepen door het dorp en brachten staartdragende muizenvangers naar het paleis. De generaalsvrouw koos zelf de katten die haar bevielen. Zo ontstond er in het paleis een heel kattenrijk: katers, poezen en kittens. Om dit rijk te dienen nam de generaalsvrouw speciaal een kinderloze weduwe, Mokryna, in dienst.<br \/>\nMokryna zorgde voor hen: ze voerde hen, kamde hen, maakte hun bedjes op\u2026 De katten volgden haar overal. Op een dag liep Mokryna, met een kitten achter zich aan. Zonder het te merken kneep ze het diertje tussen de deur. Het kitten piepte. Toen de generaalsvrouw het hoorde, was het alsof haar een vinger werd afgehakt! De volgende dag stierf het kitten. En zou Mokryna dat zomaar vergeven worden? De generaalsvrouw was niet iemand die boos werd en het dan vergat. Ze vergaf haar de dood van het kitten niet. De volgende dag moest Mokryna midden in het dorp, in het openbaar, de hele dag de keukens van het landgoed schoonmaken, en om haar hals bungelde \u2014 aan een rood lint \u2014 het dode kitten!<br \/>\nEn niet alleen Mokryna kreeg het zwaar te verduren, en niet alleen om kittens. Iedereen kreeg zijn deel! Men zegt: geef een dochter weg, en geef ook wat met haar mee. De generaalsvrouw had haar dochters uitgehuwelijkt: met de oudste gingen de verre Borodajiv-inkomsten mee, niemand betaalde nu nog afdrachten; met de middelste vloeiden de eerder opgespaarde inkomsten weg; alleen de \u201cMazepavrouw\u201d had zich niet verrijkt\u2026 Maar toch, alles wat de generaalsvrouw had verzameld, vloeide met haar dochters weg. Dus moest er opnieuw worden verzameld, haar verarmde bezit hersteld.<br \/>\nDe mensen van Pisky werkten vier dagen per week. Waarom zouden ze geen vijfde dag werken? Er werd een vijfde dag bevolen. De mensen gehoorzaamden: ze gingen ook op de vijfde dag naar de herendienst\u2026 en verwachtten dat spoedig ook een zesde zou volgen.<br \/>\nMaar de zesde dag kwam er niet. De generaalsvrouw had geen tijd meer om die op te leggen.<br \/>\n\u2014 Door die Oeljka heb ik geen leven meer! Wat ze ook doet, het is nooit zoals het hoort; wat ze ook zegt, het is altijd een leugen!<br \/>\nZo klaagde de generaalsvrouw nu en dan bij haar buren over het kamermeisje Oeljana, dat van een klein meisje op het herenbrood was uitgegroeid tot een echte jonge vrouw, blank van gezicht, donkerharig, met volle, vrolijke ogen, een onvermoeibare zangeres.<br \/>\nHaar vriendinnen waren dol op haar. Men hield van Oeljana op het landgoed en daarbuiten, jong en oud. Men hield van haar oprechte ziel, haar goede hart, maar vooral van haar vrolijke aard. Wie verliefd werd \u2014 Oeljana wist het als eerste; wie bedroefd was \u2014 Oeljana wist te troosten. Oeljana kende geen verdriet! Ze maakte zich werkelijk nooit zorgen; en als ze dat al deed, dan wist of zag niemand het. Men zag Oeljana \u2014 ze was vrolijk; men hoorde haar \u2014 ze zong; men luisterde hoe ze allerlei verzinsels bedacht, bloemen opzette\u2026 Kortom: een zorgeloos meisje!<br \/>\nEr was maar \u00e9\u00e9n probleem: de generaalsvrouw had geen leven door dat meisje Oeljana! Had hare excellentie slecht geslapen, dan was het: \u201cHoe kan men slapen met zo\u2019n deugniet in huis?\u201d En Oeljana was de hele ochtend niet eens in de kamers te vinden: ze zat in de keuken de mensen aan het lachen te maken terwijl de generaalsvrouw sliep. Had Stecha haar toegewezen werk \u2014 mouwtjes \u2014 niet op tijd af, dan was Oeljana schuldig: met haar gelach en geklets hield ze de meisjes van het werk! Was een lakei niet snel genoeg gekomen op de roep van de generaalsvrouw. Waar zou hij anders zijn geweest dan met Oeljana te staan kletsen en lachen?! Kortom: de generaalsvrouw had geen leven door haar!!<br \/>\nOp een dag hoorde de generaalsvrouw dat het stil was in de meisjeskamer. \u201cZe zal wel weer ergens heen geslopen zijn, die loopmeid!\u201d dacht ze, en ging zelf kijken. Oeljana was er niet.<br \/>\n\u2014 Waar is Oeljka? \u2014 vroeg ze de meisjes.<br \/>\n\u2014 Ze is naar de keuken gegaan om water te drinken, zeggen ze.<br \/>\n\u2014 Roep haar!<br \/>\nOeljana kwam binnen.<br \/>\n\u2014 Waar ben jij geweest?.. \u2014 vroeg de generaalsvrouw, haar doordringend aankijkend en elk woord zwaar benadrukkend.<br \/>\n\u201cDat belooft weinig goeds!\u201d dachten de meisjes.<br \/>\n\u2014 Naar de keuken\u2026 om water te drinken\u2026 \u2014 antwoordde Oeljana.<br \/>\n\u2014 Heb je hier soms geen water? \u2014 zei de generaalsvrouw, wijzend naar de karaf.<br \/>\n\u2014 Dat is al oud\u2026 Ik wilde vers water drinken, \u2014 zei Oeljana.<br \/>\n\u2014 Vers?.. Je liegt!.. Jij hebt met de knechten lopen aanpappen\u2026 Jij met Stjopka\u2026 Stjopka! Stjopka! \u2014 riep de generaalsvrouw.<br \/>\nDoor het hele huis stormde als een bezetene de kamerheer Stjopka. De generaalsvrouw had een zwak voor hem omdat hij vlug en knap was. Met Pasen liet ze alleen Stjopka haar hand kussen bij de paasgroet\u2026 De weefster Hapka had in de keuken gefluisterd dat ze met eigen ogen had gezien hoe de generaalsvrouw Stjopka over zijn kin streek met haar droge, benige hand\u2026 Of Hapka de waarheid sprak of het verzon, niemand kon het zeggen. Mensen, en vooral kamermeisjes, kun je de mond niet snoeren!<br \/>\n\u2014 Waar was jij? \u2014 ontving de generaalsvrouw Stjopka en keek hem recht in de ogen.<br \/>\n\u2014 In de lakeienkamer.<br \/>\n\u2014 Je liegt! Je was in de keuken\u2026 Bekennen: was je in de keuken?<br \/>\n\u2014 Ja, \u2014 zei Stjopka.<br \/>\n\u2014 Zie je wel!.. Ik zei het niet voor niets!.. Dus jij dacht je meesteres te bedriegen? Dus jij hebt je met de lakeien ingelaten?.. Met Stjopka??! Dus jij hebt het gewaagd in mijn generaals\u00adhuis knechtenliefdes te beginnen??! Wacht maar! \u2014 Petro! Ivan!<br \/>\nDe lakeien snelden toe, elkaar haast omverduwend.<br \/>\n\u2014 Breng berketakken! \u2014 zei de generaalsvrouw plechtig en kalm, alsof ze beval een zakdoek of water te brengen, alleen haar ogen flitsten roofzuchtig.<br \/>\nDe lakeien renden weg. De meisjes bogen zich nog dieper over hun borduurramen. In die stille woordenwisseling hoorden zij een dreigende storm. Alles werd stil, verstarde\u2026 Zo verstilt een zwarte wolk vlak voor de donder losbarst. Het werd benauwd in de kamer, zwaar, alsof het plafond naar beneden was gezakt en hun hoofden neerdrukte. Geen van hen bewoog zich\u2026 Ze waren bang zelfs maar te denken: wat als hun door angst en medelijden troebele ogen de hare zouden ontmoeten? Ze durfden zelfs niet naar Oeljana te kijken\u2026 uit angst dat ze het zouden uitschreeuwen!<br \/>\nOeljana stond aan de ene kant van de kamer, bij een deur\u2026 Haar gezicht was lijkbleek. Aan de andere kant, bij de andere deur, stond Stjopka\u2026 Hij keek somber naar de vloer, alsof hij vergeten was waar hij was en wat er gebeurde, alsof hij zelfs de generaalsvrouw en Oeljana was vergeten en aan iets anders dacht\u2026 iets van hemzelf\u2026<br \/>\nEn in het midden van de kamer, tussen de twee \u201cschuldigen\u201d, stond de generaalsvrouw. Ze had zich opgericht, lang, mager, donker, bijna groen van kleur; en haar ogen \u2014 als die van haar geliefde katten \u2014 geel, felgeel. Met die ogen keek ze dreigend afwisselend naar Stjopka en naar Oeljana.<br \/>\nDe lakeien keerden terug met bundels berketakken in hun handen\u2026<br \/>\n\u2014 Kom, leer haar een lesje\u2026 zodat ze weet hoe ze haar meesteres moet bedriegen\u2026<br \/>\n\u2014 Mevrouwtje! Duifje!! \u2014 Oeljana liet haar niet uitspreken en wierp zich aan haar voeten.<br \/>\n\u2014 Weg!<br \/>\n\u2014 Ik zal het niet meer doen!.. Ik heb Stjopka niet gezien\u2026 O, ik zal het niet meer doen!.. Ik was niet in de keuken\u2026 Red mij!.. Ik liep naar mijn tante\u2026 O, red mij!.. Red\u2026 red\u2026 wie in God gelooft!!!<br \/>\nDe meisjes bogen hun hoofden nog dieper over het borduurwerk. Tranen drupten op de borduurramen\u2026<br \/>\nStjopka ging de deur uit\u2026<br \/>\nMet moeite trokken ze Oeljana overeind\u2026<br \/>\nEn Stjopka, die was als van de aardbodem verdwenen. Wat Petro en Ivan ook moesten verduren omdat ze hem hadden laten ontsnappen! Stjopka was weg, als in het water gevallen\u2026 Weg en weg bleef hij, tot op de dag van vandaag.<br \/>\nDe generaalsvrouw raakte geheel van streek. Waar was Stjopka? Waar was hij gebleven?.. Waarom was hij gevlucht? Waarom had die dwaas niet zijn oude huid voor een nieuwe willen verruilen?! En door wie kwam dat alles, zo niet door haar\u2026 door dat meisje Oeljana! Men zei het al: Oeljana zou de generaalsvrouw geen rustig leven gunnen!<br \/>\nDe generaalsvrouw werd ziek van uitputting\u2026 \u2019s Avonds ging ze verontrust naar bed, ze nam zelfs geen afscheid van haar katten; \u2019s nachts stuurde men koetsier Dmytro naar Hetmanske om een dokter te halen; \u2019s ochtends reed een ruiter naar Kitajka om de \u201cMazepavrouw\u201d te roepen\u2026 Ellende! En op de derde dag holde de dikbuikige Potapovitsj zelf naar vader Joachim om de priesters bijeen te roepen voor het heilig oliesel.<br \/>\nMen diende de generaalsvrouw het sacrament toe rond het middaguur, en de volgende ochtend luidden de klokken al voor haar ziel\u2026<br \/>\nDat meisje Oeljana had haar er toch onder gekregen!!<br \/>\nNog v\u00f3\u00f3r de generaalsvrouw begraven was, kwam de oudste zoon uit het regiment terug, inmiddels een luitenant of zo. Lang en dun als een kraanvogel, met rossig, ruig haar als dat van een beer, een groot voorhoofd, je kon er kittens op doodslaan, grote verstandige grijze ogen en een dikke, naar beneden hangende onderlip\u2026 Sprekend zijn moeder!<br \/>\nVasyl Semjonovitsj vestigde zich op het ouderlijk landgoed. Allereerst liet hij het kattenrijk ontbinden. Genoeg geluxeerd! De oude katers en poezen werden als geschenk van de nieuwe heer onder de mensen van Pisky verdeeld; en de kittens die niemand wilde hebben, moesten in de vijver de vissen voeden. Bevolen, gedaan\u2026<br \/>\nDaarna stuurde hij lakei Petro weg: voor de jonge heer was \u00e9\u00e9n Ivan genoeg. De meisjes liet Vasyl Semjonovitsj om de een of andere reden niet gaan. Vaak ging hij zelf de meisjeskamer binnen, maakte grapjes met hen. Alleen daarin vond hij vermaak: met zijn geweer rondlopen en zo nu en dan met de meisjes praten. Het meest beviel hem Oeljana. Vrolijk en zanglustig liet zij de jonge heer niet treuren.<br \/>\n\u2014 Er heeft ergens een nachtegaal een nest in jouw stem gebouwd, Oelinjka! \u2014 prees Vasyl Semjonovitsj haar zang.<br \/>\n\u2014 Of misschien een meesje, \u2014 grapte Oeljana.<br \/>\n\u2014 Jij bent zelf een meesje! \u2014 antwoordde de jonge heer en kneep zachtjes in haar neus.<br \/>\nOeljana bloosde als een klaproos.<br \/>\nVoor de meisjes brak een weelderige tijd aan onder de jonge heer. Voorheen waren ze bang een woord te veel te zeggen, bang een stap buiten het opgelegde werk te zetten. Nu lag het werk stil en gingen de meisjes hun eigen gang\u2026 Gelach en gezang, het huis dreunde ervan! Oeljana voerde het hoogste woord. Voor het kneepje in haar neus nam ze wraak: Ze betaalde met gelijke munt terug: voortaan nam zij h\u00e9m bij de neus. Wat Oeljana wilde, daar kon de jonge heer niet tegenop.<br \/>\nZo ging het ongeveer een halfjaar. Toen gaf de jonge heer op een avond Ivan opdracht het nodige in koffers te pakken, morgen zou hij ver weg vertrekken.<br \/>\nVroeg in de ochtend, nog v\u00f3\u00f3r het eerste licht, was er al drukte in het paleis. Men pakte de bezittingen van Vasyl Semjonovitsj in. Tegen zonsopgang was alles gereed.<br \/>\nVasyl Semjonovitsj werd wakker. Hij dronk thee, riep Oeljana bij zich; zei haar dat hij misschien niet meer zou terugkeren; beloofde haar haar trouwe diensten nooit te vergeten; stond haar toe het paleis te verlaten en te leven waar zij wilde; gaf haar vijftig roebel voor een nieuw huishouden; schonk haar al haar kleren; kuste haar zelfs bij het afscheid op het voorhoofd, zoals men een dode vriend kust\u2026 en dat was het.<br \/>\nOeljana kwam met rode, betraande ogen bij de jonge heer vandaan. Diezelfde dag pakte zij haar spullen bijeen, nam afscheid van haar vriendinnen, die haar huilend tot bij haar tante begeleidden, waar zij zich vestigde. Een maand later werd er bruiloft gevierd. Oeljana trouwde met Petro Varenyk, dezelfde voormalige lakei die haar eens \u201ceen nieuwe huid had gegeven\u201d. En drie maanden later schonk God Petro een zoon: Ivan!<br \/>\nTerwijl dit alles gebeurde, bestuurde Potapovitsj Pisky. Nooit hadden de mensen van Pisky zulk onheil gekend als onder de vlezige hand van de dikbuikige Potapovitsj. Meer dan \u00e9\u00e9n kaak zette hij recht; bij meer dan \u00e9\u00e9n sloeg hij tanden uit; menige jonge vrouw bezorgde hij blauwe ogen\u2026 Zwaar was Potapovitsj van hand, en sterk!<br \/>\nEen jaar later keerde Vasyl Semjonovitsj terug met een jonge vrouw. Kort daarna kwam ook zijn broer Stepan, eveneens officier en eveneens met een jonge vrouw. Ze verdeelden samen de \u201cPisky-sleutel\u201d (het landgoedcomplex). De \u00e9\u00e9n kreeg de ene kant van Tsjortopoloch, de ander de andere kant. Vovtsja Dolyna, Bajraky en Pobyvanka vielen aan de jongere broer toe, en Pisky, Hajdamakivka en de Krasnohorsky-hoeve aan de oudere.<br \/>\nAanvankelijk leken ze de mensen van Pisky wat meer vrijheid te geven. De heer schonk zelfs op het nieuwe landgoed aan elk gezin een dag veld. Maar kort daarna kneep hij hen zo hard af dat ze geen tijd meer hadden om zelfs dat veld te bewerken.<br \/>\nPotapovitsj beviel hun niet meer. Hij kocht zich vrij en opende bij Romodan een herberg. En de jonge barones haalde in plaats van hem uit haar eigen dorp een nieuwe rentmeester, Karpo Drovitsjenko.<br \/>\nKarpo was \u201chun eigen man\u201d, maar de mensen van Pisky kunnen hem tot op de dag van vandaag niet zonder vervloekingen herinneren.<br \/>\n\u2014 Potapovitsj was er ook wel! \u2014 zeggen ze. \u2014 Hij sloeg je tanden eruit, gaf je blauwe ogen, ontwrichtte je kaken\u2026 maar hij richtte geen blijvende schade aan! Maar deze, hij is roest, geen mens! Als hij zich eenmaal in iemand vastbijt: hij vreet en vreet, tot hij je helemaal heeft doorgevreten!<br \/>\nDaarom gaven ze hem de bijnaam Roest. En inderdaad, Roest vrat zich goed vol, zowel voor zichzelf als voor de heer\u2026 Hij haalde Vasyl Semjonovitsj over om een zesde werkdag in te voeren en nam het geschonken veld weer af.<br \/>\n\u2014 Ze zijn aan de drank geraakt\u2026 helemaal lui geworden! Van de herendienst ga je tenminste niet naar de kroeg\u2026<br \/>\nDe mensen van Pisky waren inderdaad gaan drinken en waren lui geworden. Ze waren zelfs vergeten hoe ze moesten vluchten. Als iemand ontsnapte, was dat zo\u2019n wonder dat men er een halfjaar over sprak! De slavernij had hun hoofden beneveld als rook. Ze treurden niet eens meer, alsof het zo hoorde! Ze hingen alleen nog in de herbergen rond\u2026 Als ze niet op het landgoed werkten, zaten ze in de kroeg. Roest had al menigeen met berketakken \u201cgenezen\u201d van zijn dronkenschap\u2026 maar het hielp niet!<br \/>\nHet dorp verarmde\u2026 vervallen en gehavend\u2026 Alleen de kozakkenhuisjes bleven wit. Hier en daar begonnen zelfs diefstallen voor te komen, iets ongehoords in Pisky! Vroeger sloot niemand zijn deur af, maar nu was het zelfs met een grendel niet veilig. Soms werden zelfs de voorraadschuren van de heer beroofd\u2026<br \/>\nVasyl Semjonovitsj zag dat het in Pisky onrustig werd \u2014 dat die vervloekte dronkaards hem op een dag misschien zouden vermoorden \u2014 en hij gaf opdracht een nieuw paleis te bouwen op de Krasnohorsky-hoeve en verhuisde daarheen. Sindsdien noemde men de hoeve Krasnohorodka.<br \/>\nWie uit het Hetmanschap kent Krasnohorodka niet? Wie kent niet de \u201cMekka\u201d, waar de adel uit het hele district samenkwam, zoals pelgrims naar het graf van Mohammed?.. Niet alleen in het Hetmanschap kende men deze \u201cMekka\u201d, maar ook daarbuiten\u2026 En hoe zou men haar niet kennen, als daar zo\u2019n man woonde als Vasyl Semjonovitsj, het hoofd van de adellijke Poolse familie?!<br \/>\nEn wat een machtige familie was dat geworden! Op het nieuwe landgoed groeide Vasyl Semjonovitsj\u2019 gezin als onkruid. Elk jaar een kind. Jammer genoeg in tien jaar slechts \u00e9\u00e9n zoon, en verder alleen dochters, zes dochters in totaal.<br \/>\nMaar die zoon van Vasyl Semjonovitsj, hij was precies als zijn vader, als twee druppels water. Hetzelfde gezicht, dezelfde gestalte, dezelfde schoonheid, hetzelfde karakter. De vader had als jongen graag een vuile boerenjongen bij zijn haarlok gegrepen. De zoon, zodra hij op zijn benen stond, deed hetzelfde\u2026 En toen de mensen van Pisky hun haarlokken niet meer droegen, kon hij hen bij hun zachte vlees grijpen.<br \/>\nVasyl Semjonovitsj was een man van zijn woord. Hij had Oeljana gezegd dat hij haar niet zou vergeten, en hij vergat haar niet! Toen haar zoon Ivanko opgroeide, liet hij hem naar het landhuis halen om de jonge heer te dienen. Maar Oeljana\u2019s zoon \u2014 Tsjipka\u2019s vader \u2014 was een nietsnut\u2026 geen werk, geen nut, alleen schade! De zoon van Vasyl Semjonovitsj had veel van hem te verduren\u2026 totdat de rusteloze ziel hem deed weglopen. Zo kon de jonge heer niet langer meer zijn macht tonen. Al snel werd ook de jonge heer zelf ergens heen gestuurd om te studeren.<br \/>\nDe dochters van Vasyl Semjonovitsj waren anders: ze leken wel zigeunerinnen! Met zwarte ogen, lange neuzen, krullend donker haar, zo zwart alsof ze met roet waren besmeurd! Echte zigeunerachtige meisjes\u2026 Maar de dochters van Stepan Semjonovitsj, die waren stuk voor stuk als schilderijen! Toch hadden zowel de zigeunerachtige als de beeldschone meisjes bruidegoms nodig\u2026 een heel dozijn bruidegoms!<br \/>\nDe Poolse familie wilde de dochters uithuwelijken aan rijke en aanzienlijke mannen\u2026 Maar waar vind je er zoveel? In het hele district waren er maar drie aanzienlijke families. De ene familie was die van de Hetman: die woonde eigenlijk nooit op haar eigen landgoed. De kinderen werden in de hoofdstad geboren en gedoopt, groeiden daar op en bleven er ook wonen. De andere familie was de rijke familie van de kozakkendochter Svedycha \u2013 de familie Svedov: de grootmoeder die erin geslaagd was haar kleinkinderen vanuit een eenvoudig kozakkengeslacht uit het dorp Svynky helemaal tot aan het keizerlijke hof te brengen. En de derde was de Poolse familie.<br \/>\nTwee katten kunnen niet samen in \u00e9\u00e9n zak leven. Zo konden ook de Sjvedovs en de Poolse niet met elkaar opschieten. Vasyl Semjonovitsj pochte dat zijn vader aan het hof als een gelijke werd behandeld; maar Petro Stepanovitsj Sjvedov was zelf kamerheer geweest en kende dat leven. Hij zei niets, maar keek schuin, alsof hij wilde zeggen: \u201cEn jij dan, beste vriend?!\u201d Vasyl Semjonovitsj sloeg dan zijn ogen neer\u2026<br \/>\nZo ontstond er vijandschap, zomaar, uit adellijke hoogmoed. En dat terwijl het juist goed had kunnen uitkomen: Petro Stepanovitsj had zonen, en Vasyl Semjonovitsj had dochters\u2026 Maar nee! Zo\u2019n vijandschap ontstond\u2026 God behoede!<br \/>\nDe jaren gingen voorbij&#8230; De dochters werden volwassen&#8230; Ze waren al oud genoeg om uitgehuwelijkt te worden! Maar nog altijd was er niemand die, al was het maar voor de grap, zo&#8217;n donkere zigeunerin in huis wilde halen! Niemand, helemaal niemand! De dochters van Stepan Semenovytsj, hoewel jonger, hadden hem allang kleinkinderen geschonken, terwijl die &#8220;zigeunerinnen&#8221; nog steeds bij hun vader thuis zaten, als kuikens onder de vleugels van een hen&#8230;<br \/>\nEr zat niets anders op: Vasyl Semenovytsj begon niet-rijke en niet-adellijke jongemannen bij zich uit te nodigen, als ze maar van adellijke afkomst waren; hij probeerde zijn slungelige dochters aan hen uit te huwelijken\u2026 Zo werden de Sovynski\u2019s, Kryvynski\u2019s, Boretski\u2019s, Mytyli zijn schoonzonen\u2026 Overal in het hele district verrezen boerderijen van die slungelige \u201czigeuners\u201d. Het kwam zover dat in Hetmanske en in de omgeving bijna alle heren familie van elkaar waren. Ook de familie Sajenko breidde zich uit \u2014 via de vrouwelijke lijn van de Poolse heren \u2014 toch eigen bloed.<br \/>\nHet waren allemaal magen die dringend wilden eten en drinken, met wijd opengesperde monden. Dat was al sinds de tijd van het hetmanaat een hongerige, onverzadigbare sprinkhanenzwerm die uit Polen neerstreek op de vrije steppen van het weelderige Oekra\u00efne\u2026 Eten, verslinden, dat was van oudsher hun enige gedachte\u2026 Gewend om kruimels van de heren\u00adtafel op te rapen, om borden leeg te likken na smakelijke gerechten, gaven zij hun nakomelingen dezelfde parasitaire gewoonten en een verschrikkelijke honger naar alles wat lekker en zoet was. Met hun eigen handen verdienden zij niets, want adellijke handen waren voor iets anders bestemd, voor de scherpe sabel, voor lichte dienst aan koning of magnaat\u2026 De nakomelingen van de \u201ckaalbuiken\u201d zogen die gedachte met de moedermelk in zich op\u2026 Velen dienden in het leger; daar begonnen zij meestal hun loopbaan. Maar als zij naar huis terugkeerden \u2014 want militaire dienst is zwaar en bovendien gevaarlijk \u2014 vestigden zij zich op de vaderlijke gronden en sperden hun monden weer open\u2026 Ze wilden eten en drinken, zich mooi kleden en plezier maken\u2026 Maar waarvan? Waar het te halen, zonder hun adellijke handen vuil te maken?<br \/>\nZo werden zij schoonzonen van welgestelde heren. Rechtuit gezegd: zij verkochten zich, hopend op een beloning.<br \/>\nDe Poolse heren lieten hun dochters niet naakt en blootsvoets het huis uit gaan. Ze gaven hun bezittingen mee en een vijftigtal zielen als bruidschat. Maar wat kun je met zo\u2019n handjevol mensen beginnen? De schoonzonen van de Poolse heren konden toch niet zelf de ploeg ter hand nemen: voor een edelman was het een schande zijn handen met landarbeid te bevuilen; en de dochters van grote heren, opgevoed in rijkdom en weelde, konden toch ook niet in moestuinen wroeten\u2026 Wat viel er nog te zeggen?<br \/>\nVan het midden van de jaren twintig tot in de jaren zestig beleefden wij de gouden eeuw van de heerschappij van de heren. Zij heersten niet alleen over boerderijen en dorpen, over erfelijke en niet-erfelijke landgoederen; zij ploegden niet alleen de uitgestrekte velden om met boeren en pachters, die zij soms zelfs voor langbenige windhonden ruilden, de geest van de adel zweefde overal: in de stad, in het district, in de provincie. Overal bestuurden de heren alles. Uit hun midden werden commissarissen gekozen; later werden zij districts\u00adhoofden en vervolgens gewone bestuurders; ook rechters en assessoren waren edellieden\u2026 En het hoofd van het hele district was eveneens een door de adel gekozen maarschalk, later \u201cleider van de adel\u201d\u2026 Kortom: het hele districtsbestuur \u2014 behalve de schatbewaarder, de procureur, de postmeester, de aanklager (\u201chet oog van de tsaar!\u201d) en de wijkhoofden \u2014 bestond uit gekozen edellieden\u2026 Wat een tijd was dat!<br \/>\nJuist toen begon ook de heerschappij van de Poolse heren in Hetmanske. Het bezit vloeide alle kanten op, door het hele district. De dochters brachten niets binnen, maar droegen weg wat er was. Ze rukten ook wat bezit van Vasyl Semenovytsj los, maar werden zelf niet rijker, ze maakten hem alleen armer. Wat moest een verarmde man beginnen? Hij moest toch ergens van leven\u2026 Hij moest middelen vinden voor zijn onderhoud \u00e9n eer verwerven om de roemrijke familie te steunen\u2026 Er zat niets anders op: in dienst treden\u2026 Moest het, dan moest het.<br \/>\nEn zo gingen ze in dienst.<br \/>\nDe Poolse heren begonnen in Hetmanske te heersen alsof het hun eigen koninkrijk was. Vasyl Semenovytsj was er een kleine tsaar; zijn verwanten waren de dienaren van de tsaar; en het hele district, met heren en boeren, waren onderdanen. Bij hem thuis stelde Vasyl Semenovytsj zelfs koninklijke audi\u00ebnties in. Welke heer ook in het district aankwam, welke ambtenaar ook werd gestuurd, niemand ging naar zijn eigen zaken zonder eerst de heerser van Krasnohorivka te hebben gegroet.<br \/>\nEn iedereen reed erheen, boog diep\u2026 En wat te zeggen van de vastgestelde feestdagen\u2026 Men kwam met Kerstmis; men kwam om te feliciteren \u201cmet het nieuwe jaar, met nieuw geluk, en met Sint-Vasylus\u201d; op de donderdag van Maslenitsa at men daar pannenkoeken; op de tweede dag van Pasen paasbrood\u2026 Iedereen wist dat men op die dagen nergens anders mocht zijn dan in Krasnohorivka. Wat er ook gebeurde \u2014 men moest er zijn! Lag de vrouw ziek te bed, ademde een kind nauwelijks, het maakte niet uit: men moest gaan! Met Kerstmis kon het zo sneeuwen dat men geen hand voor ogen zag; tijdens Maslenitsa of met Pasen was er soms zo\u2019n modder dat men niet kon lopen of rijden; soms goot de regen met bakken uit de hemel\u2026 Maar was het de dag van Vasyl Semenovytsj, en dan moest men aanwezig zijn!<br \/>\nHet hele districtsbestuur sleepte zich naar de \u201cMekka\u201d. Iedereen probeerde zich dienstbaar te maken, in een goed blaadje te komen, gunsten te verwerven, een vriendelijk woord, al was het maar een welwillende blik\u2026 Wie door Vasyl Semenovytsj met zijn \u201cgunst\u201d werd begiftigd, leek als het ware te groeien\u2026 Anderen keken toe, benijdden hem: een mens groeide door \u00e9\u00e9n enkel woord! Maar op wie Vasyl Semenovytsj zijn toorn liet neerkomen, die kon zich net zo goed in een wak storten\u2026 Zelfs vroegere vrienden keerden zich van hem af\u2026<br \/>\nMaar de heer regeerde Hetmanske dan ook als zijn eigen vaderland. Wat hij zei, gebeurde. Wat hij besliste, voltrok zich. Alleen hem diende men en naar zijn gunst dong men, hoogstens nog naar die van zijn pachter, Lejba Ovramovytsj, de schoonzoon van de oude Lejba, de rentmeester van de generaal.<br \/>\nEn hoe zou men hem niet dienen? Zijn eigen dienaren, zijn eigen handlangers! Had iemand het gewaagd een dwars woord te spreken, hij zou zijn plaats snel kwijt zijn! In Hetmanske ging het zo ver dat niemand een ambt kon krijgen zonder de wil van Vasyl Semenovytsj.<br \/>\nHijzelf was de leider van de adel; zijn verwanten waren ambtenaren; de politiechef, de rechter, de assessoren, het waren allemaal schoonzonen, verwanten van schoonzonen, neven\u2026 Zoals een hen haar kuikens onder haar vleugels verzamelt, zo trok Vasyl Semenovytsj het hele district onder zijn klauwen\u2026<br \/>\nEn alles rondom zweeg, verdroeg, gehoorzaamde en werkte voor het taaie geslacht van de Poolse heren, en boog het hoofd steeds dieper voor hun heerser\u2026<\/p>\n<p>XI MACHAMED<br \/>\nNa de dood van Myron en Maryna streek het noodlot, met de rand van zijn met tranen bevochtigde vleugel, langs het leven van Ivan en Motrja, en vloog verder naar andere huizen \u2014 armer, ellendiger \u2014 naar de lijfeigenen van verspreid wonende mensen\u2026 De kozakkenhoeven werden omhuld door een stil boeren\u00adgeluk. Jaren braken aan van liefde voor akker en vee, van het verzamelen van elke opbrengst, van zware arbeid thuis en op het veld, en van vreugde om de kinderen, wie de Heer die schonk\u2026<br \/>\nIvan, al als kind op het boerenpad gezet, bleef dat pad volgen. Hij ploegde het land, zaaide, maaide, oogstte, dorste, legde het graan weg, het ene deel om te zaaien, het andere om te eten, weer een deel om te verkopen of in diepe kuilen voor hongertijden. Motrja, uit een goede boerenfamilie, hielp Ivan bij zijn werk.<br \/>\nVanaf het voorjaar was Ivan elke dag op het veld, hij ploegde of zaaide het zomergewas. \u2019s Morgens vroeg vertrok hij, laat in de avond keerde hij terug. Zo ging het door tot Pasen. Na Pasen begon het maaien. Dan had ook Motrja haar werk, het bijeenharken. Daarna volgde de oogst. De hele zomer draaiden ze beiden rond als een vlieg in kokend water, vroeg opstaan en laat naar bed gaan. Na de oogst volgde voor Ivan het binnenhalen met de wagen; dan het ploegen voor het wintergraan; vervolgens het zaaien; en in de herfst het dorsen van het verdiende graan. Voor Motrja werd het in de herfst iets lichter: het huiswerk was bijna rust; buiten deed ze tussendoor wat werk, ze bewerkte vlas of hennep; onder het afdak kraakte de vlasbraak\u2026 En dan kwam de winter, met sneeuwstormen\u2026 Hij kwam als een angstaanjagende wervelwind het dorp binnen, bracht zijn kinderen mee, de gure winden en knetterende vorst\u2026 De mensen schrokken. Ze begonnen warme kousen te breien; ze stopten ramen en deuren dicht zodat de vorst niet naar binnen drong\u2026 Toch zat men ook in de winter niet met gevouwen handen. De vrouwen hadden hun werk, de mannen het hunne. In huis kookte Motrja het middag- of avondmaal, zorgde voor de kinderen en voedde hen; \u2019s avonds bij het olielampje spon ze garen of naaide iets met de naald; buiten zorgde ze voor de koe: gaf haar voedzaam drinkwater met zemelen of kaf, molk haar \u2019s morgens en \u2019s avonds. Ivan verzorgde het vee: legde stro in de ruiven, dreef het tweemaal daags naar het water, maakte twee keer per week de stal schoon\u2026 Was er geen werk bij het vee, dan repareerde hij onder het afdak wat nodig was voor het voorjaar. En \u2019s avonds vlocht hij wanten, speelde met de kinderen, maakte grapjes, leerde hen bidden, legde hen te slapen, of lag zelf op de ovenbank met zijn buik naar beneden te stomen.<br \/>\nOp zondag of feestdagen gingen Ivan en Motrja naar de kerk; soms namen ze, als het niet te koud was, ook de jongens mee. Na de kerk aten ze smakelijker dan op een werkdag; na de maaltijd kamde Motrja Ivan het haar. Na wat rust, als er tijd was, gingen ze bij buren op bezoek of ontvingen zelf gasten. En \u2019s avonds moest Ivan weer naar het vee, het drenken, voer voor de nacht geven; Motrja moest het avondeten koken en de kinderen naar bed brengen\u2026<br \/>\nZo ging de winter voorbij; in de lente begon de rode zon te spelen\u2026 En weer het veld in\u2026 weer het werk van het vorige jaar\u2026 weer dezelfde zorgen\u2026 En zo niet \u00e9\u00e9n of twee jaar, maar een heel leven lang\u2026 Je werkt om te eten; je eet om te kunnen werken. Dat is het vrolijke boerenlot!<br \/>\nWie eraan gewend is geraakt, vindt het vrolijk en mooi\u2026 Onze hoeven, dorpen en soms zelfs districtssteden, omgeven door vruchtbare akkers en velden, kennen geen ander lot\u2026 En toch leven ze eeuwenlang, graven in de voedzame aarde alsof ze ermee vergroeid zijn\u2026 Zoals het land is, zo zijn de mensen. Is het land rijk, dan zijn zij verzadigd; is het arm ,dan staan hun monden open van honger\u2026 Een boer zonder land is een bedelaar zonder handen en voeten. Het land voedt hem, het land troost hem; op het land groeit hij op en soms sterft hij er ook\u2026 Het land is als lucht: zonder kan men niet ademen!<br \/>\nZwaar is het boerenwerk, en nog zwaarder voor wie het dorpsleven niet kent of er geen liefde voor voelt. Daarom wennen boeren hun kinderen er al van jongs af aan aan, zodat het hun noch saai noch zwaar lijkt. Kinderen op het dorp zijn hulp. Zodra ze op de been kunnen staan, meteen het veld op: laat ze van kleins af aan wennen aan hun levenslot!<br \/>\nIn zo\u2019n levenswijze wilden Ivan en Motrja hun kinderen grootbrengen. Toen de jongens wat groter werden, moest men hen aan het werk gewennen. Zo begon de dagelijkse oefening, die in het begin voor de kinderen zelfs prettig was. Eerst en vooral: het vee weiden, het rundvee bewaken\u2026 Daar is noch kracht noch vaardigheid voor nodig: houd alleen het vee in het oog, let op je lichte taak! Daarna, drijven\u2026 \u201cH\u00e9! Vooruit! Links! Rechts!\u201d \u2014 dat is de hele kleine wetenschap van de veedrijver\u2026<br \/>\nDe jongens stortten zich met vurige ijver op alles, maar de ijverigste was Maksym. Hij sliep soms de hele nacht niet, alleen om \u2019s morgens zo vroeg mogelijk op te staan en zijn broers naar het veld te wekken. Maar juist hij was het ook die het snelst verzadigd raakte. Twee of drie keer iets doen, en het boeide hem al niet meer; hij verlangde naar iets nieuws. Hem dwingen of bang maken hielp niet! Zo\u2019n rusteloze aard had zijn oude grootvader, tot Ivans ongeluk, in hem gekweekt en gehard met zijn angstaanjagende verhalen over onsterfelijke dapperheid en zijn boze klachten over hoe de wereld nu was geworden\u2026 De Sietsj-verhalen over de aard en vrijheid van de zaporizja-kozakken zonken in het vurige hart van de kleinzoon\u2026 Als in een nestje broedde in Maksyms hart de vrijheid waarover zijn grootvader sprak; ze trok hem naar ongebondenheid, naar onrust, wierp hem van het ene naar het andere, brandde in hem als haat tegen alles wat drukte of tegensprak, wat hem verhinderde te doen wat wij willen, wat wij bedenken\u2026 Levendige beelden uit een ver, ver verleden verrezen in zijn jongenshoofd: Maksym wilde zelf vechten, hakken, huishouden\u2026 Maar met wie? Waar?\u2026 De ene gedachte joeg de andere voort\u2026<br \/>\nDaar, achter het dorp, steeg een geweldige stofwolk op. Een wervelwind tilde haar hoog omhoog en joeg recht op het dorp af\u2026 Maksym zag het en herinnerde zich grootvaders verhaal over een gevecht met de Tataren\u2026 Dat was geen stofwolk, dat was de Tataarse horde die op ons afstormde!.. Geschreeuw, gekletter, rumoer klonk samen met het stof\u2026 \u201cBlijf staan, broeders!\u201d roept de ataman tot de onzen. \u201cJullie in het midden, geen stap! En jullie aan de flanken, rijd om via de Valkenravijnen!.. Ga daar liggen, als dood, geen kik! \u2014 tot het luid knallende haakbus zegt: het is tijd!..\u201d De jongens stormden vooruit, alleen de paardenstaarten zwiepten\u2026 Het geschreeuw en lawaai kwam dichter en dichterbij. Daar reed al de Tataarse pasja voorop, met getrokken sabel\u2026 De onzen weken terug, en de Tataren erachteraan. Geschreeuw, gedrang, worsteling\u2026 Plotseling flitste een bliksemstraal, de haakbus knalde, en de Tataarse pasja tuimelde voorover van zijn paard, met kaalgeschoren schedel naar beneden\u2026 \u201cSla erop los!.. Hak ze neer!..\u201d klonk het van de ene kant  tot de andere. En daar steeg ook van opzij stof op als een zwarte wolk: dat waren de onzen die uit de ravijnen te hulp snelden\u2026 Ze vlogen, de aarde dreunde ervan. Maksym hapte naar adem: zijn warme bloed begon te bruisen, gewekt door zulke gedachten, hij snelde zelf ook achter de rij roemrijke ridders aan\u2026 Het stof woei op langs de weg, het geklap van blote voeten op harde grond weerklonk\u2026 Daar was het dorpsplein. Maksym steigerde als een paard: nu eens sprong hij opzij alsof hij geschrokken was; dan weer sprong hij als een jong kalf in het rond\u2026 Hij knalde met zijn zweep, floot en riep\u2026 Zijn jonge stem weergalmde rondom, en rinkelde tegen de ramen van het generaalshuis\u2026<br \/>\nMaksym zag plots in de poort een angstaanjagende gestalte verschijnen, de fokstier van het landgoed. Als een monster, met gerimpelde nek, de kop met horens naar de grond gericht, bloeddoorlopen ogen, kwam het uit het generaalshof en liep zwaar vooruit, dreigend loeiend en brullend. Onder zijn poten dreunde de aarde, wilde golven van gebrul rolden over de omgeving\u2026 Maksyms stem klonk als het getjilp van een mus tegenover het verschrikkelijke geloei van de stier\u2026 Maar Maksym schrok niet. Hij vergat zelfs het gevecht met de Tataren, sprong de weg op, vulde zijn boezem met kluiten aarde en stormde de stier tegemoet, brullend en het monster nadoend\u2026 De stier bleef staan, hief zijn kop op alsof hij wilde zien wat het was, draaide toen zijn nek en boog zijn kop bijna tot de grond, hij wilde met zijn hoorn in de aarde wroeten om schrik aan te jagen, maar van vetheid kon hij niet diep buigen. Alleen sloeg hij uit woede met zijn poot en wierp aarde ver van zich af. Maksym gooide een kluit. Zijn trefzekere hand trof midden op het harde voorhoofd; de kluit brak en stof vulde de ogen van de stier. Het monster deinsde terug\u2026 Knipperde met zijn rode ogen\u2026 hief zijn kop, keek naar zijn vijand, en werd donker van woede\u2026 Met zijn kop omlaag stormde hij op Maksym af. Ook nu schrok Maksym niet: de kluiten vlogen als kogels, de ene na de andere\u2026 Ze troffen de stier op het voorhoofd, op de neus, in de zij\u2026 Het monster voelde niets; het voelde zelfs de aarde onder zich niet meer\u2026 Brullend stormde het recht op Maksym af, steeds sneller en sneller\u2026<br \/>\n\u201cH\u00e9, h\u00e9!\u201d klonk het plots uit het generaalshof. \u201cRen, jongen, anders loopt het slecht af!\u201d<br \/>\nAls gebrand draaide Maksym zich om en vloog als de wind over het plein. De stier achter hem aan. Het was angstaanjagend te zien hoe zo\u2019n monster, met vooruitgestoken horens, met al zijn verschrikkelijke kracht achter een kleine jongen aanstormde, die als een erwtje voor hem uit rolde\u2026 Nu zou de stier hem inhalen; nu zou hij Maksym met zijn hoorn doorboren\u2026 Daar was al het hek van het generaalshof\u2026 nergens meer heen\u2026 Maksym was verloren!.. Nee, niet verloren! Als een hond sprong hij op het hek, en van het hek in het onkruid\u2026 De stier sprong ook tegen het hek, maar bleef aan een paal steken\u2026 Bloed stroomde uit zijn doorboorde zijde\u2026 Het monster wankelde, brulde met een dierlijk geluid, rukte met al zijn kracht\u2026 Het hek viel om, en met het hek viel ook de stier neer, en hij loeide zo pijnlijk dat het akelig was om te horen\u2026 De paal was langs zijn hele buik gegaan en had zijn ingewanden naar buiten gereten\u2026 Menselijk geschreeuw steeg op, het hofpersoneel snelde toe\u2026 Wat een chaos!<br \/>\n\u2014 Wat heb jij nu weer gedaan?! \u2014 vraagt een van de knechten aan Maksym, terwijl hij naar de stier wijst die nog maar nauwelijks ademhaalt, moeizaam snuift\u2026<br \/>\nMaksym lacht.<br \/>\n\u2014 Waarom toon je je tanden, vuile zoon? Kom, ik zal je naar de mevrouw brengen.<br \/>\nZodra Maksym loskwam van de ketting, rende hij naar huis.<br \/>\nIvan zou flink gestraft zijn door de generaalsvrouw als de lijfeigenen Maksym niet hadden beschermd. Maar ze zeiden dat de stier achter een hond aanzat en er zelf doorheen kwam. Natuurlijk werd de veehouder er niet voor geprezen, maar hij kreeg er flink van langs, en Ivan liet hem er goed voor drinken. Zo verdween de stier. Alleen Maksym kreeg een uitbrander van zijn vader. Maar wat is zo\u2019n vechtpartij? Maksym huilde het uit, en daarna ging hij gewoon weer verder\u2026<br \/>\nZijn ziel verlangde naar vrijheid; zijn jeugdige krachten naar ruimte. Maksym voelde zich verdrietig op de uitgestrekte, lege steppe, tussen de omgeploegde akkers, krap in het stille ouderlijk huis, zwaar tussen het zwijgende vee dat hij als oudste eerst moest hoeden\u2026 En de jongen bedacht ondeugende spelletjes: hij reed op schapen, joeg kalveren op, bond stokjes aan hun staarten en barstte in lach uit terwijl de kalveren spartelden. Vaak kreeg hij van zijn vader er flink van langs; niets kon de ondeugende, vrolijke aard van Maksym breken. O ja, soms sloeg zijn vader hem; maar een uur later was Maksym alweer op straat, vechtend met de jongens, of hij trok zijn broers aan het haar, of hij spande hen in de slee, zoals in de winter, ging zelf achter de meester aan en zweepte ze op\u2026 tot ze helemaal uitgeput waren en de hele straat hoorde hoe ze schreeuwden\u2026<br \/>\nHartstochtelijk als buskruit, moedig als een hongerige wolf, hij versloeg iedereen, heerste over alles\u2026 En als er iemand belachelijk gemaakt moest worden, iets gestolen, afgepakt \u2014 hij deed het! De generaalsvrouw at nooit groente uit haar jonge tuin: hij stal alles, ongeacht de honden of wachters. Eens betrapten ze hem in de appelboom. Wat deed hij? Bang? Nee, de wachters kwamen op hem af en hij begon met appels naar hen te gooien, en zij weken terug\u2026 Toen sprong hij op de grond; als de wind rende hij door de tuin; als een hond sprong hij over de hagen, en verdween in het open veld\u2026<br \/>\nToen hij ouder werd en krachtiger, oh, er was geen houden meer aan! Lang, slank, sterk, breedgeschouderd, als uit ijzer gesmeed, en bovendien scherp als een haas, zingend en lachend\u2026 Mooie gelaatskenmerken, rechte houding, blozende wangen, zwarte vrolijke ogen, zwarte glanzende snor, hij was de mooiste jongen van het dorp\u2026 Alle jongeren hielden van Maksym om zijn karakter, zijn vrolijke, onbevreesde aard, iedereen gehoorzaamde hem.<br \/>\nWie draagt de vlag bij de lenteprocessie om de jongensbron te zegenen? Maksym draagt hem. Wie leidt de straat bij de parade op Hoedzjeva-straat? Niemand anders dan Maksym\u2026 Wie moet iemand belachelijk maken? Maksym\u2019s tong is als een scherp scheermes\u2026 Wie hing de poorten van Loetsenko aan de honderdjarige eik? Wie smeerde de poort bij de weduwe Tchoryha in teer? Niemand anders dan Maksym\u2026 Van wiens handen ontsnapte Chomenkova\u2019s dochter Chvesjka? Aan Maksyms handen ontsnapte ze niet! Wie verspreidde roddels over de sterke vrouw, dochter van Sramtsjenko? Wiens tong is langer dan die van Maksym! Hij trekt iemand in de val, helpt een meisje, en daarna lacht hij als eerste\u2026 Niet \u00e9\u00e9n of twee, maar velen hebben hun ouders schaamte gebracht; niet \u00e9\u00e9n moeder of vader is op een huwelijk in de beugel door het dorp geleid\u2026 Niet \u00e9\u00e9n of twee moeders huilden om \u201cMachamed\u201d, zoals de oude vrouwen hem noemden.<br \/>\nNiet \u00e9\u00e9n jongen of man, die de vuisten van Machamed proefde, zou er half jaar later nog recht overeind staan\u2026 En voor drank en feest, Machamed gaf alle dronkaards reden! Ze gooiden modder in de ogen, en deden mensen kwaad, deden kattenkwaad\u2026<br \/>\nDe mensen begonnen bij de vader te klagen dat Machamed hun zonen dronkenschap leerde, en ze raadden aan hem te beteugelen. Maar wat kan een vader doen met zo\u2019n reus? Geen dreiging van vader, geen smeekbede van moeder helpt bij zo\u2019n wildebras\u2026<br \/>\n\u2014 Laat ik hem maar uithuwelijken! \u2014 denkt Ivan en overlegt met Motrja. Ze vonden een meisje; overtuigden Maksym op een of andere manier, en hij ging met de bruidsmeesters mee. Wat gebeurde er? Bij de verloving dronk Maksym zo veel dat hij bijna zijn aanstaande schoonvader in elkaar sloeg.<br \/>\n\u2014 God zij met u en uw jonge! \u2014 zei de vader tegen de bruidsmeesters. \u2014 Zelfs als ik van honger zou sterven, en er werd gezegd: \u201cals je Melasjka aan Maksym geeft, zul je leven\u201d \u2014 zelfs dan zou ik het niet goedkeuren!<br \/>\nDe mensen kwamen terug met een pompoen; ze vertelden het aan vader en moeder.<br \/>\n\u2014 &#8220;Vervloekt zij het noodlot dat mij met zo&#8217;n kind heeft getroffen!&#8221; roept de vader.<br \/>\n\u2014 &#8220;Zoon, je hebt ons op onze oude dag te schande gemaakt&#8230; Je hebt geen medelijden met ons, nu we niet lang meer te leven hebben,&#8221; huilt de moeder.<br \/>\nEn Maksym was niet meer te houden: de deur uit en de straat op, recht naar de herberg van de jood. Daar raakte hij zo aan de luiheid, zo aan de losbandigheid en de drank verslingerd dat er niets meer van hem terechtkwam. Hij hing voortdurend in de herberg rond&#8230; Hij zwol er zelfs van op als die stier, doordat hij zich elke dag volzoop. Hij was alle remmen kwijt: wat hij thuis maar kon stelen, bracht hij meteen naar de herberg. Hij dronk en feestte; dreef de spot met de jood; deed alsof hij \u00e9\u00e9n van de lijfeigenen was, terwijl hij hun met bittere verwijten stak omdat ze voor de heren werkten. Hij spoorde hen aan hun bevelen niet te gehoorzamen en ervandoor te gaan. Hij legde zich helemaal toe op kwaadstokerij, meer viel er niet van hem te zeggen.<br \/>\nDe generaalsvrouw kende Machamed zelf. En ze haatte hem zo dat wanneer ze langs hem moest gaan of rijden, ze altijd afkeek en spuugde. Toen ze hoorde dat hij de lijfeigenen opstookte, klaagde ze bij de commissaris. Als Maksym toen niet op tijd weg was gegaan naar Pisky, was hij waarschijnlijk de gevangenis niet ontlopen, en misschien zelfs Siberi\u00eb niet. Maar wat stelde Siberi\u00eb voor hem eigenlijk voor? Helemaal niets!<br \/>\nZijn vader worstelde ermee, worstelde, maar zuchtend zei hij tegen Motrja: \u201cNee, ik kan niets doen tegen deze wildebras! Geen vriendelijk woord, geen verzoek, geen scheldpartij, niets helpt\u2026 Ik heb geen kracht om met hem te vechten\u2026 Laat hem naar het leger gaan! Laten ze hem in dienst vormen, misschien wrijven ze de ondeugd eruit die hij thuis heeft opgedaan! Laat de anderen hem leren: ik kan niets tegen hem doen!\u201d<br \/>\nMotrja in tranen. Haar moederhart was bedroefd om haar kind. Hoe slecht hij ook was, hoe ondeugend, hij was toch eigen bloed\u2026 Motrja huilde bitter, maar durfde Ivan niet te vragen: ze begreep dat dit het laatste woord van de vaderlijke pijn was. Nu zou geen enkel verzoek helpen!<br \/>\nEn Maksym? Toen hij het hoorde, vertrok hij geen spier, trok geen gezicht. Hij stemde meteen toe en ging naar de ontvangst, zingend en roepend.<br \/>\nOp dat moment gebeurde er iets belangrijks in de hoofdstad. De oude tsaar stierf, en er bleven twee broers over. De oudste mocht om de een of andere reden het rijk niet besturen, de jongere kwam op de troon van zijn voorouders. Dat verliep niet zonder conflict. Toen kwam de keizerlijke garde in opstand met de vrijmetselaars. Veel onschuldigen en schuldigen vielen, tot de opstand werd gesust\u2026 Toen, toen het stil werd, beval de nieuwe tsaar het oude garnizoen te ontbinden en een nieuw garnizoen op te richten. Maar het moest \u00e9\u00e9n-op-\u00e9\u00e9n zijn: groot, slank, indrukwekkend\u2026 Maksym bleek precies de juiste maat te hebben. Toen hij de keuring verliet, hoefde niemand hem &#8220;Afgekeurd!&#8221; na te roepen. Maar een officier met een grote snor riep: &#8220;Naar de Garde met hem! Naar de Garde!&#8221; Toen Maksym dat hoorde, schoot hij in de lach&#8230; en stoof de deur uit. Daarbij botste hij bijna met zijn voorhoofd tegen een arme rekruut. Zonder zich een ogenblik te bedenken gaf hij hem een kniestoot in zijn zij en schreeuwde: &#8220;Uit de weg, boerenkinkel! Een gardist komt eraan!..&#8221; De arme jongen wankelde en viel bijna om&#8230;<br \/>\nMaksym had zich nog niet aangekleed, toen drie of vier kozakken hem naar een klein gevangenisgebouw sleepten en op slot deden. Het huisje was klein, de ramen met ijzeren tralies zoals in een gevangenis, en het zat vol mensen. De een zat te huilen; een ander, die niet huilde, zat te balen; daar zat een groep te lachen om een of andere grap\u2026<br \/>\n\u2014 Laat mij er ook bij, broeders! \u2014 zegt Maksym tegen degenen die zaten te lachen.<br \/>\n\u2014 &#8220;Kom maar&#8230; dan kun jij ook je duit in het zakje doen.&#8221;<br \/>\n\u2014 Waarom hebben ze ons, broeders, in dit kleine hok opgesloten? \u2014 vraagt Maksym terwijl hij de zwarte, roetachtige muren van het gebouw bekijkt.<br \/>\n\u2014 Om te voorkomen dat je ontsnapt! \u2014 antwoordt iemand.<br \/>\n\u2014 Maar wie zou er in godsnaam willen ontsnappen\u2026 En hoe lang blijven ze ons zo vasthouden?<br \/>\n\u2014 Wie weet\u2026 Ze zeggen dat het drie dagen kan zijn\u2026<br \/>\n\u2014 Dat is slecht! Als er hier wodka was, zou het tenminste wat leuker zijn.<br \/>\n\u2014 Wil je ook wat kaas met dode ratten?<br \/>\n\u2014 Drink zelf maar, als je dat wilt!<br \/>\nDaarna nam Maksym het gesprek over: hij praatte en praatte; vertelde over zijn dorpsavonturen; maakte iedereen aan het lachen en schaterde zelf\u2026 Wat een gezelschapsman, echt waar! \u2019s Nachts voelde hij zich echter plotseling een beetje somber toen de wacht riep: &#8220;Luister!&#8221;<br \/>\nNa drie dagen werden ze werkelijk vrijgelaten en mochten ze afscheid nemen van hun familie, die allemaal naar de ontvangst waren gekomen, alsof het een jaarmarkt was\u2026 Huilen, jammeren, het leek alsof ze de doden naar het graf begeleidden. Daar hing een oude moeder vol bittere tranen, terwijl ze het geschoren hoofd van haar zoon omhelsde; daar huilde een jonge vrouw met een kind op de arm over het hele plein, terwijl ze met \u00e9\u00e9n hand de jonge man bij de hals vasthield; en daar praatten een broer en zus, terwijl hun tranen het verdriet vergrootten\u2026 De oude grootvaders bogen hun hoofden; broers spraken, gebogen\u2026 En daar weer de ouders, de moeders\u2026 Tussen hen stond Motrja, als van het kruis gehaald; naast haar haar zonen Vasyl en Onysjko\u2026 Ze liepen samen van wagen naar wagen, vroegen de kozakken of ze Maksym hadden gezien? Nee, niemand had hem gezien\u2026 Ze verlieten het gevangenisgebouw samen, maar waar hij was gebleven, wist niemand\u2026<br \/>\nMaksym, zodra hij werd vrijgelaten, trok meteen met de kozakken naar de kroeg\u2026 De anderen namen afscheid van hun familie, maar hij leidde een groep kozakken mee, en had al gezelschap! En hij groette met een glas\u2026 Zo vertrok Motrja met haar zonen, zonder Maksym nog te zien\u2026<br \/>\nNiet lang daarna werden de kozakken ver weg gestuurd\u2026 De mensen kwamen opnieuw bijeen om afscheid te nemen, misschien voor het laatst van hun arme zonen, mannen, broers\u2026 Het leek alsof geen rivier klotste, maar de boeren die afscheid namen van de kozakken loeiden\u2026 Het leek alsof er geen doden werden begraven, maar dat mensen rouwden om hun levende familie\u2026 En Motrja stond ertussen\u2026 Voorovergebogen, gekromd, huilend, met het hoofd op haar borst, en naast haar Vasyl en Onysjko, en Maksym\u2026 Het moederlijk verdriet had zelfs zijn onbezorgde hart geraakt: hij stond bij zijn moeder, gebogen\u2026<br \/>\nToen begon het tromgeroffel; de kozakken kregen het bevel in de rij te gaan staan. Het werd een chaos\u2026 Overal werd gehuild, gejammerd\u2026 Ze begonnen afscheid te nemen. Maksym ging naar zijn moeder\u2026<br \/>\n\u2014 Vaarwel, mama!.. Denk niet aan het slechte\u2026<br \/>\n\u2014 Vaarwel, zoon!.. Vaarwel, mijn kind!.. Zorg\u2026 voor jezelf\u2026<br \/>\nMotrja sloeg haar armen om zijn nek en hing zo vast, haar tranen blokkeerden haar zicht\u2026<br \/>\n\u2014 Rustig, mama!.. Maak je geen zorgen: ik kom niet om. \u2014 Hij bevrijdde zich uit de versteende armen van zijn oude moeder, en ging afscheid nemen van zijn broers.<br \/>\nDe kozakken waren inmiddels opgesteld in rijen: \u00e9\u00e9n na \u00e9\u00e9n. Het tromgeroffel begon opnieuw; de ouderen gaven bevel\u2026<br \/>\n\u2014 Neem afscheid!..<br \/>\n\u2014 Blijf gezond!..<br \/>\n\u2014 Moge God u helpen!..<br \/>\n\u2014 Succes!..<br \/>\n\u2014 Vaarwel, mama!.. \u2014 zei Maksym terwijl hij langs zijn moeder liep.<br \/>\n\u2014 Wacht, zoon!..<br \/>\nMotrja sprong op en stopte geld in Maksyms hand\u2026<br \/>\n\u2014 Dank u, mama!.. \u2014 zei Maksym en stak het geld in zijn zak terwijl hij liep. \u2014 Vaarwel\u2026 bedank vader dat hij me aan de kozakken gaf!..<br \/>\n\u2014 Ach\u2026 ga\u2026 wees\u2026 go\u2026 ed\u2026 vaar\u2026 wel\u2026<br \/>\nMotrja sprak niet verder. En Maksym hoorde het niet: hij was al ver weg\u2026<br \/>\nDe boeren keerden naar huis terug. Motrja kwam ook terug met haar zonen, huilend, gekweld door verdriet\u2026 Ivan liep somber door het huis, als een donkere herfstnacht. Hij keek geen van zijn zonen aan, sprak geen woord. Toen ze het huis verlieten, ging hij naar Motrja:<br \/>\n\u2014 Nou, is hij weg?<br \/>\n\u2014 Ik heb hem uitgezwaaid\u2026 \u2014 zegt Motrja, terwijl ze in tranen uitbarst.<br \/>\n\u2014 En hoe is hij?<br \/>\n\u2014 Niets\u2026<br \/>\n\u2014 En heb je hem uitgeleverd?<br \/>\n\u2014 Uitgeleverd\u2026<br \/>\n\u2014 Nou, en?..<br \/>\n\u2014 Hij zei: bedank je vader dat hij me aan de kozakken gaf!..<br \/>\n\u2014 Laat hij maar zijn domme verstand danken, \u2014 zei Ivan en viel stil\u2026<br \/>\nMaksym was weg, het lawaai en het schelden in Ivans huis verstomden, en in Pisky was geen enkel teken van schade meer te horen. De leider was weg, het gezelschap leek uit elkaar te vallen over de wereld. Al was het er nog wel, maar het ging een andere weg, leefde een ander leven. De een stierf; de ander trouwde, werd een huisvader, voedde kinderen\u2026<br \/>\nIvan dacht die dag voor het laatst aan Maksym, toen Motrja van het afscheid terugkeerde. Sindsdien dacht hij er nooit meer aan, en werd hij boos als iemand anders het ter sprake bracht.<br \/>\n\u2014 Ik heb geen derde zoon, en ik heb er nooit een gehad! \u2014 zei hij. Daarna sprak hij de hele dag of avond met niemand een woord. Gedachten kun je blijkbaar niet van je afzetten!<br \/>\nAlleen Motrja ging elke zondag en feestdag naar de kerk en schonk een cent of een beetje geld voor Maksyms gezondheid. Nadat ze haar arme bijdrage had gegeven, viel Motrja voor de Heilige Maagd op haar knie\u00ebn en bad zacht en vurig dat ze haar kind zou beschermen tegen een ongelukkig uur, dat ze hem op het juiste pad zou leiden.<br \/>\nDe broers haden even verdriet om Maksym, maar vergaten hem daarna weer.<br \/>\nHet leven ging rustig verder, bracht af en toe vreugde, af en toe verdriet, maar wist de herinnering aan Maksym langzaam uit.<br \/>\nEn hij, hij liet nooit iets horen, stuurde geen bericht\u2026 Waar was hij? Hoe maakte hij het? Niemand wist of hoorde iets\u2026<br \/>\nMaar intussen volgden in Ivans huis de zorgen elkaar in rap tempo op. Eerst werd Vasyl uitgehuwelijkt en kreeg hij zijn eigen deel; daarna overleed Motria&#8230; Toen Ivan inzag dat hij haar waarschijnlijk niet lang zou overleven, liet hij Onysjko trouwen. Hij verdeelde zijn bezit onder zijn zoons, maar liet zijn huis en twee desjatinen land na aan de Moskouse soldaat, wanneer die ooit zou terugkeren&#8230; Kort daarna legde ook Ivan zich voorgoed neer. Onysjko vestigde zich in het ouderlijk huis om voor het vee van de soldaat te zorgen.<br \/>\nEn dat vee werd zowel voor de ene als voor de andere broer een doorn in het oog. Om dat vee ontstonden ruzie en vijandschap tussen hen. De jongste beheerde het als de rechtmatige eigenaar en streek alle opbrengsten zelf op; de oudste daarentegen, ervan overtuigd dat de soldaat allang niet meer in leven was, raakte steeds vaker met zijn broer in conflict.<br \/>\n&#8220;Noem jij hem een broer?&#8221; zei Vasyl dan. &#8220;Wat voor broer is hij voor mij? Hij heeft alle bezit in zijn klauwen gekregen, en dan zou hij mijn broer zijn! Van die soldaat is allang geen spoor meer over&#8230; Waarom deel je de erfenis dan niet? Geef mij die desjatina land en de helft van het huis&#8230; Of nee, dat huis hoef ik niet, ik heb zelf een huis. Geef mij het land, dan mag jij het huis houden. Of betaal mij de waarde van mijn helft uit. Maar nee, alles wil hij voor zichzelf&#8230; Een hond is hij, geen broer!&#8221;<br \/>\nOnysjko dankte Vasyl niet. Ze grepen elkaar vaak bij de haren. Als de mensen hen niet uit elkaar hadden gehaald, zouden misschien beiden hun hoofd verliezen over het ouderlijk goed. Zo werden ze bittere vijanden. Allebei zaten zij de ander voortdurend dwars en haalde hem bij de mensen door het slijk. Maar de mensen waren al gewend aan die broederlijke vijandschap; als het echt escaleerde, maakten ze alleen een einde aan de ruzie.<br \/>\nZe bleven thuis ruzi\u00ebn, maar iemand raadde aan om naar de rechtbank te gaan. Vasyl ging naar secretaris Tsjyzjyk, nam drie zakken graan en tien roebels mee. Het werd een slepend geding. Onysjko ging ook naar Tsjyzjyk, nam ook drie zakken meel mee en minstens evenveel geld\u2026 En ze begonnen te procederen. Ze sleurden, sleurden, raakten hun geld kwijt, raakten uitgeput. Het kwam zover dat toen Vasyl arm werd, Onysjko bijna werd vernietigd, en alleen dankzij het feit dat ze ontdekten: Maksym leeft en is nu een meerdere over de kozakken geworden.<br \/>\nToen stopten de broers hun vijandschap en verzoenden zich. Vasyl was tevreden met zijn vee, en Onysjko leefde veilig in het huis van de soldaat en beheerde diens land.<\/p>\n<p>XII BIJ DE kozakKEN<br \/>\nDe rekruten werden uit hun geboortestreek naar Moskou gebracht. Ze werden met de hele groep voortgedreven. Wat een onaangename tocht was dat lange vervoer! Om de tijd een beetje te doden, vertelden ze elkaar verhalen, herinnerden ze zich allerlei avonturen uit het leven, of spraken ze over oude gevechten, in de hoop binnenkort op een open veld de vijandige troepen te ontmoeten\u2026 Maksym dacht aan de verhalen van zijn grootvader; hij deelde ze met de groep, maar zijn hart gloeide van opwinding\u2026<br \/>\n\u201cAh, de vijandige tegenstanders zullen me nog leren kennen!\u201d \u2014 dacht hij bij zichzelf, terwijl hij \u2019s nachts op de vloer lag bij zijn uitgeputte kameraden die sliepen als doden. In de donkere duisternis weefde hij in zijn gedachten een angstaanjagend beeld van de strijd\u2026 Geschreeuw, gevecht, rook bedekte het hele veld en brandde in de ogen; vuur van alle kanten; zwaarden klingelden; kanonnen bulderden; musketten vlamden op; speren klingelden; paarden Haljappeerden\u2026 De Tataren raasden als razend\u2026 \u201cAha! Vervloekte Tataren!\u201d \u2014 riep hij ze achterna en stoof met zijn snelle zwarte paard erachteraan\u2026 Zijn zwaard flikkerde, een Tatarenhoofd rolde; het paard trapte erop, het hoofd barstte als een rijpe watermeloen\u2026 Maksym hield bijna de adem in\u2026 \u201cO Heer! had het maar sneller gekund\u2026\u201d<br \/>\n\u2019s Ochtends, eenmaal opgestaan, werden ze weer verder gedreven. En opnieuw marcheerden ze, zingend, of kijkend naar onbekende steden die ze moesten doorkruisen. Ze hadden al veel van deze steden gepasseerd, en er lagen er nog veel meer voor hen!<br \/>\nZe marcheerden lange tijd door hun eigen land, tussen hun eigen mensen, en het begon hen al te vervelen.<br \/>\n\u2014 Is Moskou nog ver? \u2014 vroegen ze elkaar\u2026<br \/>\n\u2014 Nog een paar stappen, \u2014 antwoordden de anderen, zich bewust dat het nog lang niet dichtbij was.<br \/>\nNa hun eigen steppen te hebben verlaten, met kleine boerderijtjes die als bloemen in het oog sprongen, hun grote dorpen met kronkelige straatjes, witte huisjes, kersenboomgaarden en tuinen die op dorpen leken, kwamen ze in het bosgebied. Voor hen en achter hen stonden enorme bossen van dennen, sparren en populieren. Ze liepen dag na dag\u2026 bos na bos!<br \/>\n\u2014 Hier begint Moskou, \u2014 zei iemand.<br \/>\n\u2014 Dit?!. Maar wat een troosteloze plek\u2026 overal bossen en wouden, zover het oog reikt\u2026 alleen de lucht verschijnt door de toppen\u2026<br \/>\nMaksym werd verdrietig in het bos; hij miste zijn uitgestrekte steppen, zijn hoge hemel: hier, achter het bos, was het benauwd, en de lucht leek laag en somber. En inderdaad, het was laag en somber: het naderde de herfst, donkere, bijna zwarte wolken trokken over de hemel; regelmatig vielen er regenbuien.<br \/>\nZe liepen ongeveer vijftig tot zestig werst door het bos, geen huisje, geen mens te zien!<br \/>\n\u2014 Waar zijn hier de boerderijen, dorpen, steden? Zijn hier dan geen mensen?.. \u2014 discussieerden ze met elkaar.<br \/>\n\u2014 Hier is waarschijnlijk alleen de stad Moskou, en die ligt helemaal aan de rand van het land van Moskou, \u2014 antwoordde iemand.<br \/>\nIedereen werd somber en treurig: ze liepen stil, met gebogen hoofden.<br \/>\nNa nog eens tien werst of meer kwamen ze bij een bosrand\u2026 Uit het dak van een zwart gebouw rookte de schoorsteen\u2026 Hun ogen richtten zich erop.<br \/>\n\u2014 Wat is dat? Een smederij? \u2014 vroeg Maksym.<br \/>\n\u2014 Een dorp, \u2014 antwoordde de oudere kozak die hen leidde.<br \/>\n\u2014 Dus dit zijn smederijen in het rijk?<br \/>\n\u2014 Nee, dat zijn hutten.<br \/>\n\u2014 Wat voor hutten?<br \/>\n\u2014 Huizen, zoals jij ze noemt, Oekra\u00efense huizen!<br \/>\nMaksym barstte in lachen uit.<br \/>\nZe kwamen een dorp binnen, of beter gezegd, \u00e9\u00e9n lange straat die het hele dorp vormde. Wonderlijk! Slechts \u00e9\u00e9n straat, omheind met hekken aan beide zijden; en de huizen keken uit op de straat zonder ramen, zwart als schuren, rookend van de haard\u2026 Hier en daar liepen mensen rond, in leren jassen, lange mantels, met baarden\u2026<br \/>\nZe werden verdeeld over de huizen. Maksym spuugde bijna\u2026 Kakkerlakken, bedwantsen, duizendpoten bewogen overal op de muren, en ze zaten ook in het eten en de drank. In het huis was het vuil tot aan de knie\u00ebn, het stonk naar iets smerigs; onder de balken stonden banken waar extra potten werden opgeslagen, die dienden als bedden\u2026 Het huis werd niet verlicht met vet of olie, maar met dunne fakkels\u2026 Rook uit de oven walmde het huis in, omdat er geen schoorsteen was, en drukte op de keel, stak in de ogen\u2026 Maksym durfde niet op de \u201ckamer\u201d te gaan liggen; en hij durfde niet te gaan liggen in de modder op de vloer. Hij ging de hele nacht niet liggen: van binnen naar buiten, van buiten naar binnen; hij rookte zijn pijp (want de eigenaar vroeg hem niet binnen te roken)\u2026<br \/>\n\u2019s Ochtends werden ze weer verder gedreven.<br \/>\nHoe verder ze gingen, hoe slechter het leek te worden. Ze passeerden nog een tiental dorpen, en kwamen langs \u00e9\u00e9n stad\u2026 Er waren zes of zeven witte kerken, maar al het andere kleurde grijs-zwart\u2026 Achter de stad stond slechts een fabriek, omdat de rook niet zo aan de stenen plakte, of misschien was hij nog maar net opgetrokken\u2026 Onze rekruten werden moedeloos! Bovendien waren ze uitgeput en baden ze tot God dat ze eindelijk op hun bestemming zouden aankomen,  zelfs als het daar tien keer erger zou zijn dan wat ze zagen, als ze maar konden rusten. Ze liepen inmiddels al twee weken en twee dagen\u2026<br \/>\nNa nog eens ongeveer vijf dagen kregen ze te horen dat hun bestemming niet ver meer was. De bossen werden dunner en dunner; er kwam akkerland, niet helemaal akker, maar velden met stronken (blijkbaar was hier ook niet zo lang geleden bos geweest); en in de verte glinsterde iets hoogs, daar, daar\u2026 Toen ze dichterbij kwamen, zagen ze de torens van de kerken, sommige met gouden koepels, andere blauw, maar meestal gouden sterren op groene daken\u2026 Nog een stukje verder hoorde de wind het geluid van klokken, geschreeuw, geroep\u2026 Ieders hart ging sneller van blijdschap. Ze zouden eindelijk rust krijgen!<br \/>\nDe grote stad strekte zich uit over een kleine heuvel, met hoge kerken, lange en brede paleizen, stenen winkels\u2026 Onderaan de heuvel liep een brede, diepe rivier; veel boten, vlotten en stoomschepen voeren erop; langs de rivier en op de straten herrie, geroep, drukte zoals op een markt\u2026<br \/>\nDe rijkdom van de stad verbaasde de rekruten. Daar was een hele straat met stenen winkels, volgestouwd met koopwaar tot bijna bovenaan. Achter de toonbanken zaten baardige Russische kooplieden die de voorbijgangers riepen en hun waren aanprezen. En markten vol lekkernijen en drankjes\u2026<br \/>\n\u201cHad ik dit maar in Pisky kunnen brengen!\u201d \u2014 kon Maksym niet nalaten te denken\u2026 En dan die enorme huizen met zulke ramen dat je van top tot teen zichtbaar was, als in een spiegel\u2026 De straten breed, recht, geplaveid met steen.<br \/>\n\u201cZie je, verdomde Russen! \u2014 dacht Maksym, \u2014 wat hebben ze voor steden gebouwd, en hun dorpen lijken meer op afgesloten erven dan op echte nederzettingen! Alles wat het beste van de dorpen was, hebben ze hierheen gehaald\u2026\u201d<br \/>\nZe werden naar een lang, afbladderend, zwart gebouw gebracht. Ze werden in rijen opgesteld voor het gebouw. Daaruit kwamen de heren en dames, sommigen in uniform, sommigen niet\u2026 Ze liepen tussen de rijen door, keken rond\u2026<br \/>\n\u2014 Wat een kerel! \u2014 zei iemand tegen Maksym.<br \/>\n\u2014 Zo\u2019n geluksvogel ben ik, \u2014 antwoordde Maksym.<br \/>\nIedereen barstte in lachen uit. De heer keek boos naar Maksym en liep verder.<br \/>\n\u2014 Naar de kazernes! \u2014 riep iemand vooraan.<br \/>\nZe werden naar de kazernes geleid.<br \/>\nDe huizen waren groot en ruim, maar donker en zwart; de muren waren beschimmeld; vlekken liepen naar beneden. In het midden stonden lange tafels in drie rijen: dat waren de slaapplaatsen. Op de vloer lag overal vuil. Het rook als uit een vuilnisput.<br \/>\n\u2014 Hier woonden duidelijk duivels, geen mensen! \u2014 zei Maksym toen hij binnenkwam.<br \/>\nIedereen was triest en verdrietig, legde zich op de lange tafels om te slapen. Ze voelden zich lam van vermoeidheid, maar konden nauwelijks slapen\u2026 Alles leek hen alsof ze in een gevangenis waren, in gevangenschap\u2026 Wat zouden hun familieleden zeggen als ze wisten waar ze verbleven? Ze zouden hen waarschijnlijk voorgoed verafschuwen\u2026 Sommigen huilden bij het denken aan hun thuis\u2026 Maksym zelf huilde niet, maar lachte om alles, om de Russen, om zijn eigen kameraden, en om zichzelf. Sommige mensen uiten hun diepste verdriet door te lachen en te spotten. Over zulke mensen wordt gezegd dat ze nooit echt verdriet kennen; ze worden gelukkig genoemd. En Maksym was zo\u2019n gelukkig mens.<br \/>\n\u2019s Ochtends werden ze uit de kazernes naar de binnenplaats geleid; opgesteld in rijen: de hogere bij de hogere, de lagere bij de lagere. Ze werden opnieuw bekeken, herschikt, en er werd op toegezien dat iedereen wist wie naast wie stond. Toen ze klaar waren, kregen ze een korte pauze, want de volgende dag begon de training.<br \/>\nIn plaats van rust vroegen de rekruten de oudere Russen of ze de stad mochten bekijken. Ze kregen toestemming. Onze nieuwelingen dwaalden de hele dag door de stad; ze liepen zich moe en keken hun ogen uit. Toen ze terugkeerden, vielen ze meteen in slaap, alsof ze geslagen waren. De wonderen die ze in de stad zagen, deden hun heimwee van gisteren vergeten.<br \/>\nToen het ochtendlicht kwam, rommelde de trommel. Het rumoer begon. Iedereen sprong uit bed; snel wasten ze zich, trokken hun kleren aan en gingen naar de grote binnenplaats, achter de kazerne. Op het exercitieveld werden ze in kleine groepjes opgesteld, elk onder een meerdere, en begonnen ze te oefenen: hoe te lopen, hoe te staan, hoe de handen te houden, wanneer en wat te zeggen. De ongedisciplineerden werden geslagen, maar toch leerden ze: ze leerden, werden geslagen, en leerden weer. Dag na dag, dag na dag\u2026 \u201cWaarom dit alles? Wie heeft dit nodig, die exercitie? Waarom?\u201d \u2014 dachten ze terugkerend van de training. Het leek hen erger dan dwangarbeid.<br \/>\nVoor Maksym was dit alles een spel. Al snel leerde hij goed hoe hij de \u201csokken\u201d moest uitstrekken, marcheren, springen, en roepen zoals de Russen\u2026 Zoals een echte oude Rus! De oudere Russen waren verbaasd over zijn slimheid en prezen hem voor de jongeren, de onwetenden.<br \/>\nKort daarna kregen ze Maksym zijn uniform, uitrusting, rugzak, helm, pantser, jas, geweer. Zodra Maksym aangekleed was, leek hij een echte Rus. Zijn eigen moeder zou hem niet herkend hebben! Scherp, behendig, van alle kanten: een echte Rus!<br \/>\n\u2019s Ochtends vroeg gingen ze weer naar de training; ze moesten helemaal marcheren tot de zon hoog stond. Ze kregen havermoutpap met spek te eten, maar dat spek rook zo slecht dat je er bijna van moest overgeven. Na een korte rustpauze, opnieuw verzamelen: lunchen. Na de lunch, het zonlicht stond inmiddels al weer richting middag. De trom rommelde, opnieuw naar de training. Ze werden zo tot laat in de avond geoefend\u2026<br \/>\nMaanden gingen voorbij, een jaar\u2026 steeds hetzelfde!<br \/>\n\u201cVerdomme God! \u2014 denkt Maksym. \u2014 Ze zouden ons toch al ergens anders naartoe kunnen sturen\u2026 of er zou een vijand moeten opduiken! En anders: exercitie, en nog eens exercitie! Het zou tenminste steeds verschillend kunnen zijn, maar nee: vandaag zo, morgen zo, en overmorgen weer hetzelfde\u2026 Been uitstrekken, roepen: \u2018\u00e9\u00e9n!.. twee!..\u2019 Geweer op de schouder, van de schouder, richten honderd keer per dag\u2026 maar dat je \u00e9\u00e9n keer wordt gevraagd te schieten\u2026 Ik dacht: wat is er nou met die Russen? Maar nee, het is steeds dezelfde exercitie\u2026 bij de training, de inspectie, de parade voor de kerk\u2026 Het zit nu zo ingebakken als mijn eigen vijf vingers\u2026 Nee, exerceren maar! Ik ga er van verveling aan onderdoor\u2026\u201d<br \/>\nEn Maksym probeerde zijn verveling te verdrijven: hij begon wodka te drinken alsof het water was\u2026 De Russen prezen hem omdat hij \u201cnetjes\u201d dronk; soms namen ze hem ook mee naar de herberg, want Maksym had zelf geen cent op zak\u2026 Het geld dat zijn moeder had meegegeven, had hij allang opgedronken.<br \/>\nEens sloot Maksym een weddenschap dat hij een kwart liter wodka zou drinken zonder dronken te worden. Inzet: vijf roebel. Zijn kameraden staken hun handen uit elkaar om hem te stoppen.<br \/>\nZe gaven hem de kwart liter. Maksym nam drie slokken en klaar. Hij trok geen gezicht, geen frons; alleen zijn ogen fonkelden en hij werd wat vrolijker. De tegenstander haalde de vijf roebel tevoorschijn en gaf ze hem.<br \/>\n\u2014 Wat moet ik met dat geld? \u2014 riep Maksym. \u2014 Schenk maar alles, broer!<br \/>\nDie vijf roebel werden opgedronken, en ze waren zo dronken dat ze nauwelijks op handen en knie\u00ebn terug naar de kazerne konden kruipen. En \u2019s nachts was er toevallig een inspectie. Ze telden vijf man te weinig of zo. \u2019s Ochtends gingen ze naar de binnenplaats, en daar kruipen ze, allemaal op handen en knie\u00ebn. Ze werden opgepakt, opgesloten in een donkere ruimte. Ze waren verdrietig.<br \/>\n\u2014 Wees niet bedroefd, broeders! \u2014 troostte Maksym hen. \u2014 E\u00e9n probleem, \u00e9\u00e9n oplossing! Ik zal jullie bevrijden.<br \/>\n\u2014 Hoe ga je ons bevrijden?<br \/>\n\u2014 Zo: zeg dat ik jullie heb laten drinken.<br \/>\n\u2014 En dan?<br \/>\n\u2014 Dan is het niets meer. Dat is mijn zaak\u2026<br \/>\nPlots werden ze geroepen door de sergeant. De sergeant viel hen als een beest aan. De Russen stonden erbij en riepen steeds: \u201cSchuldig!\u201d, \u201cSchuldig!\u201d.<br \/>\nMaksym stond daar, luisterde, en stapte toen naar voren. Zijn sergeant hield van zijn vindingrijkheid.<br \/>\n\u2014 Ik, \u2014 zei hij, \u2014 ben de schuldige, mijn heren! Ik heb ze laten drinken. Kijk, al zolang hier, en ze hebben me nog niet bedankt voor de les. Ik koos een nacht, en dat was verkeerd. Sla me maar, mijn heren, zoveel als je wilt: ik ben de schuldige\u2026 Pak alleen mijn kameraden, mijn leerlingen niet!<br \/>\nDe sergeant vond het leuk. Hij werd meteen milder; schreeuwde nog wat, gaf wat bevelen, en liet hen gaan: \u201cDurf me de volgende keer niet\u2026 ik zal het controleren!\u201d<br \/>\nToen ze de sergeant verlieten, lachten ze; ze bedankten Maksym dat, als hij er niet was geweest, het nog veel erger had kunnen zijn\u2026<br \/>\nDaarna werd Maksym de ziel van de soldaten. Vlug en dapper als hij was, wist hij overal aanleiding voor te vinden; hij nam het voor zijn kameraden op wanneer zij ergens op feesten ruzie kregen. Spraakzaam als hij was, wist hij zich tegenover de meerderen altijd eruit te praten wanneer het gezelschap ergens in de problemen kwam&#8230; Omdat hij voor alles van staatswege voorzien was en geen groot gebrek aan kleding had, spaarde hij niets van wat van hemzelf was. Als hij ergens iets wist te bemachtigen, dan ging alles naar de groep, naar gezamenlijke drinkgelagen met zijn makkers&#8230;<br \/>\nZijn kameraden waren dol op hem. Wanneer hem iets overkwam, hielpen ze hem altijd samen. Als zijn pijp kwijtraakte, en hij had geen geld voor een nieuwe, droegen ze een bijdrage bij, en kochten het voor hem; als iets aan zijn kleding scheurde tijdens een gevecht, kregen ze een tweedehands stuk van een spaarzame Rus\u2026 Maksym genoot respect en eer!<br \/>\nMaksym raakte gewend aan dit leven. \u201cNee, \u2014 dacht hij, \u2014 Moskou is veel beter dan mijn thuisland! Wat daar? Steppe en nog eens steppe, ploegen en eggen, en de wind over de steppe; en de mensen, ieder voor zich\u2026 Maar hier, alles wat je hart begeert; en de kameraden, echte broers: met hen, als bij God achter de deur: ze helpen, redden\u2026 Met hen is het beter dan met mijn vader en moeder!\u201d<br \/>\nMaksym, zoals men zegt, leefde er goed bij! Alleen \u00e9\u00e9n ding kwelde hem, erger dan gebakken raap: het eten in de stinkende kazerne. Het brood, zwarter dan de aarde, met stengels erin, en als hij het zag in zijn hoed, moest hij bijna overgeven\u2026 De kool, alleen al de geur was afschuwelijk; de pap,  daar werd je van misselijk\u2026<br \/>\n\u2014 &#8220;Verder is alles prima met jullie,&#8221; pocht Maksym eens tegen zijn Russische kameraden, &#8220;alleen \u00e9\u00e9n ding is beroerd: er is niets te eten!&#8221;<br \/>\n\u2014 &#8220;Wacht maar,&#8221; antwoorden ze, &#8220;laten we de zondag afwachten. Dan gaan we om onderhoud vragen. Als we de feldwebel maar gunstig weten te stemmen, dan komt alles wel goed!&#8221;<br \/>\n\u2014 &#8220;Wat bedoelen jullie, om onderhoud vragen?&#8221; vraagt Maksym.<br \/>\n\u2014 &#8220;Nou, gewoon langs de huizen gaan bedelen. Misschien vinden we wel een goed mens&#8230; die ons iets geeft om de gaten in onze soldatenkleren te stoppen.&#8221;<br \/>\nMaksym voelde zich ongemakkelijk. Toch zei hij niets.<br \/>\nDe week werd afgewacht. Toen het licht werd, kwamen zijn kameraden aanrennen.<br \/>\n\u2014 &#8220;Broer! H\u00e9, broer!&#8221; wekken ze hem.<br \/>\n\u2014 &#8220;Hm?&#8221;<br \/>\n\u2014 &#8220;Sta op, we gaan naar de compagniescommandant.&#8221;<br \/>\n\u2014 &#8220;Waarvoor?&#8221;<br \/>\n\u2014 &#8220;Hoezo, waarvoor? Ben je dat soms vergeten?&#8221;<br \/>\nMaksym was opgestaan. Achter hem werden ook enkele anderen wakker en al snel raakten de kameraden met elkaar aan de praat.<br \/>\n\u2014 &#8220;Nou, wat zei de sergeant?&#8221; vroeg er een.<br \/>\n\u2014 &#8220;Een hond!&#8221;<br \/>\n\u2014 &#8220;Hoezo?&#8221;<br \/>\n\u2014 &#8220;Nou, gewoon&#8230; Hij heeft er vijfentwintig afgepakt! Een beest is het, broer, een echt beest! Hij zei: &#8216;Als jullie, broeders, me een kwart roebel geven, zal ik het de compagniescommandant vragen; maar geven jullie niets, waag het dan niet eens je mond open te doen!'&#8221;<br \/>\n\u2014 &#8220;Dat is een slimmerik, broer! Zo vang je geen mus met kaf. Hij kent het hele kunstje door en door,&#8221; legde een van de mannen op de britsen uit, terwijl hij aan zijn pijp zoog en tegen het plafond spuugde.<br \/>\n\u2014 &#8220;Maar begrijp je dan niet, Mytrytsj? Zo iemand rooft je toch gewetenloos uit! En dan nog wel zijn eigen kameraden, niet eens vreemden!&#8221;<br \/>\n\u2014 &#8220;Ach, kom&#8230; Denk je dat hij onderscheid maakt tussen eigen en vreemd? Hij wil gewoon geld hebben!&#8221;<br \/>\n\u2014 &#8220;Nou, is hij dan geen beest?.. Een beest, dat is hij.&#8221;<br \/>\nZo praatten de Moskovieten, terwijl Maksym zich waste en zich aankleedde. Daarna gingen ze met z\u2019n drie\u00ebn naar de sergeant, die hen meteen naar de pelotonscommandant bracht.<br \/>\n\u2014 Nou, Fedosejitsj? \u2014 vroeg de commandant. \u2014 Alles goed verlopen?<br \/>\n\u2014 Ja, uw Edelachtbare. Er is alleen \u00e9\u00e9n probleem\u2026<br \/>\n\u2014 Wat?<br \/>\n\u2014 Voor de jongens, uw Edelachtbare, slecht\u2026<br \/>\n\u2014 Hoezo?<br \/>\n\u2014 Er is niets te eten, uw Edelachtbare. Ze vragen om \u201conderhoud\u201d.<br \/>\n\u2014 Waarheen?.. waarom? \u2014 schreeuwde de commandant. \u2014 Ik zal ze onderhoud geven!<br \/>\n\u2014 &#8220;Er is niets te eten, edele heer,&#8221; zei de sergeant. &#8220;Ze zeggen dat ze van de honger zullen omkomen&#8230;&#8221;<br \/>\n\u2014 &#8220;Wat bazel jij, ouwe zak? Hoezo, niets te eten? Je hebt zeker zelf allang je deel eraf geschraapt?&#8221;<br \/>\n\u2014 &#8220;Absoluut niet, edele heer! Ze zeggen dat ze een kwart moeten afstaan voor de toestemming!&#8221;<br \/>\nDe compagniescommandant zweeg even en draaide aan zijn snor.<br \/>\n\u2014 &#8220;Wie gaan er?&#8221; vroeg hij na een korte stilte.<br \/>\n\u2014 &#8220;Nou, Ivanov, Jevpraksejev en die Oekra\u00efner, Maksym. Kom eens hier, jongens!&#8221; riep hij door de deur de gang in.<br \/>\nDe jongens gingen de kamer binnen en gingen in een rij staan, als mijlpalen langs de weg. De commandant wendde zich meteen tot Maksym (hij hield wel van \u201cde Oekra\u00efner\u201d):<br \/>\n\u2014 Hoe is het, broer Maksym, moeilijk te leven?<br \/>\n\u2014 Slecht, uw Edelachtbare: er is niets te eten!<br \/>\n\u2014 Willen jullie onderhoud?<br \/>\n\u2014 Precies, uw Edelachtbare, \u2014 stamelden ze allemaal in koor.<br \/>\n\u2014 Staat de sergeant toe? \u2014 vraagt de commandant, schuin kijkend naar de sergeant. \u2014 Toestaan is makkelijk\u2026 Maar wat als jullie betrapt worden?<br \/>\n\u2014 Dat zal niet gebeuren, uw Edelachtbare, \u2014 antwoordden ze weer in koor.<br \/>\nDe commandant dacht nog even na.<br \/>\n\u2014 Goed, ik sta het toe\u2026 Alleen kijk uit: als jullie betrapt worden, zal ik je slaan! Begrijpen jullie?<br \/>\n\u2014 We horen het, uw Edelachtbare!<br \/>\n\u2014 Goed, met God, jongens\u2026 mars!<br \/>\n\u2014 Dank u nederig, uw Edelachtbare! \u2014 riepen de Moskovieten als afscheid en gingen de deur uit.<br \/>\nAl snel begon het hele peloton te bewegen. De arbeiders vroegen hen waar ze heen gingen; de \u00e9\u00e9n raadde dit, de ander dat. Er was rumoer als bijen in een korf\u2026 De arbeiders waren blij: eindelijk een week echt eten, vlees, en geen verrotte kool en brood met stekels; ze konden even vrij zijn, en niet in de stinkende barakken.<br \/>\n\u2014 Het zou niet slecht zijn, jongens, \u2014 zei iemand, \u2014 om langs de iconenkooplieden te gaan!<br \/>\n\u2014 Wat? Ja, dat is goed! \u2014 antwoordden de arbeiders.<br \/>\nZe praatten, overlegden, verzamelden zich en gingen. Tegen de avond brachten ze ongeveer vijftig roebel mee! Het peloton was blij, de arbeiders ook\u2026 Ze besloten 25 roebel aan Fedosejitsj te geven, de rest brachten ze in opslag bij de oude onderofficier.<br \/>\nSnel gingen de arbeiders weer op pad, en het peloton, hopend op goed eten, begon te feesten. Wie nog een centje over had \u201cvoor een zwarte dag\u201d, die gebruikte het. Ze deden het samen; kochten wodka; dronken zich zat als ganzen; zongen, liepen te schelden en herinnerden zich avonturen, verdiensten, verliezen\u2026 Wodka maakte de tong los: iemand treurde luid over zijn vrouw en kinderen, iemand vertelde over een ontrouwe meid, iemand praalde met zijn geliefde\u2026 Iedereen op zijn eigen manier.<br \/>\nDe zon ging al onder toen de arbeiders het stadje verlieten en het open veld betraden. Ze liepen ongeveer vijf werst\u2026 Voor hen stond een dennenbos als een zwarte muur; achter hen ruiste de stad, onophoudelijk geroep en lawaai drong tot hen door. De arbeiders liepen zwijgend. De nacht viel over het land, heldere sterren fonkelden aan de donkere hemel; de vorst werd sterker; de weg kraakte onder hun voeten\u2026<br \/>\nNiet veel later hoorden ze het jammerlijke kraken van slee\u00ebn over de bevroren weg, zware hoeven van paarden en het smakken van een menselijke stem. Er kwamen slee\u00ebn volgeladen aan. Bovenop zat een reusachtige man met baard, gekleed als een koopman.<br \/>\n\u2014 Stop! \u2014 riep een van de Moskovieten \u2014 Ivanov, rende over de weg en greep het paard bij de teugels. Het paard stopte.<br \/>\nMaksym voelde een rilling over zijn rug\u2026 \u201cWat gaat dit worden?\u201d \u2014 dacht hij en stapte opzij om te kijken. De tweede Moskoviet, Jevpraksejev, naderde de koopman.<br \/>\n\u2014 Hallo, koopman! Wat, broer, voor goederen breng je?<br \/>\n\u2014 En jij wat? Waarom zou ik jou antwoorden? Ga weg! \u2014 En hij stond op uit de slee.<br \/>\n\u2014 Je hebt ogen, je kan het zelf zien! \u2014 antwoordde Jevpraksejev.<br \/>\n\u2014 Ik zie wel dat je een soldaat bent\u2026 Maar wat heb je nodig?<br \/>\n\u2014 Nou, koopman, je vervoert goederen, en jij hebt er meer dan genoeg van\u2026<br \/>\n\u2014 En?<br \/>\n\u2014 Nou, kijk eens: je hebt veel goederen, maar de soldaat niets\u2026 de soldaat, weet je zelf, is staatsbezit\u2026 Geef iets, uw genade, voor het soldatenleven!<br \/>\n\u2014 En waar kom jij vandaan?<br \/>\n\u2014 Ach, dat hoef jij niet te weten\u2026 We vragen gewoon\u2026 Als u geeft, zal de soldaat er dankbaar van drinken; als niet, geen probleem, ga dan maar weg!<br \/>\n\u2014 Weg? Kijk eens hoe scherp jij bent! Had je dat maar meteen gezegd\u2026 in plaats van, zie je, het paard stil te houden alsof je een dief was\u2026<br \/>\n\u2014 Maar ik stop jou niet, \u2014 antwoordde Ivanov vanaf de kop van het paard \u2014 jij luistert toch niet naar onze broer, dat is wat!<br \/>\n\u2014 Geef je het, vraag ik? \u2014 bleef Jevpraksejev aandringen.<br \/>\n\u2014 Daar! \u2014 antwoordde de koopman en stak zijn vuist op.<br \/>\n\u2014 Goed, met God! Laat hem gaan, broer, \u2014 zei Jevpraksejev tegen Ivanov.<br \/>\nDie liet het paard los. Maksym kwam erbij en samen trokken ze het bos in. De koopman keek hen nauwlettend na en dacht na. Toen riep hij:<br \/>\n\u2014 H\u00e9, jij? Hoor je?.. hoe heet je?..<br \/>\n\u2014 Wat? \u2014 vroeg Jevpraksejev, zich naar de koopman draaiend.<br \/>\n\u2014 Kom terug!<br \/>\n\u2014 Waarom? Ga maar verder!<br \/>\n\u2014 Ik zeg: kom terug!<br \/>\nDe Moskovieten keerden allemaal terug.<br \/>\n\u2014 Hier, jongens, een tientje\u2026 herinner je de dienaar Gods Paramont, \u2014 zei de koopman en gaf een tienroebelbiljet.<br \/>\n\u2014 Dank u, koopman. We zullen het niet vergeten. Paramont, zegt u?<br \/>\n\u2014 Paramont, jongens! Paramont!<br \/>\n\u2014 Goed, vaarwel. Een goede reis!<br \/>\n\u2014 Vaarwel, jongens. Hoe ver gaan jullie?<br \/>\n\u2014 Naar de dorpen.<br \/>\n\u2014 Voor verlof?<br \/>\n\u2014 Voor verlof.<br \/>\n\u2014 God help jullie!<br \/>\n\u2014 Dank u. Vaarwel, heer!<br \/>\nZe gingen uit elkaar. De koopman keerde terug naar de stad; de Moskovieten gingen verder over de weg. Maksym was verbaasd. \u201cAls je dit bij ons thuis zou doen! \u2014 dacht hij. \u2014 Je zou er waarschijnlijk de duivel mee verhitten\u2026\u201d<br \/>\n\u2014 Maar de koopman is goed, jongens, \u2014 zei hij tegen zijn kameraden.<br \/>\n\u2014 Wat, broer!.. Koopman, broer \u2014 een eigen man. Hij weet zelf wat een soldaat nodig heeft, \u2014 hij helpt altijd\u2026 Zie, een echte heer, broer! O, wat een slimme rakker! Als je hem om iets vraagt, kun je je adem vergeten\u2026 nou, zo dus!<br \/>\nZo pratend liepen de arbeiders door het bos. Het was al bijna middernacht toen ze het dorp bereikten en meteen naar de herberg gingen. Daar was nog licht. Ze hoorden dat dronken mannen, met dunne stemmen, het liedje \u201cLutsjinoesjka\u201d zongen.<br \/>\nDe arbeiders gingen de herberg binnen, lieten hun tassen van hun schouders vallen en gingen in een rij op de bank zitten.<br \/>\n\u2014 Geef eens, eigenaar, drie kasjes aan de dienende broer\u2026 Om zijn botten op te warmen, \u2014 zei Ivanov tegen de herbergier.<br \/>\n\u2014 Waarom zou ik geven?<br \/>\n\u2014 Hoezo?<br \/>\n\u2014 Wel, heb je geld?<br \/>\n\u2014 Waarvoor dat geld? Heb je het niet uit de mensen getrokken? Waarschijnlijk was er niets in de kroeg\u2026<br \/>\n\u2014 Nou, en? Er waren goede mensen die iets gaven!<br \/>\n\u2014 Ja, zij hebben hun centje bijgedragen voor de soldaten, \u2014 voegde Jevpraksejev toe.<br \/>\n\u2014 Natuurlijk! Hier, hou je portemonnee!<br \/>\n\u2014 Ja, inderdaad!<br \/>\n\u2014 Ja, inderdaad\u2026 Alleen nu drinkt het volk te weinig wodka.<br \/>\n\u2014 Beter niet liegen!<br \/>\n\u2014 Hoezo? Zal ik je liegen?<br \/>\n\u2014 Nou, kom maar op! Vul het maar!<br \/>\n\u2014 Wat zeg je?.. Geef het geld, daar heb je het\u2026 ik heb, zie je, geen eigen wodka, hij is ingekocht.<br \/>\n\u2014 En wat heb ik daar mee te maken dat het gekocht is?.. Jij trekt het uit de mensen\u2026 En de soldaat waar haalt hij het vandaan? Je weet dat de soldaat staatsbezit is!..<br \/>\n\u2014 Filippytsj! Ah, Filippytsj! \u2014 riep een van de dronken Moskovi\u00ebrs naar de herbergier \u2014 geef het ze! Echt waar, geef! Ik hou van de soldaat\u2026 De soldaat, broer, is staatsbezit\u2026 Straks, morgen, gaan we allemaal\u2026 Ze zeggen dat de Turkse schurk de tsaar niet gehoorzaamt\u2026 Geef ze!<br \/>\n\u2014 En jij, ga jij mij betalen?<br \/>\n\u2014 Ja, ik zal betalen\u2026 Geef!<br \/>\n\u2014 Hoe dan? Jij kunt het niet eens van jezelf krijgen, en nu ook voor anderen!..<br \/>\n\u2014 Wat? Vertrouw je een goede man niet op zijn woord, bok? \u2014 riep Jevpraksejev en greep naar de baard.<br \/>\n\u2014 Raak mijn baard niet aan! \u2014 antwoordde de herbergier en duwde zijn hand weg. \u2014 Anders zou ik je nobele gezicht bezoedelen?!<br \/>\n\u2014 En jij, wat ben jij dan?<br \/>\n\u2014 Zie je niet? Jij bent een wereldvreter! Zie je niet wie ik ben?<br \/>\n\u2014 Ja, duidelijk, een soldaat. En?<br \/>\n\u2014 Hoezo? Weet je wat een soldaat is? Een soldaat zet zijn borst onder de kogels van de vijand voor jou, dwaas\u2026 hij laat zijn bloed stromen\u2026 Dat is een soldaat!<br \/>\nDeze woorden raakten het hele dronken gezelschap.<br \/>\n\u2014 Terjocha? Ah, Terjocha! En hij zegt de waarheid\u2026 Oh! Wat een waarheid\u2026 Een soldaat, broer, is een ramp! Een soldaat\u2026 dat is staatsbezit, een dienaar van de tsaar\u2026 Dat is niet zoals wij! Hij, broer, zet zijn borst onder vijandelijke kogels, laat zijn bloed stromen voor ons!<br \/>\nTerjocha leek inmiddels volledig verdoofd, want met halfdronken ogen keek hij wazig naar zijn kameraad, wiegend met zijn hoofd van links naar rechts, en hij kon geen woord uitbrengen.<br \/>\nDe andere Moskovi\u00ebrs lieten hun stem ook horen voor de soldaten: ze begonnen de herbergier uit te schelden en te beschimpen; bang dat ze anders geen druppel wodka meer zouden krijgen. De herbergier stond achter de toog alsof het hem niets aanging, hij bloosde alleen en ging rustig door met het aaien van zijn brede, dikke baard.<br \/>\n\u2014 Wat, jongens, moeten we naar hem kijken? \u2014 riep Jevpraksejev naar de dronkaards. \u2014 Pak het hele vat! \u2014 En hij sprong achter de afscheiding naar het vat.<br \/>\n\u2014 Raak het aan en ik dood je! \u2014 gromde de herbergier, tanden op elkaar geklemd, en greep een grote balk in zijn handen, zwaaiend\u2026 De dronkaards sprongen op en rukten de balk uit zijn handen.<br \/>\n\u2014 Wil je mijn leven nog bedreigen, bok? \u2014 riep Jevpraksejev en verstrikte zijn vuist in de baard van de herbergier\u2026<br \/>\nDe herbergier schreeuwde.<br \/>\n\u2014 Val aan, jongens! Val aan! Ik zal hem leren wat soldatenbijlen zijn, zodat hij weet hoe hij met jullie om moet gaan, rotzak! Aanvallen!<br \/>\nDe Moskovi\u00ebrs stoven samen op hem af. Maar de herbergier, duidelijk sterk, liet zich niet zomaar doen, en iedereen sprong opzij als peren. De herbergier sprong op een Moskovi\u00ebr, wierp hem neer en ging erop zitten als een havik op een kuiken.<br \/>\nMaksym voelde medelijden toen hij zag dat zijn kameraad geslagen werd. Met \u00e9\u00e9n vuistslag wierp hij de herbergier op de grond en pakte diens hoofd tussen zijn benen. Ondertussen sprong een tweede Moskovi\u00ebr op en begon met de bijl te slaan. De herbergier schreeuwde niet, verzette zich niet, maar kreunde alleen. Ze sloegen hem goed en lieten hem toen gaan. De herbergier huilde en vloekte\u2026<br \/>\n\u2014 Geef je nu een druppel? \u2014 vroeg de Moskovi\u00ebr opnieuw.<br \/>\n\u2014 Neem maar\u2026 laat het je stikken! \u2014 zei de herbergier door zijn tranen heen en ging naar de andere kamer.<br \/>\nDe dronkaards lachten. De Moskovi\u00ebrs dronken hun druppel en aten er brood bij.<br \/>\n\u2014 Nu is het tijd om aan het werk te gaan\u2026 Vaarwel, eerlijke kameraden! Vaarwel, oom! Word verstandig! \u2014 zeiden de Moskovi\u00ebrs tegen de herbergier, bogen voor de eerlijke kameraden en verlieten de herberg.<br \/>\nSommigen van de dronkaards volgden hen. E\u00e9n Moskovi\u00ebr namen ze mee, en ze trokken \u2019s nachts naar zijn huis, vragend wie in het dorp sterk was en hoe mensen behandeld werden.<br \/>\nDe volgende ochtend hoorde men dat de een of de ander bestolen was. De herbergier krabbelde en vertelde zijn eigen avontuur. Ze riepen de dorpsoudste en renden achter de Moskovi\u00ebrs aan\u2026 maar het spoor was verdwenen! In het volgende dorp verkochten ze alles wat ze daar hadden vergaard.<br \/>\nDe arbeiders zwierven de hele week rond. Daarna keerden ze terug naar de stad met een behoorlijk bedrag aan geld. Ze droegen netjes af wat ze aan de compagniescommandant moesten afstaan en verbrasten de rest.<br \/>\nDergelijke tochten wekten aanvankelijk enige angst en verdriet op in Maksym door de oneerlijkheid, het stelen en roven, in plaats van een eerlijk loon; maar bij zo\u2019n gezelschap, bij het drinken en het opscheppen van ieders kracht en kunde, veegde dat donkere gevoel langzaam weg. Maksym vergat het snel. Voor zijn rusteloze aard was het toch werk: voor de \u00e9\u00e9n winst, voor de ander verlies\u2026 Niet zoals de saaie dagelijkse exercitie, die volgens Maksym niemand verwarmde of opwekte. En hij stortte zich volledig op dit werk. Geen enkele gebeurtenis ging voorbij zonder zijn aanwezigheid. Hier toonde hij zijn kracht en verstand. Soms moest hij zich er echt in zetten, en zonder hem zou het niet zijn gegaan!<br \/>\nZijn gelijken hielden van hem als een kameraad die niemand zijn broer liet kwetsen; de ouderen hielden van hem als van een goede, werkzame koe; en het opperbevel hield van hem als van een capabele, energieke Moskovi\u00ebr die je zonder schroom op een dienst kan sturen en voor hogere officieren kan laten zien. Spoedig werd Maksym onderofficier.<\/p>\n<p>XIII MAKSYM \u2014 DE MEERDERE<br \/>\nWat toegestaan is voor een kind, mag een moeder niet. Wat een gewone Moskovi\u00ebr mag, mag een hogere, God beware, niet. Maksym mocht nu niet meer zomaar gaan wandelen zoals vroeger, want de hogere officieren zagen vaker toe; noch kon hij om \u201cprovisie\u201d vragen, want de meerderen lieten dat niet toe\u2026<br \/>\nDe meerderen hielden zich ver van de gewone Moskovi\u00ebrs, zodat deze niet arrogant werden; ze berispten hen voor elke overtreding, sloegen hen, negeerden hen. Daarom haatten de gewone Moskovi\u00ebrs hen altijd. De meerderen leefden ook niet in vrede met elkaar: iedereen wilde zich voordoen als de beste voor het opperbevel. Daardoor verraadden ze allemaal elkaar; iedereen zette de ander op een fout; er was geen broederschap, geen kameraadschap, iedereen dacht alleen aan zichzelf, zorgde alleen voor zichzelf, zodat het hem goed ging!<br \/>\nDie rangorde be\u00efnvloedde Maksym. Aanvankelijk werd hij arrogant, keek neer op de lagere rangen, vooral op zijn landgenoten; hij begon hen te drijven, soms zelfs een pak slaag te geven, zodat de verslagen \u201cchochol\u201d zijn hoofd recht hield; soms sloeg hij met de bijl op een hand of een been als iets niet goed werd gedaan bij het hanteren van het geweer of het uitstrekken van de sokken\u2026 De leerlingen verdroegen het. Al vervloekten ze Maksym in hun hart, toch luisterden ze, ze vreesden zijn geest\u2026 Dat was de dienst!<br \/>\nNiet de lof van de meerderen, en niet de gehoorzaamheid van de lagere rangen, konden Maksym tevredenstellen. Die rangorde werd hem steeds bitterder\u2026 Hij had niemand om mee te praten, niemand om broederlijk mee te spreken; nergens om zijn kracht te tonen\u2026 En die smeekte om vrijheid\u2026 maar er was nergens vrijheid!<br \/>\nOp een keer stuitte Maksym op een leerboek. Hij viel erop aan alsof het zijn vijand was; hij omhelsde het als zijn moeder, en begon te leren. Het was saai en moeilijk om de letters en klanken te memoriseren. Maar wat kon hij doen? \u2014 hij leerde. Toen hij het hele alfabet had doorlopen, werd hij blij: het werk werd interessanter. Hij zag hoe de letters woorden vormden en was diep verbaasd. Hij begon al te lezen.<br \/>\nEn toen kwam het probleem! Hij kon nergens een boek vinden dat hem werkelijk aansprak. Hij las de psalmen, het getijdenboek, het leven van een of andere heilige\u2026 De ene keer begreep hij het pas bij de tiende of vijfde keer, de andere keer waren zulke boeken hem niet genoeg. Zijn jonge ziel, zijn vurige hart, opgevoed met levendige verhalen van zijn grootvader over gevechten, veldslagen en twisten, verlangden naar dezelfde vurige, levende woorden over soortgelijke strijd en onenigheid, en niet naar monnikachtige nederigheid. Maksym begreep het niet en luisterde liever soms naar de praatjes van een grijsharige Moskovi\u00ebr over veldtochten met de \u201cillustere prins Soevorov\u201d of over oude Moskouse expedities!<br \/>\nOok het alfabet begon hem te vervelen, als een nutteloos ding. Hij wilde buiten spelen, vechten, hakken en slaan\u2026 Maar het was overal stil, nergens een teken van leven.<br \/>\nWat moest hij doen? Hij moest, wil of niet, zich neerleggen bij zijn lot, bij dat saaie leven. Maksym accepteerde het, begon alleen aan zichzelf te denken en voor zichzelf te zorgen. Als leerling met kennis manipuleerde hij zijn gelijken, hij was de eerste bij het opperbevel. Maar tegenover de gewone Moskovi\u00ebrs gedroeg hij zich slecht: hij kwetste hen niet alleen zoals anderen, maar begon, net als de meerderen, hun arme, schamele vergoedingen af te knippen en te stelen\u2026 En om zijn geest af en toe wat vrijheid te geven, nam hij een maitresse en trok af en toe met haar op\u2026<br \/>\nHet was 1848. De Fransen kwamen in beweging en zetten hun koning van de troon. Daarna kwamen de Duitsers en Italianen in opstand\u2026 De vrije geest greep de Tsjechen, de Oostenrijkers en de Polen\u2026 Onderdanen kwamen overal tegen hun koningen en keizer in opstand. Overal laaide het vuur van de vrije geest\u2026 Eerst alleen zichtbaar in de verte, plotseling brandde er vuur bij de buurman aan de grens\u2026 God beware, het vuur zou ook aan onze kant overslaan! Wat nu? \u201cTe wapen! Te wapen!\u201d riepen onze jongens en sloegen alarm\u2026 \u201cTe wapen, de keizer verdedigen tegen zijn opstandige onderdanen.\u201d<br \/>\nDit was voor ons niet nieuw. We hadden eerder al de Turk verdedigd tegen zijn opstandige dienaar, de witte Orap\u2026 Nu trokken onze soldaten, regiment na regiment, de Oostenrijker te hulp tegen de Hongaar, om het vuur dat op verschillende plaatsen in Sloveni\u00eb opkwam te blussen\u2026<br \/>\nMaksym ging ook en leidde zijn groep. Hier moest hij voor het eerst het slagveld met eigen ogen zien\u2026 Op een keer, midden in een bloedige strijd, waar geschreeuw, rumoer, rook, rivieren van bloed waren, waar wat omhoog ging zich mengde met wat in de aarde verdween, bijna verloor Maksym zijn hoofd\u2026 Ze werden aangevallen met z\u2019n drie\u00ebn door tien aanvallers; ze hakten en sneden\u2026 Ze gaven geen millimeter toe\u2026 Opeens doken er van achteren zomaar drie van onze eigen mannen op&#8230; Ze hakten op de Hongaren in; slechts \u00e9\u00e9n wist te ontkomen, de andere negen hakten ze tot moes.<br \/>\nMaksym dankte de onbekende Moskovi\u00ebr-kameraden die hem van een zekere dood hadden gered en ging weer verder met vechten\u2026<br \/>\nEen tweede keer redde hij drie Moskovi\u00ebrs en de vlag. De dag was verzengend heet, en daarbovenop werd de hitte versterkt door de kanonnen van beide kanten. Onze mannen stonden op een heuvel, de Hongaren tegenover op een andere. Ze vuurden met kanonnen, maar niemand gaf op! Toen werd gezegd tegen de cavalerie: \u201cNeem de batterij!\u201d De ulanen van onze kant stormden de vallei in om de batterij te nemen. Tegenover hen stormden de Hongaarse ulanen\u2026 Toen het gevecht begon, Heer! Kanonnen vuren, vuren\u2026 de aarde beefde\u2026 De cavalerie hield het niet uit, noch de Hongaren, noch de onze, van het kartetschot; ze pakten hun geweren, en gingen terug\u2026 Wat te doen? \u201cInfanterie \u2014 met bajonet!\u201d De infanterie rende vooruit\u2026 Het kartetschot eiste zijn tol onderweg, en de infanterie haalde het\u2026 Onze mannen namen de batterij en wilden terugkeren\u2026 Toen \u2014 kijk! \u2014 misschien twee groepen raakten verstrikt, ze vechten\u2026 En in het midden van de groep, zichtbaar, de vlag: hij daalt, dan weer stijgt hij. Maksym stond aan de zijkant. Toen hij het zag, zonder op het bevel te wachten, riep hij: \u201cGroep, volg mij!\u201d De groep volgde Maksym. Ze kwamen dichtbij, en onze mannen vochten met de Hongaren om de vlag. Toen sprong Maksym op de vijanden\u2026 Het was alsof een leeuw op een jager sprong! Ze zagen, dit was te veel, en vluchtten.<br \/>\nMaksym riep: \u201cVuur!\u201d De Moskovi\u00ebrs schoten: boem! boem! boem! E\u00e9n raakte, twee vallen neer\u2026 Maksym richtte, boem! \u2014 een Hongaarse officier werd geraakt en viel stil, geen kik, geen beweging\u2026 Geen vijand ontsnapte. Toen naar onze mannen. Midden in een plas vers bloed lagen vijf mannen; en ze hadden slechts drie en de vlag verdedigd. Maksym keek naar de levenden, gehakt, vol wonden; toen naar de doden\u2026 en beefde. Midden in de hoop lag diezelfde zwarte Moskovi\u00ebr, die Maksym van de dood had gered, hij lag te schokken, nog levend\u2026<br \/>\n\u201cO, help! \u2014 riep de overlevende \u2014 O, red me! Motrja!.. Chivrja!.. O, red me\u2026 Vergeef me!\u2026\u201d En uitgeput gaf hij zijn laatste adem\u2026<br \/>\n\u2014 Wie is dat? \u2014 vroeg Maksym aan de gewonden; \u00e9\u00e9n had geen oor, de ander geen vingers, en bij de derde liep bloed van zijn schouder.<br \/>\n\u2014 Vaandeldrager\u2026 de Oekra\u00efner Chroesjtsjov, \u2014 antwoordde de man zonder vingers.<br \/>\n\u2014 Laat hem maar gaan! Gooi los, Zacharytsj!.. We dragen de vlag, \u2014 zei de man zonder oor.<br \/>\n\u2014 We dragen hem\u2026<br \/>\nEn ze gingen allemaal op pad.<br \/>\nMaksym leidde zijn groep weer terug. Toen ze omkeken, waren Fedosejitsj en de sergeant nergens te zien. Waar was hij? Daar, waarschijnlijk, met de anderen\u2026 Ze meldden het aan de commandant, die op zijn beurt het aan de kolonel doorstuurde. Zo\u2019n heet moment kon een compagnie niet zonder sergeant blijven! Wie anders? Wie had het meest gevochten, wie had zich in het vuur van de strijd gestort?.. En wie anders dan Maksym? Hij had ook de vlag verdedigd. Maksym werd sergeant! Hij werd sergeant. Kort daarna kreeg hij voor de vlag de medaille van Sint-George.<br \/>\nEn toen kwam er weer oorlog, een uitbraak! Ze hadden het vrijheidsvuur bij de buurman gedoofd, nu was het veiliger voor henzelf. Genoeg! Tijd om terug te keren naar huis!<br \/>\nZe keerden terug.<br \/>\nHet officierenbestaan drukte Maksym nog zwaarder. Nu moest hij elk moment klaarstaan, verwachten dat hij elk ogenblik naar de commandant of zelfs naar de kolonel geroepen zou worden. Hij moest voorzichtig zijn, zodat het drinken van wodka niet opviel.<br \/>\nMaksym stopte volledig met drinken; hij verbrak de relatie met zijn meisje; hij begon nog meer voor zichzelf te zorgen. Dat was goed. Nu kon hij gemakkelijker diep in de vergoedingen van de Moskovi\u00ebrs graven: niet \u00e9\u00e9n, maar de hele compagnie stond aan zijn kant! Van iedereen een beetje, een hemd voor de naakte. Maksym prentte zich in het hoofd dat dit het slimste principe ter wereld was, en hij begon ernaar te leven. Niets ontsnapte aan zijn handen zonder dat hij er een deel voor zichzelf van pakte; niets ging door zijn handen zonder dat hij een manier vond om er iets voor zichzelf uit te halen.<br \/>\nHij verzamelde geld en kleding\u2026 Waarom? Hij wist zelf niet waar hij het moest laten, waar hij het kwijt kon. Had hij een gezin gehad, dan was het iets anders! Maar zo, alleen, als een vinger. \u201cEen gezin? \u2014 dacht Maksym \u2014 dat zou nu goed zijn: dan zou ik weten voor wie ik werk, en er zou iemand zijn om na te laten\u2026 En ik zou mijn hart kunnen koesteren\u2026\u201d<br \/>\nVaak, peinzend over zijn arbeidersbestaan, dacht Maksym zo. Alleen \u00e9\u00e9n probleem: hij kon geen partner vinden. Russische meisjes bevielen hem niet. Blond, soms best aardig, maar altijd leken ze Maksym niet energiek of beweeglijk: ze lagen daar als een blok hout, niet om te omhelzen, niet om te kussen! Nu verlangde hij terug naar zijn Maroesja&#8217;s, Horpyna&#8217;s, Priska&#8217;s en Melasjka&#8217;s \u2013 en soms ook naar die gitzwarte, vurige meisjes die hij in zijn jonge jaren zo meedogenloos het hoofd op hol had gebracht&#8230;<br \/>\n\u201cVervloekte streek! \u2014 dacht hij. \u2014 Snel terug naar huis, zodat ik tenminste een partner kan vinden, anders word ik hier grijs!\u201d<br \/>\nTot zijn opluchting liet die partner zich niet lang wachten.<br \/>\nAan de rand van dezelfde stad, waar ze in de kazernes woonden, stond op een groot kruispunt, waar altijd mest en afval werd gedumpt, een klein huisje, zogezegd op een kippenpoot. De muren waren rot, hingen los, het stof viel uit de kale stammen; in de lente stroomde er allerlei vuil, slijmerig en schuimend; de ramen waren stuk, dichtgestopt met doeken; het dak ontbrak helemaal; de woning was half verrot. Ru\u00efne, geen huis! Omheen, braakland, mesthoop. God weet hoeveel slecht volk dat huis had herbergd, dat zich daar verstopte en gemakkelijk verdiende spullen bewaarde.<br \/>\nNu woonde in dat huis een Rus met zijn ongehuwde partner. De Rus en zijn partner wisten alleen maar te ruzi\u00ebn en te vechten, te drinken en te feesten, allerlei zwervers te verbergen en diefstal te faciliteren.<br \/>\nOf het goed of slecht was, in dat huis groeide een klein meisje, Javdosjka, geboren een jaar nadat scheve Melanie zich had verbonden met de kromme Terjocha. Ze groeide op zonder toezicht, zonder zorg of moeite van vader en moeder, alsof ze hun kind niet was. Of ze at of hongerig en koud was, het maakte hen niets uit! Terwijl Javdosjka klein was, huilde ze luid door het huis als ze honger had; toen ze groter werd, liep ze door de erven en vroeg voor Christus\u2019 wil\u2026 Wat mensen in haar uitgestoken hand gaven voor haar zieleheil, bracht ze allemaal naar haar hol. Het geld werd meteen uitgegeven, het oude kledingstuk werd gedragen tot het versleten was en uit elkaar viel.<br \/>\nHaar rondzwerven over de erven, het vragen voor Christus\u2019 wil leerde het meisje niet werken, maar rennen, niet respecteren wat van een ander was, soms eerlijk verdiende goederen. En bovendien, een voorbeeld voor haar ogen! Het meisje zag elke nacht mensen die goederen naar vader en moeder brachten en die stiekem in bewaring gaven. Ze leerde dit zelf\u2026 en begon alles op te rapen wat onbeheerd lag\u2026<br \/>\nOp een keer, terwijl ze van huis tot huis ging en vroeg voor Christus\u2019 wil, zag Javdosjka op een erf twee grote doeken aan een touw hangen. Zonder lang na te denken trok ze ze weg, verborg ze onder haar rok en bracht ze naar huis. Vader en moeder vroegen niet waar ze het vandaan had gehaald, maar streelden haar over het hoofd, noemden haar \u201cslim meisje\u201d en gaven haar een beetje wodka. Javdosjka was tevreden. Daarna werd het warm en gezellig\u2026 Vanaf dat moment miste het meisje nooit een kans: door dit kreeg ze genegenheid van vader en moeder en wodka\u2026<br \/>\nJaar na jaar, terwijl Javdosjka opgroeide en wijzer werd, werd ze steeds brutaler; ze raakte gewend aan wodka alsof het water was. Vader en moeder durfden nu hun dochter niet meer te negeren zoals eerst: ze brachten haar bij van alles tot gehoorzaamheid, en vooral met wodka. Ze zagen in hun dochter een goede hulp en waren blij dat ze zo iemand hadden gevonden.<br \/>\nToen ze vijftien jaar werd, viel hen nog iets op. Ze merkten haar fijne, smalle wenkbrauwen op, haar glanzende, al grijze ogen, haar vlasblond haar en haar rooskleurige gezicht\u2026 Haar schoonheid, haar meisjesbekoorlijkheid, zette zich in hun geheugen vast. Ze overlegden, ze wilden dit niet laten liggen, zonder er voordeel uit te halen\u2026<br \/>\nZe maakten haar schoon, kamden haar haar, kleedden haar in nieuwe kleren als een juffertje, en op een donkere nacht bracht de moeder haar naar de stad, naar een groot huis\u2026<br \/>\nHet meisje rende erop uit als een hond uit zijn hok: elke dag, elke nacht op stap! Daar kwam een officier, die haar uit het koude, vochtige huis haalde en in zijn warme, lichte huis onderbracht. Javdosjka leefde daar een half jaar in warmte en comfort, baadde in luxe; maar haar onverzadigbare aard was er niet tevreden mee: ze stal zilver en goud van de officier\u2026 De officier joeg haar weg, en liet haar arm achter, als een eekhoorn. Toch bleef ze niet lang treuren: spoedig vond ze een tweede. Nadat ze ook die had bestolen, ging ze op eigen houtje. Vanaf dat moment woonde ze bij niemand, maar nam ze alleen de man die het meeste bood.<br \/>\nWetende wat haar schoonheid waard was, verhandelde ze die als een koopman, miste geen kans om zoveel mogelijk te pakken te krijgen, en soms zelfs nog een extraatje. De reputatie van die dievegge Javdosjka weerhield adel en officieren ervan bij haar langs te gaan. Het geld dat ze verdiende, werd besteed aan luxe kleding, dure maaltijden en dranken\u2026 Maar o, het noodlot! Haar schoonheid begon te vervagen\u2026 Ze moest zich voorbereiden, bescherming zoeken, een toevluchtsoord voor zichzelf\u2026 Ze was haar ouders allang vergeten: ze wist niet eens of ze nog leefden\u2026 Leven voor zichzelf leerde haar wat ze door hen had verloren.<br \/>\nOp dat moment ontmoette Maksym haar. Met zijn vrolijke en zorgeloze aard, en zijn, hoewel al een beetje gerimpeld, nog steeds mooie uiterlijk, viel Javdosjka hem op en raakte hem in zijn hart. Maksym begon haar aandacht te trekken. Javdosjka merkte dit en, toen ze hoorde dat Maksym niet de minste was onder de Russen, begon ze nog meer op hem aan te dringen. Ze prikte hem met woorden, liet hem door stilte voelen, trok hem eens naar zich toe en stootte hem de volgende keer weer af, terwijl ze met anderen uitging.<br \/>\nMaksym werd dol van haar, maar raakte steeds meer verliefd. Soms raakte ze hem met verhalen over haar ellende en tekortkomingen. Maksym schonk haar de volgende nacht cadeaus, gaf, spaarde.<br \/>\nOok zij begon na te denken over Maksym. Zijn kastanjebruine ogen raakten haar hart; zijn zwarte snor leek haar goed; zijn gestalte was krachtig en dapper; en Maksym had ook geld\u2026<br \/>\nZe kwamen samen. Ze leefden een jaar, twee jaar samen; ze raakten gewend aan elkaar, als man en vrouw. Ze hadden geen kinderen. Geen verdriet of zorgen\u2026 Ze deden alleen stiekem aan drank en feestjes, zodat Maksyms officieren het niet zouden ontdekken.<br \/>\nToen verplaatste het regiment hen van de ene stad naar de andere. Een maand later stuurt Maksym haar een diepe buiging, kust haar op haar &#8220;suikerzoete lippen&#8221; en haar &#8220;sneeuwwitte borst&#8221;, stuurt haar geld en vraagt haar om naar hem toe te komen: als zij wil, dan zullen ze ook trouwen. Dan zal alleen &#8220;moeder vochtige aarde&#8221; hen nog van elkaar scheiden.<br \/>\nJavdocha pakte haar spullen en ging. Ze trouwden snel.<br \/>\nJavdocha was nu een echte Moskouse vrouw geworden. Niets kon haar bang maken: noch veldtochten, noch verplaatsingen; altijd actief, vrolijk, goed in feestjes.<br \/>\nOm niet voor niets te leven en de tijd niet nutteloos te verspillen, begon ze van alles te verhandelen. Ze kocht spullen voor ongeveer tien roebel en verkocht ze weer aan de Russen. Soms nam een jonge Rus iets dat niet van hem was mee naar tante Javdocha. Javdocha nam het aan en hield het als een geschenk\u2026 Natuurlijk kreeg ze soms van Maksym terecht een tikje voor die geschenken: niet \u00e9\u00e9n of twee keer liep ze met blauwe ogen rond. Maar dat deerde haar niets! De Russen wisten dat maar al te goed, en toch probeerden ze haar te vleien, terwijl Javdocha lachte en grapjes met hen uithaalde\u2026<br \/>\nZo leefden ze ongeveer tien jaar. Maksym werd ouder; Javdocha ook, haar schoonheid vervaagde, ze verwelkte, ze verbleekte\u2026 Jongere Russen trokken niet meer zo aan haar\u2026 Of ze er blij mee was of niet, ze moest tot bezinning komen. Bovendien hadden tien jaren van losbandig leven alle centen opgesoupeerd die Maksym v\u00f3\u00f3r zijn huwelijk had opgespaard. Ze moest aan de toekomst denken&#8230;<br \/>\nJavdocha kwam tot inkeer, en een jaar later wiegde ze haar kleine meisje, Halja.<br \/>\nHalja veranderde alles meteen. De feestjes verdwenen; de grappen ook: zorgen en spijt om het verspilde goed kwamen op de voorgrond. Kleine Halja bond Maksym en Javdocha voor altijd samen, verenigde hun gedachten, zette hen aan tot \u00e9\u00e9n doel. Maksym wilde zijn dochter rijk en in luxe opvoeden; Javdocha wilde hetzelfde\u2026 Ze dachten aan hetzelfde, aan voedsel en vermogen\u2026 Hoe dan ook, ze moesten rijkdom vergaren!<br \/>\nMaksym en Javdocha begonnen opnieuw, op hun manier, aan het werk uit hun jonge jaren. Maksym voor \u201conderhoud\u201d; Javdocha voor diefstal. Maksym, door aan de sergeant te melden dat de Russen \u201com verlof vroegen\u201d, nam hetzelfde van hen als de overleden Fedosejitsj. En wanneer de Russen terugkeerden van het \u201conderhoud\u201d, brachten ze het gestolen goed naar Javdosjka, die het op haar beurt aan de man bracht\u2026 Naar tante Javdocha, als verstopper en tussenpersoon, ging de helft van alles\u2026<br \/>\nZo werden ze door \u201cde zuivere winst\u201d gegrepen. Maar kijk! Voor Maksym was er geen zuivere winst. In datzelfde jaar begon de laatste oorlog met de Turken. Maksym werd naar Silistria gestuurd, en later naar de Krim. Javdocha ging ook mee met het regiment, met de kleine Halja, zonder haar handel op te geven. Daar verdiende ze goed, want niet alleen gewone Russen kochten allerlei dingen bij haar, ook niet-rijke officieren. Het zou helemaal goed zijn geweest, als Maksym zich niet steeds in gevaar had gebracht\u2026 Maar haar angst werd geen werkelijkheid. Maksym wist nu de waarde van het leven, hij stortte zich niet meer zoals in zijn jeugd in het vuur. Alleen dat een Fransman hem met de bajonet in zijn hand stak. Maksym was opgelucht en belandde in het lazaret\u2026 Daar fluisterde hij wat met de dokter. &#8220;Hij is, naar men zegt, niet geschikt voor de dienst: geef hem zijn ontslag!&#8221;<br \/>\nMaksym bleef nog een maand liggen; toen kreeg hij zijn ontslag, hingen ze hem nog een nieuwe medaille om en lieten hem naar alle vier de windstreken vertrekken. Maksym nam zijn vrouw en dochtertje mee en trok naar zijn geboortestreek om zijn familie en vaderland weer op te zoeken.<br \/>\nToen hij na dertig jaar naar huis terugkeerde, dacht hij dat hij Pisky zou aantreffen zoals hij het had achtergelaten. Daarom overlegde hij, eenmaal thuis aangekomen, met zijn vrouw om de ouderlijke grond te verkopen, zich ergens op een rijkere, drukkere plaats te vestigen en met het geld dat Javdocha had verworven een handeltje te beginnen.<br \/>\nToen hij aankwam, was hij verbaasd. Dit was Pisky niet meer, zoveel was zeker! Nergens was er ook maar \u00e9\u00e9n uitgegraven hut te zien, overal stonden lemen huisjes; het dorp was groot, breed en lang, en de hele omgeving was levendig en bevolkt, al was ze niet rijk&#8230;<br \/>\n&#8220;Dat betekent dus: hier valt voor iemand met geld meer te verdienen!&#8221; dacht Maksym.<br \/>\n\u2014 Nou, vrouw, \u2014 zei hij tegen Javdocha, \u2014 hier zullen we waarschijnlijk onze botten neerleggen\u2026 Kijk, wat een mooi land!<br \/>\nJavdocha zag het zelf ook. Maksym vestigde zich in het ouderlijk huis.<br \/>\nJavdocha deed de handel thuis. Maksym reisde naar de markten met zijn paard. Ze leefden rustig en vredig, verzorgden hun dochter Halja en waren in de handel op hun gemak. Na een jaar werd het ouderlijk huis afgebroken en een nieuw huis gebouwd, ruim en licht, met een salon en een kamer voor reizigers.<br \/>\nDe dorpelingen van Pisky stonden verbaasd over hoe de Russische militaire dienst met mensen omging, hoe ze hen maakte! Maksym ging de Russische dienst in als een straatvechter, een zwerver, en keerde terug als een gerespecteerd man, met rijkdom, met verdiensten\u2026 De gewone mensen keken met jaloezie naar Maksym Ivanovytsj, respecteerden en eerden hem, hoewel Maksym Ivanovytsj zijn hoofd hoog boven de \u201conbewerkte boeren\u201d hield. De priester, de dorpsambtenaren kwamen naar hem toe om een kopje thee te drinken en een borreltje van die \u201clevende wodka\u201d te nemen; zelfs de plaatselijke stanovoi Lartsjenko, als hij niet via Pisky ging, stopte altijd bij Maksym op de hof.<br \/>\nZo leefde hij drie of vier jaar in Pisky. En toen, verkocht hij het erf en het huis, trok weg en vestigde zich op het landgoed van zijn vader.<br \/>\nDe priester en de dorpsambtenaren waren bedroefd:<br \/>\n\u2014 Laat ons niet in de steek, Maksym Ivanovytsj, zorg dat Pisky niet verweest!<br \/>\n\u2014 Daar zal het beter en vrijer zijn\u2026 Hier in het dorp zijn veel jaloerse mensen! Niemand loopt voorbij het erf zonder jaloers te worden\u2026 \u2014 antwoordde hij.<br \/>\nOp het landgoed bouwde hij datzelfde jaar in de eerste zomer een huis dat leek op een herenhuis, niet op een boeren- of Russische hut. In de tweede zomer schafte hij drie paarden aan; bouwde stallen, houten schuren; omsloot zich met een hoge, dichte omheining met een torentje, en poorten zoals in de herbergen. Hij deed alsof hij een herberg wilde openen\u2026<br \/>\nDe dorpelingen stonden met open mond te kijken. Sommigen dachten dat Maksym blijkbaar geld had verdiend in de dienst; anderen zeiden dat hij misschien in Turkije rijk was geworden; weer anderen dachten dat hij rijkdom had verworven door zijn vrouw.<br \/>\nNiemand wist hoe Maksym op het landgoed leefde. Toen hij Pisky verliet, was het alsof hij dood was: niemand kwam naar hem toe, en hij ging naar niemand toe. Als de dorpelingen hem niet op de markten hadden gezien, zou waarschijnlijk niemand hebben geweten of hij nog leefde\u2026 Maar van de markten brachten mensen nieuws over Maksym: hij had dit en dat gebouwd, en was van plan nog meer te bouwen! Zo vertelde men wat ze gehoord hadden, maar niemand had het met eigen ogen gezien\u2026 Alleen wist men dat alles bij hem op slot zat, afgesloten en vergrendeld.<br \/>\n\u2014 De Rus heeft zichzelf een echt paleis gebouwd! \u2014 lachten de dorpelingen soms.<\/p>\n<p>DEEL DRIE<\/p>\n<p>XIV GEEN GROND!<br \/>\nHet leven, zeggen ze, is niet zomaar te overbruggen \u2014 het is geen veld om over te steken. Het leven is als het weer. Net zoals op een heldere zomerdag, wanneer de zon brandt en schijnt, kijk: overal duiken zwarte wolken op, opstijgend en aangeblazen door de wind, ze verzwaren de hemel\u2026 de zon verdwijnt \u2014 het wordt somber\u2026 het dreunt en raast\u2026 bliksem flitst, donder rolt\u2026 knal! boem!\u2026 Zo is het ook hier. Het was rustig en vredig, lief en aangenaam\u2026 maar plots! \u2014 het weer keert zich tegen je\u2026<br \/>\nIn de herfst, net toen Tsjipka het graan van het veld naar huis had gebracht en zich klaarmaakte om te dorsen, denkend bij zichzelf hoe hij nu Halja zou zien, kwam het ongeluk naar hem toe\u2026 Hij stond op de dorsvloer met de dorsvlegel, toen de dorpscommandant van het gemeentehuis arriveerde. \u201cWat wil hij?\u201d dacht Tsjipka en keek de commandant vervelend aan.<br \/>\n\u2014 Ga maar naar het kantoor van het gemeentehuis! \u2014 zei de commandant van een afstand.<br \/>\nTsjipka keek nogmaals naar de commandant, dacht even na, en vroeg toen:<br \/>\n\u2014 Waarom?<br \/>\n\u2014 Weet ik niet, \u2014 antwoordde de commandant. \u2014 Ze roepen\u2026 iemand is uit de Don gekomen\u2026<br \/>\n\u2014 Wie is die man? Waarom heeft hij mij nodig?<br \/>\n\u2014 Zal ik niet zeggen, \u2014 weigerde de commandant. \u2014 Hij kwam, sprak met de schrijver, en daarom ben ik gestuurd\u2026<br \/>\n\u2014 Goed\u2026 ik kom, \u2014 zei Tsjipka.<br \/>\nDe commandant draaide zich om en liep langzaam de straat af.<br \/>\nTsjipka rende naar het kantoor van het gemeentehuis; hij ging niet eens naar huis, zei niets tegen zijn moeder.<br \/>\nKort daarna keerde hij naar huis terug \u2014 recht het huis binnen. Op dat moment was Motrja bij de oven bezig.<br \/>\n\u2014 Zo, moeder! \u2014 zei hij.<br \/>\n\u2014 Wat is er, zoon? \u2014 vroeg Motrja, zonder zich om te draaien, zonder medelijden of verdriet op haar gezicht te tonen.<br \/>\n\u2014 Er is een indringer gekomen\u2026 Ze zeggen: de erfgenaam van de Loetsenko\u2019s\u2026 Hij wil onze grond opeisen.<br \/>\nMotrja draaide zich onmiddellijk om, keek naar Tsjipka en verstijfde\u2026 Hoewel ze keek, zag ze niets, begreep ze niets.<br \/>\n\u2014 Hij zegt: als je het niet geeft, zal hij procederen\u2026<br \/>\nMotrja werd bleek en zei nauwelijks:<br \/>\n\u2014 Welke erfgenaam\u2026 van waar??<br \/>\n\u2014 Ik zei toch: van de Don! \u2014 antwoordde Tsjipka.<br \/>\n\u2014 Van de Don?! \u2014 vroeg Motrja angstig en ging op de bank zitten\u2026<br \/>\nEen klein woordje \u201cDon\u201d sloeg in haar hoofd als een hamer\u2026 Haar geheugen werd onmiddellijk wakker en herinnerde haar aan het ongeluk dat ooit uit de Don kwam, dat haar hele leven op zijn kop zette en haar in haar oude dag in nood bracht\u2026 \u201cIs er soms weer een nieuwe gekomen uit die vervloekte Don?\u201d \u2014 dacht Motrja, terwijl ze naar haar zoon keek, hoewel ze niets zag, haar ogen zwart werden, vertroebeld\u2026<br \/>\nTsjipka keek naar zijn bedroefde, angstige moeder \u2014 en zuchtte\u2026 Hij zag dat zijn bericht insloeg als een bliksem op het oude hoofd van zijn moeder.<br \/>\n\u2014 Wees niet bezorgd, moeder!\u2026 Wees niet bang! \u2014 begon hij zijn moeder gerust te stellen. \u2014 Laat ze procederen\u2026 De gemeenschap heeft ons het land toegewezen\u2026 Het maakt niet uit! Niemand zal het nu nog uit mijn handen rukken\u2026<br \/>\n\u2014 Maar het gedoe\u2026 het gesleur\u2026 \u2014 mompelde Motrja, nadenkend.<br \/>\n\u2014 Wat maakt het uit\u2026 Maar het land geef ik niet! Ik houd het met mijn tanden vast \u2014 ik laat het niet los!<br \/>\n\u2014 Sta op, zoon, voor je eigen bezit\u2026 Ons enige echte rijkdom is het land\u2026 Hoeveel ik heb gereisd, hoeveel moeite ik heb gedaan, totdat ze het toen gaven! \u2014 herinnerde Motrja zich, hoe ze destijds het land had verworven.<br \/>\n\u2014 Ik zeg: wees niet bezorgd! \u2014 antwoordde Tsjipka en ging het huis uit naar de dorsvloer om te dorsen.<br \/>\nMotrja zat nog een tijdje op de bank; ze liet het ene idee na het andere door haar hoofd gaan\u2026 misschien zou ze nog langer hebben nagedacht als het kokende water in de oven niet door het pijpje naar de ketel was gestroomd\u2026 Toen stond Motrja op, haalde het water eruit en begon weer bij de oven te werken, zoals ze daarvoor bezig was.<br \/>\nDie dag spraken ze bij de lunch over het land; ze spraken er bij het avondeten over; en lang spraken ze er \u2019s avonds over in bed, totdat ze beiden in slaap vielen\u2026 Het leven gaat bij hen langs een vertrapt pad: zoals vandaag, zo morgen; zoals morgen, zo overmorgen\u2026 Motrja bij de oven en in het huis of bij de koeien\u2026 Tsjipka op de dorsvloer, bezig met het graan: dorsen, wieden, bundelen\u2026<br \/>\nZo\u2019n twee weken nadat Tsjipka naar het kantoor van het gemeentehuis was geroepen, kwam de dorpscommandant opnieuw en zei dat hij weer naar het kantoor moest gaan \u2014 maar ditmaal niet alleen, maar met Motrja. Tsjipka weigerde: hij zei tegen zijn moeder dat ze thuis moest blijven, en zelf haastte hij zich.<br \/>\nNog voordat hij de drempel van het kantoor had bereikt, nog voordat hij \u201cgoedendag\u201d had kunnen zeggen, kwam de klerk naar hem toe met een document:<br \/>\n\u2014 Hier is een document van de rechtbank over jullie land!.. Beveel om het af te nemen en te geven aan de erfgenaam van de Loetsenko\u2019s\u2026<br \/>\nTsjipka was van streek. Hij keek van de klerk naar het document: liegt het papier, of de klerk?<br \/>\n\u2014 Hoe kan dat? \u2014 vroeg hij aan de klerk. \u2014 De gemeenschap heeft ons het land toch toegewezen\u2026<br \/>\n\u2014 Het heeft toegewezen \u2014 zei de klerk \u2014 maar zie je, jongeman, er zijn ook hogere autoriteiten dan de gemeenschap. De gemeenschap heeft het toegewezen, maar de rechtbank heeft het ontnomen!<br \/>\n\u2014 Dus zo geven we het land af?!<br \/>\n\u2014 Zeker!<br \/>\n\u2014 Nee, dat zal niet gebeuren!<br \/>\nTsjipka zei verder niets, boog zich niet eens voor de dorpsoudste, maar keerde terug \u2014 met gebogen hoofd \u2014 naar huis\u2026<br \/>\n\u2014 Wat nu, moeder? \u2014 vroeg hij, nauwelijks de deur openend.<br \/>\n\u2014 Wat, zoon?<br \/>\n\u2014 Het land is kwijt!<br \/>\n\u2014 Hoe kwijt?<br \/>\n\u2014 Ze zeggen: de rechtbank heeft het afgepakt\u2026<br \/>\nHet was alsof iemand een scherp mes in het hart van de oude Motrja stak. Terwijl ze op de bank zat, spinnewiel in de hand, zat ze vastgenageld: het spoelwerk stak in \u00e9\u00e9n hand, het draadje in de andere\u2026<br \/>\n\u2014 Liever zou ik, zoon, in het graf liggen, dan zo\u2019n bericht te horen! \u2014 fluisterde Motrja door haar tranen\u2026<br \/>\nMaar Tsjipka hoorde het niet, luisterde niet naar haar woorden. Hij voelde zijn land onder zich niet\u2026 Hij liep door het huis, mat het op: langs en dwars, sloeg met zijn handen op de planken, alsof hij zichzelf een vonnis gaf:<br \/>\n\u2014 Nee, dit zal niet gebeuren!.. Ze liegen\u2026 ik ken jullie\u2026 ik ken die gemene bureaucraten!.. Een bedrieger heeft de klerk be\u00efnvloed\u2026 en het land is er! Nee!.. Hiermee krijg je mij niet\u2026 Ik weet wat van mij is\u2026 ik zal mijn eigen zaak navragen\u2026 Hier \u2014 zo (veegde over zijn keel met de hand) \u2014 maar het land geef ik niet!..<br \/>\nHij vergeleek zichzelf met zijn moeder, zette zijn handen in de zij, keek naar haar\u2026<br \/>\n\u2014 Haal het geld dat er is! \u2014 riep hij opgewonden.<br \/>\n\u2014 Welk geld? \u2014 vroeg Motrja verbaasd.<br \/>\n\u2014 Alles wat er is, haal het\u2026 ik ga naar de stad om te procederen.<br \/>\n\u2014 Waar is ons geld? Behalve die vijf roebel die we voor het schaap hebben gekregen\u2026 Die liggen in de kist, in een rol\u2026 Haal ze, als het nodig is.<br \/>\n\u2014 Ga maar brengen, ik weet niet waar het ligt.<br \/>\nMotrja stond kreunend op, kantelde de kist en groef er lang in tot ze het geld vond.<br \/>\n\u2014 Hier, \u2014 zei ze tegen Tsjipka, terwijl ze het geld met haar rechterhand gaf en met de linker de kist sloot.<br \/>\nTsjipka nam het geld, dacht even na, draaide het blauwe briefje in zijn handen, stak het in het tabakszakje en in zijn zak, zuchtte \u2014 en pakte zijn hoed.<br \/>\n\u2014 Vaarwel, moeder! Vandaag kom ik niet terug, misschien pas morgenavond.<br \/>\n\u2014 Gelukkig, zoon. Je had toch tenminste wat brood voor onderweg mee moeten nemen.<br \/>\nTsjipka hoorde het niet: hij sloot al de deur achter zich.<br \/>\nMotrja bleef alleen achter \u2014 helemaal alleen, met haar ongeruste gedachten\u2026 Ze ging op de bank zitten; voordat ze het besefte, pakte ze het spinnewiel, trok een lok door de spoel, trok draad\u2026 In haar hoofd dwaalden allerlei gedachten, alles werd teruggebracht naar het verleden\u2026 In haar herinnering kwamen de oude tijden terug: hoe ze op andermans veld werkte, uit de schoven verdiende \u2014 vijf schoven voor de mensen, de zesde voor zichzelf\u2026 Hoe ze op een hele lange zomerdag, van zonsopgang tot avond, haar rug niet strekte en slechts twintig schoven verdiende! En dat moest ze ook nog ophalen en dorsen!! En nu \u2014 overal leek het ongeluk haar te omsingelen: het huis was rot, het dak lekte, de herfstregens hadden de muren aangetast \u2014 de hut toonde haar kale ribben\u2026 En de winter was al niet ver\u2026 En kou\u2026 en honger\u2026 Motrja\u2019s gezicht verbleekte\u2026 ze rukte de draad los\u2026 Tranen rolden uit haar ogen \u2014 als erwten, vielen op de vloer\u2026<br \/>\nTsjipka was net het erf uit en haastte zich op zijn voeten. Het ongeluk dreef hem naar de stad: hij wilde er zo snel mogelijk zijn. De weg naar Hetmanske liep langs zijn land, langs het Russische erf. Maar Tsjipka keek nu niet naar het zwart-gelige stekelige graanveld, noch naar het witte dak dat alleen boven de hoge omheining van het Russische erf uitkwam. Hij liep, verdiept in \u00e9\u00e9n gedachte \u2014 over het land\u2026<br \/>\n\u2014 En wat ben ik zonder land? \u2014 draaide door zijn gekromde hoofd\u2026 \u2014 Een menselijke dienaar\u2026 een knecht\u2026 Zonder land \u2014 geen vrijheid\u2026 Het land voedt je\u2026 het land maakt je tot heer\u2026 En zonder land \u2014 alles is verloren\u2026 ook mijn hoop is verdwenen\u2026<br \/>\n\u2014 Jullie zouden zelf moeten vergaan, vervloekten! \u2014 onbewust ontsnapten de woorden uit zijn mond.<br \/>\n\u2014 Voor wie wens je zoiets goed? \u2014 riep Halja liefjes vanaf het hek.<br \/>\nZe had hem al een tijd in de gaten gehouden \u2014 alleen hij had haar niet opgemerkt.<br \/>\nDe onverwachte ontmoeting verbrande Tsjipka. Hij hief zijn hoofd op, keek waar hij was, keek naar Halja \u2014 en kon geen woord uitbrengen\u2026 Halja stond daar \u2014 en keek naar hem, alsof ze glimlachte \u2014 alsof ze blij was dat ze Tsjipka zo plotseling had verrast, dat hij verward raakte\u2026<br \/>\n\u2014 Kijk, je schrok ook! En je bent nog een kerel!! \u2014 klikte ze met haar tong.<br \/>\nTsjipka keek boos naar haar en blies de vrolijke glimlach van haar gezicht.<br \/>\n\u2014 Slechte mensen, Halja\u2026 \u2014 fluisterde Tsjipka zacht bij de eerste opmerking, en draaide zich toen om naar het hek.<br \/>\nHalja draaide zich om, sprong het erf in, sloot het hek en \u2014 alleen het geluid van haar voetstappen was te horen terwijl ze door het erf liep.<br \/>\n\u2014 En ze is weg!.. \u2014 zei Tsjipka bitter \u2014 ze wachtte niet\u2026 sprak niet\u2026<br \/>\nHij keek naar de poort, naar het hek \u2014 alsof hij ze met zijn blik vernietigde; hij schudde verdrietig zijn hoofd, draaide zich om en liep verder\u2026<br \/>\nDe zon stond al laag aan de avondhemel toen Tsjipka bij Hetmanske aankwam. De kudde kwam van het veld naar huis: de koeien haastten zich hun kalveren te zien en maakten zich van tevoren bekend met hun lange geloei. De kudde haalde de schapen in \u2014 en raakte door elkaar\u2026 De schapen blaatten en mekkerden, sprongen alle kanten op en stoven een enorme wolk stof op\u2026 Het stond als een grijze zuil, tegenover de zon leek het rood-rookig. Het bedekte het erf \u2014 alleen was het gouden koepeltje van de kerk zichtbaar achter de dichte overkapping\u2026<br \/>\nTsjipka lette nergens op. Hij liep naar beneden, hoofd gebogen, voet na voet traag vooruitzend. Hij lette niet op de lichten van Hetmanske. Zijn voeten waren moe, zijn hoofd vol gedachten, hij voelde zich een beetje uitgeput. Hij dacht eraan uit te rusten: waar zou hij voor de nacht terechtkunnen? \u2014 En daar was het erf\u2026<br \/>\nIn het rijk van de toezichthouders zag Tsjipka een kleine, gedrongen man, met een rond, opgezwollen gezicht en rossige, dikke snorren. Over zijn schouders hing losjes een grijze Moskouse soldatenmantel, bezaaid met glanzende knopen en met groene biezen op de kraag. Of hij nu een echte Moskousoldaat was of niet \u2013 hij rook naar overheidsdienst. Hij stond midden op het erf, zonder poort, en hield zijn hand boven de ogen tegen de zon terwijl hij naar Tsjipka keek.<br \/>\nDie sloeg het erf in. De man zag hem en liep ook weg van het ongesmeerde huis. Hij sloeg de mantel over zijn elleboog, ging bij een van de poortpalen staan, leunde er met zijn schouder tegenaan en draaide zich naar Tsjipka om.<br \/>\n\u2014 Wat heb je te zeggen? Is het soms om zaken?<br \/>\n\u201cGod zelf stuurt hem,\u201d dacht Tsjipka terwijl hij zijn muts afnam.<br \/>\n\u2014 Zegt u eens alstublieft, weet u misschien waar hier de secretaris Tsjyzjyk woont?<br \/>\nBij de man begonnen beide snorren te trillen; zijn pokdalige gezicht leek nog vlekkeriger te worden.<br \/>\n\u2014 Wat moet jij van de secretaris? \u2014 vroeg de man, zich nauwelijks inhoudend. \u2014 De secretaris ontvangt zulke als jij niet\u2026 En als je iets nodig hebt, dan schrijf \u00edk het wel voor je\u2026 Wat is je zaak? \u2014 drong hij bij Tsjipka aan.<br \/>\n\u2014 Wel, ziet u, de zaak is deze\u2026<br \/>\nEn Tsjipka begon zijn wedervaren uiteen te zetten.<br \/>\n\u2014 Zo\u2026 ja\u2026 er moeten inlichtingen ingewonnen worden\u2026 kopie\u00ebn genomen\u2026 \u2014 zei de man somber, als een grote kenner in deze zaken. \u2014 Er moet een verzoekschrift komen\u2026 ja\u2026 juist\u2026 Zo zullen we het opschrijven\u2026 En heb je geld? \u2014 vroeg hij en keek Tsjipka recht in de ogen.<br \/>\n\u2014 En hoeveel is daarvoor nodig? \u2014 vroeg Tsjipka behoedzaam.<br \/>\n\u2014 Zo\u2019n vijf roebel om te beginnen\u2026 En dan zien we wel wat eruit komt: of het de moeite is de zaak voort te zetten, of dat je er beter op kunt spugen\u2026<br \/>\nTsjipka stond na te denken: liegt hij niet? Kijk eens wat een sjofele kleren hij draagt! Misschien wil hij hem geld afhandig maken\u2026 Vijf roebel alleen om te weten te komen\u2026 al het geld alleen om te weten of de zaak gevoerd kan worden of niet?.. Wat een afzetterij!..<br \/>\n\u2014 Goed, laten we dan naar binnen gaan\u2026<br \/>\n\u2014 Nee\u2026 \u2014 aarzelde Tsjipka \u2014 vaarwel!<br \/>\n\u2014 Luister!.. Wacht!.. Hoor je?.. Wacht!<br \/>\nTsjipka bleef staan.<br \/>\n\u2014 Weet je wat? Voor drie roebel schrijf ik het voor je\u2026<br \/>\n\u2014 Dat wil ik niet, dank u, \u2014 en hij liep verder.<br \/>\n\u2014 Wacht! Wacht! \u2014 hield de man hem tegen. \u2014 Hoe heet je?<br \/>\n\u2014 Varenytsjenko.<br \/>\n\u2014 Ben je een kozak of wat?<br \/>\n\u2014 Mijn vader was een Moskousoldaat.<br \/>\n\u2014 Aha\u2026 Zie je wel, dan hoeft het niet eens op officieel papier, \u2014 ik schrijf het op gewoon papier\u2026 Wil je? Voor \u00e9\u00e9n roebel schrijf ik het! Niemand schrijft het voor \u00e9\u00e9n roebel, maar ik wel\u2026<br \/>\n\u2014 Ach, laat maar! \u2014 weigerde Tsjipka, al spijt hebbend dat hij zich met zo\u2019n lastpost had ingelaten.<br \/>\n\u2014 Denk je dat ik je wil bedriegen?.. Nee, Vasyl Poroch heeft nog nooit iemand bedrogen\u2026 Heb je van Poroch gehoord? Dankzij Poroch heeft jouw secretaris al menigmaal wat te verduren gehad!<br \/>\nTsjipka had inderdaad van Poroch gehoord: de mensen uit Pischane pochten dat Poroch menig verzoekschrift had geschreven voor wie het nodig had. Tsjipka bleef staan en bekeek Poroch nog eens goed.<br \/>\n\u2014 Welnu, voor jouw ongeloof \u2014 hield Poroch vol, de handen in de zij \u2014 zodat je Poroch de volgende keer kent, schrijf ik het gratis voor je!<br \/>\n\u201cZal ik gaan of niet?\u201d dacht Tsjipka.<br \/>\n\u2014 Luister, laten we gaan!<br \/>\nTsjipka keerde om en ging achter Poroch het erf op.<br \/>\n\u2014 Ik schrijf dit alleen voor jou gratis, \u2014 zei Poroch terwijl hij voorop liep \u2014 voor het eerst in mijn leven schrijf ik voor niets! Maar koop me dan tenminste een borrel.<br \/>\n\u2014 Goed, \u2014 antwoordde Tsjipka.<br \/>\n\u2014 Kijk, zie je die fles boven het huis hangen? \u2014 wees Poroch over de weg \u2014 dat is de herberg\u2026 Ga een borrel halen!<br \/>\nTsjipka liep naar de herberg; Poroch ging het huis binnen. Kort daarop kwam Tsjipka terug met een fles wodka in zijn handen. Poroch ontmoette hem op de drempel en leidde hem naar binnen.<br \/>\nHet huis trof Tsjipka meteen door zijn smerigheid. De muren bladderden af, zwart en beschimmeld; de vloer was ooit geplankt geweest \u2014 nu herinnerden alleen onder de muren half weggerotte planken daaraan; midden in de kamer waren kuilen vol afval; de ramen, donker en zwartgroenig, lieten slechts een somber licht binnen. Vies, onherbergzaam! In de hoek, bij de ereplaats, stond een klein tafeltje van twee planken, een vingerbreedte van elkaar\u2026<br \/>\n\u2014 Goedendag in dit huis! \u2014 groette Tsjipka.<br \/>\n\u2014 Dag, dag! \u2014 ratelde Poroch vrolijk. \u2014 Ga zitten! \u2014 en hij wees met zijn vinger naar een driepootkrukje dat bij de tafel stond, terwijl hij zelf naar de kachel snelde.<br \/>\nIn de kamer stond een deftige kachel. Poroch opende het deurtje, haalde er een glaasje uit en een stuk oudbakken brood dat met as was bevuild.<br \/>\n\u2014 Zo moet je je voor die vervloekte sprinkhanen met heilig brood verstoppen! \u2014 ratelde Poroch. \u2014 Wat vreten ze toch! Als je het niet verstopt\u2026 Het is wat uitgedroogd, maar dat geeft niet\u2026 een beetje vies geworden\u2026 \u2014 En hij begon het brood af te blazen en schoon te vegen.<br \/>\n\u2014 En waar is de wodka? \u2014 draaide hij zich naar Tsjipka om.<br \/>\nTsjipka stond op om ze te pakken: hij had de fles in de hoek bij de deur gezet.<br \/>\n\u2014 Blijf zitten, blijf zitten! \u2014 tjilpte Poroch toen hij de wodka zag. \u2014 Ik doe het zelf!<br \/>\nHij nam de fles, schonk een glaasje in en goot het in \u00e9\u00e9n keer in zijn mond. Hij klotste het rond, keek er vreemd bij, slikte, smakte met zijn lippen; schonk opnieuw in en goot het weer naar binnen, klotste, slikte\u2026<br \/>\n\u2014 Wie heeft dit gegeven? \u2014 vroeg hij na het tweede glas.<br \/>\n\u2014 De Jodin.<br \/>\n\u2014 Dat dacht ik al, die duivelsziel, ze heeft slechte gegeven!.. Die vervloekte Rivka! Avram is nog gewetensvoller, maar Rivka\u2026 Proef maar eens!<br \/>\n\u2014 Nee, ik wil niet.<br \/>\n\u2014 Waarom? Drink je niet?<br \/>\n\u2014 Ik heb het eigenlijk nog nooit gedronken\u2026<br \/>\n\u2014 Dan weet je niet eens hoe het smaakt?<br \/>\n\u2014 Nee.<br \/>\n\u2014 Wat ben jij dom! Je kent niets goeds in het leven. Weet dat er op de wereld maar \u00e9\u00e9n goed ding is: wodka. Hoeveel mensen zouden zich zonder haar ophangen! Maar zo\u2026 Hier, drink! \u2014 riep hij Tsjipka toe en gaf hem het glaasje.<br \/>\nTsjipka had al vaak gehoord dat wodka verlichting brengt. Nu prijst Poroch haar ook nog aan, en bovendien knaagt sinds de ochtend ergernis aan zijn hart\u2026 in zijn lichaam voelt hij wat kou\u2026 Alles samen drong zich aan hem op: drink, drink! Er zat niets anders op \u2014 hij moest het proberen\u2026 Tsjipka nam het glas en dronk. De wodka brandde, beet in zijn mond; hij verslikte zich bijna en begon te hoesten\u2026<br \/>\n\u2014 Je ziet dat je niet kunt drinken! \u2014 zei Poroch. \u2014 Zo moet je drinken! \u2014 en hij kieperde weer een glaasje naar binnen en slikte het alsof het water was. Daarna brak hij een stuk brood af en begon te eten.<br \/>\nTsjipka nam ook brood. Het was zo droog als een beschuit; met moeite kreeg hij het weg.<br \/>\n\u2014 Je bent werkelijk nergens goed voor! \u2014 zei Poroch. \u2014 Niet drinken, niet eten.<br \/>\n\u2014 Hoe kun je zoiets bitters drinken? \u2014 zei Tsjipka over de wodka.<br \/>\n\u2014 Dat lijkt maar zo\u2026 Wacht maar even tot het je grijpt \u2014 dan vraag je er zelf om!<br \/>\nEn werkelijk, Tsjipka voelde eerst alsof iemand hem vanbinnen met heet ijzer brandmerkte: het brandde bij zijn hart en verspreidde zich door zijn hele buik\u2026 Daarna doofde het vuur; een scherpe trek kwam op, hij kreeg honger\u2026 Het leek of hij een os kon opeten\u2026 en zelfs het oudbakken brood smaakte lekker! Even later was het alsof er iets in zijn ogen kwam\u2026 het begon te spelen in zijn hoofd\u2026 het werd vrolijker in zijn hart\u2026 Donkere gedachten klaarden op\u2026 geloof ontwaakte\u2026 vastberadenheid kwam boven\u2026<br \/>\n\u201cDat is allemaal leugen!\u201d dacht hij. \u201cAl geef ik een roebel uit, twee, of zelfs alle vijf\u2026 het land is toch van mij! Je liegt, duivelsman, het land is van mij!\u201d<br \/>\nEn Tsjipka werd zo blij, alsof het land werkelijk al van hem was en hij verzekerd naar huis terugkeerde.<br \/>\n\u2014 Zal deze zaak veel kosten? \u2014 vroeg hij aan Poroch.<br \/>\n\u2014 Welke zaak? Als ze erg ingewikkeld is \u2014 duurder; en zo niet \u2014 niet duur, \u2014 antwoordde Poroch.<br \/>\n\u2014 En mijn zaak?<br \/>\n\u2014 Wacht eens \u2014 laten we nog \u00e9\u00e9n glaasje drinken, en dan gaan we aan het werk!..<br \/>\nNet toen Poroch een glas wilde inschenken, vloog de deur plots open en sprong er een vrouw binnen \u2014 geen vrouw, geen meisje; het hoofd onbedekt als bij een meisje, maar het haar tot een wrong in elkaar gedraaid alsof een vrouw het onder een kap wilde verbergen, vastgeknoopt op de kruin, en toch weer losgeraakt\u2026 Ze was nog niet oud, lang, mager, schraal; haar wangen ingevallen, haar uiterlijk ziekelijk, geel \u2014 alleen haar ogen, zwart als sleedoorn, glansden met een soort krankzinnig licht\u2026<br \/>\n\u2014 Hij drinkt alweer\u2026 hij drinkt alweer! Moge heet bloed je verteren!.. \u2014 schreeuwde ze met zo\u2019n waanzinnige stem dat Porochs handen begonnen te trillen. \u2014 Er is geen kruimel te eten, de kinderen huilen, en hij, verdomde stier, zuipt wodka!..<br \/>\n\u2014 Ga weg! Ga, ga! \u2014 stotterde Poroch. \u2014 Ik heb geen tijd. Ik ga nu voor deze man een verzoekschrift schrijven\u2026 Ga weg!<br \/>\n\u2014 Dat de schrijversziekte jou maar neerschrijft, vervloekte! Door jou heb ik geen leven\u2026<br \/>\n\u2014 Wie houdt je tegen? Ik zeg je al lang: in plaats van mij met jouw kinderen lastig te vallen, ga waar je zelf wilt. Maar nee, je vindt het zonde om je Moskousoldaat te verlaten!<br \/>\n\u2014 Ja, zonde!.. \u2014 en haar ogen flitsten angstaanjagend. Haar blik viel op het stuk brood. Ze trilde en stortte zich als een wild dier op de tafel, zodat Tsjipka opzij week.<br \/>\n\u2014 Kijk, vervloekte! Je zei dat er geen brood was, en hier heb je zoveel verstopt!<br \/>\n\u2014 Nou, neem het, neem het\u2026 en ga weg! \u2014 antwoordde Poroch terwijl hij de fles verstopte.<br \/>\nZe keek hem nog eens verschrikkelijk aan en ging langzaam het huis uit.<br \/>\n\u2014 Wie is dat? \u2014 vroeg Tsjipka.<br \/>\n\u2014 Een stuk\u2026 \u2014 Poroch maakte zijn zin niet af en zei even later: \u2014 mijn zuster\u2026 Ze is niet altijd thuis \u2014 krankzinnig\u2026 Krankzinnig, maar ze baart kinderen, en ze leven, de vervloekten, op mijn hoofd!..<br \/>\nTsjipka kreeg medelijden met Porochs krankzinnige zuster en haar kleine kinderen\u2026 \u201cMisschien hebben ze honger en kou,\u201d dacht hij. \u201cAls er rijkdom was \u2014 was ze dan zover gekomen?.. Als er maar rijkdom was\u2026 En nu nemen ze zelfs het laatste stuk land af\u2026\u201d<br \/>\nZijn gedachten keerden weer terug naar het land en begonnen hem opnieuw hun redeneringen voor te houden\u2026<br \/>\n\u2014 Welnu, zullen we het verzoekschrift schrijven? \u2014 onderbrak Poroch.<br \/>\nTsjipka schrok op.<br \/>\nPoroch ging weer naar de kachel; hij haalde er een stompje sabbatskaars uit, een inktpot gemaakt van een pomadepotje, en een pen; zette alles op tafel en ging zelf naar buiten. Kort daarna kwam hij terug met papier in de hand en met een bril. Eerst stak hij de kaars in de hals van een gespleten fles.<br \/>\n\u2014 Als het donker wordt, steken we hem aan, zodat we niet hoeven te zoeken, \u2014 zei hij. \u2014 En nu, laat mij op jouw plaats zitten en ga jij op de bank zitten of zo.<br \/>\nTsjipka ging op een ander krukje zitten. Poroch schoof zijn kruk naar de tafel, spreidde het papier uit en, zijn neus bereden door de bril, begon te schrijven.<br \/>\nHet werd stil in de kamer \u2014 alleen zo nu en dan kuchte Poroch driftig, en men hoorde het krassen van de pen of zijn afgemeten uitroepen: \u201czo\u201d, \u201caha\u2026\u201d, \u201cja\u2026\u201d, \u201cgoed\u2026\u201d, \u201cen verder?\u201d Dan dacht Poroch even na, schreef weer, zodat de tafel ervan schudde, kuchte opnieuw, mompelde \u201caha\u201d en \u201cja\u201d\u2026<br \/>\nDe avondzon, zakkend achter de wolken, wierp een rode streep door de troebele ruit en baadde Porochs ronde kale hoofd in rood licht; zij sneed het witte papier doormidden en legde zich als een lange, brede band door de hele kamer neer, tot ze achter de kachel verdween\u2026 Het toch al rode hoofd van Poroch werd nu vuurrood. Tsjipka leek het alsof een bloedig hoofd een bloedige klacht schreef\u2026<br \/>\nPoroch was klaar; hij legde de pen neer; nam het papier in de hand en liep naar het raam.<br \/>\n\u2014 Luister: is het zo goed? \u2014 en hij begon te lezen.<br \/>\n\u2014 Nou, zo dan? \u2014 vroeg hij opnieuw nadat hij het had herlezen.<br \/>\n\u2014 Zo, \u2014 antwoordde Tsjipka, zelf niet wetend of het zo was of niet.<br \/>\n\u2014 Wel, dat is je verzoekschrift. Nu we v\u00f3\u00f3r het verzoekschrift hebben gedronken, kan het erna ook geen kwaad.<br \/>\n\u2014 Goed, \u2014 stemde Tsjipka toe. \u2014 Voor geluk dan?<br \/>\n\u2014 Ja, \u2014 zei Poroch, kreunde, rekte zich uit en dronk twee glaasjes achter elkaar leeg.<br \/>\nHij gaf Tsjipka er ook een. Die dronk en begon te spugen.<br \/>\nDe zon was al onder; het werd donker in de kamer; Poroch stak de kaars niet aan, maar liep zwijgend van de ene hoek naar de andere. Tsjipka voelde zich ongemakkelijk.<br \/>\n\u2014 Je blijft bij ons overnachten en morgen ga je naar de rechtbank, \u2014 zei Poroch en zweeg weer.<br \/>\nHet werd drukkend in de kamer. Tsjipka zat op het krukje; Poroch liep van hoek tot hoek. Beiden zwegen. Om de stilte te verbreken vroeg Tsjipka:<br \/>\n\u2014 Leeft u hier zo?<br \/>\n\u2014 Zo, zoals je ziet. Alleen dit is van ons: het huis.<br \/>\n\u2014 Niet erg prettig\u2026<br \/>\n\u2014 Als we drinken, wordt het wat zoeter; zonder dat zouden we door toedoen van goede mensen al lang aan een balk hebben gehangen, \u2014 zei Poroch en slikte weer een glaasje.<br \/>\n\u2014 Dus iedereen heeft het goed\u2026 \u2014 zei Tsjipka.<br \/>\n\u2014 Dacht je van niet?.. Ieder heeft zijn eigen last\u2026 Ken je de Poolse familie? \u2014 vroeg Poroch terwijl hij tegenover Tsjipka bleef staan.<br \/>\n\u2014 Welke?<br \/>\n\u2014 Die ook bij jullie heerst, die in Krasnohorka woont.<br \/>\n\u2014 En wat dan?<br \/>\n\u2014 Wat dan?.. Hij heeft m\u00edj uitgezogen, hij heeft me in de grond gestampt! \u2014 Poroch begon weer door de kamer te ijsberen. \u2014 Sinds hij districtsmaarschalk is geworden, heb ik geen leven meer\u2026 Een aanklager! Een verklikker! En ik heb geen goed meer door hem\u2026 Vroeger had ik het goed\u2026 Ik diende\u2026 Zie je dit huis? Nu is het vervallen\u2026 maar vroeger?.. Vroeger werd hier gefeest\u2026 muziek gespeeld\u2026 de commissaris zelf kwam hier vieren\u2026 En nu\u2026 armoede en ellende! En dat allemaal door hem!<br \/>\n\u2014 Wat heeft hij u dan aangedaan? \u2014 vroeg Tsjipka.<br \/>\n\u2014 Wat? Hij heeft me uit mijn dienst gezet\u2026 me tot verklikker gemaakt\u2026 d\u00e1t! Maar nee! Zo makkelijk maak je van Vasyl Poroch geen verklikker\u2026 Zo\u2019n hoofd heeft Vasyl Poroch niet! Hij stuurde mijn broer naar Siberi\u00eb \u2014 want mijn broer was dom\u2026 Mijn neef dreef mijn zuster tot waanzin \u2014 want mijn zuster is krankzinnig\u2026 Maar Vasyl \u2014 nee\u2026 mij bijt je niet! Vroeger draaide Vasyl het hele district om zijn vinger\u2026 iedereen zat in zijn hand \u2014 de commissaris, de rechter, zelfs de maarschalk\u2026 tot hij zelf maarschalk werd\u2026 Toen hij dat werd, begon hij zijn herenhoogmoed te tonen. Wat moet ik met jouw hoogmoed, als ik al het werk doe?.. Ik spuug erop! Maar nee\u2026 volgens hem moet je niets doen, alleen hem eren\u2026 hem likken\u2026 Vasyl Poroch is niet iemand die likt\u2026 Laat anderen likken, maar Vasyl niet\u2026 En als hij likt, likt hij je helemaal weg!.. Nou?.. Weg met Poroch! Poroch wil niet buigen\u2026 Poroch likt niet\u2026 Hij sprak met de rechter \u2014 en wie is de rechter anders dan een eigen broer?.. Maar is het alleen de rechter?.. Ook de hulprechter is familie\u2026 en de politiechef is familie\u2026 allemaal van hetzelfde nest, hetzelfde gespuis\u2026 Waar moet daar recht vandaan komen?.. Er werd gezegd: weg met hem\u2026 Nou, ze hebben me weggewerkt\u2026 Het is niet moeilijk iemand eruit te werken, maar moeilijker om af te rekenen\u2026 Ach\u2026 Wat kan mij die dienst schelen? Ik spuug erop!.. Maar ik zal ze nog dwarszitten\u2026 Ik zal de kat een knoop in de staart leggen \u2014 laat ze hem maar losmaken! Ik heb al eens een van die broertjes zover gekregen dat hij voor de rechter kwam\u2026 Ze hebben de zaak wel verdraaid\u2026 hij is eruit gekropen\u2026 Laat maar! Kan een aangeklaagde soms eerlijk dienen?.. Laat maar, zeg ik. Dit is mijn brood\u2026 Ik zal weer schrijven\u2026 Raak me maar aan \u2014 je kunt me met een wagen niet omzeilen. Ik zal schrijven, alles zal ik schrijven\u2026 Over de verkiezingen, hoe ze samenkwamen en samenspanden, zal ik schrijven\u2026 en dat ze allemaal peetvaders en zwagers zijn\u2026 Alles zal ik beschrijven\u2026 Ik zal ze aan het licht brengen. D\u00e1\u00e1r ben ik een aanklager voor! Makoecha zit al voor de rechter, en ik lever ook jullie raadsman Tsjyzjyk nog uit\u2026 Ik moet sterven wil ik hem niet uitleveren!.. Ik weet hoe Tsjyzjyk de zaak van de Sovynsky\u2019s heeft verdraaid\u2026 Sovynsky schoot een meisje dood\u2026 Hij ging na het eten de tuin in. Meisjes plukten bessen. \u201cKom, wie springt er uit de kerselaar?\u201d zei hij. En \u2014 boem! \u2014 E\u00e9n viel met een klap neer\u2026 juist diegene die niet toegaf\u2026 En wat dan?.. Meteen naar Vasyl Semenovytsj\u2026 Die riep Tsjyzjyk\u2026 Natuurlijk kreeg Tsjyzjyk ook een twintig desjatinen land\u2026 en hij draaide de zaak om, openlijk draaide hij haar om\u2026 En Sovynsky trouwde met de dochter van Polsky\u2026 nam die bleke zigeunerin, met zo\u2019n neus als een bijl\u2026 En ze hebben het toegedekt\u2026 Menselijk bloed toegedekt\u2026 Maar nee! Waarom leeft Vasyl Poroch nog?.. Hij zal het onthullen\u2026 Bloed is geen water\u2026 Zelfs als Vasyl Poroch in het graf ligt, zal hij van daaruit roepen dat Sovynsky een meisje heeft vermoord!.. Moordenaars!..<br \/>\nAngstaanjagend en luid klonken Porochs woorden in de donkere kamer, alsof werkelijk iemand uit een diepe kuil riep over de wandaden van de heren\u2026 Tsjipka luisterde naar die ruwe woorden, en zijn hart begon te koken\u2026<br \/>\n\u2014 Het is overal hetzelfde! \u2014 zei hij. \u2014 Overal recht!!<br \/>\n\u2014 Zoek jij recht? \u2014 vroeg Poroch streng. \u2014 Recht is er alleen zolang de fles vol is; als ze leeg is, is er alleen leugen!.. Kom, laten we ons versterken\u2026<br \/>\nEn hij nam zelf weer een slok uit de fles, zodat het in zijn keel klotste.<br \/>\nTsjipka wilde niet meer drinken. Zijn hoofd tolde al genoeg. Porochs woorden waren diep in zijn hart gezonken\u2026 Voor zijn ogen rees al het onrecht op\u2026 \u201cHij is de meerdere, en om hem heen de minderen, allemaal familie\u2026 E\u00e9n woord van hem \u2014 en alles buigt\u2026 Heer over de boeren, heer over de heren! Geen belemmering, geen verbod kent hij\u2026 Waar moet daar recht vandaan komen?\u201d<br \/>\nIn Tsjipka\u2019s hart ontwaakte wantrouwen tegen het recht; het sprak in zijn ziel met zware droefheid\u2026 Hij zat met het hoofd op zijn hand geleund en merkte niet hoe de deur kraakte.<br \/>\n\u2014 Zitten jullie hier \u2019s nachts nog? \u2014 vroeg een vrouwenstem, en sloot de deur weer.<br \/>\nEven later kwam Porochs zuster binnen met een olielamp in de hand. Het licht viel recht in Tsjipka\u2019s ogen.<br \/>\nVoor hem stond, als een spookverschijning, de verwarde vrouw \u2014 en zij herinnerde hem levend aan het menselijk onrecht\u2026<br \/>\n\u2014 Zullen we hier avondeten of daar? \u2014 vroeg ze, zonder de olielamp uit haar hand te zetten.<br \/>\n\u2014 Daar maar\u2026 Daar, Halotsjka, \u2014 antwoordde Poroch. Tsjipka trilde even toen hij die naam hoorde\u2026<br \/>\n\u2014 Kom dan eten! \u2014 riep ze en liep voorop.<br \/>\nPoroch en Tsjipka volgden haar. Ze gingen de keuken binnen. Die was nog zwarter dan de kamer waar Tsjipka had gezeten. Achter de keuken tekenden zich nog een paar deuren af \u2014 naar een derde vertrek. Wat daar was, kon men niet zien, alleen twee ruwe kinderhoofdjes gluurden om de deur. \u201cDat zullen haar kinderen zijn,\u201d dacht Tsjipka.<br \/>\nMidden in de keuken gingen ze zitten eten. Op een omgekeerde pot glansde het lampje en verlichtte de kom. De vrouw schepte knoedels op. Bij het avondeten dronken ze allemaal een glaasje \u2014 ook Porochs zuster dronk en trok geen gezicht. Tsjipka proefde een knoedel \u2014 taai als klei en het knarste op zijn tanden. Hij begon de dunne soep te slurpen. Als hij niet zo\u2019n honger had gehad, zou hij zo\u2019n maaltijd niet eens hebben aangeraakt.<br \/>\n\u2014 Mama! Geef ons ook knoedels\u2026 wij willen ook knoedels, \u2014 klonk het vanachter de deur.<br \/>\n\u2014 Jullie!.. \u2014 schreeuwde Poroch naar hen.<br \/>\nDe kinderen verborgen zich.<br \/>\n\u2014 Lucifer! \u2014 wierp Halia hem toe. \u2014 Zelf dronken en zich volgevreten, en voor de kinderen is er niets?!<br \/>\n\u2014 Waarom geeft u de kinderen eigenlijk niets? \u2014 zei Tsjipka tegen haar.<br \/>\nZwijgend stond ze op; haalde een gebarsten schaal tevoorschijn; schepte er knoedels in en zette die bij de drempel neer.<br \/>\nVanachter de deur kwamen twee kinderen tevoorschijn \u2014 zwart, smerig, in wat vodden in plaats van hemden, die ze met hun zwarte handjes beschaamd tegen hun borst hielden, want knopen waren er niet\u2026 Ze vielen neer boven de kom, staken hun handjes in de soep, trokken elk een hete knoedel eruit, sisten en bliezen, en begonnen te kauwen en te smakken\u2026 Tsjipka werd er misselijk van. Blijkbaar beviel het ook Poroch niet, want hij schreeuwde weer tegen hen. De kinderen keken hem schuin aan en maakten aanstalten om achter de deur te verdwijnen.<br \/>\n\u2014 Schreeuw niet, dronkaard! \u2014 riep Halia hem toe.<br \/>\n\u2014 Blijf zitten! \u2014 zei ze tegen de kinderen.<br \/>\nTsjipka kon niet meer eten. Poroch at de laatste knoedel op en stond op. Tsjipka bedankte Poroch en Halia.<br \/>\n\u2014 Ga nu maar slapen! \u2014 zei Poroch tegen Tsjipka.<br \/>\nZe verlieten samen de keuken. Tsjipka rookte in de gang een pijp, ging de kamer in, terwijl Poroch nog lang op het erf rondliep, aan zijn pijp zoog en spuugde\u2026<br \/>\nTsjipka lag op de vloer in de kamer, maar sliep niet; hij rolde heen en weer. Het was benauwd, heet; door zijn aderen stroomde warm bloed; hete adem brandde uit zijn mond; en in zijn hoofd joeg de ene gedachte de andere op\u2026<br \/>\nNu zag hij het geluk voor zich: het land was weer van hem; hij was blij, en zijn moeder ook \u2014 hij had het zijne niet prijsgegeven!.. En Halia verscheen hem lieflijk\u2026 Wat men ook zegt, Halia is een mooi meisje! O, als zo\u2019n vrouw\u2026 Tsjipka verheugde zich al bij de gedachte\u2026<br \/>\nMaar dan waaide er een koude wind van de andere kant\u2026 Geen land!.. voor niets gelopen\u2026 tevergeefs alles verloren\u2026 Moeder huilt \u2014 zij, de oude, zal weer op andermans veld moeten zwerven\u2026 En hijzelf dan?.. Alles verloren!..<br \/>\nDan weer is hij heer en meester\u2026 loopt naast Halia\u2026 Zij kijkt hem lief in de ogen, glimlacht\u2026 Maar een boze vijand benijdt hem \u2014 neemt het land af, bedekt met zijn onreine hand haar lieflijke beeld\u2026 Wat blijft hem nu over?..<br \/>\nUit de mist schuift de dronken gestalte van Poroch naar voren; achter hem lichten de verschrikkelijke ogen van de krankzinnige Halia; de blote, zwarte kinderhandjes reiken naar hem \u2014 mager, beverig van de kou\u2026 En voor hem rijst het menselijk onrecht\u2026<br \/>\nHij ziet: het heeft als een spinnenweb de hele wereld oversponnen \u2014 niemand kan zich uit die fijne draden bevrijden\u2026 E\u00e9n rukte zich los \u2014 maar hoe? handen en voeten achterwaarts gebonden\u2026 noch zitten noch opstaan: sta daar als voor straf neergezet!..<br \/>\n\u201cHeer, mijn God! waar is Uw recht?..\u201d fluistert Tsjipka. \u201cWaar moet ik het zoeken?..\u201d<br \/>\nEn het lijkt hem dat het spinnenweb ook hem al omspint \u2014 straks zit ook hij vast! Hij rukte, hij wierp zich om\u2026 Hij wilde vergeten, inslapen. Hij draaide zich van de ene zij op de andere\u2026 De slaap was hem als door heksen gestolen!..<br \/>\nDe deur kraakte; iemand kwam binnen.<br \/>\n\u2014 Bent u het, oom? \u2014 vroeg Tsjipka.<br \/>\n\u2014 Ik, \u2014 antwoordde Poroch. \u2014 Slaap je nog steeds niet? \u2014 vroeg hij en begaf zich naar zijn leger aan de andere kant van de kamer. Nog geen tien minuten later begon Poroch te snurken.<br \/>\n\u201cWat is hij gelukkig!\u201d dacht Tsjipka. \u201cZoveel ellende, en hij slaapt zorgeloos\u2026 Hier is het nog maar net ontkiemd \u2014 en dat al!..\u201d<\/p>\n<p>XV MET EEN LICHTE HAND<br \/>\n\u2019s Morgens stond Tsjipka op met ergernis in het hart en een roes in het hoofd. Hij nam het verzoekschrift, boog voor Poroch en ging naar de rechtbank. Het was nog heel vroeg: geen van de gerechtsbeambten was er; alleen een wachter veegde overal in de kamers de rondgestrooide stukjes waardeloos papier bijeen en gooide een hele doos ervan, samen met het vuil, in de kachel\u2026<br \/>\n\u2014 Vroeg op pad! \u2014 zei hij toen hij Tsjipka zag. \u2014 Wacht maar\u2026 er is nog niemand\u2026<br \/>\nTsjipka ging op de stoep zitten. Na de slapeloze nacht en de branderige dorst leek de frisse herfstochtend hem weldadig, alsof hij weer tot leven kwam\u2026 Zijn hoofd klaarde langzaam op; vrolijker gedachten ontwaakten. De ochtendzon baadde hem in zacht licht, streelde zijn gezicht en ogen, en bracht een slaperige vergetelheid\u2026 Tsjipka wiegde heen en weer en dommelde in.<br \/>\nEen geroezemoes wekte hem. Toen hij zijn ogen opende, zag hij een hele menigte het erf opstromen. Bij de een stak een vel papier onder zijn jas uit; bij een ander bolde op zijn borst een heel brood dat hij voor de dag had meegenomen; een derde droeg een tas over de schouder\u2026 Ieder vertelde iets aan een ander; sommigen zwaaiden met hun armen \u2014 ieder had zijn eigen zorg\u2026<br \/>\nTsjipka zat zwijgend; hij luisterde niet eens naar het geroezemoes \u2014 in hemzelf ruiste zijn eigen ellende\u2026 Opeens viel zijn blik op een man. Afzonderlijk stond hij bij het hek, somber, gebogen. De anderen zaten, lachten, praatten. Maar hij stond als verstoten, zwijgend, en leek niets te horen of te zien\u2026 \u201cDie zal ook geen kleine zaak hebben,\u201d dacht Tsjipka.<br \/>\nPlotseling riep iemand:<br \/>\n\u2014 De secretaris! De secretaris komt!..<br \/>\nAllen stonden op, gespannen. Tsjipka ook.<br \/>\nIn de poort verscheen een magere heer, driedubbel voorovergebogen, met een groene kraag en glanzende knopen\u2026 Tsjipka keek hem aan. Zijn baard was glad afgeschoren; als een bijltje stak zijn kin vooruit en verstopte in de kloof tussen zijn lange neus en zichzelf zijn ingevallen mond met dunne, droge lippen; zijn hoofd helde wat achterover; zijn lange hals stak naar voren als die van een os die in het juk wordt gespannen; op zijn borst stonden de bovenranden van zijn uniformjas uit, die onderaan met twee knopen was dichtgemaakt, alsof er een bult zat, en op zijn rug was er werkelijk een \u2014 van de schouders tot aan zijn dunne, gebogen middel\u2026<br \/>\n\u201cOok deze is kromgeslagen!\u201d dacht Tsjipka.<br \/>\nSecretaris Tsjyzjyk \u2014 want hij was het \u2014 kwam het erf op, steunend op een lange stok, zoals bedelaars doen. De mensen namen hun muts af. Hij bekeek hen met zijn muizige blik en stapte naar voren.<br \/>\n\u2014 Ook u bij ons, Osyp Fjodorovytsj? \u2014 glimlachte hij tegen een half-heer die tussen het volk stond.<br \/>\nDie boog en vertelde zijn zaak. De secretaris ging naar de tweede, naar de derde \u2014 \u00e9\u00e9n voor \u00e9\u00e9n. Bekenden sprak hij bij naam aan; onbekenden vroeg hij kortaf: \u201cWat wil je?\u201d<br \/>\nZo kwam hij ook bij Tsjipka.<br \/>\n\u2014 Wat wil jij?<br \/>\n\u2014 Met een verzoekschrift.<br \/>\n\u2014 Waarover?<br \/>\nTsjipka overhandigde het. De secretaris snoof, haalde met zijn linkerhand een zwarte zakdoek met rode vlekken uit zijn binnenzak, snoot zijn neus en begon langzaam te lezen\u2026<br \/>\n\u2014 Er komt niets van, \u2014 zei hij en gaf het terug zonder Tsjipka aan te kijken.<br \/>\n\u2014 Hoezo? \u2014 vroeg Tsjipka verbaasd.<br \/>\n\u2014 Zo\u2026 er zijn geen documenten!<br \/>\n\u2014 Maar de gemeenschap heeft ons dit land toegewezen\u2026<br \/>\n\u2014 Wat doet dat ertoe?<br \/>\n\u2014 Heeft h\u00edj dan wel documenten? \u2014 vroeg Tsjipka over zijn tegenstander.<br \/>\nDe secretaris wierp hem een blik toe alsof hij hem een stuiver gaf en snoof weer.<br \/>\n\u2014 Wacht, \u2014 zei hij en ging naar binnen.<br \/>\nTsjipka wachtte een uur, twee, drie\u2026 Hij zag hoe mensen naar binnen gingen en weer naar buiten kwamen, maar hij werd niet geroepen\u2026 Ongeduld en verveling grepen hem aan\u2026<br \/>\nToen kwam de wachter naar buiten.<br \/>\n\u2014 Ga naar de secretaris! \u2014 zei hij en leidde Tsjipka door drie kamers vol ambtenaren \u2014 sommigen met werk, anderen zonder.<br \/>\n\u2014 O-ho! Daar gaat er weer een\u2026 een vlieg ruikt waar een wond zit! \u2014 lachten ze hem na.<br \/>\nTsjipka ging een klein kamertje binnen waar de secretaris zat, omringd door stapels dossiers. De wachter sloot de deur half. Tsjipka stond alleen met hem.<br \/>\n\u2014 Aha! \u2014 zei de secretaris en keek hem aan, waarna hij weer in zijn papieren dook.<br \/>\nTsjipka stond zwijgend bij de deur.<br \/>\n\u2014 Poroch heeft je verzoekschrift geschreven? \u2014 vroeg de secretaris zonder op te kijken, terwijl hij iets noteerde.<br \/>\n\u2014 Poroch.<br \/>\nStilte. Het werd Tsjipka benauwd\u2026<br \/>\n\u2014 En wat heb je gegeven?<br \/>\n\u2014 Niets.<br \/>\nDe secretaris keek hem ongelovig aan.<br \/>\n\u2014 Weet je wat?.. \u2014 begon hij en aarzelde. \u2014 Met vijftig roebel kan de zaak in orde gebracht worden\u2026<br \/>\n\u2014 H\u00e8!.. \u2014 hijgde Tsjipka, half lachend, half verbaasd.<br \/>\n\u2014 Waarom hijg je?<br \/>\nTsjipka zweeg.<br \/>\n\u2014 Waar is dan het recht, als het zo moet? \u2014 dacht hij hardop.<br \/>\nDe secretaris mat hem van top tot teen met zijn muizenblik, alsof die zei: \u201cWat ben jij nog jong en groen!\u201d<br \/>\nHun blikken kruisten elkaar. De muizenblik hield de vurige, scherpe niet uit en week terug naar de papieren.<br \/>\nWeer stilte.<br \/>\n\u2014 Nou, wat sta je daar?.. Houd mij niet op en jezelf ook niet\u2026<br \/>\n\u2014 Dat mijn hand maar zou verschrompelen tot hier!.. \u2014 riep Tsjipka, wijzend tot aan zijn elleboog, en draaide zich om zonder zijn zin af te maken.<br \/>\n\u2014 O-ho!.. \u2014 riep de secretaris hem na. \u2014 Wat een heethoofd\u2026 Kijk maar uit dat je je niet verbrandt! \u2014 voegde hij eraan toe terwijl hij achter hem aanliep.<br \/>\nDe ambtenaren staarden eerst naar de secretaris, daarna naar Tsjipka.<br \/>\nTrots en snel liep Tsjipka door de zaal. Hij zag hoe ze glimlachten en elkaar aankeken, knikkend naar de secretaris.<br \/>\n\u2014 Procedeerzuchtige smeerlap! \u2014 mompelde Tsjipka hardop toen hij naar buiten ging.<br \/>\nHet bloed steeg hem naar het hoofd; zijn hart bonsde; zijn gezicht werd bleek, maar zijn ogen glansden als die van een wolf. De mensen weken voor hem uiteen en maakten plaats\u2026 Hij ging recht op Poroch af.<br \/>\n\u2014 En? \u2014 ontving Poroch hem.<br \/>\nTsjipka\u2019s ogen flitsten nog woester.<br \/>\n\u2014 Vervloekte!.. galeislaaf!.. geen wonder dat hij zo krom is\u2026<br \/>\n\u2014 Hoezo?<br \/>\n\u2014 Hij wil vijftig roebel\u2026 Voor mijn land vijftig roebel!! H\u00e9-h\u00e9!!! En er is geen straf voor jullie.<br \/>\n\u2014 Zo gaat het altijd. Denk je soms dat het anders gaat? \u2014 stookte Poroch hem op. \u2014 Zonder smeer geen rit\u2026 Een droge lepel schraapt de mond\u2026 ka-chi!.. ka-chi!.. Zie je hoe het mijn keel schraapt\u2026 Kon ik die maar bevochtigen\u2026<br \/>\n\u2014 Is er nog wodka? \u2014 vroeg Tsjipka somber.<br \/>\n\u2014 Geen duivel, niet eens een druppel\u2026 lege fles\u2026 Zie! \u2014 en Poroch wees naar een lege fles boven het raam.<br \/>\nZwijgend haalde Tsjipka een roebel uit zijn zak, wierp die op tafel en begon van hoek tot hoek te lopen \u2014 donker als de nacht, zwijgend als een graf\u2026<br \/>\nPoroch greep met beide handen de roebel \u2014 en glipte de deur uit! Even later kwam hij terug met een vrolijke blik en een brede glimlach, en in zijn handen \u2014 een volle fles, gezouten vis (talavirka) en een klein rond brood\u2026<br \/>\n\u2014 Treur niet! \u2014 zei hij tegen Tsjipka. \u2014 De fles is vol\u2026 We drinken! \u2014 voegde hij er zoetgevooisd aan toe, terwijl hij Tsjipka aankeek. \u2014 Goed dat die duivelse Haljka ergens heen is gegaan\u2026 We drinken! h\u00e8?..<br \/>\nTsjipka zweeg.<br \/>\n\u2014 Op uw gezondheid! \u2014 wendde Poroch zich tot hem en kieperde een glas wodka naar binnen.<br \/>\n\u2014 Op de gezondheid\u2026<br \/>\n\u2014 En onze vijanden naar de afgrond! \u2014 voegde Poroch eraan toe, terwijl hij Tsjipka een vol glas aanreikte.<br \/>\nTsjipka dronk ook.<br \/>\n\u2014 Nou, is het wat zoeter geworden?<br \/>\n\u2014 Wat denk je!<br \/>\n\u2014 Drink er nog een \u2014 dan wordt het zoeter\u2026<br \/>\nHij reikte Tsjipka het glas aan\u2026 Die had zijn hand al uitgestoken om het aan te nemen \u2014 maar Poroch goot het zelf in \u00e9\u00e9n teug leeg.<br \/>\n\u2014 Wat? Is het echt bitter?! \u2014 zei hij lachend. \u2014 Hier, neem dan \u2014 zoet het wat\u2026<br \/>\nTsjipka dronk ook het tweede glas\u2026 Zijn ogen werden troebel; het sloeg hem naar het hoofd\u2026 Hij begon door de kamer te lopen; zijn tong kwam los, zijn hart kreeg vrij spel; hij begon te razen en te vloeken\u2026 Poroch, kauwend op de gezouten vis, wakkerde hem met woorden verder aan\u2026<br \/>\nZe dronken nog, en nog eens\u2026 Tsjipka\u2019s ogen liepen rood aan, in zijn pupillen flakkerden vonken\u2026 In zijn hart was geen maat, geen gewicht meer voor wat daar gebeurde!.. De wodka vermengde zich met een verschrikkelijke woede \u2014 en zette zijn hart in brand\u2026 Tot Tsjipka uitgeput was. Hij ging op een kruk bij de tafel zitten, liet zijn hoofd op zijn hand zakken \u2014 en viel in slaap\u2026<br \/>\nPoroch zat nog lang te knabbelen aan de vis, zoog elk graatje en elk stukje schoon; en dronk telkens een vol glas\u2026 tot er geen vis meer was, geen brood \u2014 en in de fles nog slechts een bodempje overbleef\u2026 Toen stond hij op, borg de fles in de oven, dronk bij wijze van afscheid ook de laatste wodka \u2014 en begon door de kamer te lopen\u2026 Lange tijd liep hij om Tsjipka heen, boog zich over hem, luisterde, raakte hem aan, probeerde hem wakker te maken\u2026 Tsjipka sliep. Toen schoof Poroch stilletjes zijn hand in Tsjipka\u2019s zak, haalde het tabakszakje met geld eruit en, verheugd, sloop haastig achterwaarts de deur uit\u2026<br \/>\nTsjipka sliep tot tegen de middag. Hij werd wakker, stond op\u2026 In zijn hoofd \u2014 een roes, in zijn borst \u2014 brandend zuur\u2026 Hij probeerde zich te herinneren\u2026 Het eerste wat hem voor de geest kwam was de in drie\u00ebn gebogen gestalte van Tsjyzjyk \u2014 soepel, koud als een slang\u2026 Tsjipka zwaaide met zijn hand, vond zijn muts, zette die op en ging naar buiten. Op het erf liep Poroch rond, met een pijp in zijn tanden, licht beschonken en glimlachend.<br \/>\n\u2014 Vaarwel!<br \/>\n\u2014 Waarheen?<br \/>\n\u2014 Naar huis.<br \/>\n\u2014 Goede reis\u2026<br \/>\nZo droeg Tsjipka zijn benevelde hoofd en nog zwaarder gekwelde hart naar Pisky\u2026 Nu smeulde er geen hoop meer in zijn ziel, die hem opbeurde en voortdreef zoals naar de stad. Alleen onrecht en verlies \u2014 het verlies van alles wat hem het dierbaarst was \u2014 brandden in zijn hart\u2026 Hij liep voort, zijn voeten nauwelijks optillend\u2026<br \/>\nTegen de avond sleepte hij zich naar de Moskovi\u00ebrs boerderij, naar zijn land\u2026 Een koude rilling trok door hem heen, daarna overviel hem hitte\u2026 Toen hij ter hoogte van de hoeve kwam, bleef hij staan\u2026<br \/>\n\u201cNiet te horen\u2026 niets\u2026 alles verloren!.. Gisteren nog zag ik het\u2026 gisteren nog\u2026 Misschien weet zij het ook\u2026 Moge een plotselinge dood jullie treffen, vervloekten\u2026\u201d<br \/>\nHij versnelde zijn pas.<br \/>\nHij ging zijn land voorbij zonder er zelfs naar te kijken\u2026 Verder en verder\u2026 De zon was al ondergegaan\u2026 Het was al donker toen hij Pisky bereikte\u2026 Aan de hemel fonkelden heldere sterren; in het dorp brandde hier en daar licht in kleine vensters; en in Haljka\u2019s herberg brandde de oven \u2014 het leek alsof het huis van binnen in brand stond\u2026 Daar was zijn erf. Alles stil; in huis donker, geen licht\u2026<br \/>\n\u201cMoeder zal wel slapen,\u201d dacht hij. \u201cLaat haar maar slapen!..\u201d<br \/>\nEn hij ging naar de herberg.<br \/>\n\u2014 Schenk wodka, Haljka! \u2014 riep hij de jodin toe.<br \/>\n\u2014 Wat zal dat betekenen? \u2014 glimlachte de jodin terwijl ze Tsjipka aankeek.<br \/>\nHij liep recht naar de tafel, naar de ereplaats in de hoek.<br \/>\n\u2014 Vraag niet\u2026 schenk snel!<br \/>\n\u2014 Schreeuw niet, ik ben niet bang\u2026 Kijk\u2026 hoeveel wil je?<br \/>\n\u2014 Schenk wat je wilt, verdomd gespuis!<br \/>\n\u2014 Ben je soms gek geworden?.. Nou?.. Schenk\u2026 Geef eerst het geld!<br \/>\nTsjipka tastte in zijn zakken: geen tabakszakje, geen geld\u2026 Hij trok zijn jas uit:<br \/>\n\u2014 Hier! en schenk snel! \u2014 en hij smeet de jas over de tafel.<br \/>\n\u2014 Wat moet ik met jouw jas?.. Die heb ik niet nodig\u2026<br \/>\nEen van de mannen die in de herberg zat en zwijgend had toegekeken wat er met Tsjipka gebeurde, stond op van de bank, raapte de jas van de vloer op, schudde hem uit en draaide hem in zijn handen om en om.<br \/>\n\u2014 Schenk, Haljka! \u2014 zei hij. \u2014 Ik leg een roebel voor de jas.<br \/>\n\u2014 Wat bedoel je, een roebel?! \u2014 schreeuwde de jodin, terwijl ze de jas uit zijn handen rukte. \u2014 Bemoei je niet met zaken die je niet aangaan! Is hij van jou?.. Hij verpandt hem\u2026<br \/>\n\u2014 Waarom maak je dan zo\u2019n drukte? De jongen zegt: schenk! Nou, schenk dan\u2026<br \/>\n\u2014 Schenk\u2026 schenk\u2026 \u2014 mopperde de jodin. \u2014 Hoeveel zal ik schenken?<br \/>\n\u2014 Schenk zoveel dat je er zelf van stikt, vervloekte ziel\u2026 Schenk! \u2014 brulde Tsjipka door de hele herberg en sloeg met zijn vuist op tafel \u2014 de ramen rinkelden.<br \/>\n\u2014 Nou, ik schenk een kwart\u2026<br \/>\nDe jodin schoot met de jas de andere kamer in, gooide die bij haar rommel neer en kwam terug met een kwartfles wodka. Ze zette die voor Tsjipka neer en ging weer naar haar eigen vertrek. Ze was boos dat de jas haar zo duur was komen te staan.<br \/>\nTsjipka dronk \u00e9\u00e9n glas, dronk een tweede, dronk ook een derde. Het begon te rinkelen in zijn hoofd, zijn ogen werden troebel. De mensen keken zwijgend toe, maar niemand durfde als eerste het woord te nemen.<br \/>\nToen kwam Jakiv Kabanets binnen.<br \/>\n\u2014 Wat is dat, Tsjipka? Jij ook al?.. \u2014 zei hij. \u2014 Zullen we dan maar drinken?<br \/>\n\u2014 We drinken, \u2014 antwoordde Tsjipka somber. En toen, moediger: \u2014 We drinken! \u2014 en hij riep door de hele herberg: \u2014 We drinken, oom, z\u00f3 dat de hersens in je voorhoofd gaan tollen!<br \/>\nEn \u2014 bons! \u2014 met zijn vuist op tafel\u2026 De flessen en glazen rinkelden en vielen bijna op de grond\u2026<br \/>\nNu begonnen ook de anderen te praten. Woord na woord, glas na glas \u2014 uit de monden stroomde het gesprek, en in de monden stroomde de wodka\u2026 Er kwamen nog meer mensen binnen. Ook oude Koelik verscheen \u2014 de enige in het hele dorp die nog een traditionele haarlok droeg. Hij was al een oude man, maar nog stevig gebouwd\u2026<br \/>\nIn het hele dorp kende men hem als een geleerd man: in de kerk zong hij altijd op het koor en las midden in de kerk de apostelbrief voor\u2026 Hij had een vlotte tong, vooral na een glas\u2026 En hij hield van drinken. Op zondag na de middag kwam hij steevast naar de herberg en begon te oreren \u2014 plechtig, kerkelijk van toon\u2026 De mensen verzamelden zich om wat te ontspannen, samen te zitten en te praten; ze namen een halve of hele kwartfles om de keel te smeren \u2014 en sloegen de oude man nooit over. Dan kon hij tot aan de dageraad zitten praten, als men maar luisterde. Soms maakte hij het gezelschap zo aan het lachen dat ze hun buik vasthielden; soms dreven ze ook de spot met hem en met zijn grijze haarlok die achter zijn oor krulde \u2014 maar een glas sloegen ze hem nooit af. Zo was Koelik elke zondag en feestdag in de herberg.<br \/>\nOok nu kwam hij aangesjokt. Achter hem nog anderen. Ze gingen rond de tafel zitten bij Tsjipka\u2019s wodka; ze dronken, kletsten, rookten hun pijpen. De meesten waren voormalige lijfeigenen van het landgoed. Vrijgelaten als vogels, maar zonder huis, zonder land, zonder onderdak \u2014 zochten ze een toevlucht in de herbergen om de twee zware jaren die ze nog moesten uitwerken sneller voorbij te laten gaan. Op de landgoederen waren ze gewend geraakt aan de wodka; met haar bedwelmende roes zoetten ze hun bittere leven \u2014 waarom zouden ze hun troost nu opgeven? En dus verlieten ze haastig de herenboerderijen en zwierven van herberg naar herberg. Als ze niets hadden om te betalen, wachtten ze of iemand hen een glas of twee aanbood. In de herberg vond je altijd wel drinkebroeders. Ook hen sloeg Tsjipka geen glas over\u2026<br \/>\nToen ze eenmaal goed aangeschoten waren, begon de een dronken te zingen, de ander te klagen \u2014 waar moest hij heen als hij eenmaal van zijn heer los was\u2026 Maar Tsjipka luisterde niet. In zijn hemd, openhangend, draaide hij maar rond en rond, schreeuwde, vloekte, sloeg als bezeten met zijn vuist op tafel\u2026<br \/>\n\u2014 Wat betekent dit, Tsjipka? \u2014 vroeg Kabanets hem toen hij even wat tot rust kwam. \u2014 Jij was toch vroeger niet zo\u2026<br \/>\n\u2014 Niet zo\u2019n drinker? Nee!.. Maar nu wel\u2026<br \/>\n\u2014 Waarom dan?<br \/>\n\u2014 Omdat er nergens recht is\u2026 geen goed\u2026 en geen land\u2026 weg! Nou, dan maar feest!<br \/>\n\u2014 Waar is je land dan gebleven?..<br \/>\n\u2014 Waar?.. Ze hebben het genomen\u2026 afgepakt, die verdomde bloedzuigers\u2026 weg!.. En als het land weg is \u2014 dan is alles weg.<br \/>\n\u2014 Ja, ja, \u2014 vielen de voormalige lijfeigenen hem bij, \u2014 zonder land \u2014 wat dan?.. Zonder land is er geen leven!<br \/>\n\u2014 Een vis zonder water en een mens zonder land \u2014 sterft, \u2014 voegde Koelik er plechtig aan toe.<br \/>\n\u2014 Precies, precies\u2026 En als dat zo is \u2014 drink zolang er te drinken valt, leef zolang je kunt! Zonder land\u2026 alles aan de kant! Waarvoor nog? Waarom nog een koe, een merrie, schapen?.. H\u00e8?.. Waarom?.. Leef erop los, ziel zonder mantel! \u2014 En \u2014 boem! \u2014 weer met zijn vuist op tafel\u2026<br \/>\nDe tafel schudde; glazen en flessen ratelden, \u00e9\u00e9n glas viel zelfs onder de tafel, maar niemand bukte om het op te rapen: iedereen staarde naar Tsjipka\u2026 En hij ging weer verder:<br \/>\n\u2014 Oom Jakiv! Niemand weet\u2026 o-ooh! niemand weet\u2026 Vervloekten! Vijftig roebel wilden ze voor het land\u2026 Het zit niet in het land, niet d\u00e1\u00e1r zat het in\u2026 nee! Land \u2014 wat is land?.. Land!.. Het brengt brood voort als je het bewerkt; het maakt je tot heer en boer\u2026 Men zegt: land! Maar zonder land \u2014 alles verloren\u2026 alles! \u2014<br \/>\nHij drukte het laatste woord zwaar uit, liet zijn dreigende blik door de herberg gaan, knarste met zijn tanden, legde zijn armen op tafel, liet zijn hoofd erop zakken \u2014 en werd stil\u2026<br \/>\nDe mensen keken verbaasd naar Tsjipka \u2014 verbaasd over zijn onsamenhangende woorden \u2014 maar ze dronken zijn wodka tot de laatste druppel op. Toen begonnen sommigen zich klaar te maken om te vertrekken.<br \/>\n\u2014 Kom op, Mykyta, tijd naar huis! \u2014 zei een van de voormalige lijfeigenen tegen een ander, die had zitten luisteren naar Koeliks verhaal over Jozef, verkocht door zijn broers\u2026 \u2014 Hoor je, Mykyta? Vooruit!<br \/>\n\u2014 Wacht nog even, \u2014 antwoordde Mykyta.<br \/>\n\u2014 Waarom?.. Kom, zeg ik je, anders laat ik je hier! Echt waar, ik laat je hier!.. Dan blijf je maar met die haarlok zitten greppels tellen, al praat hij nog zo geleerd\u2026<br \/>\nKoelik keek de voormalige lijfeigene aan, schudde zijn hoofd en begon te mompelen:<br \/>\n\u2014 Alzo\u2026 alzo\u2026 wanneer\u2026 want\u2026 de wereld werd geschapen\u2026 Satanail benijdde\u2026 Adam zondigde met Eva\u2026 laat hem heersen!.. Mensen! laten wij het kwaad niet vrezen door het alleen te horen\u2026<br \/>\nMykyta luisterde even. Maar toen hij merkte dat het niet langer over Jozef ging, stond hij op en ging achter zijn buurman aan naar buiten\u2026 Wie nog nuchter genoeg was, begon zijn muts te pakken. Alleen de dronkaards bleven achter. De een lag onder de bank te rochelen; de ander zat met zijn rug tegen het kozijn en rilde van de kou; weer anderen zongen met vreemde, schorre stemmen een dronken lied \u2014 over \u201crechte droefheid\u201d of over een ongehoorzame \u201clotsbestemming\u201d\u2026<br \/>\nPas tegen de dageraad strompelde Tsjipka naar huis, nauwelijks op de been \u2014 stomdronken, dronkener dan de aarde zelf\u2026<br \/>\nToen Motrja hem zag, schrok ze.<br \/>\n\u2014 Wat is dit, mijn zoon?! Op wat voor vreugde?..<br \/>\nTsjipka ging op de bank zitten en liet zijn hoofd hangen\u2026<br \/>\n\u2014 Waar zijn je jas en je muts?.. Je zegt dat je alleen het geld hebt opgedaan \u2014 maar dat ook nog\u2026<br \/>\n\u2014 Jas?.. muts?.. Weg!.. Waarvoor heb ik ze?.. Waarvoor alles, als\u2026 oe\u2026 oe\u2026 \u2014 hij begon door het hele huis te jammeren, schudde zijn verwarde hoofd, zijn ogen vol tranen glanzend.<br \/>\nHet hart van zijn moeder werd alsof iemand het in een vuist samenkneep\u2026 Ze begon hem te sussen:<br \/>\n\u2014 Waarom doe je jezelf dit aan, mijn zoon? Je jaagt jezelf zo het graf in!.. Spuug op dat land!.. Wat kunnen we doen? We hebben ook zonder land geleefd, jaren \u2014 en toch brood gegeten\u2026 en nu zullen we ook niet zonder blijven\u2026 Toen was je nog klein \u2014 ik heb het met mijn eigen handen verdiend \u2014 en we zijn niet van honger gestorven\u2026 En nu is het niet meer zoals toen!.. Nu kun jij verdienen, en ik help je\u2026 Wat kunnen we doen? Alles is Gods heilige wil!<br \/>\n\u2014 Ach, praat maar!.. Ik heb nu niets meer \u2014 niets!.. Wat ben ik nu?.. Een speelbal voor de mensen, een knecht?.. Weg\u2026 alles weg! Zowel het bezit als mijn ziel zijn verloren\u2026 want er is geen recht in de wereld\u2026 geen recht onder de mensen\u2026 Mijn geluk was er \u2014 bijna in mijn handen \u2014 en\u2026 weggespoeld!..<br \/>\nTsjipka spreidde zijn armen \u2014 en verzonk in gedachten\u2026<br \/>\n\u2014 En het zijn de mensen, allemaal de mensen\u2026 Zij hebben mij mijn vader afgenomen, menseneters; zij haatten mij al van jongs af aan \u2014 joegen mij weg van het spel, maakten een kruisteken als ze langs het huis liepen\u2026 Ik was nog klein, maar ik zag alles\u2026 Ze hielden mij voor een duiveltje\u2026 Ik ben een duivel\u2026 ja\u2026 een duivel boven de duivels!.. En grootmoeder leerde mij de mensen te vergeven, en grootvader \u2014 hen lief te hebben\u2026 Dwazen, dwazen! Ze zijn geen goed woord waard\u2026 Je moet hen kwellen\u2026 kw\u2026 wurgen\u2026<br \/>\nEn \u2014 plof! \u2014 hij viel op de grond\u2026 en begon zwaar te snurken\u2026<br \/>\nMotrja stond op, trok het deken onder zich vandaan, dekte Tsjipka toe, sloeg een kruis over hem, sloeg ook zelf een kruis, ging op de kale vloer liggen \u2014 maar de slaap wilde niet komen\u2026 De oude, slechte jaren trokken aan haar voorbij; ze dacht aan haar bloedige arbeid; haar gedachten sprongen naar haar man, de soldaat\u2026 Waar was hij? Wat was er van hem geworden?.. Misschien had hij zich te pletter gedronken, was hij verloederd en ergens bij een herberg gestorven\u2026 Ze keek naar haar zoon, die als een neergeslagen schoof op de vloer lag te snurken, en fluisterde zacht: \u201cHeer! bewaar hem en bescherm hem!\u201d<br \/>\nTsjipka werd wakker toen de zon al hoog stond. Zijn hoofd tolde; bij zijn hart brandde het alsof een slang zijn bloed zoog\u2026 Hij liep wat door de hut; keek zijn moeder zelfs niet in de ogen; ging naar buiten, zogenaamd naar het vee \u2014 maar sloeg niet af naar de stal, hij ging recht naar Haljka\u2019s herberg\u2026<br \/>\nOp de derde dag zat hij opnieuw op het bankje in de herberg. Op de vierde dag begroette de rechtvaardige zon hem daar, en daar heette de donkere nacht hem welkom\u2026<\/p>\n<p>XVI DE BROEDERSCHAP<br \/>\nDoor te drinken en te zwerven had Tsjipka zich drie trouwe kameraden uitgekozen: Loesjnja, Matnja en Patsjoek \u2014 \u00e9\u00e9n gedachte, \u00e9\u00e9n geest. Ze waren ongeveer even oud: niet echt oud, maar ook geen jonge mannen meer \u2014 al wat doorleefde vrijgezellen.<br \/>\nLoesjnja was een breedgeschouderde kerel, lang, knap, met een goed, bijna herenachtig gezicht, met zwarte, mooie snorren en vrolijke bruine ogen\u2026 Ze leken wel te spreken! En het leek zelfs alsof zijn huid sprak \u2014 zo praatgraag was hij.<br \/>\nPatsjoek was mager, klein, grijsachtig, een echte \u201cpatsjoek\u201d (rat), vlug en beweeglijk; praatziek en zangerig \u2014 in het dorp de beste zanger.<br \/>\nMatnja verschilde van het hele gezelschap zowel in karakter als in uiterlijk. Zo breed als hij hoog was; traag en slordig. Zijn hoofd was enorm, zijn gezicht Tataarsachtig, rond als een pompoen; zijn benen waren kort en dik als zuilen. Hij hield niet van praten of zingen, maar van \u00e9\u00e9n ding op de wereld: wodka. Hij dronk die als water en vond daarin al zijn vreugde.<br \/>\nAlle drie waren zij in herenhuizen opgegroeid. Loesjnja hoorde bij heer Sovynsky, terwijl Patsjoek en Matnja bij heer Polsky hoorden \u2014 dezelfde bij wie ook Tsjipka\u2019s vader diende.<br \/>\nMatnja en Patsjoek waren nog als kleine jongens naar het landhuis gehaald: de ene van achter de ploeg, de andere van achter de schapen. Het viel hen zwaar afscheid te nemen van vader, moeder, broers, zussen en kameraden, van andere jongens zoals zijzelf; zwaar om het eigen erf te verlaten, waar elke hoek hen bekend was, waar hun moeder hen had gedragen en gekoesterd; de groene steppen, waar zij hun jongenskracht hadden opgebouwd. Het was bitter om hun eigen wereld achter te laten en naar het vreemde, naar het herenhuis te gaan\u2026 Maar wat kon je tegen de wil van de heer doen? De heer had hen nodig \u2014 daarvoor had hij lijfeigenen!<br \/>\nHoeveel hun moeders ook huilden en smeekten bij de heer, hem uitlegden dat hun blonde zonen als oudste kinderen hun enige steun waren in het zware werk \u2014 noch tranen noch smeekbeden hielpen\u2026 Wat gaf de heer om dat? Zou hij zich zorgen maken over het zware werk? Hij nam het nog kwalijk dat eenvoudige dorpsvrouwen zijn herenhoofd lastigvielen met zulke \u201cdwaasheden\u201d\u2026 en beval hen van het erf te jagen. De moeders gingen weg, met onuitgesproken vervloekingen op de lippen en bitter verdriet in het hart\u2026<br \/>\nHun zonen bleven op het erf als herdersknechten: de ene bij het vee, de andere bij de schapen.<br \/>\nLoesjnja was geboren en opgegroeid op het landgoed. De oude Loesjnja, die op de Wolvendalhoeve woonde, stierf en liet een ongehuwde dochter achter. Zij was de enige arbeidskracht in het gezin, want de moeder was gestorven en de wezen bleven achter als onkruid tussen het graan\u2026<br \/>\nToevallig kreeg de heer behoefte aan een kamermeid. Men nam haar in dienst in het herenhuis \u2014 want, tot haar ongeluk, was ze niet lelijk. In haar plaats werd het gezin van het erf naar de hoeve overgebracht.<br \/>\nEerst huilde het meisje en was ze bang voor alles, vooral voor hoe ze de oude heer moest behagen. Maar blijkbaar is het haar toch gelukt, want na een jaar werd het meisje een jonge vrouw, die een blanke, zwarthoofdig jongetje baarde \u2014 Tymosjka.<br \/>\nToen Tymosjka op eigen benen kon staan en allerlei dingen begon te begrijpen, werd hij als kamerjongen aangenomen bij de jonge heer \u2014 de oude was toen al gestorven \u2014 om pijpen te vullen met tabak, water te brengen, en vooral om in de hoek van de voorkamer bij de deur van het kabinet te staan voor het geval er een bevel kwam.<br \/>\nHet kind moest veel verdragen. Soms, wanneer hij lang stond, viel hij staand in slaap en viel op de grond. Dan stuurde de heer hem niet naar bed, maar liet hem eerst goed afranselen omdat hij zo slaperig was en zette hem daarna de hele nacht op zijn knie\u00ebn. En soms, om te voorkomen dat hij zou indommelen, strooide de heer boekweit onder zijn blote knie\u00ebn.<br \/>\nSoms, wanneer de heer lange tijd een van zijn op tafel uitgestalde snuisterijen niet kon vinden, beschuldigde hij de jongen en sloeg hem omdat hij zogenaamd had gestolen, terwijl bij nader kijken de spullen gewoon voor hem lagen\u2026 Dan werd hij opnieuw geslagen, nu omdat hij het misschien wilde stelen, omdat hij alles had verplaatst\u2026<br \/>\nHet leven viel de jongen zwaar; er groeide woede op in zijn jonge hart. \u201cAls ik niet steel, word ik geslagen,\u201d dacht hij bij zichzelf, \u201cen als ik wordt geslagen omdat men denkt dat ik wil stelen, dan kunnen ze me maar beter slaan omdat ik werkelijk steel!\u201d<br \/>\nEn na een jaar of twee werd het kind van een goed en zacht karakter een soort slechte dief, die alles stal wat dicht bij hem lag en zwoer dat hij zelfs niet wist hoe het in zijn zak was gekomen\u2026 Misschien had iemand het hem toegestopt om hem maar weer te laten afranselen, beweerde hij. Tymosjka werd er opnieuw zwaar voor geslagen, maar het hielp niet.<br \/>\nToen hij ouder werd, werd hij nog roofzuchtiger en verbitterder. Hij stal soms een kleinigheid en gooide die bij een ander om de verdenking van zich af te leiden; wat hij waardevol vond, verborg hij zo goed dat men het niet vond. En als men hem ondervroeg, wees hij nog iemand anders aan: die of die had het gestolen! Onschuldigen werden geslagen, terwijl hij stilletjes zijn buit hield en heimelijk lachte\u2026<br \/>\nEen dievenleven is zelfs voor de meest verharde dief niet naar de zin. Ook zo iemand kent momenten waarop goede gedachten hem overvallen en kwellen\u2026 Het geweten van een mens zwijgt niet, zelfs niet in de meest verharde ziel. Ook in de ziel van Tymofij Loesjnja was het niet gestorven.<br \/>\nEr waren uren waarop hij, bij het terugdenken aan zijn daden en zijn losbandige leven, bij zichzelf dacht: \u201cMisschien is het toch zonde om zo te leven?.. Misschien wordt het ooit vergolden, zo niet in dit leven dan in het volgende!..\u201d Dan werd hij bang en tegelijk beschaamd. Om zich wat te verlichten en het vuur van Prometheus in zijn gekwelde ziel te doven, wendde hij zich tot de glazen god: hij raakte gewend aan wodka\u2026<br \/>\nToen men hem eens dronken zag, werd hij goed afgetuigd in de stal, uit de kamers gejaagd en als koetsier aangesteld. Dat was ongeveer twee jaar v\u00f3\u00f3r de vrijheid. Hij was toen twintig jaar oud\u2026<br \/>\nOp de stal had men het wat vrijer dan in de voorkamers. Daar zag de heer alles wat men deed, want hij liet zijn eigen ogen nergens van af; maar hier \u2014 al zagen de paarden van de heer het, ze konden het niet verklappen\u2026 De voorkamer kon men niet verlaten; maar uit de stal kon men zich, zo niet overdag dan toch \u2019s nachts, losmaken\u2026<br \/>\nLoesjnja begon in de herbergen rond te hangen. Daar raakte hij bevriend met Matnja en Patsjoek. Ook zij waren in slavernij opgegroeid. Hoewel de vrije steppen en de wijde velden waar zij \u2019s zomers het vee hoedden hun verdoofde zielen een beetje verlichtten, drukte de winter op hun schouders met een zware last en verpletterde hen\u2026 tot de wodka!<br \/>\nZij werden dronkaards, landlopers en dieven\u2026 In de herberg werden zij bloedbroeders met Loesjnja. En zo werd geheime diefstal, het verbergen en opnieuw verbergen van buit, en het nachtelijk opdrinken van gestolen goederen hun gezamenlijke bezigheid\u2026<br \/>\nDe heren hadden veel last van hen, maar v\u00f3\u00f3r die twee jaren voorbij waren die de lijfeigenen na hun vrijlating nog moesten werken (en die jaren leken eindeloos, als eeuwen!) \u2014 werden zij uit het erf verjaagd, naar alle vier windstreken\u2026<br \/>\nZonder land, zonder woning, zonder toevlucht \u2014 noch onder zich, noch achter zich, noch voor zich \u2014 als een vrije vogel in het veld, als een wild dier in het bos \u2014 verspreidden de jongens zich door het dorp\u2026<br \/>\nWaar moest men zich aansluiten? Waar het hoofd neerleggen, soms verbergen voor een kwade dag?.. Op werkdagen ging het nog: ergens werken \u2014 bij joden hout hakken, bij mensen dorsen, wannen, maaien\u2026 Maar als de avond kwam, of op feestdagen, of wanneer iemand een dag zonder werk zat\u2026 dan was er nergens onderdak, nergens rust.<br \/>\nIn het dorp waren slechts twee plaatsen die niet gekocht hoefden te worden. De ene was de straat, de andere de herberg\u2026 Maar op straat was het gevaarlijk. Als je onder een schutting ging liggen om te rusten \u2014 sleepten de honden je eruit; midden op straat \u2014 kon iemand je overrijden, en zo niet, dan konden de dorpswachters je oppakken en in de gevangenis zetten, denkend dat je dronken was\u2026<br \/>\nDus bleef de herberg\u2026 Daar liep het drinken niet over de hals, het was warm en er waren mensen\u2026 Je kon er, al was het niet luxe, onder de bank rusten; er waren mensen om mee te praten, te zingen en te drinken\u2026<br \/>\nZo werd de herberg voor onze jongens een tweede vader, en wodka hun moeder. In de herberg vonden zij bescherming en toevlucht; het glas wodka werd hun raad en troost\u2026<br \/>\nDe herberg was nooit leeg: de een kwam, de ander ging\u2026 En onze jongens waren daar! Als er een glas wodka viel \u2014 ter nagedachtenis van een dienaar Gods, voor het welzijn van een pasgeborene, of zomaar bij gelegenheid \u2014 dan was het goed! Hij zingt vrolijk als anderen hem trakteren, en huilt als zij huilen\u2026<br \/>\nAls er eens zo\u2019n ongelukkige dag kwam dat er geen werk was, niemand in de herberg, en hijzelf geen kruimel brood en geen cent geld had \u2014 honger die tot pijn in de huid ging, dorst die aan het hart knaagde\u2026 dan was het geen zonde om te nemen wat licht lag!<br \/>\nMet deze diefachtige nietsnutters en zwervers raakte Tsjipka bevriend. Terwijl hij van herberg tot herberg zwierf, ontmoette hij hen eens, daarna nog eens\u2026 Hij trakteerde iedereen die in zijn buurt kwam; zij drongen zich meteen in zijn gezelschap.<br \/>\nZe dronken op zijn kosten; feestten met zijn geld; vertelden hem over hun ellendige leven en hun bittere lot, en raakten zijn medelijdende, nu door ongeluk getekende hart \u2014 en zo werden ze vrienden\u2026<br \/>\nDe hele dag dronken en zwierf men in de herbergen, soms tot na middernacht; v\u00f3\u00f3r zonsopgang gingen ze naar Tsjipka om uit te slapen. Als ze uitgeslapen waren, rolden ze zich uit, namen Tsjipka mee en iets van zijn bezit \u2014 en gingen weer naar de herberg\u2026 Zo ging het elke dag.<br \/>\nMotrja keek eerst naar dit losbandige leven en huilde, en probeerde Tsjipka te overreden; daarna schold en schandvlekte ze hem; en uiteindelijk liep ze door de tuin en straat en schreeuwde:<br \/>\n\u2014 O wee! Ik ben nu verloren\u2026 mijn arme hoofd zal vergaan\u2026 Voor mij is het nu hetzelfde als van de brug in het water\u2026<br \/>\nMensen ontmoetten haar, hadden medelijden en vroegen\u2026<br \/>\n\u2014 Maar hoe dan?.. hoe dan?.. \u2014 vertelde Motrja huilend aan iedereen \u2014 Hij was lief en dierbaar, maar plotseling\u2026 zie daar, en stil! Ik zal dit niet overleven, ik kan het niet\u2026 Zijn jas heeft hij versjouwd, al zijn kleren \u2014 in \u00e9\u00e9n hemd, als een bandiet, als een soort heiden!.. Al drie schapen heeft hij versjouwd\u2026 En hij heeft ook slecht gezelschap gekozen \u2014 zwervers uit de hele wereld\u2026 Mijn God! wat moet ik arme vrouw nu doen?..<br \/>\n\u2014 U moet hem overreden; u moet hem met woorden beschamen, \u2014 raadden de mensen Motrja.<br \/>\n\u2014 Heb ik hem dan niet overreed, heb ik niet gesmeekt?! \u2014 huilde Motrja. \u2014 Ik giet mijn ziel voor hem uit, niet met woorden maar met tranen\u2026 Met bittere verwijten probeer ik hem tot rede te brengen\u2026 Maar wat helpt het?.. Men zegt: als erwten tegen een muur!<br \/>\n\u2014 Dan moet u naar de dorpsraad gaan\u2026 Laat hem een week in de gevangenis houden! Hij zal nuchter worden en tot zichzelf komen, want zijn verstand is al beneveld\u2026<br \/>\nMotrja volgde het mensenadvies en klaagde bij de dorpsautoriteiten. Ze namen Tsjipka dronken mee en zetten hem met geweld in de cel. Hij merkte niet eens dat hij in slaap viel\u2026<br \/>\nTegen de avond merkten zijn kameraden dat Tsjipka er niet meer was. \u2019s Avonds gingen ze naar de cel, en omdat die slecht afgesloten was, braken ze hem open en lieten de gevangene vrij.<br \/>\nTsjipka ging naar huis\u2026 In zijn hoofd was de roes; in zijn hart woede\u2026 En achter hem liep Loesjnja en zei:<br \/>\n\u2014 Wat voor moeder is zij voor jou? Zich beklagen over haar zoon?! Wie zal haar na dit nog moeder noemen? Ze liet haar zoon in de cel opsluiten; daardoor heb ik geen leven meer!.. Waar is zoiets op de wereld gezien?!<br \/>\nTsjipka liep niet \u2014 hij vloog naar huis; hij ademde niet \u2014 vuur brandde in hem, en als een dolle stier stormde hij op het huis af\u2026<br \/>\nBam! \u2014 \u00e9\u00e9n raam\u2026<br \/>\nKling! \u2014 het tweede\u2026<br \/>\nHet derde viel in scherven\u2026<br \/>\nBonk! \u2014 met zijn voet tegen de deur\u2026 De deur vloog naar de gang\u2026<br \/>\nMotrja kroop van schrik helemaal in de hoek op de oven\u2026<br \/>\nTsjipka stormde de kamer binnen en schreeuwde:<br \/>\n\u2014 Waar is ze?.. waar is die oude heks?.. Wil je soms weer trouwen?.. Misschien heb je zin gekregen om mannen te halen?.. En om te voorkomen dat je zoon tegenspreekt \u2014 laat je hem in de cel gooien!..<br \/>\nDie slangachtige woorden troffen het moederhart diep. Zoals een neergeschoten tortelduif zich schokt en zachtjes koert en kreunt, zo trilde de moeder op de oven in de hoek en zei zacht, bitter tegen haar zoon:<br \/>\n\u2014 Vrees God, Tsjipka! Denk na over wat je zegt?! Voor mij is de wereld niet meer dierbaar, voor mij\u2026<br \/>\nZe maakte haar zin niet af en barstte in bittere tranen uit.<br \/>\n\u2014 En voor mij?.. Denk je dat het mij gemakkelijk vergaat?! Misschien barst mijn hart van pijn!.. Iets als een duivel draait er met een boor in\u2026 En nog meer krijg ik, h\u00e8?!<br \/>\n\u2014 Waarom drink je dan, zoon?.. Wordt het je er lichter van? Luister naar die broeders die je met je hebt meegebracht, zij zullen je ten val brengen!.. Zolang je iets hebt, zullen ze bij je blijven; maar als je niets meer hebt, waar zullen ze dan heen gaan\u2026<br \/>\n\u2014 Lieg niet, oude vrouw! \u2014 onderbrak Petro Patsjoek haar.<br \/>\n\u2014 Laat jij, jongere, maar liegen, maar mij, oude vrouw, past het niet!..<br \/>\n\u2014 Wat is dat voor moeder die zich over haar zoon beklaagt? \u2014 gooide Loesjnja olie op het vuur bij Tsjipka. \u2014 Is dat een moeder?! Welke fatsoenlijke man zal een goed woord over haar zeggen?! Niet eens haar zoon beschermen\u2026 Als ze iets zag, zeg dan: ik zag niets; als ze iets hoorde, zeg dan: ik hoorde niets!.. Nee! Zij zegt meteen: kijk, zo is mijn zoon\u2026 Goede mensen, neem hem en zet hem in de cel!.. Wat voor moeder is dat?!<br \/>\n\u2014 Kijk eens wat de mensen zeggen?! \u2014 riep Tsjipka. \u2014 Hoor je wat ze zeggen?!<br \/>\n\u2014 De mensen?! \u2014 zei Motrja verdrietig, bitter en huilend \u2014 en ze kon geen woord meer uitbrengen; terwijl ze haar tranen afveegde, zweeg ze\u2026<br \/>\nTsjipka schreeuwde nog lang, maakte veel lawaai, en toen hij een nieuwe witte jas van zijn moeder uit de kist had gehaald, ging hij met zijn gezelschap naar Haljka.<br \/>\nHet was al late herfst. De koude wind drong door de gebroken ruiten en blies rechtstreeks door de open deur die Tsjipka achter zich had gelaten. Motrja kreeg het koud. Ze stond van de oven op om tenminste de deur te sluiten. Toen ze rondkeek \u2014 leek het huis leeg: de tafel omgegooid, potten gebroken, de kist open\u2026 Motrja stormde naar de kist \u2014 en verstijfde\u2026<br \/>\nDaar was alles omgewoeld, doorzocht \u2014 en de jas was weg\u2026 Motrja viel op de kist!<br \/>\n\u2014 Mijn God, mijn God! Hoeveel jaren heb ik gewerkt, hoeveel nachten heb ik niet geslapen, hoeveel gedachten heb ik overwogen, hoeveel gezondheid heb ik verloren, tot ik dit bezit had verzameld!.. En nu \u2014 heeft mijn eigen kind alles naar de herbergen gedragen!..<br \/>\nTranen stroomden in drie beken; verdriet en wrok drukten het misleide moederhart\u2026 Met moeite stond ze van de kist op.<br \/>\n\u2014 God! Grote Beschermer! \u2014 bad ze terwijl ze haar handen naar de hemel hief \u2014 mijn enige hoop, mijn enige troost \u2014 en ook die heeft mij bedrogen\u2026 Straf hem met uw heilige kracht, waar hij ook gaat, waar hij ook zijn gezicht heen wendt, omdat hij zijn oude moeder zo heeft veracht! Geef hem, Heer, de dag te beleven waarop zijn eigen kinderen hem dezelfde eer en respect tonen\u2026<br \/>\nToen bond ze haar laatste graanvoorraad in een bundeltje, sloeg het over haar schouder, maakte een kruisteken en ging naar de oude buurvrouw, een vroedvrouw die niet ver van hun erf woonde.<br \/>\nTsjipka kende toen geen tegenstand meer, geen verbod, want er was niemand in huis\u2026 Zo stond het huis met gebroken ramen als een verlaten plek aan de rand van het dorp. En Tsjipka zwierf alleen maar rond, ging van herberg naar herberg en nam uit huis alles mee wat hem maar onder ogen kwam. Hij had al zijn merrie, koe, schapen, varken en zelfs al zijn kleren versjouwd. Alleen bleef nog wat hij aan had: een gelapte jas, gescheurde broek en \u00e9\u00e9n hemd \u2014 zwart alsof het in teer was gedoopt. Blootsvoets, zonder muts, liep hij door het dorp van herberg tot herberg, dag na dag, nacht na nacht; en v\u00f3\u00f3r zonsopgang ging hij, als een huisgeest, terug naar zijn leeg huis\u2026<br \/>\nNiets was er meer!.. Alleen in de schuur waren nog hopen ongedorst graan\u2026<br \/>\n\u2014 Waarom laat je het graan in de schoven rotten? \u2014 vroeg Loesjnja hem eens. \u2014 Verkoop het aan de joden: het is toch geld! Anders gaat het verloren\u2026<br \/>\n\u2014 Eigenlijk wel, \u2014 zei Tsjipka.<br \/>\nDe volgende dag gingen de jongens op zoek naar een koper. Tsjipka zocht zijn eigen man, maar vond niemand. Loesjnja en Patsjoek gingen naar de joden. Ze vonden snel een koper en brachten hem naar de akker waar Tsjipka tussen de schoven liep.<br \/>\n\u2014 Tsjipka! \u2014 riep Loesjnja al vanaf de poort, \u2014 we brengen een koper.<br \/>\n\u2014 Een jood?<br \/>\n\u2014 Ja.<br \/>\n\u2014 Aan een jood verkoop ik niet!<br \/>\n\u2014 Tjonge\u2026 Waarom niet? Wie het ook koopt, als hij maar geld geeft.<br \/>\n\u2014 Maar ik verkoop niet aan een jood\u2026<br \/>\n\u2014 En voor hoeveel geef je per maat, Avram? \u2014 luisterde Loesjnja niet, maar begon te onderhandelen.<br \/>\nDe jood liep rond de schoven om ze te bekijken. Hij trok aren uit het midden, wreef ze in zijn handpalm en bekeek het graan.<br \/>\n\u2014 En wat zou het kosten? \u2014 vroeg hij toen.<br \/>\n\u2014 E\u00e9n roebel per maat? \u2014 zei Loesjnja.<br \/>\nTsjipka stond opzij bij een schof en keek naar de grond, terwijl hij ergens over nadacht.<br \/>\n\u2014 Oi, wee! Voor dit afval? \u2014 riep de jood uit.<br \/>\n\u2014 En wat dacht je dan?<br \/>\n\u2014 Voor een kop met kaf\u2026 meer kan men niet geven\u2026<br \/>\n\u2014 Ga naar de duivel! \u2014 snauwde Tsjipka en ging zelf naar huis.<br \/>\nLoesjnja en Patsjoek bleven met de jood op de dorsvloer.<br \/>\n\u2014 Nee, Avram, \u2014 zei Loesjnja, \u2014 voor die prijs koop je het nergens.<br \/>\n\u2014 Dit is geen graan zoals jij denkt, Avram, \u2014 mengde Patsjoek zich, \u2014 dit is herenbrood. Dat weten wij. Wij weten hoe het gezaaid is en hoe het opgeslagen is\u2026 Hier is misschien bovenop een beetje nat geworden, maar verder is het droog als stof\u2026 Kijk eens! \u2014 en hij trok een handvol rogge uit de schoven.<br \/>\nDe rogge was werkelijk goed: dikke, lange aren, vol droog graan.<br \/>\n\u2014 Kijk eens \u2014 wat voor rogge!<br \/>\nDe jood had zelf al aren uitgewreven en wist blijkbaar goed wat voor graan het was, maar toch nam hij nog een aar in zijn hand, wreef hem en bekeek het koren. Zijn gezicht liet niets merken \u2014 geen lof, geen afkeuring; alleen flikkerden er heel even kleine vonkjes in zijn zwarte ogen, maar die doofden meteen weer\u2026 Hij krabde aan zijn baard.<br \/>\n\u2014 Wees niet gierig, Avram, \u2014 drong Loesjnja aan, \u2014 wij zullen het ook voor je dorsen en schoonmaken.<br \/>\n\u2014 Nou, wat dan, wees niet gierig? Waarom meer geven dan nodig?!<br \/>\n\u2014 Hoezo waarom? Voor het graan! Kijk eens: elk korreltje is vol en zuiver\u2026 Je zou het ongeplet kunnen eten! \u2014 Loesjnja nam werkelijk enkele korrels in zijn mond en kauwde erop.<br \/>\n\u2014 Dus\u2026 voor \u00e9\u00e9n roebel?!<br \/>\n\u2014 Nee, niet voor \u00e9\u00e9n roebel, \u2014 antwoordde Loesjnja, \u2014 hij zal goedkoper verkopen.<br \/>\n\u2014 Waar is de boer? Waarom komt hij niet onderhandelen?<br \/>\n\u2014 Hij is naar huis gegaan\u2026 waarschijnlijk om water te drinken\u2026 Ren even, Petro, en roep hem!<br \/>\n\u2014 Tsjipka! Tsjipka-o! \u2014 riep Patsjoek terwijl hij naar het huis liep.<br \/>\n\u2014 Wat? \u2014 klonk Tsjipka\u2019s stem uit het huis.<br \/>\n\u2014 Kom afmaken, of wat.<br \/>\n\u2014 Ik heb gezegd: ik verkoop niet aan een jood.<br \/>\n\u2014 Waarom?<br \/>\nTsjipka antwoordde niet. Patsjoek wachtte even, maar Tsjipka kwam niet naar buiten.<br \/>\n\u2014 Kom hier, in huis! \u2014 riep Patsjoek naar Loesjnja en de jood.<br \/>\nZij gingen naar binnen, terwijl ze onderweg bleven praten over het graan.<br \/>\n\u2014 Nee, Avram, wees niet gierig, \u2014 zei Loesjnja. \u2014 Ik zeg je: zulk graan hebben we in het dorp nog niet gezien, al hebben we zo veel gedorst!<br \/>\n\u2014 Wat is graan? Graan is overal graan.<br \/>\n\u2014 Nee! Dit is niet van die grond. Dit is graan van nieuwe grond, van grond die tien jaar lang geen ploeg of ploegschaar heeft gezien\u2026 Dit is graan van vette aarde, \u2014 hield Loesjnja vol.<br \/>\nNet toen kwamen ze bij het huis aan.<br \/>\nTsjipka zat zelf in huis, zwijgend, alsof hij bedroefd was. Toen zijn kameraden met de jood nog niet waren gekomen, had hij met moeite de schoven bekeken die hij met zoveel zware arbeid had verzameld. Zwart aan de randen raakten ze zijn hart en voerden zijn gedachten terug naar de niet zo lang geleden tijd, toen hij in het voorjaar ditzelfde graan zag groeien, groen als ruwe, krachtig als een boom, toen hij Halja ontmoette \u2014 met haar praatte en grapte\u2026<br \/>\nHij had het gemaaid, vroeg opgestaan en laat naar bed gegaan; had het gebonden tot schoven, op hopen gelegd, naar de dorsvloer gebracht \u2014 zich als eigenaar gevoeld, in zijn hart de hoop gekoesterd dat hij dit bezit samen zou genieten\u2026<br \/>\nNu was die hoop zwart geworden, net als zijn ooit groene en gouden rogge\u2026<br \/>\nZijn wenkbrauwen fronsten; rond zijn hart kroop het verdriet als een zwarte slang.<br \/>\n\u201cNee, ik verkoop het niet! Laat het maar voor mijn ogen verrotten\u2026 maar ik verkoop het niet!\u201d dacht hij.<br \/>\nOp dat moment kwamen Loesjnja en de jood naar het huis. Tsjipka sprong op de drempel en zei dreigend:<br \/>\n\u2014 Waarom brengt u hem hierheen? Ik verkoop het graan niet!<br \/>\nZe waren allemaal verbaasd, zelfs geschrokken.<br \/>\n\u2014 Als je niet verkoopt, \u2014 schreeuwde de jood, \u2014 waarom heb je me dan laten komen? Ik heb geen tijd, ik heb daar nog zoveel werk, en zij slepen me hierheen!.. \u2014 En hij liep het erf af.<br \/>\nTsjipka ging weer het huis in; Loesjnja en Patsjoek volgden hem met gebogen hoofd.<br \/>\n\u2014 Ben je gek geworden, Tsjipka? \u2014 vroeg Loesjnja na een tijdje. \u2014 Zo\u2019n dure koper wegsturen\u2026 Aan wie ga je het graan dan verkopen?<br \/>\n\u2014 Ik heb gezegd dat ik niet verkoop!<br \/>\n\u2014 Maar wat dan? Is het beter dat het bij je wegrot?.. H\u00e8?.. Als een hond op het hooi liggen\u2026<br \/>\nTsjipka keek hem dreigend aan\u2026 Loesjnja zweeg.<br \/>\nOp dat moment stormde Matnja het huis binnen.<br \/>\n\u2014 Ha-ha, broeders! Er is iets! Laten we drinken! \u2014 riep hij terwijl hij met beide handen een fles wodka vasthield.<br \/>\n\u2014 Waar heb je die vandaan? \u2014 verheugde Patsjoek zich.<br \/>\n\u2014 Gevonden, broeders!<br \/>\n\u2014 Waar?<br \/>\n\u2014 In de herberg\u2026<br \/>\n\u2014 Hoe dan?<br \/>\n\u2014 Zo\u2026 \u2014 Matnja liet met zijn handen zien hoe hij de fles had gepakt.<br \/>\nHet gesprek sloeg een andere richting in.<br \/>\n\u2014 Maar hoe dan \u2014 heb je hem gestolen of afgepakt? \u2014 vroeg Patsjoek.<br \/>\n\u2014 Vraag niet hoe, vraag of hij goed is! \u2014 zei Matnja terwijl hij Patsjoek liet proeven.<br \/>\nDie prees de drank. Matnja bood ook Tsjipka aan.<br \/>\n\u2014 Hier, broertje, proef eens! Hier \u2014 neem! Je lippen plakken ervan samen, zo goed is hij!<br \/>\nTsjipka dronk. Ook Loesjnja dronk.<br \/>\nDe wodka maakte hun tongen los; er begonnen verhalen en praatjes\u2026<br \/>\nLoesjnja viel Tsjipka opnieuw aan: waarom hij het graan niet wilde verkopen.<br \/>\n\u2014 Ik verkoop niet aan een jood, \u2014 antwoordde Tsjipka.<br \/>\n\u2014 Aan wie dan wel?<br \/>\n\u2014 Aan niemand!<br \/>\n\u2014 Zonde! Het zal rotten \u2014 zonder een cent waard\u2026 en we drinken er geen druppel voor! Verkoop het, zeg ik. Verkoop het, broer! Weet je hoe we feest zullen vieren?<br \/>\n\u2014 Ik wil niet, broeders! Als je wist, Tymofij, hoe ik het niet wil!\u2026 \u2014 mompelde Tsjipka al aangeschoten.<br \/>\n\u2014 Maar waarom dan?.. Het zal toch rotten!\u2026<br \/>\n\u2014 Goed, wacht: morgen ga ik naar Hrytsjko\u2026 Als ik het hem niet verkoop, dan geef ik het misschien zo weg\u2026<br \/>\n\u2014 Tjonge! Dan kun je het beter zo aan mij geven, \u2014 zei Loesjnja. \u2014 Ik weet wel hoe ik het zal regelen. En Hrytsjko \u2014 wat? Hij is rijk: hij neemt het, profiteert ervan en zal niet eens bedanken\u2026<br \/>\n\u2014 Aan niemand anders zal ik het verkopen\u2026 dat past niet!<br \/>\nTot diep in de nacht probeerde het gezelschap Tsjipka te overtuigen aan wie hij het graan moest verkopen \u2014 verkopen, maar het niet gratis aan Hrytsjko geven. Tsjipka stemde niet toe.<br \/>\n\u2014 Ik was met hem bevriend; we hoedden vroeger als kleine jongens samen schapen\u2026 Moge het hem goed gaan met zijn nieuwe huishouden. Laat hij tenminste eerlijk van mijn werk leven, als het zo is voorbestemd!<\/p>\n<p>XVII BIECHT EN BOETEDOENING<br \/>\nDe volgende dag, vroeg in de ochtend, ging Tsjipka naar Hrytsjko. Het nieuwe huis, wit en netjes, zag er vriendelijk uit tussen de door de slechte herfststorm kaal geworden perenbomen en de rij wilgen. Het erf was ruim, schoon en omheind; achter op de dorsvloer lagen hopen stro; links stonden bedden met aarde en een kleine jonge kersenboomgaard; rechts een stal, een omheining en een kelder. Bij de poort, boven de doorgang, stond een nieuwe waterput met een hoge houten kraan.<br \/>\nTsjipka ging het erf op. Een grote, zwarte, ruwharige hond sprong op hem af vanuit de omheining. Tsjipka week achteruit naar de heg en begon een stokje los te maken. Op het geblaf van de hond liep een jonge vrouw het huis uit \u2014 klein, netjes, jong als een meisje \u2014 en begon naar de hond te roepen. De hond liep naar de tuin en jankte.<br \/>\nTsjipka naderde de vrouw en groette.<br \/>\n\u2014 Goedendag!<br \/>\n\u2014 God zij met u.<br \/>\n\u2014 Is Hrytsjko thuis?..<br \/>\n\u2014 Nee, hij is er niet\u2026<br \/>\n\u2014 Waar is hij dan?<br \/>\n\u2014 In de wijnkelder.<br \/>\n\u2014 En sinds wanneer zit hij daar?<br \/>\n\u2014 Niet lang\u2026 Deze week, denk ik\u2026 Nee, de derde week al\u2026 Er kwam een jood en hij heeft zich laten inhuren.<br \/>\n\u2014 Wanneer is hij thuis?<br \/>\n\u2014 Op vrijdagavond is hij altijd thuis\u2026 Maar gisteren was hij er niet \u2014 dat is een teken. Vandaag moet hij komen. Waarom zoekt u hem?<br \/>\n\u2014 Ik moet\u2026 Ik wil hem graan verkopen.<br \/>\n\u2014 Ik weet het niet, \u2014 zei ze nadenkend. \u2014 Kom wat later terug, tegen de middag, misschien komt hij naar huis\u2026<br \/>\n\u2014 Goed\u2026 Vaarwel!<br \/>\n\u2014 Ga gezond.<br \/>\nTsjipka ging de weg naar huis; de vrouw ging naar binnen.<br \/>\nHrytsjko was inderdaad niet thuis. In de herfst, nadat hij het graan had binnengehaald, overlegde hij met Chrystja en ging toen naar de wijnkelder. Nu werkte hij daar zonder die drift waarmee hij zich vorig jaar op het werk had gestort. Hij had nu zijn doel bereikt. Waarom zou hij zich dan uitputten? En als de jood goed betaalt, waarom dan niet een week rustig en bedachtzaam werken, zonder zich uit te sloven?<br \/>\nEr was nog geen uur voorbij nadat Tsjipka was vertrokken, of Hrytsjko kwam thuis.<br \/>\n\u2014 Waarom was je gisteren \u2019s avonds niet thuis? \u2014 begroette Chrystja hem.<br \/>\n\u2014 Er is iets gebeurd: niet iets waarover ik moet spreken, noch jij moet luisteren, \u2014 antwoordde Hrytsjko.<br \/>\n\u2014 Wat was er dan? Iets ergs?<br \/>\n\u2014 Zeggen dat het erg was, dank God, nee\u2026 Maar goed was het ook niet\u2026<br \/>\n\u2014 Wat is er dan? Zeg snel! \u2014 drong de geschrokken Chrystja aan.<br \/>\n\u2014 De jood Avram is beroofd\u2026 Daarom hielden ze ons tot vandaag vast.<br \/>\n\u2014 Ik dacht dat er iets anders was!! Wie heeft hem beroofd?<br \/>\n\u2014 God weet het\u2026 Sommige, zegt men, vermomde mensen\u2026 Ze hadden maskers op, bonden iedereen stevig vast en namen wat ze konden vinden.<br \/>\n\u2014 Wat voor mensen waren dat?<br \/>\n\u2014 Hij vermoedt dat het soldaten waren, omdat ze Russisch spraken\u2026 Jammer voor Avram, als je het vraagt!<br \/>\n\u2014 Och, grote jammer voor een jood! Hij heeft trouwens ook van ons genomen\u2026<br \/>\n\u2014 Nee, Chrystja: een jood is niet gelijk aan een jood. De ene jood is echt een schoft, maar Avram is, zeg ik je, een goed mens, al is hij een jood\u2026 Je moet God niet boos maken: hij helpt je als er nood is\u2026 Natuurlijk, hij neemt het zijne \u2014 zo niet met geld, dan met werk\u2026 En nu werken bijna al zijn mensen in de kelder voor schuldaflossing\u2026 Goede jood. Iedereen daar heeft medelijden met hem\u2026<br \/>\n\u2014 Ze zijn allemaal goed zolang ze slapen; maar zodra ze hun ogen openen, proberen ze meteen uit je te halen wat ze kunnen, je zo te verstrikken dat je niet meer uit hun klauwen kunt ontsnappen\u2026 Ze geven je een roebel, twee, maar laten je er tien voor terugwerken. Ze zijn allemaal met dezelfde zalf ingesmeerd! Kijk! En ik was het bijna vergeten te vertellen: Tsjipka is bij je geweest.<br \/>\n\u2014 Welke Tsjipka?<br \/>\n\u2014 Die\u2026 die als een bezetene door het dorp rent\u2026<br \/>\n\u2014 Aha!.. Wat wilde hij dan?<br \/>\n\u2014 Hij vroeg of je misschien graan wilde kopen?<br \/>\n\u2014 Wat voor graan? \u2014 vroeg Hrytsjko nadenkend.<br \/>\n\u2014 Ik weet het niet\u2026 Hij zei dat hij graan wilde verkopen\u2026 En ik stond daar maar te denken: wat voor graan verkoopt hij, en waarom zou jij graan moeten kopen als, God zij dank, het onze nog een beetje blijft groeien\u2026<br \/>\n\u2014 Wat heb je hem geantwoord?<br \/>\n\u2014 Wat heb ik hem geantwoord? Ik zei dat hij later moest terugkomen, als jij thuis zou zijn\u2026<br \/>\n\u2014 En hij?<br \/>\n\u2014 Hij zei dat hij zou terugkomen, en ging het erf uit.<br \/>\n\u2014 Hm, \u2014 mompelde Hrytsjko. \u2014 Kijk eens, of die jongen niet gek is geworden\u2026 Hij is helemaal van de drank geraakt!<br \/>\nHet gesprek over Tsjipka eindigde daar. Hrytsjko begon te vragen of alles in huis in orde was, wat Chrystja had gedaan, of ze sterk was, enzovoort. Chrystja antwoordde en vroeg op haar beurt naar Hrytsjko: wat ze hem hadden gezegd, waarover ze hadden ondervraagd, hoe ze hem hadden vastgehouden\u2026<br \/>\nEven later vroeg Chrystja aan haar man:<br \/>\n\u2014 Is het al tijd om te eten? Je bent van de weg \u2014 moe en hongerig\u2026 je zult eten, rusten\u2026<br \/>\n\u2014 Inderdaad, ik heb honger. Het brood was op; ik vroeg een stuk van een man en at een beetje\u2026 En nu lijkt het alsof\u2026<br \/>\nHet geblaf van een hond onderbrak hun gesprek. Chrystja keek uit het raam.<br \/>\n\u2014 Kijk, Tsjipka komt eraan\u2026<br \/>\nHrytsjko keek ook.<br \/>\n\u2014 Hij is zo haveloos en versleten, God nog aan toe!<br \/>\n\u2014 Misschien moet ik zeggen dat je niet thuis bent tot we gegeten hebben? \u2014 vroeg Chrystja, naar Hrytsjko kijkend.<br \/>\n\u2014 Nee, laat maar\u2026 je moet een mens niet voor de derde keer afwijzen\u2026 Weet je: ik was vroeger met hem bevriend, toen we samen schapen hoedden. Hij was wat vreemd\u2026 maar een goede kameraad\u2026 En kijk nu: wat is er van hem geworden?!<br \/>\nTsjipka kraakte de deur van de gang open en kwam binnen; de hond blafte zo hard dat hij tegen de deurposten sprong.<br \/>\nChrystja deed de deur van de kamer open.<br \/>\n\u2014 Wat een hond hebben jullie! \u2014 zei Tsjipka tegen haar. \u2014 Kom niet binnen met lege handen!.. Goedendag!<br \/>\n\u2014 Goedendag\u2026 Kom maar in de kamer: ik zal zelf de grendel wel sluiten, want die gaat zo stroef dat een ander hem niet dicht krijgt\u2026<br \/>\nChrystja haastte zich naar de buitendeur, deed die open, riep de hond toe en sloot en vergrendelde de deur weer.<br \/>\n\u2014 Is Hrytsjko weer terug? \u2014 vroeg Tsjipka terwijl hij wachtte tot Chrystja klaar was bij de deur.<br \/>\n\u2014 Hij is terug. Waarom gaat u niet naar binnen? Kom binnen!<br \/>\nTsjipka stapte schuchter de kamer in en bleef bij de drempel staan.<br \/>\nHij voelde zich tegelijk beschaamd en bang\u2026<br \/>\nHrytsjko begroette hem als eerste.<br \/>\n\u2014 Goedendag, Tsjipka!<br \/>\n\u2014 Goedendag, Hrytsjko! Broeder!.. Kijk eens hoe je veranderd bent!.. Toen je trouwde, was je bijna niet meer te herkennen!<br \/>\n\u2014 Waarin ben ik dan veranderd?<br \/>\n\u2014 In alles\u2026 je bent begroeid, ouder geworden\u2026<br \/>\n\u2014 Och, verzin toch niet! \u2014 piepte Chrystja. \u2014 Hoe kan hij oud zijn?.. Hij heeft zich gewoon niet geschoren\u2026 daarom lijkt het zo\u2026<br \/>\n\u2014 Misschien\u2026 Nee: ik heb je toch jonger gezien, Hrytsjko\u2026<br \/>\n\u2014 Het huwelijk heeft mij oud gemaakt, zegt men, \u2014 lachte Hrytsjko.<br \/>\n\u2014 Als dat maar de hele ouderdom was\u2026 \u2014 zei Tsjipka glimlachend.<br \/>\n\u2014 En jij, Tsjipka, bent ook veranderd\u2026 je lijkt niet meer op jezelf\u2026 Waarom ben je zo vervallen?<br \/>\n\u2014 Ellende, broer!.. \u2014 zuchtte Tsjipka en ging naast Hrytsjko aan tafel zitten. \u2014 Wie brengt ellende tot iets goeds?<br \/>\n\u2014 Wat voor ellende heb je dan?..<br \/>\n\u2014 Veel, Hrytsjko\u2026 te veel om te vertellen\u2026 \u2014 antwoordde Tsjipka weer met een zucht en liet zijn blik snel door de kamer gaan.<br \/>\nDe ruime, netjes witgekalkte, warme en lichte, stille en gelukkige kamer gaf hem een gevoel van warmte\u2026 Het leek alsof de muren zich naar zijn verdriet bogen\u2026<br \/>\nIn zijn hart werd het zacht en vriendelijk; zijn gedachten keerden terug naar het verleden \u2014 naar de steppe; ze toonden hem de oude, zwakke opa Oelas, de snelle Hrytsjko die op een ram reed; ze lieten hem weer op de wilgen jonge vogels zoeken\u2026<br \/>\n\u201cLeef-leef!.. Leef-leef!..\u201d \u2014 het leek alsof iemand met hamers deze woorden in zijn slapen sloeg\u2026<br \/>\nHij glimlachte pijnlijk\u2026 Keek naar Chrystja\u2026<br \/>\nEn zijn gedachten droegen hem naar het veld, tussen het groene graan, waar hij Halja voor het eerst ontmoette\u2026<br \/>\nHij kreeg spijt van zijn vroegere leven, dat zijn hoop had gekoesterd; hij wilde het aan iemand openen, het met iemand delen\u2026<br \/>\nHij voelde tranen opkomen, maar hij was bang dat ze zouden uitbarsten \u2014 daarom liet hij zijn ogen gaan van Hrytsjko naar Chrystja\u2026<br \/>\nEn zij leken hem zo gelukkig, zo goed, zo vriendelijk, dat zijn angst en schaamte voor zijn losbandige leven verdwenen\u2026<br \/>\nHij verlangde ernaar om oprecht, uit het hart, met hen te praten, als met familie. Met het hoofd op de borst gezakt, de ogen naar de grond gericht, probeerde hij het gesprek naar zich toe te trekken.<br \/>\n\u2014 Veel, zeg ik, valt er te vertellen\u2026 je kunt het niet op \u00e9\u00e9n dag allemaal navertellen\u2026 Ellende, zo wordt gezegd, als ze zich aan iemand vastklampt \u2014 je raakt er niet meer van af!..<br \/>\n\u2014 Wie is er dan schuldig aan uw ellende? \u2014 vroeg Chrystja terwijl ze hem aankeek. \u2014 Misschien u zelf het meest?..<br \/>\nDeze verwijtende opmerking stak Tsjipka wel meteen, maar hij liet dat niet blijken met een rimpel of een blik. Integendeel, de vraag die zo rechtstreeks uit de mond van de vrouw kwam, beviel hem zelfs.<br \/>\n\u2014 Ja, een beetje ben ik zelf schuldig, \u2014 antwoordde hij nadenkend. \u2014 Maar ook de mensen\u2026<br \/>\n\u2014 Waarin zijn de mensen dan schuldig? \u2014 vroeg Chrystja.<br \/>\nTsjipka bewoog zich een beetje. Het was duidelijk dat hij zo\u2019n vraag niet had verwacht. Hij zweeg even en keek steeds naar beneden, alsof hij overwoog of hij moest spreken of niet. Daarna, moeizaam, alsof de woorden aan zijn tong vastgeplakt zaten en hij ze met grote pijn losmaakte, zei hij:<br \/>\n\u2014 Door hun onrechtvaardigheid!..<br \/>\nHrytsjko zag met hoeveel pijn en verdriet Tsjipka deze twee woorden uitsprak en keek naar Chrystja:<br \/>\n\u2014 Hou op met kletsen! \u2014 zei hij tegen haar. \u2014 Maak beter het middageten klaar, dan eten we samen. Jij, Tsjipka, hebt nog niet gegeten?<br \/>\n\u2014 Ik\u2026 weet God wanneer ik nog eten heb gezien, \u2014 bekende Tsjipka met verdriet.<br \/>\nZijn woorden wekten medelijden bij Hrytsjko en Chrystja, en hij zelf was zo\u2019n figuur dat je hem, wil je of niet, moest beklagen\u2026<br \/>\nHrytsjko schoof snel naar de tafel, naar de ereplaats, en nodigde Tsjipka uit dichter bij hem te komen zitten. Chrystja haastte zich naar het brood, naar de kommen en naar de oven. Ze schepte snel borsjt in een kom, zette die midden op tafel; haalde lepels uit het kastje en legde ze voor ieder neer, en wilde net zelf op de bank aan tafel gaan zitten, toen Hrytsjko zei:<br \/>\n\u2014 Zouden we zo droog gaan zitten?.. Er zal vast nog wel wat wodka in onze hut zijn\u2026 We hebben Tsjipka zo lang niet gezien, dat het goed zou zijn een glas te drinken. Kom, laten we een borreltje nemen\u2026 Maar eerlijk gezegd \u2014 het lijkt alsof iets me pijnigt, me trekt\u2026 Zal het mij niet slecht bekomen?<br \/>\nChrystja ging naar het achterhuis en bracht spoedig een fles wodka, zette die op tafel en ging zelf zitten.<br \/>\n\u2014 Schenk in, vrouw!<br \/>\nChrystja schonk in. Hrytsjko nam het glas, wendde zich tot Tsjipka en zei:<br \/>\n\u2014 Moge God ons alles geven wat wij wensen!<br \/>\n\u2014 Amen! \u2014 antwoordde Tsjipka.<br \/>\nDaarna schonk Chrystja opnieuw een glas in, en Hrytsjko schoof het naar Tsjipka. Ook Tsjipka dronk.<br \/>\nToen schonk Hrytsjko zelf een half glas in en schoof het naar Chrystja:<br \/>\n\u2014 Drink ook, vrouw!<br \/>\nChrystja nam het glas, proefde ervan, knikte met haar hoofd en begon borsjt te eten.<br \/>\nOok de mannen begonnen te eten. Tsjipka dacht dat hij nooit zo\u2019n goede wodka had gedronken en zo\u2019n smakelijke borsjt had gegeten. Nadat ze borsjt hadden gegeten, haalde Chrystja noedels in melk tevoorschijn\u2026<br \/>\nTsjipka, alsof hij drie dagen niet had gegeten\u2026 Alles leek hem zo goed en lekker; de gastheren zelf leken hem zo oprecht en vriendelijk dat hij zelfs wat vrolijker werd\u2026<br \/>\nEr viel een nevel van zijn gezicht; de rimpels op zijn voorhoofd, die als golven kwamen en gingen, verdwenen; hij liet zijn slimme, donkere ogen vrolijk glanzen en begon te biechten:<br \/>\n\u2014 Dus u, moeder, \u2014 wendde hij zich tot Chrystja, \u2014 wilt weten waarin de mensen schuldig zijn aan mijn ongeluk? In alles zijn ze schuldig! Van het kleinste, onmerkbare tot het grootste\u2026<br \/>\nKijk maar eens hoe zij onder elkaar leven! Leven ze als mensen, als broeders, zoals God heeft bevolen te leven?.. Ja toch! Ze zouden elkaar nog in een lepel water willen verdrinken, van de aardbodem wegvegen!..<br \/>\nHrytsjko glimlachte\u2026<br \/>\n\u2014 Wat gaat jou dat aan, Tsjipka? zeg mij dat toch, om Gods wil?.. Je wordt er toch niet kouder of warmer van\u2026<br \/>\n\u2014 Hoe, niet warmer of kouder? En waar is dan de waarheid? Waar is die waarheid volgens welke wij moeten leven? Waar is zij gebleven? Wie heeft haar van ons gestolen? \u2014 raasde Tsjipka. \u2014 Waar is ze naartoe gelopen?.. h\u00e8?<br \/>\n\u2014 Er is geen waarheid, \u2014 antwoordde Hrytsjko, \u2014 leef dan zoals iedereen leeft\u2026<br \/>\n\u2014 En als men je niet laat leven? Wat dan?<br \/>\n\u2014 Dan is dat allemaal maar een waan!<br \/>\n\u2014 O, Hrytsjko! O, broeder! zeg dat niet\u2026 het doet mij pijn, zo\u2019n woord brandt in mij\u2026<br \/>\n\u2014 Je verzint maar wat, Tsjipka! Je weet zelf niet waarover je je zorgen maakt\u2026 Er is nu een andere tijd gekomen, andere mensen zijn geboren\u2026<br \/>\n\u2014 Wat moet ik doen als ik niet met hen kan leven? Waar ben ik dan schuldig aan?.. Ik lijd toch al\u2026 Luister eens naar wat voor \u201crechtvaardigheid\u201d er bij de mensen is. Jij kende mijn land?<br \/>\n\u2014 Ja\u2026<br \/>\n\u2014 Je hebt gehoord dat het van mij is afgenomen\u2026 weet je? Datzelfde land waarvan de gemeenschap zelf zei: \u201cDit is jouw land, Tsjipka, bezit het!\u201d En nu zijn er zulke meesters gevonden die zelfs de wil van de gemeenschap hebben gebroken\u2026 Ze hebben mijn land zomaar toegewezen, God weet aan wie en waarvoor\u2026 Waarschijnlijk om het in geld om te zetten en dan weg te waaien naar waar hij vandaan kwam\u2026<br \/>\nEn hoe denk je dat hij dat land heeft afgepakt?.. Hij heeft de rechters omgekocht\u2026 en het vonnis was: dat is niet jouw land, Tsjipka! Vroeger was het jouw land, maar nu niet meer!..<br \/>\n\u2014 Waarom ben je niet naar de rechtbank van Tsjyzjyk gegaan? \u2014 vroeg Hrytsjko. \u2014 Hij helpt soms, zeggen ze.<br \/>\n\u2014 Ik ben gegaan. Hij hielp\u2026 Als je vijftig roebel geeft, dan help ik!<br \/>\n\u2014 En jij dan?<br \/>\n\u2014 Waar moest ik die vandaan halen?.. Zo is het recht in deze wereld! De ene komt, smeert geld toe \u2014 en krijgt het land toegewezen; en geef jij vijftig roebel \u2014 en ze wijzen het jou toe\u2026 Als er rechtvaardigheid was, zou dit niet gebeuren\u2026 dan was het land bij mij gebleven. En als het land bij mij was, zou ik nooit geworden zijn zoals jullie mij nu zien\u2026<br \/>\nWeet ik niet wat ze over mij zeggen en denken?.. Ik weet het\u2026 heel goed!.. Maar laat ze praten, laat ze denken\u2026 iedereen mag zeggen en denken wat hij wil!.. Maar niet iedereen krijgt het gegeven om te weten\u2026 in een vreemde ziel te kijken, te begrijpen wat daar gebeurt, en in een vreemd hart te zien\u2026<br \/>\nKijk met een eerlijk oog in hem, en je zult zien wat daar gaande is, welke zware kwellingen hem soms drukken, welk ongeluk hem verscheurt\u2026 Daar hebben zij geen verstand voor\u2026 dat wordt hun niet gegeven!..<br \/>\nEn zo noemen ze mij een zwerver, een dronkaard, een losbol\u2026 Maar misschien ben ik beter dan zij\u2026 alleen is mijn lot slecht!..<br \/>\nIk zeg jullie: veel praten en een beetje luisteren\u2026 Laat mij een losbol zijn, want mijn handen willen niet meer naar het werk opgaan; laat mij een dronkaard zijn, want alleen in de drank kan ik mijn ziel verlichten\u2026 Waar moet ik haar anders verlichten, zeg het mij?..<br \/>\nTsjipka\u2019s woorden stroomden als water.<br \/>\nHrytsjko en Chrystja luisterden en keken elkaar aan; en Chrystja zuchtte af en toe zacht en diep\u2026<br \/>\nZe hadden gegeten. Tsjipka dankte God en de gastheren.<br \/>\n\u2014 Weet je wat, Hrytsjko?<br \/>\n\u2014 Wat?<br \/>\n\u2014 Waarom ik naar jou ben gekomen?<br \/>\n\u2014 Zeg het.<br \/>\n\u2014 Ik kwam\u2026 om te vragen of je het graan dat op de dorsvloer is gebleven, niet van mij wilt kopen. Zelf krijg ik het niet meer op orde; aan de jood verkopen wil ik niet\u2026 Koop jij het, broer!<br \/>\n\u2014 Wat heb ik eraan, Tsjipka? Ik heb mijn eigen graan al geregeld; het zal voor mij genoeg zijn\u2026<br \/>\n\u2014 Maar misschien is het goede graan, dan kun je het voor zaaigoed houden, \u2014 zei Chrystja vriendelijk.<br \/>\n\u2014 En geld heb ik nu ook niet, \u2014 klaagde Hrytsjko.<br \/>\n\u2014 Dan betaal je wanneer je kunt \u2014 zei Tsjipka. \u2014 Ik wil mijn arbeid niet in joodse handen laten vallen\u2026 Hij zal het verachten, die verdomde jood, het voor wodka verspillen\u2026 En jij, als een goede boer, weet ik, zult het tot verstand brengen\u2026<br \/>\n\u2014 Nee, Tsjipka, ik koop het niet: ik heb het niet nodig!<br \/>\nTsjipka dacht na; zijn ogen dofden; hij keek naar beneden\u2026 Maar snel flitste een droevige gedachte voorbij; zijn ogen begonnen weer te glanzen \u2014 en alsof hij zich verheugde, sprak hij vast:<br \/>\n\u2014 Goed, als je het niet koopt, neem het dan zo!<br \/>\n\u2014 Waarom zou ik het van jou nemen? Denk eens goed na\u2026 Jij hebt alleen dat ene graan nog; en ik lijd, God zij dank, nog geen nood!..<br \/>\n\u2014 Dan gaat het toch verloren, Hrytsjko! Ik zal het verzuipen\u2026 Neem het, broer, heb medelijden met mijn arbeid! Jij bent een goed mens, ik ken je al van jongs af\u2026 Herinner je je hoe we ooit vogeltjes uit nesten haalden? Herinner je je de oude man? Neem het! Ik houd van jou en van je vrouw\u2026 Ik kwam bij jullie in huis alsof ik het paradijs binnenging. Jullie hebben mij verwelkomd als familie; jullie hebben mijn hart en ziel opgewarmd\u2026 Neem het, Hrytsjko, ik vraag het je\u2026<br \/>\n\u2014 Voor mij\u2026 \u2014 antwoordde Hrytsjko, alsof hij het niet echt wilde. \u2014 Als je het zo graag wilt, dan neem ik het wel. Maar weet je wat, Tsjipka? Je hebt een oude moeder, en jij hebt haar zo veracht\u2026 de arme vrouw moet bij vreemde mensen haar brood verdienen\u2026<br \/>\n\u2014 Moeder\u2026 moeder\u2026 \u2014 mompelde Tsjipka en fronste zijn wenkbrauwen. \u2014 Praat niet over mijn moeder\u2026 Wie weet wie van ons meer schuldig is\u2026<br \/>\nHrytsjko\u2019s verwijt raakte Tsjipka diep. Hij zweeg, keek naar de grond, alsof hij bang was naar Hrytsjko te kijken; dacht even na en nam haastig afscheid en ging naar buiten.<br \/>\n\u2014 Dan kom je het morgen, bij het uitgaan, ophalen, Hrytsjko? \u2014 vroeg hij al achter de deur.<br \/>\n\u2014 Goed. Misschien kom ik zelfs vandaag nog langs, als alles in orde is\u2026<br \/>\nTsjipka ging weg. Hrytsjko legde zijn jas onder zijn hoofd en ging op de bank liggen rusten. Chrystja waste het vaatwerk, ruimde op; ging op de vloer bij de oven zitten en begon vlas te spinnen met een kam. Het was stil in huis, zo stil dat het bijna drukkend was; alleen het snerpende geluid van het spinnewiel was te horen, en af en toe zuchtte Chrystja zacht\u2026<br \/>\nChrystja dacht aan het gesprek van vandaag met Tsjipka. Gedachten omsingelden haar, omhulden haar als grijze mist de aarde\u2026 Ze gaf zich eraan over: doe met mij wat je wilt, draag mij waarheen je wilt\u2026<br \/>\nEn Tsjipka leek haar niet zo\u2019n losbol en zwerver als de mensen hem noemden, en als zij hem tot vandaag zelf had beschouwd\u2026 Haar van jongs af gekwetste, weesachtige hart voelde dat Tsjipka anders was\u2026<br \/>\nGeen losbol \u2014 maar een slecht mens; losbol zijn is het kwaad van de mensen, de onrechtvaardigheid van de mensen! \u2014 zei haar hart\u2026<br \/>\nTsjipka\u2019s hart was misschien beter, zijn ziel schoner\u2026 En dat hij dronk?.. Dat dronk zijn ongeluk; niet voor niets had hij erover geklaagd! Maar hoe kon hij ook niet drinken, levend tussen zulke mensen die alleen maar denken: hoe kan ik voor mezelf zorgen, hoe kan ik iemand beroven, bedriegen? Zelfs broeders en zusters zijn vaak elkaars eerste vijanden\u2026<br \/>\n\u2014 Tsjipka had gelijk, \u2014 zei ze hardop, waardoor Hrytsjko uit zijn doezel ontwaakte.<br \/>\n\u2014 Welke waarheid? \u2014 vroeg hij, geeuwend.<br \/>\n\u2014 Dat er geen waarheid is onder de mensen, dat ze niet volgens de wet leven!<br \/>\n\u2014 Praat toch\u2026 een dronkaard die niet weet wat hij zegt, en jij gelooft hem meteen\u2026<br \/>\n\u2014 Hoe kan ik niet geloven als het zo is?..<br \/>\n\u2014 Hoe dan?<br \/>\n\u2014 Nou! Kijk naar mij\u2026 Als mensen rechtvaardig leefden, zou ik dan als wees dat verdriet en die armoede hebben moeten doorstaan? Zou mijn weesgoed verkwist zijn? Als ze volgens recht, niet volgens onrecht leefden, dan hadden ze dat allemaal bewaard, zouden ze een wees niet laten rondzwerven bij vreemde mensen, zouden ze haar niet als dienstmeid weggeven, waar ik misschien, zonder jou ooit te ontmoeten, mijn leven had moeten slijten\u2026<br \/>\n\u2014 Eigen hemd is nader dan de huid\u2026<br \/>\n\u2014 Dat is het juist\u2026 Alles is alleen voor zichzelf; aan wezen en ongelukkigen denkt men niet\u2026 Laat wezen maar vergaan\u2026<br \/>\n\u2014 Wie zou zich gratis over andermans goed ontfermen? \u2014 vroeg Hrytsjko.<br \/>\nChrystja voelde alsof iemand haar met een naald stak\u2026 Ze keek hem verschrikt aan: ze had dit nooit van Hrytsjko verwacht\u2026<br \/>\n\u2014 Zou jij ook zo handelen? \u2014 vroeg ze rechtstreeks, haar ogen op hem gericht.<br \/>\nHrytsjko schrok even, dacht na en antwoordde:<br \/>\n\u2014 Wat dan nog als ik dat niet zou doen? Anderen zouden het wel doen! Maar waarom val je mij zo lastig? \u2014 zei hij, zijn zachte toon veranderend, en hij keek Chrystja scherp aan.<br \/>\nChrystja zat op de vloer bleek en bedroefd, en keek hem recht in de ogen met een vertrokken gezicht. Haar hoofd helde een beetje opzij; de draad in de ene hand en de kluwen in de andere waren stilgevallen\u2026 Aan haar gezicht kon men zien dat ze, hoewel ze naar Hrytsjko keek en hem recht in de ogen aankeek, niets zag; haar gedachten waren ver weg, heel ver weg\u2026<br \/>\nHrytsjko merkte het; zijn hart sloeg pijnlijk op.<br \/>\n\u2014 Chrystja! \u2014 riep hij.<br \/>\nChrystja schrok, zodat de kluwen uit haar handen viel; ze sprong op om hem te pakken\u2026<br \/>\n\u2014 Wat is er met jou? Ben je soms verliefd op Tsjipka\u2019s blote hielen?<br \/>\nOf het kwam doordat ze zich bukte, of misschien omdat Hrytsjko\u2019s scherpe opmerking haar hart raakte en het bloed naar haar hoofd joeg \u2014 maar haar tot dan toe bleke gezicht werd plotseling rood als vuur.<br \/>\n\u2014 O\u2026 hoe heb je mij laten schrikken, vervloekt zij het! \u2014 zei ze glimlachend en op adem komend, om haar eerdere droefheid met een glimlach te verbergen.<br \/>\nHrytsjko keek haar aandachtig aan. De blos was al van haar gezicht verdwenen, alleen een verborgen, licht zuchten en een schuwe, beschaamde blik uit haar glanzende ogen herinnerden eraan dat Hrytsjko misschien gelijk had gehad\u2026 Maar Hrytsjko zei niets. Hij liet zijn benen van de bank hangen en begon in zijn zak naar zijn pijp te zoeken. Toen hij die gevonden en eruit gehaald had, peuterde hij lang in de pijp met een prikkertje, terwijl hij zich uitstrekte en gaapte; daarna klopte hij de as uit op de bank.<br \/>\n\u2014 Ik ga maar even buiten roken, \u2014 zei hij, terwijl hij de tabak in zijn hand kneedde en de pijp tussen zijn tanden hield, \u2014 en naar de wagen kijken\u2026 of de assen goed zijn? Want morgen, misschien met de wagen, kan ik het graan overbrengen\u2026<br \/>\nHrytsjko ging het huis uit.<br \/>\nChrystja bleef alleen. Ze haalde zelfs haar schouders op.<br \/>\n\u2014 Wat is er toch met mij gebeurd?! \u2014 vroeg ze zichzelf, en even later begon ze een droevig, weemoedig lied door het hele huis te zingen\u2026 In haar stem klonken tranen en droefheid; ze omhulden het huis en Chrystja zelf; ze uitte met haar stem haar zware verdriet, terwijl haar hand draad na draad bleef spinnen\u2026<br \/>\nOp zondag, zodra ze uit de kerk kwamen en gegeten hadden, spande Hrytsjko meteen zijn twee ossen in, leende van de buurman nog een paar, en reed met twee koppels naar Tsjipka.<br \/>\nDe lege tuin, de slechte omheining, de scheve poort en het ongepleisterde huis met de gebroken ramen vielen hem onvriendelijk op en deden zijn zorgzame natuur pijn. Met verwijt en tegelijk met medelijden keek hij naar Tsjipka\u2019s bezit\u2026<br \/>\n\u2014 God, Heer! Kan een mens zo eindigen?! En dat alles door eigen wil\u2026<br \/>\nHrytsjko bleef bij het huis staan. De deuren waren gesloten en vergrendeld. Hij keek rond het huis, naar de dorsvloer \u2014 nergens was iemand te zien; alleen de donkere graanstapels lagen op de vloer. Hrytsjko ging onder het raam staan en keek door de gebroken ruit. Op de vloer lagen drie mannen te slapen; op de bank lag Tsjipka \u2014 de vierde.<br \/>\n\u2014 Tsjipka! Tsjipka! \u2014 riep Hrytsjko.<br \/>\n\u2014 Wie is daar? \u2014 vroeg Loesjnja, die als eerste wakker werd.<br \/>\n\u2014 Maak Tsjipka alstublieft wakker.<br \/>\n\u2014 Waarom? \u2014 vroeg Loesjnja, zich uitrekkend.<br \/>\n\u2014 Ik ben voor het graan gekomen.<br \/>\nLoesjnja gaf Tsjipka een schop met zijn voet.<br \/>\n\u2014 Tsjipka!<br \/>\n\u2014 Wat?<br \/>\n\u2014 Er is een man voor het graan gekomen.<br \/>\n\u2014 Aha, \u2014 zei Tsjipka en sprong snel op. \u2014 Dag, Hrytsjko!<br \/>\n\u2014 Dag\u2026 Dus zo zwerf je rond?!<br \/>\n\u2014 Zo, zoals je ziet!<br \/>\n\u2014 Waarom zet je geen ramen in? De kou komt eraan.<br \/>\n\u2014 Het bloed van een goede kerel houdt hem warm, \u2014 antwoordde Loesjnja voor Tsjipka.<br \/>\nTsjipka ging naar de gang om de deur open te maken. Loesjnja begon de gezellen wakker te maken.<br \/>\n\u2014 Sta op, broeders, geld tellen!<br \/>\n\u2014 Wat voor geld?<br \/>\n\u2014 Tsjipka heeft het graan verkocht.<br \/>\n\u2014 Aan wie verkocht?<br \/>\n\u2014 Aan Hrytsjko Tsjoeproenjenko\u2026<br \/>\n\u2014 En voor veel geld?<br \/>\n\u2014 Weet ik niet.<br \/>\nPatsjoek en Matnja kwamen overeind, wreven slaperig hun ogen, gaapten.<br \/>\n\u2014 Ik heb waarschijnlijk niet genoeg geslapen, \u2014 zei Matnja, \u2014 mijn hoofd doet pijn. \u2014 En hij ging weer liggen.<br \/>\n\u2014 Daarom ben je ook uitgewaaid als een zak, \u2014 verweet Loesjnja hem.<br \/>\nOp dat moment kwam Tsjipka de kamer binnen.<br \/>\n\u2014 Kom, broeders, helpen we die man het graan op de wagen laden, \u2014 zei hij tegen zijn vrienden.<br \/>\n\u2014 Laten we gaan. Heb je gehoord, Jakym? Sta op en kom mee! \u2014 riep Loesjnja. \u2014 Vanavond gaan we des te beter feestvieren!!<br \/>\nPatsjoek luisterde meteen, maar Matnja stond op, wreef weer in zijn ogen en rekte zich uit. Uiteindelijk stond ook hij, met tegenzin, op; samen gingen ze naar de graanstapels.<br \/>\nTwee gaven aan, twee laadden op de wagens. Beide wagens werden geladen, goed vastgedrukt met een riem, netjes en als een boer. Hrytsjko reed weg.<br \/>\n\u2014 En voor hoeveel heb je verkocht, Tsjipka? \u2014 vroeg Loesjnja.<br \/>\n\u2014 Voor niets.<br \/>\n\u2014 Hoe, voor niets? \u2014 riepen ze allemaal tegelijk.<br \/>\n\u2014 Zo\u2026 cadeau gegeven\u2026<br \/>\nHet gezelschap zweeg en liet de hoofden hangen.<br \/>\n\u2014 Verdorie nog aan toe! \u2014 zei Loesjnja droevig als eerste.<br \/>\n\u2014 En de jood, zie je, wilde kopen \u2014 maar jij verkocht niet, \u2014 zei ook Patsjoek treurig tussen zijn tanden.<br \/>\n\u2014 Omdat hij een jood is! \u2014 hakte Tsjipka scherp af.<br \/>\n\u2014 Nou zeg! dan gaan we maar feestvieren\u2026 de duivel hale het!.. \u2014 krabde Matnja aan zijn achterhoofd. \u2014 Beter had je mij niet wakker gemaakt, jongens\u2026 Dan had ik tenminste mijn slaap niet onderbroken\u2026<br \/>\n\u2014 De jood bood drie roebel per kop graan, \u2014 zei Loesjnja weer, \u2014 en jij, je eigen mens, geeft het voor niets weg! Zo gaat dat!<br \/>\n\u2014 Zo is het, zoals je ziet! \u2014 prikte Patsjoek.<br \/>\n\u2014 Aaa\u2026 \u2014 gaapte Matnja terwijl hij zich uitrekte, \u2014 waarom moest men mij ook wakker maken?!<br \/>\nTsjipka keek het gezelschap aan en werd bleek.<br \/>\n\u2014 Jullie zijn, broeders, zoals ik zie, boos op mij, \u2014 begon hij zichzelf bedwingend. \u2014 Zo moest het\u2026 En daarmee is alles gezegd! Aan de jood heb ik het voor geen geld verkocht, maar aan een vriend \u2014 zo gegeven.<br \/>\n\u2014 En wat zijn wij dan voor jou, \u2014 zei Loesjnja, zijn woede bedwingend\u2026 \u2014 Zijn wij dan geen vrienden? Waarom heb je het ons niet gegeven? Wij hadden het zelf verkocht\u2026<br \/>\n\u2014 Aan de jood!<br \/>\n\u2014 Nou, dan hadden we wel gezien aan wie\u2026<br \/>\n\u2014 Een mens, \u2014 ging Tsjipka verder, \u2014 zal eerlijk leven en met een goed woord herinnerd worden\u2026 Maar een jood \u2014 wat dan?<br \/>\n\u2014 Wordt het warm van dat goede woord? \u2014 prikt Patsjoek.<br \/>\n\u2014 Warm! \u2014 hakte Tsjipka nu streng af, en daarna, zachter sprekend, zei hij: \u2014 Ik weet dat mijn arbeid niet tevergeefs zal zijn, en dat een goed mens hem tot verstand zal brengen\u2026<br \/>\n\u2014 Verdorie nog aan toe!.. Zo gaat het!.. Zo hebben we dus gefeest\u2026 \u2014 mompelde Matnja, op zijn knie\u00ebn zittend en zijn opgezwollen wangen met de handen vasthoudend.<br \/>\n\u2014 We hadden niet zoiets van jou verwacht, Tsjipka! \u2014 beet Loesjnja hem toe.<br \/>\n\u2014 Wat dan?<br \/>\n\u2014 Wat jij gedaan hebt\u2026 Het goed is verloren!\u2026<br \/>\nAllen hurkten neer op de dorsvloer en lieten hun ogen als roofzuchtige wolven glanzen. Alleen Tsjipka stond, met zijn rug geleund tegen een onafgemaakte graanstapel, en keek treurig naar zijn kameraden, dan naar de graanstapels, dan naar de weg \u2014 of Hrytsjko nog niet kwam aanrijden.<br \/>\nToen kwam Hrytsjko weer terug.<br \/>\n\u2014 Heb je ons zo bedrogen, oom? \u2014 sprak Loesjnja hem aan.<br \/>\n\u2014 Hoe zo?<br \/>\n\u2014 Je zegt dat je het graan voor niets vervoert?<br \/>\n\u2014 Voor niets? Hm\u2026 een gegeven paard kijkt men niet in de bek.<br \/>\n\u2014 Neem ons dan tenminste mee om te dorsen, voor \u00e9\u00e9n roebel per kop graan, \u2014 grapte Patsjoek.<br \/>\nAllen lachten; Hrytsjko ook; alleen Tsjipka zweeg\u2026<br \/>\n\u2014 Genoeg, broeders, praat geen onzin, \u2014 wendde Tsjipka zich tot het gezelschap, \u2014 laten we die man helpen het graan bijeen te nemen, want de tijd staat niet stil!<br \/>\n\u2014 Laat hem het zelf maar oprapen, als hij het goedkoop gekocht heeft, \u2014 zei Loesjnja verwijtend.<br \/>\n\u2014 Timofij! \u2014 riep Tsjipka streng. \u2014 Of aan het werk, of het erf uit! Ik ga niet smeken\u2026<br \/>\nLoesjnja zuchtte, maar stond toch op en klom op de graanstapel; de anderen, hem ziend, begonnen ook te werken. Toch brandde het werk niet meer in hun handen zoals eerst. Maar ze laadden de wagens min of meer, bonden ze vast en maakten ze netjes klaar. Hrytsjko reed naar huis. Loesjnja liep achter hem aan.<br \/>\n\u2014 Oom!<br \/>\n\u2014 Ja?<br \/>\n\u2014 Geef ons toch iets voor de hulp\u2026 Werkten wij dan voor niets?.. Mijn rug doet al pijn.<br \/>\n\u2014 Wat moet ik jullie geven?<br \/>\n\u2014 Al is het maar vijf roebel\u2026<br \/>\n\u2014 Waar vind je die vijf roebel \u2014 op de mesthoop?<br \/>\n\u2014 En wat dan van het graan? Er zullen toch meer dan dertig koppen zijn\u2026<br \/>\nHrytsjko zweeg.<br \/>\n\u2014 Nou, dan drie roebel voor ons drie\u00ebn! Laat Tsjipka het cadeau geven \u2014 dat is zijn wil\u2026<br \/>\n\u2014 Goed\u2026 Als ik voor de derde keer terugkom, zal ik het meebrengen. Maar ik zal jullie vragen \u2014 help mij dan dorsen.<br \/>\n\u2014 Dorsen? \u2014 riep Loesjnja vrolijk uit. \u2014 Goed! Wat is er aan dat dorsen? Als de Heer ons een uurtje geeft, slaan we het met ons vieren in \u00e9\u00e9n dag!<br \/>\n\u2014 Dan zal ik ook nog een drinkgeld zetten, \u2014 voegde Hrytsjko toe.<br \/>\n\u2014 Goed, oom!.. Goed!<br \/>\nHrytsjko reed weg; Loesjnja keerde vrolijk terug naar de groep. Van blijdschap duwde hij Matnja, die onder de graanstapel een paar schoven had uitgespreid, zich ook met schoven wilde bedekken en al wilde slapen.<br \/>\n\u2014 Niet duwen! mijn zij doet al pijn van het graan, \u2014 antwoordde Matnja.<br \/>\n\u2014 Wees maar niet bang! Het lot zal je zij niet nemen; hoogstens kan het van de drank verrotten, \u2014 zei Patsjoek.<br \/>\n\u2014 Van die, dat we voor het graan zullen drinken?<br \/>\n\u2014 Misschien ook daarvan! \u2014 voegde Loesjnja toe.<br \/>\nTsjipka luisterde niet naar hun gesprek. Hij liep achter de graanstapels en schraapte bijeen wat er was blijven liggen, terwijl hij het graan op de wagens verplaatste.<br \/>\nLoesjnja knipoogde naar het gezelschap: maak je geen zorgen, leek hij te zeggen.<br \/>\n\u2014 Gaan we feestvieren? \u2014 vroegen de anderen zacht.<br \/>\nLoesjnja knikte: ja.<br \/>\n\u2014 En hoeveel? \u2014 vroeg Matnja.<br \/>\n\u2014 Drie roebel.<br \/>\n\u2014 Te weinig, \u2014 zei Patsjoek.<br \/>\n\u2014 Van een zieke hond moet je nemen wat je kunt nemen \u2014 al is het maar een plukje wol! \u2014 troostte Loesjnja.<br \/>\nHrytsjko kwam voor de derde keer terug, bracht het geld en nam het laatste graan. Toen de wagens geladen waren, zei Loesjnja:<br \/>\n\u2014 Nou, oom Hrytsjko, laten we toch een drinkgeld nemen!<br \/>\n\u2014 Laten we gaan: we lopen even naar Talka en drinken een achtste.<br \/>\nZe gingen. Hrytsjko riep ook Tsjipka. Die ging achter hen aan. Hrytsjko dronk zelf een achtste, gaf de anderen ook een achtste, en reed toen met het graan naar huis, opgewarmd \u2014 niet zozeer door de drank als door het geschenk.<br \/>\nHet gezelschap zette zich voor de hele nacht neer\u2026<\/p>\n<p>XVIII DE EERSTE STAP<br \/>\nMotrja ging helemaal bij de \u201clangvoetige oude vrouw\u201d wonen. Ze nam voor mensen spinwerk aan, vlas of wol, en leefde daarvan.<br \/>\nHet werd haar zwaar op de ziel, bitter in het hart, wanneer ze dacht dat ze op haar oude dag bij anderen als dienstmeid moest leven. Ze had toch haar eigen huis en bezit, al was het niet veel, maar er viel nog wel te leven\u2026 En nu moest ze in een vreemd huis anderen dienen en naar mensen luisteren\u2026<br \/>\nOverdag ging het nog wel; maar wanneer de nacht kwam, bestormden haar de gedachten als bij een belastinginning. Soms huilde Motrja de hele nacht.<br \/>\nZe had medelijden met Tsjipka\u2026 Ze had hem toch liefgehad, had hem grootgebracht, had lange winternachten en korte zomernachten slaap tekort gedaan, vroeg opgestaan, laat naar bed gegaan\u2026 Voor wie dan? Voor hem\u2026<br \/>\nEn dan kwam haar die vervloekte nacht in gedachten, toen hij dronken haar, zijn moeder, had beledigd met zware verwijten\u2026 Het stuk brood bleef haar in de keel steken wanneer ze eraan dacht terwijl ze ging eten. Motrja doorweekte haar hele kussen als ze \u2019s nachts eraan dacht\u2026<br \/>\n\u201cBeter had ik je, zoon, niet gebaard, of, nadat ik je gebaard had, je bij je benen genomen en je hoofd tegen een boomstronk geslagen, dan nu zo\u2019n minachting van je eigen kind te moeten dragen!.. Vervloekt was het uur dat ik je verwekte; vervloekt de vreugde waarmee ik voelde dat iets onder mijn hart bewoog\u2026 God! Heb ik U niet gesmeekt? Heb ik tegen Uw wil gezondigd?.. Waarom dan zo\u2019n straf, zo\u2019n verachting van mijn eigen kind?!\u201d<br \/>\n\u2014 Waarom kwel je jezelf zo, Motrja? \u2014 probeerde de oude vrouw haar te troosten. \u2014 Laat het iets goeds zijn, maar zo\u2019n luilak! Kijk, vandaag\u2026 alsof de duivel hem door vreemde erven heeft gedragen \u2014 zonder hoed, op blote voeten, in \u00e9\u00e9n hemd, en dat nog losgeknoopt als bij een schurk\u2026 Hij heeft de kinderen van Ostap zo bang gemaakt dat ze bijna doodschrokken. Ze speelden op de erfplaats. Op dat moment dreef zijn ongeluk hem daarheen. Hij rent als een dolle hond door de tuin\u2026 De kinderen begonnen te schreeuwen; hij achter hen aan\u2026 Hij greep het kleine meisje Parasja, vier jaar oud \u2014 en droeg haar weg\u2026 Waarom hij haar pakte? Alleen God weet het\u2026 Men zegt: hij is uit zijn kring gedronken! In zijn ogen staan de mensjes al ondersteboven\u2026 Ik zag hem ook nog op straat rennen. Maar ach, dacht ik, laat de duivel je maar nemen: ren maar tot je je eigen lot tegenkomt! En ik ging verder\u2026 Ik was al voorbij het huis van Ostap. Toen hoorde ik iemand achter mij rennen en roepen: \u201cOma, oma!\u201d Ik kijk om \u2014 daar staat Ostap\u2019s vrouw Chymka\u2026 haar gezicht was wit als een laken! \u2014 \u201cWat is er, kind?\u201d vraag ik. Zij begon te huilen en smeekte: \u201cAlstublieft, oma, om Gods wil, kom toch even terug naar huis en help mijn Paraska!\u201d. Wat is er met haar gebeurd? \u201cO mijn God! \u2014 zei ze huilend \u2014 die schurk, die dronkaard, moge hem noch leven noch geluk gegeven zijn! Hij heeft het kind doodsbang gemaakt\u2026 Hij liep over de erfplaats en pakte haar op\u2026 of hij haar ergens wilde meenemen, ik weet het niet; waarom binden ze hem niet aan een ketting?..\u201d Ik luisterde en ging mee. Toen ik binnenkwam, lag het kind op de vloer, kronkelde, sloeg zich en schreeuwde alsof het \u2014 God verhoede \u2014 een aanval had\u2026 Ik kruiste hem, fluisterde een gebed; het ging wat beter\u2026 Daarna heb ik de schrik eruit gewijd. En toch ging hij meteen weer weg \u2014 alsof hij uit was gegoten uit was! Zou ik om zo iemand huilen en me kwellen? Ik zou hem uit mijn gedachten werpen.<br \/>\n\u2014 Hoe kan ik niet huilen, hoe kan ik niet treuren als ik zo over hem hoor praten? Al had ik er tien gehad, dan zou de ene niet op de andere lijken; maar hij is mijn enige, als een stofje in mijn oog! Ik heb hem liefgehad, hem grootgebracht, mijn gezondheid opgeofferd, mijn hoop op hem gevestigd\u2026 En nu moet ik zelf bij vreemde mensen rondzwerven\u2026 Is dat dan gemakkelijk? En wat zullen de mensen zeggen? Wat voor moeder is dat, zullen ze zeggen, die haar zoon zo heeft laten gaan, hem niet heeft tegengehouden?.. Mijn God, mijn God! Ik vraag U maar \u00e9\u00e9n ding: laat mij sterven! Roep mij snel weg\u2026 Waarom gaat de dood langs goede mensen heen en komt hij niet naar mij?.. Dan zou ik mijn schouders en mijn ogen sluiten, laat het gebeuren wat wil. Mijn ogen zouden niet zien, mijn oren niet horen\u2026<br \/>\n\u2014 Ach, Motrja, wat verzin je toch! Wat zullen de mensen zeggen? Laat ze zeggen wat ze willen\u2026 De duivel zou hem halen als hij zo blijft. Zou jij door vreemde huizen gaan als hij een goed mens was?<br \/>\nMotrja kon het gesprek niet langer verdragen: ze zat daar en huilde met kleine, onbedachte tranen\u2026<br \/>\nEn Tsjipka \u2014 alsof hij een nieuw soort leven had bedacht \u2014 ging elke dag uit om te drinken en te zwerven\u2026 Hij liet zich volledig gaan\u2026 Hij dronk zich zover dat er thuis noch buiten iets meer was\u2026 Hij was uitgeput van het feesten en de slapeloze nachten\u2026<br \/>\nToen er nog een beetje bezit was, was er geld om te drinken; maar toen Hrytsjko het laatste graan van het erf had weggehaald, gaf de joodse kroegvrouw geen achtste meer zonder geld. \u201cGeef geld!\u201d \u2014 en daarmee uit.<br \/>\n\u201cGeld,\u201d dacht Tsjipka terwijl hij in huis lag nadat Hrytsjko het graan had meegenomen. De dorst brandde als een kaars in hem; de kater kwelde hem. \u201cGeld\u2026 Als er maar geld was! Dan zou ik niet rollen zoals nu, mijn plaats niet kunnen vinden; dan zou ik niet zo zwerven\u2026 Dan zou ik zelfs mijn land en alles voor geld weggeven. Als er maar geld was! E\u00e9n keer laten klinken en alles zou zich weer herstellen\u2026 en zij zou van mij zijn! Maar nu\u2026\u201d<br \/>\nZijn gedachten gingen terug naar het verleden, naar het recente. Voor hem ontvouwde zich het groene veld; hij liep erover, bekeek het; hij was blij dat alles zo goed opkwam, groeide, groen werd en bloeide\u2026 En daar vloog zij op als een kwartel uit het hoge graan\u2026 Gekleed als een pauw; licht als een vlinder; vrolijk als de ochtendzon\u2026 Het was hem een vreugde naar haar te kijken hoe ze naar hem glimlachte met haar volle rozerode lippen, hoe ze hem aankeek met haar vrolijke zwarte fluwelen ogen\u2026 Hij was gelukkig! En nu?<br \/>\nMidden in een onopgeruimde leegte, in vuil en modder, lag hij \u2014 gescheurd, haveloos, als een zwerver, als een schurk\u2026 En wat had hij vroeger niet gedaan?! Waar waren het paard, de schapen, de koe? Waar was de kleding die zijn moeder had gemaakt? Waar was zijn moeder? Waar ging zij heen? Waar liet zij haar grijze hoofd rusten?! Een eenzaam huis stond langs de weg, met gebroken ramen, onverwarmd, onverzorgd, zwart en vervallen\u2026 De kou kwam al binnen; de vorst drong het huis binnen\u2026 En het was koud en hongerig! De dorst naar drank brandde in zijn hart\u2026<br \/>\n\u2014 O\u2026 ik ben een misdadiger! Vervloekt ben ik!.. Wat heb ik mezelf aangedaan?! \u2014 Met woede greep hij met zijn handen in zijn onverzorgde haar. Haar viel uit; zijn ogen flikkerden\u2026 Hij beet op zijn lippen tot het bloed eruit kwam\u2026<br \/>\nDe herfstzon zakte achter de wolken. Afscheid nemend van de aarde, overgoot hij de wolken en de aarde met een vurige gloed. Rood als bloed kleurde de zonsondergang en keek met zijn rode ogen door de gebroken ruiten in Tsjipka\u2019s huis\u2026 Tsjipka rolde over het stro op de vloer.<br \/>\nOp dat moment kwamen de kameraden de hut binnen. Toen Loesjnja Tsjipka zag, barstte hij in lachen uit. Patsjoek en Matnja bleven bij de deur staan en verwonderden zich alleen maar.<br \/>\n\u2014 Tsjipka! \u2014 riep Loesjnja. \u2014 Ben je soms gek geworden? Welke duivelsvader rol je daar rond en trek je je haar uit?<br \/>\nHet onverwachte gelach bracht Tsjipka weer bij zijn positieven.<br \/>\n\u2014 Broertje! \u2014 zei hij als een kind. \u2014 Geef een glaasje\u2026 al is het maar een druppel, anders ga ik verloren! Het brandt in mij\u2026 het drukt\u2026 ik moet drinken\u2026 drinken!<br \/>\n\u2014 Hier, drink dan, dwaas! \u2014 riep Loesjnja en gaf hem een fles wodka van een kwartmaat.<br \/>\nTsjipka trilde helemaal toen hij de fles met beide handen vastgreep. Hij zette hem aan zijn verbrande, met bloed bevlekte lippen en dronk voorovergebogen, alsof het water was.<br \/>\nMatnja zag het, begon ook te beven\u2026 Hij sprong op Tsjipka af om de fles weg te nemen.<br \/>\n\u2014 Verdorie met jou! Kijk eens: hij laat geen druppel over, lucifer!<br \/>\nZe vochten om de fles\u2026 Tsjipka liet niet los en smeekte:<br \/>\n\u2014 Nog, broertje! Nog\u2026 nog een beetje\u2026 Al is het maar een druppel\u2026 om mijn ziel te verzachten\u2026<br \/>\n\u2014 Ga naar de duivel!.. Wat een zuiplap!\u2026<br \/>\nMaar nadat hij de fles had losgerukt, boog Matnja zich erover alsof een bloedzuiger zich aan het lichaam vasthecht\u2026 Matnja wist niet hoe hij drank aan anderen moest laten. Als hij een glas kreeg, slokte hij het tot op de laatste druppel; kreeg hij een achtste, dan goot hij het zonder ademhalen door zijn keel; kreeg hij een halve kwart of een kwart, dan dronk hij zolang hij kon, en na even op adem te zijn gekomen, dronk hij opnieuw tot de beker leeg was.<br \/>\nLoesjnja en Patsjoek sprongen op Matnja af en moesten hem met moeite losrukken; de fles werd bijna gebroken\u2026 Er ontstond gelach en geschreeuw\u2026<br \/>\nDe zon was helemaal ondergegaan; de nacht, in zwarte wolken gehuld, daalde op de aarde en maakte alles donker\u2026 En zij, in de donkere hut, leken als wezens uit de andere wereld, met hun dronken ogen die glansden, schreeuwend en lachend.<br \/>\nDe wodka greep Tsjipka: het bloed schoot hem naar het hoofd, en de brandende dorst week uit zijn hart. Vrolijk stond hij op en riep:<br \/>\n\u2014 Naar de kroeg, broeders! Naar de jood!<br \/>\n\u2014 Het is zonde naar de jood te gaan\u2026 De jood zal je niet vertrouwen! \u2014 zei Loesjnja.<br \/>\n\u2014 Hoe, varkensoor, zal hij niet vertrouwen? Alsof ik hem niet al mijn vee heb opgedronken, en die verdomde zoon van een Herodes zich nog om een achtste druk zou maken?!<br \/>\n\u2014 Of het hem nu verstikt of niet, hij zal niet vertrouwen! \u2014 zei Patsjoek somber en langzaam. \u2014 Beter nemen waar het licht ligt\u2026<br \/>\n\u2014 Stelen? \u2014 vroeg Tsjipka dreigend en keek Patsjoek scheef aan; daarna liet hij zijn blik over Loesjnja en Matnja gaan, alsof hij met zijn ogen vroeg: mag stelen?<br \/>\nLoesjnja aarzelde niet.<br \/>\n\u2014 Jawel! \u2014 zei hij. \u2014 In plaats van jezelf uit te putten en te bedelen bij een schooier, kun je beter met eigen handen pakken wat je nodig hebt en je warmen\u2026<br \/>\n\u2014 Inderdaad, om je te warmen, \u2014 viel Matnja bij, \u2014 anders verkleum je nog\u2026<br \/>\nTsjipka stond daar als iemand die besmet is\u2026 Zijn gedachten tolden rond. \u201cStelen?.. \u2014 dacht hij. \u2014 Goed werk, stelen\u2026 Je komt, neemt wat van een ander is \u2014 en je hebt het\u2026 Wat nog meer?.. Alleen\u2026 Dan zullen ze rondkijken, zoeken naar de dief\u2026 vervloeken ze mij\u2026 Maar ook mijn land hebben ze gestolen\u2026 mijn geluk, mijn lot\u2026 mogen ze het rechtvaardige licht nooit meer zien!.. O-h!.. Vervloekten!..\u201d \u2014 En hij riep plots door de hele hut:<br \/>\nGa mee, broeders! Laten we samen gaan feesten\u2026 Misschien gelooft die joodse vent, of misschien vinden we een goed mens die ons trakteert\u2026 Oeh!.. het is zwaar voor mij\u2026 ik wil feestvieren\u2026 ik wil vechten, strijden\u2026 ooo!\u2026<br \/>\nEn hij begon met gebalde vuist om zich heen te zwaaien, zich draaiend naar links en naar rechts \u2014 naar alle kanten\u2026 De kameraden sprongen in de hoeken uiteen, zodat Tsjipka hen toevallig niet zou raken.<br \/>\n\u2014 Verdorie met jou!.. \u2014 riep Loesjnja toen Tsjipka hem tegen de schouder sloeg\u2026 \u2014 Je slaat als met een balk! Ga maar naar buiten en sla tegen de gevel zo hard als je kunt!\u2026<br \/>\n\u2014 Pas op, \u2014 riep Tsjipka, \u2014 ik sla je neer! Ik verpletter je als een vlieg\u2026 \u2014 En terwijl hij op \u00e9\u00e9n been draaide, zwaaide hij met zijn handen als een molen die zijn wieken beweegt\u2026<br \/>\nDe kameraden wisselden blikken, sprongen tegelijk op hem af. De een pakte zijn armen, de ander zijn benen, de derde zijn middel \u2014 met moeite legden ze hem op de vloer. Uit de gebroken ramen barstte een waanzinnig gelach en lawaai los, dat zich over het stille erf verspreidde\u2026 De gewekte honden begonnen te blaffen\u2026<br \/>\n\u2014 Zullen we hier midden in de nacht nog lang blijven zitten? \u2014 vroeg Loesjnja, toen het gelach een beetje bedaarde. \u2014 Laten we ergens heen gaan, of wat?<br \/>\n\u2014 Ja, ja! \u2014 antwoordden Patsjoek en Matnja tegelijk.<br \/>\n\u2014 Weet je, Timofij, waar we heen gaan? \u2014 ging Patsjoek na een korte stilte verder. \u2014 Naar de heer! Hij is een goede man, al is hij een heer: hij gaf ons vroeger vaak iets, terwijl we nog in het hof waren\u2026 Zou hij ons nu weigeren? En zijn voorraadschuren zijn nu, in de winter\u2026 vol\u2026<br \/>\n\u2014 Kijk maar uit dat je niet aan de balk hangt! \u2014 keek Tsjipka Patsjoek dreigend aan.<br \/>\n\u2014 Waarom?.. Ik ken daar alle in- en uitgangen, \u2014 antwoordde die.<br \/>\n\u2014 De schuren zijn zwak, \u2014 zei Loesjnja tussen zijn tanden. \u2014 In \u00e9\u00e9n nacht kun je het regelen\u2026<br \/>\n\u2014 Misschien valt er een kwartje van de jood af, \u2014 besloot Matnja.<br \/>\nIn de hut werd het stil. Zittend naast Tsjipka op gebogen knie\u00ebn zwegen allen. Tsjipka, uitgeput, lag als een bos stro, zwaar ademend\u2026 Alleen zijn gesnurk verstoorde de slaperige duisternis die zich over de aarde had neergelegd. En in zijn gedachten kwam Poroch op met zijn verhaal. Het hele herengeweld tegen de waarheid rees voor hem op. \u201cInderdaad,\u201d dacht Tsjipka\u2026 \u2014 \u201cZij mogen dat doen!.. Waarom mogen wij het dan niet?.. Het is alleen vies\u2026 Dief, zullen ze zeggen\u2026 God! waar is die waarheid?..\u201d<br \/>\n\u2014 Tsjipka? \u2014 zei Loesjnja opnieuw.<br \/>\n\u2014 Wat?<br \/>\n\u2014 Laten we gaan.<br \/>\n\u2014 Waarheen?<br \/>\n\u2014 Naar de heer.<br \/>\n\u2014 Waarom?<br \/>\n\u2014 Op bezoek.<br \/>\n\u2014 Goed\u2026<br \/>\nBuiten stond een donkere nacht; dikke wolken hadden de lucht dichtgesmeerd \u2014 geen maan te zien, geen ster die schitterde\u2026 Een donkere duisternis daalde op de aarde neer \u2014 en niets was te zien, al schoot je vlak voor je ogen\u2026 Overal was het zo stil als in een oor: geen mens die sprak, geen hond die blafte\u2026 alleen af en toe kraakte een droog takje onder de zware stappen van het gezelschap.<br \/>\nZe liepen door de straat, daarna een tweede; midden in het dorp, bij de derde, scheidde Loesjnja zich van hen.<br \/>\n\u2014 Blijf hier staan! \u2014 zei hij zacht.<br \/>\nAllen bleven staan. Alleen Tsjipka sleepte zonder besef zijn voeten verder. Loesjnja liep recht naar het huis. Het was een joodse herberg. Het licht was nergens te zien; blijkbaar sliepen de joden al. Loesjnja klopte op het raam.<br \/>\n\u2014 Hersjko! Hersjko! doe open!..<br \/>\n\u2014 En wie is daar? \u2014 klonk er iemand uit het huis.<br \/>\n\u2014 Vrienden\u2026 doe open!<br \/>\n\u2014 Welke vrienden op dit uur? Wat moet je? \u2014 nu was de joodse stem goed te horen.<br \/>\n\u2014 Misschien wat tarwe kopen?<br \/>\n\u2014 Wat voor tarwe? \u2014 antwoordde Hersjko snel en schoof het raampje opzij. Onder het raam kwamen Patsjoek en Matnja staan.<br \/>\n\u2014 Wie zijn jullie? Waar komt die tarwe vandaan? \u2014 vroeg de jood toen hij bij het raam drie mannen zag staan.<br \/>\n\u2014 Waar het ook vandaan komt, wat gaat het jou aan? Zeg maar, wat geef je voor een zak?<br \/>\n\u2014 A-a\u2026 ben jij het, Timofij! Kom in huis. En wie is er nog met jou?<br \/>\n\u2014 Vrienden.<br \/>\n\u2014 Nou, ga dan de kamer in \u2014 daar praten we verder.<br \/>\nLoesjnja keek om zich heen \u2014 Tsjipka was niet te zien.<br \/>\n\u2014 En waar is Tsjipka? \u2014 vroeg hij.<br \/>\n\u2014 Daar, hij is als een schim verder gegaan, \u2014 zei Matnja en wees naar een donkere vlek die in de duisternis zwart en bewegend was.<br \/>\n\u2014 Ren, Petro, roep hem! \u2014 beval Loesjnja.<br \/>\nPatsjoek rende, haalde de donkere vlek in en keerde terug met Tsjipka.<br \/>\nOndertussen scheen er licht door het gebroken venster; de huisdeur kraakte; de grendel bij de buitendeur klonk \u2014 de herberg sperde zijn bek open en slokte hen allemaal op\u2026<br \/>\nNog voordat de jongens konden gaan zitten, verschenen er een halve kwart wodka, een half brood en een kom gezouten komkommers. Het gezelschap viel meteen aan op eten en drank\u2026 Binnen een uur was alles weggewerkt\u2026<br \/>\n\u2014 Nou\u2026 en waar is die tarwe? \u2014 vroeg de jood.<br \/>\n\u2014 Over tarwe moet je niet vragen, \u2014 zei Loesjnja, \u2014 wij zullen het wel regelen\u2026<br \/>\n\u2014 Ik weet het\u2026 Zo\u2019n dappere kozak zal wel krijgen wat hij wil\u2026 zelfs uit de hel haalt hij het!<br \/>\n\u2014 Juist\u2026 maar zeg eerst: hoeveel geef je per zak?<br \/>\n\u2014 Wat dan\u2026 zeven hryvnja\u2026<br \/>\n\u2014 Ach jij, varkensoor! \u2014 donderde Tsjipka door de hele kamer. \u2014 Voor een zak tarwe \u2014 zeven hryvnja?!<br \/>\n\u2014 Nou\u2026 wat is er met een zak?.. Ik weet wel wat voor tarwe het is\u2026 soms\u2026 God verhoede!\u2026<br \/>\nEn hij begon aan zijn rossige, lange, klitterige baard te krabben.<br \/>\nTsjipka opende zijn ogen wijd en keek verbaasd van de jood naar het gezelschap, alsof hij vroeg: over welke tarwe praat die joodse kerel?!<br \/>\n\u2014 Goed, \u2014 viel Loesjnja in, \u2014 jij, Hersjko, wilt het onze niet\u2026<br \/>\nHij kroop van achter de tafel vandaan, pakte zijn muts en maakte zich klaar om het huis te verlaten\u2026<br \/>\n\u2014 Wanneer kan ik van jou verwachten, Timofij?<br \/>\n\u2014 Nou\u2026 \u2014 hij aarzelde. \u2014 Voor het aanbreken van de dag\u2026 \u2014 fluisterde hij tegen de jood.<br \/>\n\u2014 Goed, goed\u2026 kijk uit!\u2026<br \/>\nBam, en ze dronken nog een halve kwart\u2026<br \/>\n\u2014 Nou en, wat dan dat we gedronken hebben? Hebben we voor niets gedronken? Als ik geen tarwe krijg, betaal ik voor de drank!<br \/>\n\u2014 Wat is daar betaling\u2026 Giet ik soms iets weg, of wat?\u2026<br \/>\n\u2014 Ja\u2026 Dan wacht je tot voor het ochtendgloren. Kom, jongens, laten we gaan! \u2014 riep hij tegen het gezelschap\u2026<br \/>\nAllen kwamen van achter de tafel, zetten hun mutsen op, verlieten het huis en staken hun pijpen aan. Ze liepen als een groep; iedereen praatte vrolijk. Alleen Tsjipka zweeg en trok aan zijn pijp. Het vuur uit de pijp verlichtte het gezelschap. Tsjipka zag hoe op ieders gezicht een soort vreugde speelde\u2026 Hij keek roofzuchtig naar hen en dacht: wat zal er hierna gebeuren?<br \/>\nLoesjnja merkte hoe het pijplicht en Tsjipka\u2019s sombere gezicht oplichtten.<br \/>\n\u2014 Wat is er met je, Tsjipka, alsof je mispoes hebt gegeten? \u2014 vroeg hij. \u2014 Waarom ben je zo somber?<br \/>\n\u2014 Wie is somber? \u2014 antwoordde Tsjipka vast.<br \/>\n\u2014 Wie dan ook\u2026<br \/>\nHet gesprek viel stil\u2026 Het geruis van het gezelschap verstomde; alles rondom werd stil. De slaap drukte op het hele dorp: nergens een ziel, nergens licht. Vermoeid na de dagtaak was alles in slaap gevallen\u2026 Alleen hier en daar waakten nog honden. Toen de jongens door de donkere straten gingen, klonk achter hen vijandig geblaf. Nu liepen ze zwijgend. Drie voorop; Tsjipka achteraan, stap voor stap slepend\u2026 Zo gaat een beer onwillig achter een zigeuner: hij spartelt tegen, maar gaat toch verder\u2026 Zijn hart voorspelt iets slechts. Geen echte angst, maar een donker gevoel koelt het hart\u2026 Koude dringt de ziel binnen\u2026 In de gedachten sluipt de vraag: \u201cWaarheen? Waarom? Achter hen\u2026 achter de kameraden?\u201d De gedachte bedriegt zichzelf en trekt Tsjipka verder en verder\u2026 Langzaam sleept hij zich voort, zonder de wil te hebben achter te blijven, de broeders te verlaten, misleid door een vleiende gedachte, terwijl een vreselijk gevoel in zijn hart wordt geduwd\u2026<br \/>\nZe kwamen bij het landgoed van de heer. Bleven staan. Tsjipka liep verder\u2026<br \/>\n\u2014 Tsjipka! Kom mee! \u2014 riep Loesjnja hem.<br \/>\n\u2014 Wat?!<br \/>\n\u2014 Samen het onze terugnemen\u2026<br \/>\nTsjipka bleef staan en dacht na\u2026<br \/>\n\u2014 Laten we gaan! \u2014 antwoordde hij dof\u2026<\/p>\n<p>XIX DE GLIBBERIGE WEG<br \/>\nWie is eens van een hoge berg op een slee naar beneden gegaan? Eerst is het niet eens eng om af te dalen \u2014 het is zelfs angstig om naar beneden te kijken\u2026 Als je voor het eerst op de slee zit en je bedenkt waar beneden bij God het einde is, rijzen je haren overeind. Maar de slee gaat naar beneden, steeds verder naar beneden\u2026 de kou grijpt de ziel, zweet verschijnt op het voorhoofd\u2026 Als je de bergkam passeert en pijlsnel naar beneden schiet, dan is er geen angst meer. De adem wordt weggenomen, een dierlijke vreugde grijpt je aan \u2014 je hebt maar \u00e9\u00e9n gedachte: sneller, sneller! Zo\u2019n gevoel kreeg ook Tsjipka, toen hij, na een bezoek aan de heer, in de graanschuur afdaalde. Hij werkte zo goed hij kon: kwam eruit \u2014 en botste tegen de wachter\u2026 Wat ook gebeurt, hij blijft op de glibberige weg meestal niet staan. Tsjipka was niet van het soort dat zich voor \u00e9\u00e9n man uit de weg liet jagen. Hij week ook niet voor de wachter, maar liet hem onder de schuur bijna dood achter.<br \/>\nTsjipka sliep. Zijn geweten, verzacht door drank, kwelde hem niet; angst kende hij nauwelijks. Hij was moe van het tarwe dragen en sliep in zijn hol, alsof hij na zware arbeid rustte\u2026 De zon was al op; mensen begonnen door het dorp te lopen, maar de slaap liet hem nog niet los \u2014 \u2019s morgens drukte hij hem zelfs sterker. En overal in het dorp klonk het als het luiden van klokken: over de diefstal, over de wachter\u2026 Men begon te roeren en te praten: wie? hoe?<br \/>\n\u2014 Zeker niemand anders dan die schavuiten! \u2014 zeiden de mensen en wezen naar de kant waar Tsjipka\u2019s huis stond. \u2014 Elke dag drinken en zwerven\u2026 waarvan? Eerst leefden ze van het vee van die duivelsjongen, en nu heeft hij alles verzuipt, zijn moeder verjaagd\u2026 waarvan dan anders dan stelen?<br \/>\nHet gerucht bereikte de gemeente\u2026 \u201cWel, misschien is het waar!\u201d \u2014 overlegden de dorpsbestuurders onder elkaar, en gingen meteen naar Tsjipka.<br \/>\nZe kwamen op het erf, liepen rond de tuin, keken in het schuurtje en in de omheining \u2014 misschien was iets verstopt; zelfs de hoofdman prikte met zijn stok in de mest die na het paard en de koe was overgebleven\u2026 nergens iets! Ze keerden naar het huis. Het huis was dichtgeschoven. De hoofdman trok aan de deur \u2014 niemand antwoordde. Toen keek hij onder het raam, door de gebroken ruit: Tsjipka sliep op de vloer en snurkte\u2026<br \/>\n\u2014 H\u00e9, jij daar! \u2014 riep de hoofdman. \u2014 Doe open! Hoor je? Tsjipka! Of hoe je ook heet? Doe open!<br \/>\nTsjipka hoorde in zijn slaap een vreemde stem, bewoog zich, draaide zich op zijn andere zij, mompelde en sliep weer in.<br \/>\nEen van de dorpswachters ging achter het huis langs, naar het kapotte zijraam, en stootte Tsjipka met een stok in de zij. Tsjipka schrok op.<br \/>\n\u2014 Welke duivel duwt daar? \u2014 vroeg hij slaperig.<br \/>\n\u2014 Doe open, dief! \u2014 schreeuwde de hoofdman boos. \u2014 Doe open, anders sla ik de deur in\u2026 dan wordt het erger!<br \/>\n\u2014 En wie ben jij dan voor vogel? \u2014 vroeg Tsjipka terwijl hij zijn ogen wreef. \u2014 Ik zal jou inslaan!!<br \/>\n\u2014 Sla de deur stuk! \u2014 riep de hoofdman. \u2014 Bind hem, dief!<br \/>\nTsjipka werd door zulke woorden geraakt.<br \/>\n\u2014 Kom maar, sla maar\u2026 blijven je tanden heel?<br \/>\n\u2014 Waarom doe je dan niet open? Gajdamak! Heb jij vannacht bij de heer gestolen? Heb jij de wachter doodgeslagen, moordenaar?<br \/>\n\u2014 Bij welke heer? Welke wachter? \u2014 vroeg Tsjipka, gapend en zich uitrekkend, alsof hij er niets mee te maken had.<br \/>\n\u2014 Je weet niet bij welke heer? Weet jij niet welke heer wij hier hebben? Dief! Doe open! We komen je doorzoeken.<br \/>\n\u2014 Doorzoeken? Goed\u2026 doorzoek maar\u2026 Wat dan? Kom maar doorzoeken! \u2014 zei Tsjipka terwijl hij opstond.<br \/>\nEven later klikte de grendel; de hoofdman kwam met vijf dorpswachters het huis binnen.<br \/>\n\u2014 Zoek! Doorzoek alles! \u2014 riep de hoofdman tegen de wachters.<br \/>\nTsjipka leunde met zijn rug tegen de deurpost, stond zwijgend en keek wat er verder zou gebeuren. De wachters renden door alle hoeken, keken onder de oven, onder het bed, klommen op de oven, gooiden het stro op de vloer om\u2026 nergens iets!<br \/>\n\u2014 Breng hem naar de gemeente! \u2014 beval de hoofdman na de huiszoeking. \u2014 En bind hem, zodat hij niet kan vluchten!<br \/>\n\u2014 Nee! Dat zal niet gebeuren dat ik mij laat binden\u2026 Waarom wil je mij binden? \u2014 viel Tsjipka de hoofdman aan.<br \/>\nDe wachters kwamen met een touw op Tsjipka af\u2026 Zijn ogen begonnen te gloeien.<br \/>\n\u2014 Weg, goede mensen! \u2014 riep hij en sloeg het touw met zijn hand weg. \u2014 Waarom wil je mij binden, vraag ik je? \u2014 zei hij tegen de hoofdman.<br \/>\n\u2014 Omdat jij een dief en roversbende bent! In de nacht ben je de graanschuur van de heer binnengedrongen en heb je een man geslagen\u2026<br \/>\n\u2014 Wie heeft dat gezien?<br \/>\n\u2014 Iedereen zegt het.<br \/>\n\u2014 Wie is \u201ciedereen\u201d?<br \/>\n\u2014 Heel het dorp zegt dat jij met Loesjnja, Patsjoek en Matnja\u2026 Jullie zijn met z\u2019n vieren in het hele dorp die elke dag drinken, zwerven en roven\u2026<br \/>\n\u2014 Dat wij drinken en zwerven, dat is waar; maar dat wij rovers zijn \u2014 dat is een leugen!<br \/>\n\u2014 Waarom drinken jullie dan?<br \/>\n\u2014 Wat gaat het jou aan?\u2026 Kijk daar: vroeger was het huis vol, en nu is het een leegte geworden!<br \/>\n\u2014 Wat heeft het voor zin met jou te praten? Bind hem! Bind hem en breng hem naar de gemeente, naar de stad, naar de gevangenis\u2026 daar zullen ze met jou praten\u2026<br \/>\n\u2014 Pas op, goede mensen, voor een slechte dag! \u2014 zei Tsjipka tegen de wachters. \u2014 Luister niet naar die oude dwaas\u2026 Ik ga zelf wel als het moet. Hij denkt dat hij, omdat hij hoofdman is, een groot iemand is?!<br \/>\nDe hoofdman had hem met zijn ogen kunnen opeten; maar toen hij keek, stond Tsjipka daar als vuur.<br \/>\n\u2014 Gooi het touw over hem! \u2014 schreeuwde de hoofdman, de wachters duwend\u2026 \u2014 Bind hem, die wilde stier!<br \/>\n\u2014 Nou, nou! \u2014 zei Tsjipka dreigend en balde zijn vuisten. \u2014 Probeer het maar\u2026 Bij God, je hoofd zal niet op je nek blijven! Waarom wil je mij binden, h\u00e8? Wie heeft gezien dat ik heb gestolen of iemand heb gedood? Als het naar de gemeente moet, zeg het maar\u2026 Ik ga zelf wel\u2026 Denk je dat jouw gemeente mij bang maakt? Wel nee!! Laten we gaan\u2026 Meteen gaan!<br \/>\nHij greep zijn muts, gooide zijn versleten jas over de schouders \u2014 die op de vloer als bed lag uitgespreid \u2014 en ging als eerste het huis uit\u2026 Achter hem liepen de hoofdman en de wachters.<br \/>\nIn de gemeente vond Tsjipka al zijn gezelschap: de schrijver en andere wachters liepen bij hen langs. Nadat men hen allemaal bijeen had gebracht, overlegde de hoofdman met de schrijver en sloten zij hen op in de zwarte cel \u2014 tot de arrondissementscommandant zou komen.<br \/>\nOp die ongelukkige dag werd Motrja wakker nog v\u00f3\u00f3r het licht werd. Het hele dorp sliep nog, maar zij was wakker geworden.<br \/>\n\u2014 O, ik kan niet slapen\u2026 zo slecht geslapen, zo slecht! En zulke nare dromen heb ik gehad, \u2014 klaagde ze tegen de oude vrouw. \u2014 Alsof er iemand een steen op mijn hart had gelegd\u2026<br \/>\n\u2014 Dat komt van het piekeren! \u2014 troostte de oude vrouw haar.<br \/>\nMotrja bad tot God, waste zich en ging zwijgend en bedroefd achter het spinnewiel zitten.<br \/>\nNa een uur, misschien twee \u2014 de zon was al op \u2014 kwam buurvrouw Chivrja Dmytrentsjycha in huis. Ze groette.<br \/>\n\u2014 Heb je het nieuws gehoord?<br \/>\n\u2014 Welk nieuws?<br \/>\n\u2014 Vannacht is de heer beroofd. Er is heel veel weggenomen\u2026 en de wachter is bijna doodgeslagen; misschien leeft hij tot de avond niet\u2026<br \/>\n\u2014 Heer God! \u2014 fluisterde Motrja en zuchtte.<br \/>\n\u2014 En nu hebben ze jouw zoon, Motrja, naar de gemeente gebracht\u2026 of eigenlijk niet gebracht, maar hij ging zelf\u2026 Hij liep voorop, en achter hem de hoofdman met de wachters\u2026 En hij zei hen van alles, zo en zo, las ze de les!<br \/>\nToen Motrja dit hoorde, werd haar gezicht bleek; ze stopte het spoeltje in de mouw van het spinnewiel en keek met mistige ogen naar Dmytrentsjycha. Verdriet, ergernis en tegelijk angst waren zichtbaar in haar gele ogen\u2026 En toen kon ze het niet meer houden en barstte in tranen uit:<br \/>\n\u2014 Mijn zoon, mijn kind! Ik had je beter met mijn eigen handen in de aarde begraven dan dit over je te moeten horen!<br \/>\n\u2014 Waarom martel je jezelf zo, Motrja? \u2014 zei de oude vrouw. \u2014 Misschien is het nog maar leugen. Over wie wordt er niet gelogen?<br \/>\nMotrja hoorde geen troost, ze bleef huilen\u2026 Daarna stond ze op, wierp een oude schapenvacht over haar schouders en ging gebogen en blootsvoets het huis uit.<br \/>\n\u2014 Waar ga je heen, Motrja? \u2014 vroeg de oude vrouw.<br \/>\nMotrja zei geen woord \u2014 ze ging gebogen verder, alsof de vraag niet tot haar gericht was. Zware droefheid beroofde haar van gehoor en spraak.<br \/>\nDe buurvrouw \u2014 een nog jonge vrouw \u2014 glimlachte pijnlijk, keek naar de oude vrouw en zei niets\u2026 Het werd stil en zwaar in huis, alsof men in een kelder zat\u2026 De kleindochter van de oude vrouw, Chrystja, een meisje van zeventien, klein en niet mooi, zuchtte zwaar door de hele kamer; die zucht bleef hangen en bedekte iedereen\u2026 Ieder liet het hoofd zakken en keek naar beneden\u2026 Iedereen dacht stil voor zich uit\u2026<br \/>\n\u2014 Wat is een moeder toch! \u2014 zei de oude vrouw na een tijd dof. \u2014 Haar eigen kinderen verachten haar, jagen haar uit huis, en toch blijft ze om hen treuren\u2026<br \/>\nNoch de buurvrouw, noch de kleindochter antwoordde; ze werden alleen maar droeviger.<br \/>\nMotrja haastte zich naar de gemeente. Tsjipka vond ze daar niet meer: men had hem in de zwarte cel gezet. Als een uil, gebogen en krom, liep ze rond de zwarte cel; ze keek naar de kleine, met ijzer versterkte vensters en huilde, huilde\u2026 \u201cOch, mocht ik hem met mijn eigen ogen zien! Mocht ik maar \u00e9\u00e9n woord van hem horen! Dat ik toch wist of wat de mensen zeggen waar is\u2026\u201d<br \/>\nZe begon de wachters te smeken of ze naar haar zoon mocht. De wachter liet haar niet toe\u2026<br \/>\n\u2014 De hoofdman heeft bevolen niemand toe te laten, helemaal niemand\u2026 tot de arrondissementscommandant komt\u2026<br \/>\n\u2014 Ik blijf maar \u00e9\u00e9n minuut, mijn duif! \u2014 smeekte Motrja.<br \/>\n\u2014 Kan niet, moedertje, hij heeft de sleutel meegenomen\u2026<br \/>\n\u00adMotrja liep nog wat rond bij de zwarte cel, huilde nog een beetje en ging toen naar huis, somberder dan toen ze gekomen was. Bittere tranen drukten op haar; ze had medelijden met de hoofdman en met de heer, medelijden met de wachter; ze had medelijden met de hele wereld \u2014 met de heren die de boeren onderdrukten en met de boeren die zich tot heren wilden verheffen\u2026 Het moederhart begon over de hele wereld vervloekingen te mompelen! Het verdriet in een moederhart kent geen einde en geen rust.<br \/>\nTsjipka en zijn gezelschap trokken zich daar niets van aan! In de zwarte cel maakten ze grappen.<br \/>\n\u2014 Hier hebben we tenminste een plek om uit te slapen! Stil en veilig\u2026 Slaap maar rustig \u2014 de wachter zorgt dat niemand iets steelt\u2026<br \/>\n\u2014 Als hier maar een halve emmer wodka zou zijn, \u2014 antwoordde Matnja, \u2014 dan kon je hier eeuwig zitten\u2026 Beetje bij beetje drinken, vareniki eten en slapen\u2026<br \/>\n\u2014 Waar zou je die vandaan halen? \u2014 vroeg Patsjoek.<br \/>\n\u2014 De hoofdman zou ze brengen\u2026 Hij heeft van de mensen geroofd en aan ons gegeven!<br \/>\n\u2014 Hoop maar, tot je van honger en kou opzwelt, \u2014 wierp Loesjnja ertussen.<br \/>\n\u2014 Het is inderdaad koud\u2026 Wat zou het goed zijn om je te warmen! \u2014 begon Matnja weer.<br \/>\n\u2014 Warm je dan bij een krappe oude vrouw!<br \/>\n\u2014 Bah! Als er maar wodka was\u2026 Dan had je geen vrouw nodig!<br \/>\n\u2014 En ik zou graag een meisje willen, \u2014 zei Loesjnja.<br \/>\n\u2014 Dan kom ik bij jou als knecht, \u2014 grapte Patsjoek.<br \/>\n\u2014 Weet je wat, broeders? \u2014 zei Tsjipka, zonder naar hun gesprek te luisteren. \u2014 Zodra we met deze zaak klaar zijn, zullen we in de eerste nacht de hoofdman op zijn kop slaan\u2026 Maar niet zoals de heer\u2026 maar zo! Laat die schoft maar weten dat hij niet zomaar iemand is, maar onze broer Savka \u2014 die alleen maar van de armen heeft afgeroomd en rijk is geworden\u2026 Nu, zie je, kruipt hij bij de heren en doet gewichtig\u2026<br \/>\n\u2014 Goed! Bij God, goed! \u2014 zeiden ze allemaal tegelijk. \u2014 We zullen hem als een linde schillen\u2026 En ook de schrijver erbij\u2026<br \/>\n\u2014 Kijk eens: hij wilde mij laten binden! \u2014 zei ik: \u201cIk, jij, hond van een zoon, als ik je bind, dan kom je er je leven niet meer uit!\u201d<br \/>\n\u2014 Nou, heb je dat echt gezegd?<br \/>\n\u2014 Bij God! En waarom wil hij mij binden? Eerst moet je bewijzen dat ik daar was, en dan pas het touw\u2026 Hij dreigde met de gevangenis\u2026 We zullen zien, \u2014 zei ik, \u2014 wie er eerst zal zijn: de onschuldige arme of de rijke die het weeskind berooft.<br \/>\n\u2014 En wat zei hij? \u2014 vroeg Loesjnja.<br \/>\n\u2014 Hij zweeg, die opgeblazen hond, alsof het hem niet aanging\u2026<br \/>\n\u2014 Vertel ons eens, \u2014 zei Patsjoek, \u2014 hoe je het met de wachter hebt afgehandeld\u2026 dat is ook een stevige kerel.<br \/>\nTsjipka begon uitgebreid te vertellen hoe hij in de voorraadkamer was geklommen, hoe hij op de wachter stuitte en hoe hij onder de kamer met hem worstelde tot de man begon te snakken\u2026<br \/>\n\u2014 Heb je hem goed toegetakeld? \u2014 vroeg Loesjnja.<br \/>\n\u2014 Hij zal weten dat hij in goede handen was\u2026 Toen ik erop viel, kreunde hij alleen nog \u2014 hij schreeuwde niet meer zoals eerst, maar alleen nog kreunde\u2026<br \/>\n\u2014 Daar is een man verloren! \u2014 zei Patsjoek.<br \/>\n\u2014 Laat hij niet komen waar hij niet hoort! \u2014 antwoordde Matnja voor Tsjipka.<br \/>\n\u2014 En dat is ook waar, \u2014 besloot Loesjnja en zuchtte.<br \/>\nAllen zwegen. Ook Tsjipka zweeg. Al snel vielen ze in slaap.<br \/>\nDe volgende dag kwam de arrondissementschef. Men riep Tsjipka. De chef begon hem te ondervragen.<br \/>\n\u2014 Ik weet niets, heb niets gehoord! \u2014 zei hij. \u2014 Al vier dagen ben ik het huis niet uitgegaan.<br \/>\nMen riep de anderen. Ook zij zeiden hetzelfde: \u201cWe weten niets, we horen het voor het eerst!\u201d<br \/>\nMen bracht hen weer naar de zwarte cel; opnieuw werd de deur op slot gedaan. De chef vertrok en beval hen nog strenger te bewaken, zodat ze niet konden ontsnappen.<br \/>\nDe jongens zaten een dag, zaten een tweede dag, en zaten ook de derde. Ze kregen eten\u2026 wat wilde je nog meer? Ze lagen er, sliepen uit en maakten grappen met elkaar, en soms vertelden ze zelfs de waarheid en herinnerden ieder zich zijn eigen avonturen. Alleen Matnja was somber.<br \/>\n\u2014 Waarom ben jij zo bedroefd, Jakym? \u2014 vroegen ze hem. \u2014 Laat de hele wereld maar komen en bewijzen, het zal toch niets veranderen: we waren er niet en weten er niets van\u2026 dat is alles!<br \/>\n\u2014 Maar het punt is niet dat de merrie grijs is! \u2014 zei hij. \u2014 Al vier dagen heb ik geen wodka meer geproefd\u2026 mijn oren zijn zelfs opgezwollen\u2026<br \/>\nGelach en schaterlachen stegen op in de zwarte cel uit zo\u2019n zware droefheid; en Jakym begon weer:<br \/>\n\u2014 Lachen?! Wat is er in godsnaam zo grappig?! Is het niet waar dat mijn oren opgezwollen zijn? Bij God, ze zijn zo groot geworden als vareniki\u2026 En zij lachen!!<br \/>\nTsjipka greep zich bij de buik en lachte: \u201cO\u2026 o\u2026 o, ellende!.. Oren opgezwollen!! Als vareniki\u2026 ha-ha-ha! O, laat me even op adem komen, anders sterf ik van het lachen! O, o!\u201d<br \/>\nMatnja keerde zich van het gezelschap af, trok zijn muts over de ogen en ging op zijn buik op de vloer liggen\u2026<br \/>\nEen hele week zaten de jongens in de zwarte cel, totdat uit de stad de onderzoeker kwam en hen vrijliet.<br \/>\n\u2014 Jullie, jongens, vergeet ons niet!.. \u2014 riep Tsjipka vanaf de weg, terwijl hij van de zwarte cel naar zijn erf ging.<br \/>\n\u2014 Goed\u2026 we zullen niet vergeten! \u2014 riepen die anderen, terwijl ze zich in de straat verborgen die recht naar de herberg leidde.<br \/>\nDe volgende dag ging het gerucht door het dorp dat er in de voorbije nacht enkele verschrikkelijke wezens, in witte hemden, met zwarte baarden en met haken als neuzen, met \u00e9\u00e9n oog in het voorhoofd zoals een cycloop, het huis van de hoofdman waren binnengedrongen waar hij sliep en waar hij nooit iemand binnenliet; ze bonden zijn handen en voeten, bedekten hem met een pelsjas, namen een grote som geld mee \u2014 en verdwenen zo\u2026<br \/>\nHet dorp raakte van het ene uiteinde tot het andere in beroering: men begon rechtszaken, roddels en gesprekken\u2026 De tongen kregen werk \u2014 zowel de sterke mannen als vooral de scherpe en lange vrouwen\u00adtongen.<br \/>\n\u2014 Dit is duidelijk Gods straf voor de onschuldige tranen! \u2014 hakte een vrouw als met een bijl midden in een groep buurvrouwen. \u2014 Vorig jaar vroeg mijn man om ingeschreven te worden bij de hervestigers; hij werd niet ingeschreven! Dit is zijn verdiende loon! En misschien ook voor de schrijver\u2026 Vijf roebel heeft hij afgetroggeld\u2026 levend gevild heeft hij ons\u2026 het laatste geld heeft hij afgepakt\u2026 Hij zei: ik schrijf je in\u2026 op staatskosten zullen ze jullie wegsturen\u2026 een stuk of dertig hectare land krijgen jullie\u2026 en kijk nu, niets! Niet ingeschreven, geen geld terug\u2026 Dat hem maar nooit iets goeds zal gebeuren!<br \/>\nZo werd er die ochtend gepraat. En de volgende dag hoorde men: de schrijver was beroofd! Zijn handen waren met touwen aan zijn voeten gebonden; men had hem van boven met pelsjassen en kussens bedekt, zodat hij, toen men hem eruit trok, in drie stromen zweet liep en zelf zei:<br \/>\n\u2014 Als ik nog een half uur zo had gelegen, was ik gestikt!<br \/>\n\u2014 Wie was het dan? \u2014 vroegen ze hem.<br \/>\n\u2014 De duivel weet het! Tataren of geen Tataren, ze spraken onze taal niet; en ze lachten, vervloekte zonen, en stonken!<br \/>\n\u2014 Zo\u2026 nu goed! \u2014 zei de hoofdman tegen hem. \u2014 Dan zullen we niet meer om elkaar lachen. Maar het lijkt me vreemd: drie bij jou en drie bij mij\u2026 Bij mij waren het zulke schimmen dat als je ze zag, je zou sterven; en bij jou, zeg je, waren het Turken of Tataren\u2026 Hier is iets aan de hand\u2026 Ik vermoed wat het is, maar zwijg voorlopig\u2026 Laten we naar de gemeente gaan!<br \/>\nZe gingen naar de gemeente; onderweg bleven ze elkaar iets vertellen \u2014 misschien overlegden ze wat te doen, of klaagden ze over wat hen was aangedaan\u2026 En de mensen begeleidden hen met hun ogen en praatten als een klok over de diefstal\u2026 En opnieuw wezen allen naar Tsjipka en zijn gezelschap.<br \/>\nHoe men ook vroeg en zocht \u2014 niets! Zelfs de vrouw van de hoofdman en de schrijfster gingen ergens in het dorp naar een zigeunerwaarzegster. Ze loog tegen hen over een donkerharige en een lichtharige man, nam van elk vijftig kopeken en daarmee was alles gezegd\u2026 Men doorzocht Tsjipka nog eens \u2014 niets gevonden\u2026 Weg was het!<br \/>\nToen de zondag kwam, riep de hoofdman de priester, liet een gebedsdienst houden, wijwater zegenen en zich ermee besprenkelen \u2014 daarna was het niet meer nodig zich te verzetten\u2026<br \/>\nTsjipka had het paradijs van stille gelukzaligheid in Hrytsjko\u2019s huis aangestoken en was toen zelf opgehouden te smeulen\u2026<br \/>\nMotrja had in haar leven al heel wat armoede en ellende door menselijke onrechtvaardigheid gekend\u2026 Het had haar tot op het merg gekweld\u2026 Vaak dacht ze: kunnen mensen dan niet eerlijk leven? Hoe goed zou het zijn als iedereen naar de waarheid leefde! Waarom leven ze er dan niet naar? Motrja\u2019s gedachten sloegen stuk tegen de fundamenten van het leven, als golven tegen rotsige kusten\u2026 Haar hart pijnigde; haar ziel vroeg zich af: denkt zij dan de waarheid? En plots \u2014 van ergens \u2014 kwam een dronkaard, een bandiet, en schreeuwde hetzelfde! Niet met een zachte, zwakke stem, niet met een vrouwelijk aarzelend gevoel \u2014 maar met de kreet van een gekwetste ziel, met krachtige stem herhaalde de opstandige hetzelfde! Haar Hrytsjko, haar goede Hrytsjko, had nooit iets dergelijks gezegd of zelfs maar gesuggereerd\u2026 Waarom? Wat Tsjipka zei, was allemaal waarheid, heilige waarheid\u2026 En Hrytsjko zweeg\u2026 Nee! hier was iets niet juist, of er was iets mis\u2026 Zo dacht Chrystja vaak bij zichzelf.<br \/>\nWanneer ze zich Tsjipka\u2019s scherpe blik en moedige houding herinnerde, beefde ze: ze was bang van hem\u2026<br \/>\nChrystja werd ook tegenover Hrytsjko heel anders. De tederheid waarmee elke vrouw soms haar eigen wat stugge man tegemoetkomt \u2014 waarmee ze hem gewoonlijk weet te overwinnen \u2014 diezelfde tederheid werd, zoals Hrytsjko merkte, onecht en koud\u2026 Hij zag hoe Chrystja zich als tegen haar zin aan hem begon te hechten \u2014 alsof ze zichzelf dwong.<br \/>\nSoms wilde hij, als jonge man, met zijn vrouw grappen maken. Maar het was treurig om zijn pogingen te zien. Chrystja glimlachte pijnlijk naar hem, alsof ze zijn woorden tussen tranen door liet vallen\u2026 Dan voelde Hrytsjko zich eens heet, dan weer alsof koud water over hem werd gegoten.<br \/>\n\u2014 Wat is er met je gebeurd, Chrystja?<br \/>\n\u2014 Wat zou er met mij gebeurd zijn?<br \/>\n\u2014 Je bent een beetje vreemd geworden\u2026 somber, stil\u2026 alsof je iets mist\u2026 Ben je ergens boos op?<br \/>\n\u2014 Waarom zou ik boos zijn?.. Op wie? Zeg het, om Gods wil! Dat ik niet vrolijk ben\u2026 Wel, men kan toch niet zijn hele leven blijven lachen en schertsen! We zijn toch niet getrouwd om alleen maar grappen te maken\u2026 Men moet over alles nadenken, en\u2026<br \/>\n\u2014 &#8220;Nou en?&#8221; Hrytsjko keek haar aan en begreep meteen wat ze bedoelde. &#8220;Dat duurt nog wel even. Je hebt het kalf nog niet eens, en je staat al met de slachtknots klaar!&#8221; besloot hij met een glimlach.<br \/>\n\u2014 &#8220;Voor jullie mannen stelt dat natuurlijk niets voor&#8230;&#8221;<br \/>\n\u2014 &#8220;En waar zouden jullie vrouwen je dan druk om maken?&#8221;<br \/>\n\u2014 &#8220;Hierom&#8230; Ik ben een wees, en jij bent een wees. Geen van ons heeft nog een vader of moeder&#8230; En stel dat het zover komt \u2013 je weet wel&#8230; Als je je eigen familie had, dan zouden ze raad geven en overal op letten. Maar nu&#8230; God verhoede dat er iets gebeurt! Vreemden slepen nog de hoeken van je huis weg.&#8221;<br \/>\nChrystja begon te huilen.<br \/>\n\u2014 Kijk eens, daar begint ze haar ouders te bewenen! Laat hen met de heiligen rusten als ze gestorven zijn; en wij hoeven, zeg ik, toch niet te treuren\u2026<br \/>\nHet was de tijd waarin Chrystja zich moeder voelde, met haar eigen zorgen, angsten, verdriet en tranen\u2026 Tevergeefs probeerde Hrytsjko haar te troosten of op te vrolijken. Chrystja bleef treurig, gekweld, en soms huilde ze zelfs bitter. Het ene voedde het andere \u2014 en Chrystja\u2019s droefheid werd breder, hoger en dieper\u2026 Hrytsjko\u2019s raad hielp niet.<br \/>\nHrytsjko werd boos en begon Chrystja uit te foeteren waarom ze zich steeds maar zorgen maakte. Het hielp niet: haar verdriet liet Chrystja niet los. Toen begon ook Hrytsjko zelf zich zorgen te maken, na te denken en heimelijk Chrystja te observeren\u2026 En hij merkte dat Chrystja haar tranen voor hem probeerde te verbergen, alsof ze zich voor hem schaamde\u2026 Hrytsjko\u2019s geschrokken hart begreep het. Maar hij zweeg: hij was bang haar aan te raken, bang om het vuurtje te doven dat in zijn huis smeulde\u2026 \u201cMisschien dooft het vanzelf uit,\u201d dacht hij, \u201cof misschien zal zij het zelf blussen\u2026 met tranen.\u201d Toch gaf die gedachte Hrytsjko geen rust. Ze herinnerde hem eraan hoe graag Chrystja hem had geholpen die graanoogst, die Tsjipka had weggegeven, op orde te brengen; hoe ze hem had geprezen; hoe ze had aangeraden het \u201cgoede graan\u201d voor zaad te bewaren\u2026<br \/>\nKijkend naar de droevige Chrystja bleef Hrytsjko\u2019s gedachte terugkeren naar die ongelukkige dag waarop Tsjipka in hun huis zijn biecht deed. Hrytsjko vergiste zich niet dat Tsjipka\u2019s hartstochtelijke woorden diep in Chrystja\u2019s ziel waren gezonken; dat zijn strenge maar tegelijk dierbare verschijning, toen hij schreeuwde en met glanzende ogen zei: \u201cWaar is de waarheid? Waar hebben ze haar gelaten?\u201d \u2014 een vonk had geworpen in het barmhartige vrouwenhart\u2026 Dat alles zag hij nu met zijn eigen ogen; hij voelde het met zijn hart \u2014 maar hij durfde het niet onder woorden brengen\u2026<br \/>\nReeds toen, op die ongelukkige dag, had hij gezien dat Tsjipka inderdaad een bijzondere man was; hij wist toen al dat Tsjipka de waarheid sprak; hij was het zelfs innerlijk met hem eens, al sprak hij anders\u2026 Maar die woorden \u2014 als een storm \u2014 drongen plotseling in de ziel, draaiden gedachten in het hoofd om en verstoorden het gevoel in het hart. Hrytsjko zag dat Tsjipka iedereen onder zijn invloed kon brengen \u2014 en hij was bang\u2026 bang voor Chrystja: hij wilde zijn goede, dierbare Chrystja aan niemand verliezen! Soms lag Hrytsjko in de lange donkere nacht geen oog dicht en bleef hij bedenken en herinneren hoe hij tegenover zijn vrouw iets zou kunnen zeggen om Tsjipka\u2019s waarheid te weerleggen\u2026 Hij dacht \u2014 maar vond niets, en leed er alleen maar meer en meer onder\u2026<br \/>\nEn nu \u2014 zoveel geruchten! Hrytsjko verheugde zich, greep het onderwerp aan en begon het met Chrystja te bespreken.<br \/>\n\u2014 Heb je gehoord, Chrystja, over onze rechtvaardige? \u2014 vroeg hij, op de dag na de diefstal bij de heer, terwijl hij de kamer binnenkwam.<br \/>\n\u2014 Over welke rechtvaardige?<br \/>\n\u2014 Over Tsjipka\u2026 Heb je gehoord hoe hij hier voor de waarheid streed, en kijk wat ervan geworden is?!<br \/>\n\u2014 Wat is er dan gebeurd?<br \/>\n\u2014 Hij heeft de heer beroofd\u2026 de bewaker doodgeslagen\u2026 als God het wil, heeft hij zijn ziel al aan God gegeven\u2026<br \/>\n\u2014 Echt?! \u2014 zei Chrystja, hem scherp aankijkend met doffe ogen \u2014 en ze werd bleek, verstijfde.<br \/>\n\u2014 Bij God!.. Nu zit hij in de zwarte cel\u2026 Kijk eens wat voor mensen er zijn! Denk eens: zich tot diefstal en moord verlagen?!!<br \/>\n\u2014 Heer God! Moeder van God! wat is er tegenwoordig van de wereld geworden\u2026 \u2014 bracht Chrystja nauwelijks uit en maakte een kruis. \u2014 Maar was het toen al niet duidelijk dat van hem geen goed te verwachten was? \u2014 besloot ze.<br \/>\nVoor Hrytsjko was dit als honing op zijn lippen. Daarna begon hij Tsjipka nog slechter af te schilderen voor Chrystja, alsof hij een bitterste vijand was en niet zijn vroegere kameraad.<br \/>\nToen Tsjipka uit de zwarte cel werd vrijgelaten, bracht Hrytsjko als eerste Chrystja het nieuws dat hij, zei hij, zich had losgewikkeld, die schavuit, en zich had uitgelogen! Toen er in het dorp geruchten kwamen over de hoofdman en de schrijver, was Hrytsjko weer de eerste die Chrystja daarvan op de hoogte bracht en zwoer bij Christus en God dat Tsjipka niets met die zaak te maken had gehad.<br \/>\n\u2014 Maar mijn hart voelde toen al iets ongoeds, \u2014 antwoordde Chrystja op zijn eed. \u2014 Weet je wat, Hrytsjko? Zouden we hem zijn graan niet teruggeven? Anders komt hij misschien ooit \u2019s nachts en snijdt ons de keel af om dat graan!<br \/>\n\u2014 Och, God verhoede! \u2014 haastte Hrytsjko zich te zeggen. \u2014 Nee, Chrystja, hij is niet van dat soort dat iemand zou vermoorden omdat hij zelf iets heeft gegeven.<br \/>\n\u2014 En als hij in nood is en dronken?<br \/>\n\u2014 Dan zal hij eerder komen om geld te eisen\u2026 Dan zal ik hem het graan teruggeven\u2026 al is het maar met moeite!<br \/>\nZo spraken ze en Hrytsjko voelde zich alsof er een last van zijn hart viel. \u201cNu,\u201d dacht hij bij zichzelf, \u201cnu zal het niet meer terugkeren\u2026 zo heb ik hem uit het spoor gebracht!\u201d<br \/>\nMaar Chrystja werd toch niet vrolijk. Haar eigen gedachte bleef haar nog sterker kwellen\u2026 \u201cAls zo iemand zoiets doet, wat moet je dan van anderen verwachten?\u201d<\/p>\n<p>XX IN VRIJHEID<br \/>\nVrijheid is voor een vrij mens een betoverend woord, maar voor een gebondene is het als honing die het hoofd dronken maakt. Het benevelt, als met bedwelming of hop, al zijn gedachten, verwachtingen en dromen: alles voor hem lijkt gestorven en dof geworden; alleen dat ene blijft over, alleen dat schijnt en verwarmt zijn donkere levensweg.<br \/>\nNauwelijks was de vrijheid afgekondigd, of de arbeiders in het dorp raakten in beroering, als kokend water in een pot.<br \/>\n\u2014 Genoeg, broeders! Vrijheid! Vrijheid! \u2014 riepen de lijfeigenen, het werk neerwerpend en naar de herberg gaand om de vrijheid te vieren.<br \/>\n\u2014 Nee, dat is nog leugen! \u2014 plaagden de kozakken hen. \u2014 Werk nog twee jaar voor de heer, en dan komt de vrijheid.<br \/>\nEr ontstond twist en ruzie. De lijfeigenen vervloekten de kozakken; ze vervloekten de heren; ze vervloekten de priesters \u2014 er was niemand op aarde die ze niet vervloekten als hun grootste vijand\u2026 om die twee jaren!<br \/>\nToch, na genoeg gescholden en geschreeuwd te hebben, keerden ze weer naar het werk terug. Wat voor werk was dat eigenlijk nog?! Iedereen probeerde zo min mogelijk te doen en zoveel mogelijk voor zichzelf te grijpen: de heer bedriegen als het kon.<br \/>\nDe heren keken naar dat werk, zuchtten en overlegden stil met elkaar\u2026 En de lijfeigenen vroegen elkaar fluisterend: zouden ze ons voor die twee jaren betalen die we werken, of niet?<br \/>\nZo ging het, hoe dan ook, tot de twee jaren voorbij waren. Toen kwam de drukke tijd: ploegen, hooien, rieken, oogsten, het nieuwe graan binnenhalen, dorsen \u2014 er was geen tijd om adem te halen.<br \/>\nDe tijd naderde Kerstmis. Het grote feest gaf elke familie zijn oude zorgen. Daar werden varkens geslacht, en hun onrustig geschreeuw klonk door het hele dorp; daar maakte men zich gereed om naar de stad naar de markt te gaan om graan te verkopen en het nodige voor het feest te kopen \u2014 wierook voor de koetja, vis voor de feestavond en zout voor alledag. En hier waren de vrouwen bezig met witkalken en brachten het gewone leven op orde.<br \/>\nVoor Tsjipka en zijn gezelschap was er geen zorg. Ze stopten de gebroken ramen dicht met vodden en oude kleren; ze gooiden rot stro in de oven \u2014 het smeulde daar en rookte, alsof het warmte gaf\u2026 Het kon hen weinig schelen om warmte; voedsel was evenmin belangrijk! Ze warmden zich aan Jiddische brandewijn en aten droog brood met zout, ook van de jood. En als iemand uit het gezelschap bij een buur een kip of haan van de zitstok haalde, slachtten ze die, roosterden hem aan een stok en aten hem op \u2014 en ze waren verzadigd! Hoewel Tsjipka soms zulke losbandigheid zag en het leven en gezelschap hem tegenstond, zweeg hij als hij dronk\u2026 Soms verlangde hij ook naar warm eten. Dan kroop hij in de vervallen kelder, raapte wat overgebleven rapen van het vorige jaar uit de hoeken, maakte ze schoon en kookte er soep van \u2014 en dat was alles!<br \/>\nMensen keken naar zo\u2019n leven en schudden hun hoofd.<br \/>\n\u2014 Nee hoor, daar komt niets goeds van! Alleen het graf zal een gebochelde recht maken&#8230; Als het gezelschap er nog niet was, dan misschien&#8230; Maar wacht maar tot de lichting begint: dan sturen we die kippendieven wel naar het leger, als het anders niet kan&#8230;<br \/>\nEn toen braken de feestdagen aan. De mensen verheugden zich dat ze het gehaald hadden; ze gingen bij elkaar op bezoek en vierden feest, thuis of in de herberg. Maar Tsjipka en zijn gezelschap kwamen er helemaal niet meer vandaan; ze riepen mensen binnen en trakteerden hen&#8230; De mannen \u2014 eerlijk is eerlijk \u2014 zijn dol op een gratis borrel, dus ze grepen hun kans, dronken en prezen de flinke kerels&#8230; Ook sommige jonge vrouwen, nieuwsgierig naar het samenzijn en het vermaak, vooral waar gezang en dans was, gingen erheen&#8230; En de jood had, alsof hij het wist, ergens muzikanten vandaan gehaald&#8230;<br \/>\nDe muziek speelde luid en fel; dronken mannen liepen bijna op hun hoofd en dansten de hopak rond de vrouwen; en die keken eerst toe, maar dan werd er \u00e9\u00e9n ongeduldig \u2014 en daar ging ze, met kleine pasjes opzij, alsof ze over het water gleed; een ander, wat dronkener, pakte haar rok, tilde die een beetje op en \u2014 hup! \u2014 door de kamer als een havik achter kuikens aan&#8230; Gelach, gegil, geschreeuw&#8230; En Tsjipka maar naar de herbergier: geef nog wat! schenk nog eens! breng meer! Loesjnja danste zonder ophouden, overtrof zelfs de muziek; Patsjoek ratelde met zijn tong als op een snaarinstrument; alleen Matnja, opgezwollen en rood als gloeiende kool, met slaperige, dronken ogen, zat in een hoek te dutten: werd even wakker, dronk, loeide als een stier door de hele kamer en viel weer stil \u2014 en dommelde verder&#8230;<br \/>\nHet feest barstte los in alle richtingen. Ze vergaten de feestdag, vergaten God, vergaten hun huis. Van \u2019s morgens tot \u2019s avonds, van \u2019s avonds tot \u2019s morgens werd er alleen gedronken en gefeest. De vrouwen, die hun mannen al drie dagen niet gezien hadden, maakten zo\u2019n kabaal alsof er een goddelijke straf over het dorp was gekomen of een brand de helft ervan had verwoest.<br \/>\n\u2014 Wat een ramp van de Heer! wat een onverwacht onheil! \u2014 jammerden ze. \u2014 Zoiets is nog nooit eerder gebeurd!.. God gaf een feestdag om naar de kerk te gaan en te bidden, en hij bidt in de herberg! God gaf een feestdag om thuis vredig met vrouw en kinderen te zijn, en hij viert feest met dronkaards en landlopers! We moeten naar de priester gaan, dat hij boete oplegt aan die aartsdronkaard!<br \/>\nSommigen gingen inderdaad op pad \u2014 niet naar de priester, maar naar diens vrouw om te klagen. Zij schonk hun wodka en beloofde het aan haar man te vertellen als hij opstond. De jonge vrouwen keerden naar huis terug, maar hun mannen waren er nog steeds niet&#8230; Ze hadden ook de koster in het feestgedruis meegesleept. Hij was al oud \u2014 in de vastentijd kon hij nauwelijks nog \u201challeluja\u201d zingen, zo oud was hij. Maar na \u00e9\u00e9n en nog een glaasje van dat vurige goedje leefde ook hij wat op. Waar kwam ineens die kracht vandaan! Hij zong met de vrouwen zo helder en luid als een jong meisje. En na nog een glaasje sloeg hij zijn pij omhoog, greep een dikke, roodwangige vrouw vast en begon de hopak te dansen. Alleen zijn baard en haarvlecht zwierden heen en weer, en hij stampte maar door&#8230; tot hij bezweet was en het zweet als zeep op hem lag. De mannen bulderden van het lachen, en de vrouwen draaiden om hem heen om hem nog meer te plagen: als de \u00e9\u00e9n moe werd, nam de ander haar plaats in&#8230;<br \/>\n\u2014 Wat is dat nou, alleen maar dansen! \u2014 riep een lachbek. \u2014 U moest ons ook eens rondrijden, koster!<br \/>\n\u2014 Kijk ze nou eens, die dochters van de duivel! Wat ze al niet willen! \u2014 zei de koster, met zijn handen in de zij. \u2014 Zoek een slee, dan zal ik jullie rijden&#8230; Het is nu eenmaal zo\u2019n tijd: de vader loopt in een rok!<br \/>\nEr werd een slee gehaald. Ze trokken de koster naar buiten, spanden hem ervoor; de slee zat vol vrouwen, en nog bovenop ook; de koster boog bijna dubbel terwijl hij de slee zelf voorttrok, en de vrouwen zongen en juichten alsof het een bruiloft was&#8230; Toen sprong er \u00e9\u00e9n op en rende naar hem toe:<br \/>\n\u2014 Er is geen plaats meer, koster! geen plaats meer! Ik ga bovenop zitten! Rijd mij ook!<br \/>\n\u2014 Ga zitten dan, duivelskind! \u2014 schreeuwde de koster, zijn rug krommend.<br \/>\nDe vrouw sprong erop; de koster kon het niet houden, struikelde en viel; zij bovenop hem&#8230; De anderen sprongen van de slee en stortten zich er ook op \u2014 duwend, vallend&#8230; En de mannen riepen: \u201cTe kleine hoop! op een hoop! op een hoop!\u201d Er vielen zoveel vrouwen bovenop dat ze de koster bijna verstikten. Ze trokken hem eruit \u2014 hij haalde amper adem&#8230; Gelach, geschreeuw&#8230; Het dorp was dol geworden!<br \/>\nHet feest maakte de tongen los, schudde de verdoofde, onderdrukte zielen wakker, haalde de wrok naar boven die diep in het hart verborgen lag&#8230; Midden in het feest herinnerden de dorpsbewoners zich ook de zandgronden en die twee jaren&#8230;<br \/>\n\u2014 En wat betekent dat, broeders? \u2014 begon iemand van de horigen: \u2014 twee jaar gewerkt \u2014 en voor niets?!.<br \/>\n\u2014 Natuurlijk voor niets!<br \/>\n\u2014 Hoezo voor niets? De tsaar heeft toch vrijheid gegeven: leef waar je wilt, doe wat je kunt&#8230; Alleen \u2014 om hen niet helemaal met lege handen achter te laten, die onverzadigbare veelvraat \u2014 zei hij: \u201cWerk nog twee jaar, goede mensen, zodat ze in die tijd eraan wennen dat jullie er niet meer zijn!\u201d Dus hoe denkt hij dat? Dat wij die twee jaar voor niets hebben gewerkt? Voor niets hebben geleden? Als ik bij een andere baas was gaan werken, had ik wel honderd roebel verdiend&#8230; En bij hem dan?<br \/>\n\u2014 Bij hem? Je werkt en werkt \u2014 en dan jagen ze je het erf af met drie gaten in je lijf&#8230;<br \/>\n\u2014 Nee, geen sprake van! Geef mij mijn afrekening \u2014 d\u00e1t wil ik! Wij kennen jullie streken wel&#8230; Genoeg dat ze onze grootvaders en vaders hebben gekweld en ons het zweet uit het lijf hebben geperst&#8230; Betaal me tenminste voor die twee jaar!<br \/>\n\u2014 Ik zal betalen&#8230; houd je zak maar open! \u2014 lachte een ander, die nuchterder was.<br \/>\n\u2014 Wat lach je? Hij zal betalen! Ik ga het hem zeggen: geef de afrekening! \u2014 en hij zal geven&#8230;<br \/>\n\u2014 Ja, met de knoet&#8230;<br \/>\n\u2014 Met de knoet? En in Pobyvanka dan? H\u00e8, in Pobyvanka? Daar heeft hij toch gegeven? Huizen gegeven, land gegeven&#8230; Ze stonden daar als \u00e9\u00e9n man: geef de afrekening! \u2014 en hij gaf&#8230; Zijn eigen broer gaf; zou de onze dan niet? Jawel! Als wij niet zulke domkoppen waren&#8230; Maar nee \u2014 we zitten hier zwijgend, alsof het ons niet aangaat&#8230; Afrekening! E\u00e9n woord: afrekening!<br \/>\n\u2014 Praat geen onzin&#8230;<br \/>\n\u2014 Jij bent een dwaas!<br \/>\n\u2014 Jij zelf bent een dwaas&#8230; Je hebt je ogen volgegoten en weet niet eens wat je uitkraamt&#8230;<br \/>\n\u2014 Wat kraam ik uit? Zeg op: wat? \u2014 draaft de dronkenman door.<br \/>\n\u2014 Dat als iemand het hoort en het verder fluistert&#8230; Weet je wel wat voor macht hij heeft? Dan krijg je het nog te verduren!<br \/>\n\u2014 Wat zou mij gebeuren? Niets, want ik spreek de waarheid! En jij blijft een lafaard&#8230;<br \/>\n\u2014 Doe niet zo gek, anders word je zelf nog gek.<br \/>\n\u2014 Wat dan? Ga je me slaan? Sla dan!<br \/>\n\u2014 Dat het onheil je maar treft zonder mij! Laat me met rust, duivel!<br \/>\n\u2014 Nee, sla! Jij zo-en-zo, sla!<br \/>\nEn hij houdt zijn gezicht voor. De ander wijkt achteruit, handen vooruit om niet per ongeluk te raken&#8230; Mensen stromen van alle kanten toe: ze vormen een kring en kijken wat er zal gebeuren.<br \/>\n\u2014 Sla, zeg ik! \u2014 schreeuwt de eerste en geeft de ander een klap in het gezicht&#8230; Die slaat terug. Het gevecht barst los&#8230; Geschreeuw, tumult&#8230; Met moeite worden ze uit elkaar gehaald en weer naar de herberg gebracht om \u201cvrede te drinken\u201d, zodat het niet erger wordt&#8230; Wie schuldig was en wie gelijk had \u2014 niemand wist het precies. Iedereen dacht dat het goed zou zijn om de afrekening te krijgen; maar er was ook angst&#8230; \u201cEn als hij niet betaalt, en \u2014 God verhoede \u2014 het nog erger wordt?\u201d<br \/>\nToch deed de wodka haar werk. Hoe verder het ging, hoe meer de waarheid van de eerste naar voren kwam; en de angst van de tweede werd bespot als lafheid. Het dorp gonste als een bijenkorf: moedigen en bangeriken verzamelden zich in groepjes, praatten, overlegden, twistten&#8230; En gingen steeds weer naar de herberg om te drinken.<br \/>\nDriekoningen ging voorbij. Het werd tijd om weer aan het werk te gaan&#8230; Maar hoe werken, als ze zich elke dag weer verzamelden, in de herberg of elders, en er maar \u00e9\u00e9n woord klonk: afrekening, afrekening&#8230; Op een dag grepen ze iemand uit Pobyvanka en ondervroegen hem: had hij erven gekregen? Waren de huizen geschonken? \u2014 Ja, gekregen, geschonken!<br \/>\n\u2014 Zie je! \u2014 riepen ze als uit \u00e9\u00e9n mond. \u2014 Dus de onze bedriegt ons! Dan zal hij er niet mee wegkomen!<br \/>\nDe volgende dag, nog voor het goed en wel licht werd, verzamelden ze zich bij het gemeentehuis, namen de dorpsoudste mee en trokken naar de heer in Krasnohorka.<br \/>\nZe kwamen aan, stelden zich op op het erf bij de veranda \u2014 het hele erf stond vol, geen speld tussen te krijgen; ze stuurden een knecht om de heer te roepen en beloofden hem zelfs een fooi als hij het snel deed.<br \/>\nVasyl Semjonovitsj lag nog te slapen toen hij rumoer en gestamp hoorde. Hij belde de knecht en vroeg wat er was. Toen hij het hoorde, sprong hij als door een naald gestoken uit bed; beval dat men hem snel zijn kleren bracht; dronk haastig een glas thee en, ondanks dat zijn vrouw hem smeekte niet naar buiten te gaan, stormde hij naar buiten \u2014 rood van woede.<br \/>\nHij begreep dat het niet voor niets was dat de hele gemeenschap van Pisky was gekomen \u2014 maar hij dacht hen met zijn vastberadenheid meteen tot zwijgen te brengen.<br \/>\n\u2014 Wat willen jullie, mensen van Pisky? \u2014 zei hij streng, al hield hij zich nog in.<br \/>\nZe namen hun petten af en bogen.<br \/>\n\u2014 Tot u, heer&#8230;<br \/>\n\u2014 Wat dan?<br \/>\n\u2014 Voor het geld, heer&#8230;<br \/>\n\u2014 Welk geld? \u2014 riep hij scherp, terwijl hij de menigte doordringend aankeek.<br \/>\n\u2014 Voor de twee jaar dat we gediend hebben, heer&#8230;<br \/>\n\u2014 Dwazen! Jullie waren verplicht die twee jaar te dienen&#8230;<br \/>\nDe voorsten zwijgen, buigen.<br \/>\n\u2014 Hoezo verplicht? \u2014 roept iemand van achteren. \u2014 Tegen loon hebben we gediend&#8230;<br \/>\n\u2014 Tegen welk loon? De wet beval het!<br \/>\n\u2014 De wet? \u2014 klinkt het weer van achteren. \u2014 Die wet hebt u zelf ingesteld!<br \/>\n\u2014 Wie spreekt daar? \u2014 vraagt de heer. \u2014 Kom hierheen, dan praten we!<br \/>\n\u2014 Geen sprake van! Geef het geld!<br \/>\n\u2014 Wie spreekt daar, schurken? \u2014 schreeuwt de heer nu uit volle borst. \u2014 Wie durft te muiten? \u2014 en hij springt naar voren.<br \/>\n\u2014 Wij muiten niet, heer, \u2014 zeggen de voorsten buigend, \u2014 wij zijn alleen gekomen om betaling te vragen&#8230;<br \/>\n\u2014 Welke betaling? Waarvoor? Ik zal jullie wat geven! \u2014 hij begon nu echt te schelden&#8230;<br \/>\n\u2014 Praat niet zo! Genoeg! We zijn niet bang! \u2014 klinkt het weer van achteren.<br \/>\n\u2014 Wie is dat? Kom hier! Geef me degene die spreekt! Meteen! Of ik sluit jullie allemaal op&#8230; stuur jullie naar Siberi\u00eb!<br \/>\n\u2014 Niet zo hoog van de toren blazen! Doe niet zo druk! Wat een driftkop! Geef gewoon het geld!<br \/>\n\u2014 Zeg: wie spreekt daar? \u2014 dringt hij aan bij de voorsten.<br \/>\nDie zwijgen, schuiven dichter bij elkaar, buigen.<br \/>\n\u2014 Aha? Jullie willen de oproerkraaier niet aanwijzen? Willen jullie oproer maken? Wacht maar \u2014 ik zal jullie wel leren oproer maken! \u2014 schreeuwt de heer, buiten zichzelf, en rent terug naar zijn vertrekken.<br \/>\nDe menigte verstomt even; dan, alsof ze moed verzamelt, gaat er eerst een dof gemompel doorheen; daarna sterker en sterker, tot het overgaat in geroep:<br \/>\n\u2014 Waarmee wil hij ons bang maken? Denkt hij dat we geschrokken zijn? Die tijd is voorbij! Geef het loon! Het loon! De afrekening!!!<br \/>\nGeschreeuw en geroep van alle kanten vulden het hele erf en hielden nog lang aan; het drong tot in de kamers door als een angstaanjagend, wild lawaai. Vasyl Semjonovitsj werd bleek als krijt. Wrok en woede kookten in hem op; hij wilde schreeuwen, schelden, slaan \u2014 maar de angst kreeg de overhand\u2026 Die had hem eerst naar binnen gejaagd en liet hem nu niet meer naar buiten. Zijn vrouw liep rond als iemand die van het kruis was gehaald. Uit bezorgdheid zwegen ze allebei; ze liepen alleen van de ene kamer naar de andere en keken stiekem door de ramen naar buiten, alsof ze hun angst voor elkaar verborgen\u2026<br \/>\nDe dorpsgemeenschap ging de hele dag niet uiteen: ze riepen en schreeuwden tot in de avond\u2026 Ze bleven al die tijd staan. Pas de nacht joeg de mensen van Pisky naar huis\u2026<br \/>\nMaar de nacht hield Vasyl Semjonovitsj niet tegen. Kort nadat de dorpelingen waren vertrokken, liet hij de paarden inspannen, zijn zware kist uit de slaapkamer dragen en reed samen met zijn vrouw naar Hetmanske\u2026<br \/>\nDe volgende ochtend, nog bij het eerste licht, waren de districtsinspecteur en de bemiddelaar Krivinski (die ooit zelf inspecteur was geweest) al op de been. Ze stuurden een bode naar Kotoloepivka om de wijkopzichter Lartsjenko met spoed naar Pisky te laten komen: \u201copstand!\u201d<br \/>\nHet was alsof iemand Lartsjenko een klap op het achterhoofd had gegeven: hij stond versuft en keek wezenloos met zijn schele ogen naar beneden\u2026 In zijn hoofd zag hij al de woedende Vasyl Semjonovitsj voor zich, die hem verwijtend toeschreeuwde dat hij in zijn district een opstand had \u201ctoegelaten\u201d\u2026 Zijn gedachten tolden: hij nam in stilte afscheid van Kotoloepivka, alsof de bewoners zich kruisten toen hij vertrok; dan herinnerde hij zich die gelukkige dag waarop hij tijdens een diner Vasyl Semjonovitsj in dichtvorm had geprezen\u2026 De paarden stonden al voor de trap; er was geen tijd te verliezen. Lartsjenko sprong in de slee en reed zo snel hij kon naar Pisky.<br \/>\nIn het gemeentehuis van Pisky zat de bemiddelaar al. Hij was vroeg gekomen en had bevolen de gemeenschap bijeen te roepen. De mensen stroomden nog toe. Al snel was heel Pisky op de been: sommigen voor de vergadering, anderen uit nieuwsgierigheid.<br \/>\nDe wijkopzichter en de bemiddelaar kwamen naar buiten en begonnen de menigte toe te bulderen; daarna dreigden ze, probeerden vaderlijk te spreken, en ten slotte sprongen ze op en schreeuwden uit volle borst \u2014 het schuim stond hun op de lippen\u2026<br \/>\nDe gemeenschap gonsde terug:<br \/>\n\u2014 Je maakt ons niet bang!.. Geef de afrekening!.. Spring niet zo, schele hond!.. Kotoloeper!..<br \/>\nNoch de wijkopzichter, noch de bemiddelaar bereikten iets \u2014 ze schreeuwden zich alleen maar schor en vertrokken onverrichter zake.<br \/>\nDe mensen van Pisky stuurden daarop heimelijk Vasyl Derkatsj naar Krasnohorka om uit te zoeken of de heer thuis was en wat er gaande was.<br \/>\nDerkatsj keerde spoedig terug.<br \/>\n\u2014 Hij is er niet, \u2014 zei hij. \u2014 Gisteravond is hij met de vrouw vertrokken\u2026 en heeft niet gezegd waarheen.<br \/>\n\u2014 Aha\u2026 dan hebben wij gelijk! Niet voor niets is hij geschrokken\u2026<br \/>\n\u2014 Houd vol, broeders! Geef niet toe! \u2014 riepen ze, terwijl ze naar huis gingen. Tot verbazing van de kozakken en tot ergernis van de joodse herbergier ging bijna niemand nog naar de herberg.<br \/>\nMaar de volgende ochtend kwam de districtsinspecteur zelf aangevlogen, samen met de officier van justitie en de wijkopzichter \u2014 een heel \u201ctijdelijk detachement\u201d. De bemiddelaar was er ook. En kort daarna arriveerde er een troepenmacht soldaten\u2026<br \/>\nDe gemeenschap dromde samen als schapen onder een noodweer. Niemand sprak een woord. Alleen zwaar zuchten en een dof gemompel waren te horen\u2026 De soldaten namen posities aan de zijkanten in en omsingelden de menigte als een ring.<br \/>\nKrivinski trad als bemiddelaar naar voren en vroeg waarom zij in opstand waren.<br \/>\n\u2014 Wij zijn niet in opstand, meneer\u2026 Wij vragen het onze\u2026<br \/>\n\u2014 Het uwe?<br \/>\n\u2014 Ja! Waarom hebben we dan twee jaar gediend?.. Voor niets?? \u2014 klonk het uit het midden.<br \/>\n\u2014 Wie schreeuwt daar? Kom hier! \u2014 beet Krivinski toe.<br \/>\nDe menigte schoof dichter op elkaar; ze pakten elkaar bij de riemen\u2026<br \/>\n\u2014 Hierheen met hem! Wie roept daar! \u2014 eiste de bemiddelaar.<br \/>\nDe gemeenschap zweeg, geen woord! Krivinski verloor zijn geduld en begon te schelden.<br \/>\n\u2014 Niet zo hoog van de toren! \u2014 klonk het weer uit het midden.<br \/>\n\u2014 Nu is het uw zaak, Ivan Petrovytsj! \u2014 wendde Krivinski zich tot de inspecteur.<br \/>\n\u2014 De roeden! \u2014 beval die de soldaten.<br \/>\nDe soldaten grepen de man aan de rand van de groep\u2026<br \/>\n\u2014 Laat hem niet pakken, broeders! Waarvoor slaan ze ons? Waarom mishandelen ze ons?..<br \/>\nDe menigte begon tegen de soldaten aan te drukken; de soldaten duwden terug. Geschreeuw en tumult barstten los; het kwam tot een gevecht met de soldaten\u2026 Mensen renden toe alsof er brand was. Mannen drongen tot aan de soldaten; vrouwen klommen op hekken om te kijken\u2026 Opa Oelas, oud en zwak, hield de drukte niet uit en viel\u2026 De soldaten tilden hem op.<br \/>\nTsjipka zag het. Zijn hart kookte, zijn ziel deed pijn\u2026 Hij rende tussen de kozakken door, zwaaide naar alle kanten:<br \/>\n\u2014 Broeders! \u2014 schreeuwde hij. \u2014 Laten we niet toelaten dat ze ons bespotten! Dat ze de oude man mishandelen!.. Kom, broeders!.. Tymofij! Petro! Jakym! Verzamel de mensen! Laat het niet gebeuren!..<br \/>\nMaar toen zij zagen dat het menens werd, waren ze plotseling verdwenen \u2014 over het dorp verspreid\u2026<br \/>\nTsjipka schold hen uit, smeekte en riep; hij snelde van de ene kant naar de andere; sprong naar de soldaten en keerde weer terug naar de zijnen. Hij zag Hrytsjko.<br \/>\n\u2014 Hrytsjko! Broer! Zie je dan niet? Onschuldig bloed vloeit\u2026 Opa Oelas hebben ze halfdood opgetild\u2026 Laten we het niet toestaan!..<br \/>\nHrytsjko antwoordde geen woord \u2014 hij maakte zich snel van Tsjipka los, sloop een vreemde tuin in en hurkte achter het hek.<br \/>\nTsjipka wierp zich naar de lijfeigenen toe\u2026 Daar grepen ze hem.<br \/>\n\u2014 Ik ben vrij! \u2014 schreeuwde Tsjipka. \u2014 Ik ben een kozak!<br \/>\n\u2014 Als je vrij bent en een kozak, zet dan het volk niet aan tot oproer! \u2014 beet de districtsinspecteur hem toe. \u2014 Leg hem neer!<br \/>\nLang spartelde Tsjipka tegen\u2026 Nog langer sloegen ze hem\u2026<br \/>\nGeen schreeuw, geen kreun kwam over zijn lippen! Hij stond op \u2014 als van het kruis gehaald. Zijn ogen waren rood, met bloed doorlopen, brandden als die van een wild dier; zijn gezicht was lijkbleek, alsof hij een zware ziekte had doorgemaakt\u2026 Met een verschrikkelijke blik keek hij over de hele menigte, wierp een roofzuchtige blik op de heren en de soldaten en rende in draf naar huis\u2026<br \/>\nEen onmenselijke woede greep hem aan. Zijn hart huilde; zijn ziel brandde\u2026<br \/>\n\u201cVervloekten! Galeislaven! Er is geen recht, geen gerechtigheid voor jullie!..\u201d schreeuwde hij, terwijl hij over de vloer rolde. Zijn lichaam deed pijn alsof het verschroeid was\u2026 Hij klemde zijn tanden op elkaar.<br \/>\n\u201cEn zij?.. Zij?! Geen goed woord\u2026 nog geen snipper vuil waard!.. Vervloekte zielen!.. Een beetje van die pijn, een beetje van die straf voor jullie\u2026 Jullie martelen, branden, met een bot mes in stukken snijden!..\u201d<br \/>\nVan woede beet hij op zijn nagels, op zijn vingers\u2026<br \/>\n\u201cEn jij, dwaas, ging met hen om!.. Geloofde dat zij ook mensen waren?.. Landlopers, dronkaards \u2014 geen mensen! Ze dronken je alleen maar leeg en zetten je aan tot kwaad\u2026 Er zat geen greintje goeds in hen\u2026 Hun hart kende alleen het kwaad: een ander meesleuren en zelf wegvluchten; met andermans handen de kolen uit het vuur halen; zich verlustigen in andermans tranen en bloed\u2026 En daarna de wereld rondgaan en zich beroemen\u2026 midden op de dag hun tanden ontbloten en lachen\u2026 Honden!.. Geen moeder maar een teef heeft jullie gebaard!.. In plaats van een hart heeft ze een slang gelegd en met gif gevuld\u2026 Waar jullie adem maar komt, daar zijn ongeluk en verdriet, bloed en tranen\u2026 En jij geloofde hen?! Jij?!\u201d \u2014 zijn tandengeknars klonk door het hele huis.<br \/>\nPlots sprong hij op en ging, zonder muts, recht naar de herberg. De wodka vloeide als water. Hij goot ze in \u00e9\u00e9n teug naar binnen; hij dronk wel een halve liter \u2014 en voelde niets, geen brand in de keel, geen roes in het hoofd\u2026 Zoals een druppel op gloeiend ijzer sist en verdampt, zo verbrandden de slokken meteen, vervlogen als damp\u2026<br \/>\nHij smeet de lege fles op tafel, liep naar huis en klom op de ovenbank. Zijn hoofd tolde; zijn slapen bonsden als onder een bijlslag; het floot en piepte in zijn oren\u2026 Hij verloor het bewustzijn, alsof hij in slaap viel\u2026<br \/>\nHrytsjko, die lang genoeg in de vreemde tuin had gestaan en het gevecht had bekeken, kreeg het koud en slenterde naar huis.<br \/>\n\u2014 Ze hebben die duivelse rakkers flink klaargestoomd! \u2014 was zijn eerste woord tegen Chrystja.<br \/>\n\u2014 Lieve God! Ze hebben die arme zielen daar vast half doodgeslagen \u2014 de kreten klonken hierheen alsof ze uit een graf kwamen, \u2014 antwoordde Chrystja.<br \/>\n\u2014 Zo hoort het ook voor die dieven!<br \/>\n\u2014 Zeg eens: waarom ben je zo kwaad op hen? Zijn het dan geen mensen?..<br \/>\n\u2014 Door hen, vervloekten, kan je niet leven! \u2014 riep Hrytsjko uit. \u2014 Je kunt niets in huis houden\u2026 Alles moet op slot, anders slepen ze het in een oogwenk weg!.. Heb ik laatst niet in de schuur gewerkt?.. Twee boren stak ik domweg achter een lat \u2014 wie zou die daar nou vinden? dacht ik. \u2014 En vandaag kijk ik: geen spoor meer waar ze hingen\u2026<br \/>\n\u2014 Misschien hebben zij ze niet genomen?<br \/>\n\u2014 Wie dan? Wie anders? Denk je dat een kozak ze neemt?.. Waarvoor? Die is zelf eigenaar, hij heeft zijn eigen spullen\u2026 Maar dat grauw, die restanten van de landheren \u2014 als ze het kunnen opdrinken, dan drinken ze het op\u2026 Denk je dat ze het voor iets anders namen? \u2014 Voor drank!.. Dat ze erin stikken\u2026<br \/>\n\u2014 Waarvoor moeten ze anders drinken, als niet voor jouw boren? \u2014 lachte Chrystja. \u2014 Ze hebben niets van zichzelf, alles is van de heer geweest\u2026<br \/>\n\u2014 En ze zullen ook nooit iets hebben, \u2014 viel Hrytsjko haar in de rede, \u2014 ze drinken alles op! Bij de heren hebben ze alleen leren stelen en wodka drinken, niet om bezit te behouden\u2026 En nu krijgen ze ook nog land en vrijheid\u2026 Aan de ketting met hen, geen vrijheid!<br \/>\nChrystja was Hrytsjko\u2019s gescheld en onrecht beu. Ze hield het niet langer uit.<br \/>\n\u2014 Wat ben jij toch, Hrytsjko! En als men jou tot slaaf maakte?..<br \/>\n\u2014 En dan? \u2014 staarde hij haar beledigd aan \u2014 waarom nam ze het op voor zulke dieven die zijn boren hadden gestolen. \u2014 Zou ik dan stelen, h\u00e8?.. Dan mochten ze me mijn handen breken!<br \/>\n\u2014 Vertrouw jezelf maar niet, Hrytsjko! Als je elke dag wordt uitgescholden voor dief en dronkaard, dan raakt ieder mens de kluts kwijt\u2026 Dan gaat hij vanzelf drinken\u2026 En als je toch voor niets wordt beschuldigd \u2014 dan steel je misschien echt\u2026 Dat is slavernij! \u2014 besloot Chrystja verdrietig.<br \/>\n\u2014 Welke slavernij? Welke slavernij?.. Kijk hoe ze drinken en oproer maken \u2014 is dat slavernij?! Daarom hebben ze vandaag ook klappen gehad\u2026 Goed klaargestoomd!.. En Tsjipka, heb je gehoord? Toen de soldaten hen aanvielen, rende hij naar mij toe, bleek, trillend\u2026 \u201cBroer Hrytsjko! Laten we hen verdedigen\u2026 Laten we het niet toelaten!..\u201d Duivel haal me, dacht ik, weg van hem\u2026 Ik sprong in Ostap\u2019s tuin, dook achter het hek en keek toe\u2026 En hij rende over het veld en riep iedereen op om te helpen. Toen ze hem grepen en hem toetakelden \u2014 dat zal hij zijn leven lang niet vergeten!.. Hij liep weg als een verslagen hond\u2026<br \/>\nChrystja zuchtte slechts en zei niets. Hrytsjko rookte zijn pijp bij de kachel en pakte zijn muts.<br \/>\n\u2014 Waar ga je heen? Het eten is al klaar, \u2014 zei Chrystja.<br \/>\n\u2014 Ik voer alleen even het vee, \u2014 antwoordde hij en ging naar buiten.<br \/>\n\u2014 Blijf niet te lang! \u2014 riep Chrystja hem na en haastte zich om de tafel te dekken.<\/p>\n<p>XXI SLAAP ALS EEN VOORTEKEN<br \/>\nTsjipka droomde \u2014 als was het een droom, en toch leek het werkelijkheid. Hij zag opnieuw het recente drinkgelag voor zich. De hele herberg, badend in licht, straalde en brandde; de muziek hakte en sneed; hakken rukten de aarde open; geschreeuw, gezang\u2026 een honderdvoudig geklap\u2026 razernij zonder rem\u2026<br \/>\nEn van opzij schoof de donkere nacht naderbij, als een zwarte wolk. In die wolk, in die ondoordringbare duisternis, waren vaag de schuren van de heer te zien, het erf\u2026 Drie schaduwen gebogen onder een last \u2014 ze droegen iets op hun schouders\u2026 vluchtten\u2026 verdwenen in de kale boomgaard\u2026<br \/>\nPlots flitste een vonk \u2014 en hij zag twee mannen over het erf rollen, worstelend\u2026 Degene bovenop was woest als een dier, snel als de wind\u2026 Tsjipka keek scherper\u2026<br \/>\n\u201cDat ben ik\u2026 ik!..\u201d riep hij uit \u2014 en onder hem lag de wachter\u2026 de wachter van de heer\u2026 bleek als de dood; zwaar ademend; hij sloeg machteloos met armen en benen\u2026 Men hoorde hoe het bloed in zijn borst borrelde, als een zwarte stroom uit zijn keel en neus vloeide\u2026 Zijn ogen gingen open\u2026 een vonkje leven lichtte er nog in op. Was het verwijt? Of een vloek?.. Nee \u2014 het was de ziel die afscheid nam van het lichaam: de dood trok al een waas over zijn ogen\u2026<br \/>\nEn de nacht groeide, breidde zich uit en verdreef het vrolijke tafereel\u2026<br \/>\nTsjipka schokte, draaide zich om.<br \/>\n\u2014 Och\u2026 och!.. \u2014 kreunde hij langgerekt, keerde zich op de andere zij en viel weer in slaap.<br \/>\nEn opnieuw zag hij visioenen\u2026 De nacht was donker en stom, doof en leeg. Hij stond, en rondom hem lag het slapende feestgedruis: dronken mannen, vrouwen\u2026 allen in een dodelijke slaap verspreid als omgevallen boomstammen\u2026<br \/>\nBoven hem ontbrandde een ster \u2014 als een kaars brandde ze aan de hemel en verlichtte het dronken gezelschap op aarde\u2026 Tsjipka keek naar rechts\u2026 De duisternis bewoog, beefde \u2014 en daaruit traden twee schaduwen tevoorschijn, angstaanjagend bleek, met gebroken beenderen die uit hun lichaam staken\u2026 Moeizaam strompelden ze, zwaaiden met hun hoofden naar hem en wezen naar het slapende volk\u2026<br \/>\nHet leek hem dat het grootvader Oelas was \u2014 en zijn moeder\u2026 Hij beefde en wendde zich af\u2026<br \/>\nEven later, links van hem, bewoog opnieuw de duisternis. Twee nieuwe schaduwen dreven naar voren. E\u00e9n was dik, met een buik en een rood gezicht; achter hem een magere, gebogen figuur met een veer achter het oor\u2026 Ze naderden, keken naar het slapende volk, keken Tsjipka recht in de ogen \u2014 en begonnen te huilen.<br \/>\n\u201cHier is ons goed gebleven\u2026 ons geld!..\u201d<br \/>\nZe grepen een slapende dronkaard, rukten zijn kleren van het lijf en beten zich in zijn keel vast\u2026 Het bloed klotste hoorbaar terwijl ze het uit het levende lichaam zogen\u2026 Hun ogen vulden zich ermee, gloeiden als kattenogen\u2026 Tsjipka huiverde en keek weg.<br \/>\nHij sloeg zijn ogen op \u2014 en daar verscheen een nieuwe schaduw, helder en zuiver als een zomermorgen, met een zachte, geliefde blik in donkere ogen\u2026<br \/>\n\u201cWat is dat?.. Mijn Halja! Mijn duifje!.. Kom naar mij!..\u201d smeekte hij, met opgeheven armen.<br \/>\nDe schaduw beefde; het heldere gezicht werd somber; tranen glansden in haar ogen.<br \/>\n\u201cWat heb je gedaan?..\u201d klonk een verschrikte stem.<br \/>\n\u201cKijk naar rechts!\u201d<br \/>\nTsjipka keek \u2014 en deinsde terug\u2026 Een man kronkelde over het erf en kreunde onmenselijk\u2026<br \/>\n\u201cWat heb je gedaan?..\u201d klonk het opnieuw.<br \/>\n\u201cKijk naar links!\u201d<br \/>\nTwee zwarte schaduwen zogen bloed uit slapende mensen, braken hun botten, draaiden armen en benen om\u2026<br \/>\n\u201cKijk naar beneden!\u201d<br \/>\nTsjipka keek\u2026 Rondom hem lag een koninkrijk van slapende mensen; bleke gezichten naar boven gericht, ogen uit hun kassen geduwd; uit monden steeg een dunne blauwe rook\u2026 Ze gloeiden stil als smeulende kolen\u2026<br \/>\n\u201cDit heb jij gedaan!.. Dit zijn jouw daden!.. Waarom heb je een man gedood? Waarom zijn zijn vrouw en kinderen verweesd?.. Wat was de schuld van de wachter, als zijn heer hem opdroeg het goed te bewaken en een dief te vangen?.. Wat heb je gedaan met die menselijke bloedzuigers?.. Je hebt het bloed uit hen geperst dat zij in hun lange leven hadden opgezogen\u2026 En nu, om weer te worden wat ze waren, zijn ze honderdmaal hongeriger en roofzuchtiger\u2026 Ze werpen zich op hongerigen en dronken lieden, op wezen en bedelaars als honden op brood\u2026 Zie je hoe ze bloed zuigen?.. Zie je?.. En dat?.. Je hebt mensen bedwelmd, verbrand met drank\u2026 Galeislaaf! Rover!..\u201d<br \/>\nTsjipka bezweek, knielde neer, sloeg zijn handen samen, viel met zijn gezicht ter aarde\u2026 De stem raasde om hem heen als een storm:<br \/>\n\u201cWat heb je gedaan, wrede, vervloekte?!..\u201d<br \/>\nHij kromp ineen alsof hij zich wilde verbergen\u2026 Maar de stem drong in elke vezel, bevroor hem van angst, brandde van smart\u2026<br \/>\nHij hield het niet uit. Als een dol dier dat water vreest en razend wordt bij het zien ervan, zo sprong Tsjipka op:<br \/>\n\u201cVerdwijn! Dat vuur je verslinde! Wat ben jij voor mij? Vrouw? Zuster? Moeder? Ik zag je maar een paar keer in het veld, waar je sprong als een geit\u2026 Waarom kom je hier? Waarom kwel je mij met wat mij geen rust laat?.. Ik vlucht ervoor \u2014 en kan niet ontkomen; ik verberg mij \u2014 en kan niet schuilen; ik verdrink mijn hoofd steeds dieper in de dronken wodka\u2026 Ga weg!.. verdwijn!..\u201d<br \/>\nBij zijn kreet beefde de schaduw, steeg hoger en hoger\u2026 De hemel daverde, flitste\u2026 Een vurige pijl sloeg naast hem in; alles kraakte en brandde\u2026 Vuur verslond alles \u2014 likte met vurige tongen; wat het aanraakte werd zwart, dan wit as\u2026<br \/>\nEen vurige golf tilde hem op en droeg hem hoog\u2026 Het vuur omringde hem; likte aan zijn lichaam; kuste zijn gezicht\u2026<br \/>\nTsjipka keek\u2026 Het was geen vuur \u2014 het was menselijk bloed dat in golven sloeg\u2026<br \/>\n\u2014 O-o-j! \u2014 schreeuwde hij en sprong waanzinnig overeind.<br \/>\nDe avond was al gevallen. De zon was bloedrood achter de heuvel gezonken, alsof ze zich had volgedronken aan het bloed dat die dag was vergoten. Het dorp, moe van gevecht en schouwspel, was stil. Hoge rookpluimen stegen op alsof ze tranen, vloeken en gebeden naar de hemel droegen\u2026<br \/>\nTsjipka sprong op. Zijn hele lichaam brandde; in zijn hoofd mengden droom en werkelijkheid zich; zijn hart kookte van kwaad. Hij ging naar buiten om frisse lucht te scheppen. De wind streek over zijn gloeiende gezicht; tranen sprongen in zijn ogen\u2026<br \/>\nHij liep over het erf, van huis naar schuur en terug. Zo zwaar was het hem nog nooit te moede geweest\u2026 Hij wilde smeken, knielen, huilen \u2014 als hij het maar kon vergeten! Maar het stond voor hem als een spook\u2026<br \/>\nZijn ziel verlangde het leed met iemand te delen; zijn hart wilde zijn tranen uitstorten. Maar overal was het leeg\u2026<br \/>\nHij ging het huis binnen en knielde neer in het maanlicht dat in brede banen over de vloer viel. Tranen glansden in zijn ogen. Hij bad\u2026 met vloeken.<br \/>\nIntussen waren zijn makkers \u2014 Patsjoek, Loesjnia en Matnja \u2014 bij het zien van het oproer snel gevlucht, tot in Kroety Jar, waar ze zich in de herberg van hun oude kennis, de jood Ovr\u00e1m, verscholen. De hele dag dronken ze hun laatste geld op en vertelden iedereen over het \u201ceinde der tijden\u201d in Pisky\u2026<br \/>\nToen het donker werd, zei Loesjnia:<br \/>\n\u2014 Zullen we niet eens naar Pisky gaan kijken? Misschien hebben ze Tsjipka gepakt\u2026<br \/>\n\u2014 Ga jij maar, \u2014 zeiden Patsjoek en Matnja. \u2014 Wij blijven hier.<br \/>\nLoesjnia krabde zich achter het oor. Hij wist dat het gevaarlijk was \u2014 maar zijn geweten knaagde.<br \/>\n\u2014 Wat zullen we zeggen als Tsjipka vraagt waar we waren?<br \/>\n\u2014 Niets, \u2014 zei Matnja. \u2014 Wat kan hij ons maken?<br \/>\n\u2014 Verzin iets, \u2014 zei Patsjoek. \u2014 En waarom namen we hem niet mee?.. Misschien is hij al opgepakt door de soldaten\u2026<br \/>\nPatsjoeks medelijden trof iedereen: allen zwegen, niemand zei iets\u2026<br \/>\n\u2014 Nou, blijf jullie hier maar zitten, broeders, \u2014 zei Loesjnia na een poosje, \u2014 ik ga wel eens kijken wat er aan de hand is\u2026<br \/>\nHij ging. Hij klom de heuvel op, keek uit over de wijde vlakte en zag Pisky als in een nevel, overgoten met maanlicht\u2026 Tussen de donkere schaduwen van kale wilgen lichtte het kerkje op met zijn witte muren en keek rondom met zijn glanzende oog \u2014 de gouden koepel met het kruis; niet ver daarvandaan verhief zich als een donkere berg het herenhuis, dat zwart afstak en boos leek neer te kijken op het hele dorp\u2026 Het dorp sliep nog niet overal. Hier en daar brandde licht in de huizen, al was het stil: geen menselijk gepraat, alleen het doffe geblaf van honden klonk in de verte. Buiten was het stil en koud; de vorst beet fel, zo dat de sterren leken te dansen; onder de voeten kraakte de sneeuw\u2026 Om niet te bevriezen liep Loesjnia sneller. Weldra stond hij bij Tsjipka\u2019s huis.<br \/>\nAls een verlaten bouwval stond het daar aan de rand van het dorp, afgebladderd en zwart\u2026 Alleen de niet-ingeslagen ruiten glansden in het maanlicht: van verre leek het alsof er licht binnen brandde. Loesjnia kwam dichterbij. Donker en stil!\u2026 Terwijl hij langs het raam liep dat op het veld uitkeek, gluurde hij naar binnen.<br \/>\nOp de vloer lag niemand\u2026 Hij wilde al om het huis heen naar de deur gaan, toen het hem toescheen alsof er iets flitste\u2026 Hij leunde opnieuw tegen het raam en keek naar binnen. Door de tegenoverliggende ramen stroomde het maanlicht naar binnen, lag in lange banen over de hele kamer en reikte tot onder de vloerbank\u2026 Midden in de kamer, geheel in het licht, knielde Tsjipka \u2014 hij bad\u2026 Zijn lichte schaduw boog zich telkens en richtte zich weer op; tranen glansden in zijn ogen\u2026<br \/>\n\u2014 Tsjipka! \u2014 riep Loesjnia onder het raam.<br \/>\nTsjipka sprong op en verborg zich angstig achter de kachel. Loesjnia barstte in luid gelach uit. Zijn zware borstkas deed de lach als donder door de nacht rollen, hij galmde rondom, rinkelde tegen de ruiten en echode door het huis\u2026 Tsjipka schaamde zich tot in de grond. Ze hadden hem betrapt op tranen \u2014 hij huilde als een klein kind! En Loesjnia lachte maar door onder het raam, zodat de ruiten trilden\u2026<br \/>\n\u2014 Tsjipka! Tsjipka! Wat bid je daar met tranen weg? \u2014 lachte Loesjnia opnieuw.<br \/>\nTsjipka herkende de stem. Spot met zijn gebeden, met zijn tranen, verraad van een kameraad, verwijt \u2014 alles sloeg hem tegelijk naar het hoofd en greep hem bij het hart\u2026<br \/>\n\u2014 Ik maak je af!.. \u2014 siste hij, greep de stamper en rende blootsvoets naar buiten.<br \/>\nGelukkig hoorde Loesjnia het zachte kraken van blote voeten, keek om en sprong opzij\u2026 Tsjipka haalde met beide handen uit met de stamper.<br \/>\n\u2014 Ik maak je af!.. \u2014 schreeuwde hij uit volle borst en rende opnieuw achter hem aan.<br \/>\nLoesjnia vluchtte verder\u2026 Tegen de tijd dat Tsjipka weer kon uithalen, was Loesjnia al ver weg.<br \/>\n\u2014 Weg, jij hondsvot! Dat je stank niet bij mijn erf komt! \u2014 schreeuwde Tsjipka. \u2014 Ik sla je dood als ik je nog eens zie, al is het van verre!..<br \/>\n\u2014 Ben je soms gek geworden, Tsjipka? Helemaal krankzinnig? Waarom wil je ons vermoorden? \u2014 riep Loesjnia, die zich op een flinke afstand had omgedraaid.<br \/>\n\u2014 Door jullie ben ik te schande gemaakt\u2026 door jullie ben ik mishandeld\u2026 Weg!.. Ze slaan een kameraad, en jullie zitten in de kroeg te feesten en lachen erom?.. Het is niet de eerste keer\u2026 Toen bij de heer\u2026 jullie hebben me er zelf in gelokt en me toen alleen gelaten\u2026 En nu weer!.. Zijn jullie kameraden, vrienden?.. Honden zijn jullie, geen kameraden!.. Weg!! \u2014 Hij smeet de stamper op de grond, ging terug naar binnen en schoof de deur achter zich dicht.<br \/>\nLoesjnia bleef even staan en kwam toen weer bij het raam.<br \/>\n\u2014 Tsjipka!.. Tsjipka!<br \/>\nTsjipka lag op de vloer en zweeg.<br \/>\n\u2014 Wees niet boos!.. Luister eerst\u2026 Denk je dat wij je niet geholpen zouden hebben? We waren er juist toe bereid\u2026 Toen we je zagen, zijn we meteen de straat op gerend om mensen te roepen\u2026 Ik liep naar Sydir in de smidse om een hamer te halen\u2026 En toen ik omkeek, schreeuwden Petro en Jakym\u2026 Ik zag dat de opzichters hun al de handen op de rug bonden\u2026 en de dorpsoudste stond erbij\u2026 Ik wilde te hulp schieten, hen verdedigen \u2014 maar ze bonden mij ook vast\u2026 Bedenk zelf: wat konden we doen?.. Toen begonnen we ons eruit te praten, dat we zogenaamd uit angst waren gevlucht\u2026 De dorpsoudste gooide ons in het cachot\u2026 Pas kort geleden heeft hij me vrijgelaten. Petro en Jakym zijn naar Kroety Jar gegaan, en ik ben hierheen gekomen om jou te halen\u2026 En jij wilt ons vermoorden! \u2014 eindigde Loesjnia met een klagende toon.<br \/>\n\u2014 Dat liedje heb ik al eens gehoord\u2026 Ik ken jullie goed! \u2014 zei Tsjipka, iets minder woedend.<br \/>\n\u2014 Wat dan, geloof je me niet?.. Moge ik ter plekke in de grond zinken! Moge de heilige aarde mij opnemen als ik lieg!.. \u2014 zwoer Loesjnia.<br \/>\nTsjipka zweeg; zijn hart werd zachter. Hij dacht na: sprak Loesjnia de waarheid of loog hij?<br \/>\nLoesjnia loog en was bang dat hij zich zou verraden. Hij had gehoord dat Tsjipka zinspeelde op de mishandeling; om hem nog meer te vermurwen, drukte hij daarop door.<br \/>\n\u2014 Zouden wij je niet liever hebben gered?.. Hebben we niet gehoord hoe ze je toetakelden?.. Ons hart bloedde ervan\u2026 Maar wat kun je doen als je opgesloten zit?..<br \/>\n\u2014 Waarom hebben jullie dat vervloekte cachot dan niet kort en klein geslagen? \u2014 mengde Tsjipka zich nu zonder heftige woede in het gesprek.<br \/>\n\u2014 Ja hoor, breek het maar af! Terwijl er voor ons drie\u00ebn tien wachters stonden; stuk voor stuk kerels als stieren, zo sterk en zo lang als mijlpalen\u2026<br \/>\n\u2014 Waar zijn Petro en Jakym? \u2014 vroeg Tsjipka, vergetend. \u2014 Zijn ze daar gebleven?<br \/>\n\u2014 Ik zeg toch: ze zijn naar Kroety Jar gegaan om wat te drinken, want hier is het gevaarlijk\u2026 En mij hebben ze gestuurd om jou te halen.<br \/>\n\u2014 Ik ga niet! \u2014 zei Tsjipka kortaf.<br \/>\n\u2014 Nou, dan blijf ik misschien ook wel hier en laat ze zelf maar gaan, \u2014 deed Loesjnia alsof hij gekrenkt was.<br \/>\nTsjipka antwoordde niet. Beiden zwegen. Loesjnia sprak weer als eerste:<br \/>\n\u2014 Laat me alsjeblieft binnen, ik wil me tenminste even opwarmen. In dat vervloekte cachot ben ik zo verkleumd dat mijn ziel er bijna uitgetrild is\u2026 \u2014 Hij liet zijn tanden klapperen en deed alsof hij rilde van de kou.<br \/>\nTsjipka geloofde hem. Hij kreeg medelijden met zijn kameraad, sprong op en schoof snel de deur open.<br \/>\nLoesjnia kwam binnen; hij nam de stamper mee die Tsjipka buiten had laten liggen.<br \/>\n\u2014 Het is bij jou in huis koud genoeg om wolven te verjagen! \u2014 zei Loesjnia. \u2014 Heb je geen slok wodka om warm te worden?<br \/>\n\u2014 Geen druppel! Kruip maar op de ovenbank als je wilt\u2026<br \/>\nLoesjnia klom op de ovenbank en ging, zonder zich uit te kleden, zwijgend liggen. Tsjipka ging weer op de vloer liggen.<br \/>\nLoesjnia lag tevreden dat het zo was afgelopen. Hij maakte zich maar om \u00e9\u00e9n ding zorgen: dat hij Petro en Jakym v\u00f3\u00f3r Tsjipka zou zien en hen op \u00e9\u00e9n lijn kon brengen, zodat ze hetzelfde verhaal zouden vertellen\u2026 Hij begon werkelijk bang te worden voor Tsjipka. \u201cAls ik straks zelf niet als leugenaar ontmaskerd word\u2026\u201d dacht hij stilletjes.<br \/>\nTsjipka zweeg ook, al sliep hij niet. Voor zijn ogen woelde de storm van die dag, draaide en tolde. In de nacht, bij maanlicht, met de pijn in zijn lichaam, rezen alle gebeurtenissen van de dag voor hem op als monsters; ze draaiden hem rond, wierpen hem van de ene kant op de andere; lieten de pijn niet verstommen, lieten zijn gedachten geen rust vinden\u2026 Hij lag als in vuur\u2026 Zijn ziel kwijnde en deed pijn \u2014 van wraak; zijn hart riep om vergelding; zijn verstand laaide op van kwaad.<br \/>\n\u2014 Tymofij!<br \/>\n\u2014 Wat is er?<br \/>\n\u2014 Slaap je niet?<br \/>\n\u2014 Nee, ik slaap niet.<br \/>\nTsjipka zweeg.<br \/>\n\u2014 Ik weet niet\u2026 of ik het moet zeggen of zwijgen?.. \u2014 begon hij na een tijdje weer, aarzelend.<br \/>\n\u2014 Waarover? Zeg het!<br \/>\n\u2014 Overdag heb ik geslapen\u2026 ik heb gedroomd\u2026<br \/>\nTsjipka sprak elk woord langzaam uit, met pauzes, alsof tegen zijn wil: zijn tong zei het ene, maar zijn gedachten liepen vooruit \u2014 naar iets anders.<br \/>\n\u2014 Nou?.. Wat heb je gedroomd?<br \/>\n\u2014 Ik huilde\u2026 Ik bad tot God\u2026 het hielp niet!<br \/>\n\u2014 Wat was er dan? Zeg het! \u2014 drong Loesjnia aan.<br \/>\n\u2014 Ik heb lang nagedacht\u2026 \u2014 rekte Tsjipka woord na woord.<br \/>\n\u2014 Waarover dacht je dan?<br \/>\n\u2014 Heb jij vandaag het onrecht van de mensen gezien? \u2014 riep Tsjipka plotseling, alsof hij zich ertoe dwong. \u2014 Heb je het gezien?..<br \/>\n\u2014 Al heb ik het niet gezien, ik heb het gehoord \u2014 ze vertelden het, \u2014 antwoordde Loesjnia.<br \/>\nMaar Tsjipka luisterde al niet meer. Zijn woorden stroomden als een snelle rivier die een dam heeft doorbroken.<br \/>\n\u2014 O!.. Tegen een hoge prijs zullen ze ervoor betalen! Voor die tranen, voor dat bloed dat vandaag onschuldig is vergoten\u2026 ze zullen eeuwig lijden, tot het Laatste Oordeel gekweld worden!..<br \/>\n\u2014 Aan wie zullen ze betalen? \u2014 onderbrak Loesjnia hem.<br \/>\n\u2014 Aan mij!.. Aan mij zullen ze betalen! \u2014 riep Tsjipka terwijl hij zich op zijn armen oprichtte. \u2014 Ik zal hun laten zien dat het gevaarlijk is mij aan te raken!.. Zolang ze mij niet lastigvielen, was ik tegenover hen als ieder ander mens\u2026 Maar wat ze mij hebben aangedaan\u2026 laat ze zich nu maar in acht nemen!.. laat ze maar oppassen!..<br \/>\n\u2014 Wat kun je doen? Zij zijn met velen, en jij bent alleen.<br \/>\n\u2014 Ik \u2014 alleen? Zijn er soms weinig zoals ik, zoals jij, Petro, Jakym \u2014 zonder huis of haard, zonder onderdak of toevlucht?.. Zwerft er soms maar een handvol rond in de wereld, op zoek naar een plek om hun hoofd neer te leggen?! En dat is nog maar nu\u2026 Maar als ze zich eenmaal helemaal van de heren hebben losgemaakt\u2026 zullen wij dan met weinigen zijn? Wat dan? Zijn wij soms geen mensen, dat wij hongerig onder hekken moeten sterven? Zouden wij niet net zo goed op veren bedden liggen als zij, als wij zulke rijkdom hadden?.. Wij zouden net zo zijn \u2014 of misschien nog beter!.. Maar ons ongeluk is dat zij alles naar zich toe hebben getrokken, ons voor de ploeg hebben gespannen: \u201cPloeg, domme boer! Werk voor mij! En ik zal liggen en eten wat jij hebt verdiend!..\u201d En wanneer die ploeger, die dag in dag uit zwoegt, \u00e9\u00e9n woord zegt \u2014 dat hij moet eten, moet leven, dat hij loon wil, al is het maar voor de laatste twee jaren dat hij voor hen werkte\u2026 dan hoor je wat zij zingen: \u201cOpstandelingen!.. rovers!..\u201d En de macht staat aan hun kant\u2026 Ze hebben de soldaten op ons afgestuurd, ze hebben ons geslagen, verminkt, voor het oog van de hele wereld vernederd\u2026 Is d\u00e1t recht? Is dat het??.. Nee, Tymofij! Als het zo is\u2026 Als je het niet met goedheid geeft, dan geef je het met geweld! Je stuurt gespuis op ons af, je maakt ons overdag te schande omdat we met tranen vragen, je noemt ons rovers\u2026 Als dat zo is\u2026 dan zal de donkere nacht laten zien wat van mij is en wat van jou!<br \/>\nLoesjnia luisterde met ingehouden adem, bang om te bewegen of zelfs te zuchten\u2026 hij was geheel verbijsterd. Nog nooit had hij iemand zo horen spreken \u2014 en dan nog met zo\u2019n krachtige stem, met zo\u2019n verschrikkelijke vastberadenheid.<br \/>\nMaar Tsjipka hield niet op; hij pauzeerde alleen om adem te halen.<br \/>\n\u2014 Is het niet zo, Tymofij?<br \/>\n\u2014 Ja, Tsjipka, \u2014 bracht Loesjnia nauwelijks uit.<br \/>\n\u2014 Vanaf vandaag \u2014 gedaan met drinken! Genoeg gefeest!.. Laten ook wij mensen worden zoals anderen\u2026 We vinden werk \u2014 handen hoeven we niet te lenen\u2026 Maar het onze mogen we niet vergeten! Zij doen hetzelfde\u2026 Als zij weten hoe ze ons moeten bespelen \u2014 laten wij dan leren hoe we h\u00e9n moeten bespelen! Laat die goddelozen weten waar het recht is! Als er recht bestaat \u2014 laat het voor iedereen gelijk zijn; en als het er niet is \u2014 dan voor niemand!<br \/>\n\u2014 Goed, Tsjipka! Waarlijk, goed! \u2014 riep Loesjnia, wie zo\u2019n gelijk recht zeer beviel. \u2014 Ik ben de eerste, broer, die nog vannacht naar de heer wil sluipen en hem vertellen waar het recht zit\u2026<br \/>\n\u2014 En niet alleen de heer, Tymofij \u2014 niet hij alleen!.. Iedereen zit ons op de nek\u2026 iedereen wil erop rijden!.. De heer is maar een heer: hij kent alleen zijn eigen belang \u2014 dat van een heer!.. Als degenen boven hem maar rechtvaardiger waren tegenover ons\u2026 dan zou ook de heer anders zijn! Zij zouden uitzoeken waarom de mensen lijden, van wie en waardoor zij gekweld worden; zij zouden de heer recht in het gezicht zeggen: nee, dat is onrecht als we zo handelen!.. Maar nee! De heer is hun eigen broer\u2026 Hij kan alles toedekken en gladstrijken, want hij h\u00e9\u00e9ft iets \u2014 hij heeft het van de mensen afgeschraapt\u2026 Maar waar moeten de mensen het vandaan halen?.. En dat is nog niet alles, Tymofij! De heer en de hogere heren \u2014 \u00e9\u00e9n ellende\u2026 Kijk naar onze priesters! Zij staan voor God voor ons, zij zien het onrecht\u2026 en ook zij zeggen geen woord!.. En wie anders dan zij zou als eerste moeten spreken?.. De jood \u2014 ook hij\u2026 ook hij is tegen ons!.. Hij bedriegt ons, maakt ons dronken, perst het laatste graan uit ons dat we nog bezitten\u2026 Eerst zet hij je ertoe aan, en dan verraadt hij je!.. Iedereen is tegen ons, Tymofij, iedereen!.. Ook onze eigen rijke broeders\u2026 Wij zijn dronkaards, dieven, landlopers\u2026 Hoe leven wij eigenlijk nog op deze wereld, Tymofij?.. Waarom wurgen al die rechtvaardigen ons niet?.. Het lijkt wel alsof zelfs de hemel, als die op onze schouders viel, niet zo zwaar zou zijn als het onrecht en de vernedering die wij van iedereen ondergaan!.. Laten wij dan geen dwazen zijn!.. Wij zijn met z\u2019n vieren. Genoeg, zeg ik, met drinken en feesten! Wat hebben we eraan gehad dat we ons tegoed deden bij de heer en bij het dorpshoofd met de klerk? De jood heeft alles weer naar zich toe getrokken; en wij kregen er nog slaag bij\u2026 Nee! Laten we beter worden als andere mensen \u2014 laten we aan het werk gaan, overdag werken\u2026 en moeder nacht zal ons leren en zeggen waar het onze ligt\u2026 Goed?<br \/>\n\u2014 Goed, Tsjipka! Vanaf morgen ga ik zelf aan het werk \u2014 genoeg gezworven! Ik zal het Petro en Jakym zeggen\u2026 We zullen geld verdienen\u2026<br \/>\n\u2014 En ik verzoen me met mijn moeder, haal haar bij me in huis\u2026 De mensen zullen zeggen: hij is tot bezinning gekomen! \u2014 en dat is goed\u2026 Er zal geld komen\u2026 En wat een kracht is geld, broer! Men zegt: goud breekt muren! Wat kun je niet doen met geld\u2026 Denk je dat ze mij hadden geslagen als ik rijk was?.. Hadden ze mijn land afgepakt als ik geld had gehad?.. Ik had die schurk vijftig roebel toegestopt, net als die landloper\u2026 \u201cBlijf van mijn land af!.. Neem het me niet af!..\u201d En hij had het niet genomen\u2026 God weet wat er dan van mij was geworden\u2026 Misschien was ik allang getrouwd; had ik goed en rustig geleefd, in vrede met de mensen; had ik mijn kinderen gevoed zoals anderen \u2014 zoals Hrytsjko\u2026 En nu \u2014 mijn moeder\u2026 mijn eigen moeder, die mij het leven gaf \u2014 zelfs zij werd mijn vijand!.. Is dat soms licht te dragen, Tymofij? Als ik eraan denk, scheurt mijn hart, mijn ziel doet pijn\u2026 En alles om dat land\u2026 Al zit de kracht eigenlijk niet in het land zelf\u2026 Nee! Land is maar land, niets meer!.. Maar door dat land heb ik mijn geluk verloren, mijn lot\u2026 verloren\u2026 En als jij eens wist, als jij eens had gezien wat voor een mens zij is?! Vandaag droomde ik van haar\u2026 Als een engel, als een heilige ziel, zweefde zij boven mijn hoofd\u2026<br \/>\n\u2014 Wie? \u2014 vroeg Loesjnia, die Tsjipka\u2019s koortsige woorden niet goed begreep.<br \/>\n\u2014 Halja!.. Mijn liefste\u2026 de beste van de hele wereld\u2026<br \/>\n\u2014 Welke Halja? \u2014 vroeg Loesjnia opnieuw.<br \/>\nTsjipka kwam tot zichzelf.<br \/>\n\u2014 Ik weet het niet, \u2014 antwoordde hij en zweeg.<br \/>\n\u2014 Ben je soms verliefd geworden en wil je het niet zeggen?.. \u2014 drong Loesjnia aan.<br \/>\nTsjipka antwoordde geen woord, maar zuchtte alleen zachtjes, zijn adem inhoudend zodat Loesjnia het niet zou horen. Lange tijd zwegen ze beiden.<br \/>\n\u2014 Wat is er met je? Voel je je niet goed, Tsjipka?<br \/>\n\u2014 Niets\u2026 Alles doet alleen pijn\u2026 Die smeerlappen hebben me tot op het bot geslagen \u2014 het brandt als vuur\u2026<br \/>\n\u2014 Dan moet je naar een kruidenvrouw gaan, dat ze je een zalf of kruid geeft.<br \/>\n\u2014 Het zal vanzelf wel genezen. En al blijven er littekens \u2014 het geeft niet: ze zullen me eraan herinneren, zodat ik het niet vergeet!..<br \/>\nNog lang spraken ze met elkaar, tot ze uiteindelijk in slaap vielen. Ze sliepen pas in toen de tweede hanen kraaiden, de sterren aan de donkere hemel verbleekten, het Zevengesternte in het noorden uitdoofde en trilde met een bleek licht, en de heldere maan wit begon te worden terwijl zij achter de heuvel neerdaalde.<\/p>\n<p>XXII LEREN GAAT NIET MET DE STOK<br \/>\nMotrja en haar gastvrouw, de \u201clangbenige oude vrouw\u201d, waren de avond voordien, v\u00f3\u00f3r die ongelukkige dag, al wat zwak en klagend geweest over de vervloekte vorst die dag na dag als een martelwerktuig drukte\u2026 Ze zaten op de ovenbank en werden daar nog koud. De kleindochter van de oude vrouw, een meisje, liep steeds van de kamer naar de gang en van de gang weer naar de kamer, waardoor koude lucht binnenkwam. Het was duidelijk dat haar ongeduld had overvallen.<br \/>\n\u2014 Waarom schuif je zo met de deuren, dochter? \u2014 vroeg de oude vrouw.<br \/>\nIn plaats van te antwoorden, en misschien zonder goed te luisteren, begon het meisje te tjilpen:<br \/>\n\u2014 Onze meisjes verzamelen zich al op straat!.. Zo dom\u2026 wat een kou, en toch zingen ze, zodat de hele straat ervan weerklinkt\u2026 Hoe vriezen hun monden niet dicht?<br \/>\n\u2014 Dan gaan ze blijkbaar naar de avondbijeenkomst, \u2014 zei Motrja vanaf de ovenbank.<br \/>\n\u2014 Nee, echt naar buiten op straat. Vandaag zei Priska ook dat ik moest komen\u2026<br \/>\n\u2014 Alles gaat tegenwoordig niet meer zoals het hoort! \u2014 zuchtte Motrja. \u2014 Wat voor straat is er nu midden in de winter? Dat is voor de zomer, bij warmte\u2026<br \/>\n\u2014 Ja, tante, ik zei het ook tegen Priska\u2026 Ze lacht, die dwaas, en blijft maar zeggen: kom toch naar buiten!.. Vandaag komen de jongens van de buurt bij hen, en ook Vasyl Kovalenko zal komen\u2026 En die Vasyl Kovalenko, zegt men, is zo knap dat je over de hele wereld moet zoeken om zijn gelijke te vinden\u2026 als een schilderij\u2026<br \/>\n\u2014 Dan gaan ze elkaar misschien tegemoet? \u2014 zei de oude vrouw. \u2014 Jong zijn is jong zijn\u2026 Wat kan het hen schelen? Zolang ze maar kunnen zingen en feestvieren.<br \/>\n\u2014 En de jongens zingen ook, heb ik gehoord, \u2014 klakte het meisje. \u2014 En zulke mooie liederen! Onze jongens kunnen dat niet eens \u2014 dat zijn waarschijnlijk de jongens van de vallei.<br \/>\nZe pakte met de haak de oven open, schoof de pot erin, bedekte hem met gloeiende kolen en zette het deksel erop.<br \/>\n\u2014 Ik ga even naar buiten luisteren tot de pap kookt! \u2014 zei ze en glipte het huis uit.<br \/>\nMotrja en de oude vrouw keken elkaar alleen maar aan\u2026<br \/>\nEven later vloog het meisje weer naar binnen, stampte met haar blote voeten \u2014 rood als die van een gans \u2014 en blies in haar handen:<br \/>\n\u2014 Wat een kou, vervloekte duivel! De vorst snijdt je de ogen uit!.. Hoo! hoo! (ze blies in haar handen). En de jongens zingen zulke mooie liederen; en de meisjes ook\u2026 Als het niet zo koud was en niet voor het avondeten, dan liep ik er helemaal heen!<br \/>\n\u2014 Blootsvoets?.. \u2014 zei Motrja, half verwijtend, half raadgevend.<br \/>\n\u2014 Nee, ik zou mijn schoenen aantrekken\u2026<br \/>\n\u2014 Vind je het jammer het avondeten te missen? \u2014 lachte de oude vrouw. \u2014 Wat een meisje!<br \/>\n\u2014 Nee, het avondeten is het niet, maar wie zal het dan koken?.. En ik wil eigenlijk ook niet\u2026<br \/>\n\u2014 Zoals een bedelaar een cent, \u2014 plaagde de oude vrouw.<br \/>\n\u2014 Nee, ik wil niet! Want daar hoor je ook ergens vechten \u2014 alleen maar: boem en boem!.. Misschien hebben onze jongens ruzie gekregen met die van de vallei, zodat ze niet naar de vreemde straat gaan?..<br \/>\n\u2014 Het lijkt erop dat de lijfeigenen dronken zijn geworden en niet willen verzoenen!.. \u2014 vermoedde de oude vrouw.<br \/>\nMotrja zuchtte zwaar. \u201cDronken geworden?.. \u2014 dacht ze. \u2014 Wie heeft hen dan dronken gemaakt, zo niet hij?..\u201d Haar hart kneep samen.<br \/>\nDe hele avond was ze bedroefd; noch het gekwetter van het vrolijke meisje, noch de grappen van de oude vrouw konden haar opvrolijken.<br \/>\n\u2014 Het voelt zo slecht op mijn ziel\u2026 er kronkelt iets rond mijn hart\u2026 \u2014 klaagde ze tegen de oude vrouw. En ze ging vroeg naar bed.<br \/>\nMaar slapen kon ze niet. Gedachten en hoest lieten haar niet rusten. Ze sloot haar ogen, deed ze weer open \u2014 en zag het dronken feest voor zich. Ze draaide zich op de andere zij, drukte haar gezicht in het kussen \u2014 de hoest kroop omhoog in haar keel, kietelde en verstikte haar\u2026 Ze ging rechtop zitten, hield haar hoofd in haar handen en hoestte\u2026<br \/>\nZat daar\u2026 De hoest bedaarde een beetje\u2026 Ze dacht: waar blijft de dood zo lang? Waar dwaalt hij rond?.. En van de dood ging haar gedachte naar hem, naar haar zoon\u2026 en weer naar de dood\u2026 Met moeite viel ze v\u00f3\u00f3r het ochtendlicht in slaap. Ze stond niet op bij het krieken van de dag.<br \/>\nIn de ochtend bereikten angstige kreten en geroep hun huis\u2026 Het was het geweld van de Russische soldatenrechtspraak.<br \/>\n\u2014 O Heer, wat gebeurt er toch op het veld! \u2014 riep de buurvrouw, terwijl ze de kamer binnenstormde in plaats van een groet. \u2014 De soldaten hebben zich in een kring opgesteld, de lijfeigenen omsingeld \u2014 en nemen ieder van hen en slaan hem\u2026 Die schreeuwen, smeken, bidden\u2026 En er was veel volk samengekomen om naar het gevecht te kijken \u2014 zelfs de aarde werd er zwaar van! En de districtsinspecteur, of een andere hogere, schreeuwde tegen de mensen: \u201cWat staan jullie daar, schurken?.. Weg van hier!\u201d En iedereen vluchtte \u2014 ieder waar hij kon\u2026 De een rechtstreeks over de weg, de ander door de tuinen, zodat de hekken kraakten; over de tuinen en door de sneeuw renden ze\u2026 Men zegt: zo\u2019n angst, God help ons!\u2026<br \/>\n\u2014 Hebben ze mijn zoon daar gezien? \u2014 vroeg Motrja schuchter en bang.<br \/>\n\u2014 Ik heb ook uw zoon gezien\u2026 Hij liep daar en verzamelde mensen: hij wilde hen redden.<br \/>\n\u2014 Dronken? \u2014 onderbrak de oude vrouw.<br \/>\n\u2014 God weet of hij dronken was of niet. Ik zag alleen dat hij bij iedereen bleef aandringen: laten we hen niet laten slaan! laten we het verbieden! Toen grepen de soldaten hem\u2026<br \/>\n\u2014 En\u2026 waar hebben ze hem gebracht?.. \u2014 schreeuwde Motrja verschrikt.<br \/>\n\u2014 Ik weet het niet, ik heb het niet gezien. Mensen zeiden dat hij misschien ook geslagen was\u2026 En zo, zeggen ze, genadeloos \u2014 tot het bloed in een straaltje liep\u2026<br \/>\nMotrja\u2019s gezicht, dat al somber was, werd nog donkerder. Ze liet haar hoofd verdrietig zakken; bittere tranen stroomden uit haar gelige, doffe ogen, over haar wangen en langs de diepe groeven die jaren en ellende in haar droge gezicht hadden gegrift.<br \/>\nDe oude vrouw bleef nog lang de buurvrouw ondervragen; de buurvrouw bleef nog lang vertellen. Motrja hoorde het niet meer. Haar hart kneep samen en deed pijn; haar hoofd was als beneveld; door haar tranen zag ze niets meer.<br \/>\n\u201cGeslagen\u2026 publiek, voor het volk geslagen\u2026 \u2014 dacht ze, terwijl ze huilde. \u2014 Bij het ongeluk, bij de nood, bij mijn ellende is nu ook nog schaamte gekomen\u2026 spot!.. En hoeveel verborgen lachjes en grappen zal ik nog moeten verdragen! Daar hebben ze een man in het cachot gegooid, zeggen ze, omdat hij iemand heeft gedood\u2026 Al was het niet hij \u2014 maar als ze het zeggen, dan is het toch hij! Hij heeft het hoofd van de schrijver beroofd\u2026 Hij! En mensen dronken gemaakt en tot kwaad aangezet\u2026 Hij!.. En alles is hij, alles hij!.. En nu hebben ze hem, alsof hij een moordenaar was \u2014 God vergeef het \u2014 in het openbaar verminkt\u2026 geslagen\u2026 En toch: zijn lichaam is mijn lichaam! Als hij geslagen wordt, doet het mij pijn\u2026 En ze zeggen dat ze hem tot op het levende vlees, tot bloedens toe hebben geslagen\u2026 O God! Als mensen zich eenmaal op iemand hebben gewroken, dan vreten ze hem tot het einde op! Wat er ook gebeurt, wat ze ook vinden, alles is hij, de dronkaard, de rover!.. Maar als men al wraak wil nemen, als hij het verdiend heeft \u2014 laat het dan tenminste niet in het openbaar zijn!.. Maar iedereen heeft het gezien, iedereen heeft het gehoord\u2026 De heren\u2026 maar een menselijke ziel, een hart hebben ze niet! Voor hen is een eenvoudige man niets meer dan een beest\u2026 Sla hem, sla hem rechtstreeks met geld\u2026 hij zal zich niet bukken!.. God! God! Waar is uw heilige gerechtigheid?..\u201d<br \/>\nZe was nu boos op alle mensen, op de hele wereld \u2014 op de heren die haar zoon hadden laten slaan\u2026 Wie gaf hen het recht haar kind te schande te maken?.. Op de soldaten, die zo meedogenloos, als beulen, sloegen; op de mensen die niet alleen niet tussenbeide kwamen, niet verdedigden, maar ernaar keken en lachten\u2026<br \/>\nIn elke mens zag ze nu haar persoonlijke vijand. In het gekwetter van de buurvrouw hoorde ze bittere spot met haar moederlijk verdriet, met haar arme hoofd; zelfs de oude, rustige stem van de vrouw leek haar een verborgen grap over haarzelf\u2026<br \/>\n\u201cVreemden\u2026 vreemden\u2026 Wat kan het hen schelen?.. Doet het bij hen pijn?.. Hebben zij medelijden?!\u201d \u2014 dacht ze, terwijl de bittere tranen bleven stromen, de ene na de andere.<br \/>\nEn zij vervloekte haar lot; zij vervloekte de mensen, zij vervloekte haar geliefde kind \u2014 haar zoon, die zij zo betreurde\u2026 Het was de pijnlijke kreet van een ziel, een diepe wond van het hart \u2014 aan niemand bekend behalve aan een moeder\u2026 Alleen een moeder kan tegelijk haar kind liefhebben en haten, betreuren en vervloeken; willen zien en horen \u2014 en toch niet willen kijken of luisteren.<br \/>\nDe volgende dag werd Tsjipka wakker toen de zon al hoog stond. Hij riep Loesjnia. Maar Loesjnia was er niet meer. Toen hij zag dat Tsjipka in slaap was gevallen, klom hij stil van de ovenbank, ging het huis uit en liep rechtstreeks naar Kroety Jar.<br \/>\n\u2014 En Tsjipka? Hoe is het met hem? \u2014 vroegen zijn makkers hem.<br \/>\n\u2014 Niets\u2026 hij leeft! Alles in orde\u2026 Maar luister: geen woord over waar jullie waren. Zeg dat jullie in het cachot zaten\u2026<br \/>\nEn hij begon te vertellen hoe Tsjipka hem bijna had gedood, hoe hij zich eruit had gelogen; hij vertelde ook over het laatste gesprek met Tsjipka en raadde hen aan zich bij hem aan te sluiten\u2026<br \/>\nPatsjoek stemde meteen toe, Matnja bleef tegenstribbelen.<br \/>\n\u2014 Als je in dienst gaat, \u2014 zei hij, \u2014 kun je nooit een slok wodka drinken\u2026<br \/>\nMaar Loesjnia en Patsjoek haalden ook hem over om zich bij Tsjipka\u2019s raad aan te sluiten. Uiteindelijk stemde hij ermee in om niet bij een boer in dienst te gaan, maar ergens bij een joodse wijnmakerij of brouwerij te werken. Zo deden ze het. Die dag brachten ze door met rondzwerven, en de volgende dag gingen alle drie naar Pobyvanka naar de jood en begonnen te werken in de wijnmakerij.<br \/>\nTsjipka wachtte tot de zon hoog stond, trok zijn boerka aan en ging naar de oude vrouw, waar zijn moeder woonde. Buiten ontmoette hij de oude vrouw.<br \/>\n\u2014 Goedendag, grootmoeder!<br \/>\n\u2014 Goedendag.<br \/>\n\u2014 Is mijn moeder hier?<br \/>\n\u2014 Bij mij\u2026 Waarom vraag je dat?<br \/>\n\u2014 Niets. Ik kom naar moeder, als het mag.<br \/>\n\u2014 Ga maar binnen. \u201cWaarom komt hij zo?..\u201d \u2014 dacht de oude vrouw, en het werd haar bang te moede. Ze haastte zich naar binnen.<br \/>\n\u2014 Motrja! Motrja!<br \/>\n\u2014 Wat is er?<br \/>\n\u2014 Je zoon komt\u2026<br \/>\nMotrja antwoordde geen woord \u2014 ze begon alleen te beven\u2026 Dan viel er kou over haar heen \u2014 ze werd bleek, dan werd ze heet alsof ze in vuur stond\u2026<br \/>\n\u2014 Waarom komt hij? \u2014 vroeg het meisje achter Motrja.<br \/>\n\u2014 Weet ik niet, \u2014 antwoordde de oude vrouw.<br \/>\nEn daar kwam Tsjipka de kamer binnen.<br \/>\n\u2014 Goede gezondheid voor u, grootmoeder, en voor u, moeder!<br \/>\n\u2014 Gezond zijt gij, Tsjipka, \u2014 antwoordde de oude vrouw.<br \/>\nMotrja draaide zich weg; tranen bedekten haar ogen\u2026<br \/>\nAllen zwegen. Tsjipka voelde zich ongemakkelijk\u2026 Hij kneep zijn muts in zijn handen en zei schuchter:<br \/>\n\u2014 Ik kom bij u, moeder\u2026<br \/>\nMotrja antwoordde niet. Tsjipka zweeg ook. In de kamer werd het zwaar, alsof het plafond op hen drukte\u2026<br \/>\n\u2014 Waarom ben je bij mij gekomen? \u2014 sprak Motrja na een tijdje, nog steeds zonder naar Tsjipka te kijken.<br \/>\n\u2014 Ik ben gekomen, moeder\u2026 om u om vergeving te vragen\u2026 Ik was toen dwaas, dronken\u2026 Ik heb u vernederd\u2026 zwaar gekwetst\u2026 God heeft mij daarvoor gestraft\u2026 Vergeef mij! Wees niet langer boos op mij!<br \/>\nMotrja kon zich niet langer inhouden. Tranen braken uit haar volle ogen en rolden als erwten over haar gezicht naar de vloer. In haar ziel spraken tegelijk troost, verdriet en verwijt\u2026 Ze was blij en getroost dat haar zoon zich had onderworpen, dat hij had ingezien welk kwaad hij zichzelf had aangedaan door zijn dwaze hoofd en slechte wil, dat hij schuld bekende tegenover haar, tegenover zijn moeder die hij zo had beledigd\u2026 Maar tegelijk rees voor haar als een zwarte wolk de minachting van haar zoon op, die het moederhart als met tangen samenperste; het wilde zich uiten in bittere verwijten\u2026<br \/>\nMotrja begon, terwijl ze haar tranen afveegde, haar zoon te beschamen.<br \/>\n\u2014 Nu kom je, zie je wel, naar je moeder?! Nu ook bij haar, alsof niemand anders je kan beklagen?.. En vroeger noemde je je moeder zus en zo!.. Schaam je je niet? Is het geen zonde?.. Op mijn oude dag liet je mij rondzwerven bij vreemde mensen\u2026 brood aannemen van anderen\u2026 Zo moesten ze over je praten? Wat is een moeder dan \u2014 je vijand? Een moeder is een moeder!.. Zij zou haar eigen vinger afsnijden en hem aan haar kind geven als het hem beter maakte!.. Maar jij \u2014 meteen hoogmoedig; meteen zus en zo!.. En nu, zie je, nu men je heeft opgevoed, is ook je moeder nodig? Meteen naar haar toe? Wat \u2014 goede Russische leer?.. Goed?! Nu komt de gehoorzaamheid ineens vandaan\u2026 Maar vroeger\u2026 als moeder iets zei \u2014 jij tien keer terug\u2026 moeder huilde \u2014 en jij begon een oproer\u2026 En ik zeg je, zoon, als een moeder de kracht had gehad om je te leren zoals vreemden je hebben geleerd, dan zou je niet als een straatjong hondje omhoog springen en je oude moeder niet met bittere woorden verwijten, terwijl zij lange nachten over je waakte, van haar eigen mond afbrak om jou te voeden\u2026 Je had haar hart zo niet moeten kwetsen!..<br \/>\n\u2014 Denk er niet meer aan, moeder!.. Vergeef me\u2026 vergeet het! Het was lang geleden\u2026 Wat is een dronken mens? Dronken is dwaas\u2026 U weet het zelf: hij zet geen kaars recht maar gooit hem om!..<br \/>\nMotrja zweeg en veegde haar tranen met haar mouw. De oude vrouw voegde ook verwijten en beschamende woorden toe over zulke slechte daden.<br \/>\nTsjipka stond met gebogen hoofd bij de drempel\u2026 Motrja keek naar hem \u2014 en haar hart veranderde plots in groot medelijden.<br \/>\n\u2014 Ze hebben je daar zeker zo mishandeld, zoon, dat er geen hele botten meer in je lichaam zijn? \u2014 zei ze, medelijdend naar zijn bleke, pijnlijke gezicht kijkend. \u2014 Kijk hoe je eruitziet\u2026 zo bleek, zo grauw ben je geworden!..<br \/>\n\u2014 Mijn rug brandt alsof hij verschroeid is, \u2014 klaagde Tsjipka. \u2014 Ze hebben als razenden geslagen!..<br \/>\n\u2014 Moge het kwaad en het ongeluk hen treffen, als ze zo met mensen spotten! \u2014 zei Motrja.<br \/>\n\u2014 We hebben het gehoord, Tsjipka, \u2014 mengde de oude vrouw zich erin, \u2014 de kreten bereikten zelfs ons huis\u2026 Het klonk alsof doden uit hun graf kreunden: \u201cooh\u2026 ooh\u2026\u201d<br \/>\n\u2014 Hebben ze je tot op het levende vlees geslagen? \u2014 vroeg Motrja opnieuw.<br \/>\n\u2014 Er is van alles\u2026<br \/>\nMotrja trok haar gezicht samen en zweeg.<br \/>\n\u2014 Heb je tenminste je hemd verwisseld, of heb je misschien geen hemd meer? \u2014 vroeg de moeder na een tijdje.<br \/>\n\u2014 Nee, ik heb er een\u2026 maar ik heb het niet verwisseld.<br \/>\n\u2014 Waarom heb je het niet uitgetrokken? Het zal aan je wond plakken, opdrogen, en je zult het los moeten scheuren\u2026 het wordt alleen maar erger!<br \/>\n\u2014 Het zal wel opdrogen!<br \/>\n\u2014 Och, moge je toch! \u2014 glimlachte de oude vrouw. \u2014 Het zal opdrogen!! Ga zitten, waarom sta je daar?<br \/>\nTsjipka ging naast zijn moeder zitten. Motrja keek naar hem en kon bijna niet ophouden met huilen. Het meisje, de kleindochter van de oude vrouw, stond bij de oven met haar rug naar het vuur, keek bedroefd afwisselend naar de zoon, naar de moeder en naar haar grootmoeder, en beet op de nagel van de tweede vinger van haar linkerhand\u2026<br \/>\n\u2014 Waar zullen wij wonen, zoon? \u2014 vroeg Motrja na een tijdje praten.<br \/>\n\u2014 Blijf de winter nog bij de grootmoeder, moeder; ik zal betalen wat de oude vrouw zegt\u2026<br \/>\n\u2014 God zegene je, Tsjipka, met je betaling! Waarom heb ik jouw geld nodig? Alsof Motrja bij mij in huis zal blijven of elders zal slapen als ze de winter doorkomt?.. Laat ze overwinteren. En jij, zoon, probeer geld te verdienen, herstel je huis, en in het groene voorjaar, als het warm wordt, dan verhuis je naar je eigen huishouden!<br \/>\n\u2014 Dank u, grootmoeder, voor uw goedheid, \u2014 bedankte Tsjipka terwijl hij boog. \u2014 Dan zal ik het waarschijnlijk zo doen: ik ga tot de lente werken in een wijnmakerij\u2026<br \/>\n\u2014 Ga daar niet heen, zoon, \u2014 onderbrak Motrja hem: \u2014 neem geen dienst bij een jood, bij een ongelovige!.. Zij hebben jouw goed al verpest\u2026 Ga liever ergens op de dorsvloer werken en verdien brood. We wachten op de lente \u2014 dan moeten we toch eten\u2026 En misschien kunnen we ergens land krijgen, zodat we kunnen zaaien\u2026<br \/>\n\u2014 Goed, moeder\u2026 Ik ga op de dorsvloer werken. In het Kroety Jar landgoed, zeggen ze, is veel graan overgebleven\u2026 Men zei dat een Duitser misschien arbeiders zoekt: wie wil, voor geld, of anders voor een deel van het graan\u2026 Dus ik zal nu voor brood werken. En als ik verdien, dan ook voor geld\u2026<br \/>\n\u2014 Goed\u2026 Doe het maar zo, zoon.<br \/>\nZe namen afscheid.<br \/>\nDiezelfde dag, tegen de avond, vertrok Tsjipka naar Kroety Jar. De volgende dag kreeg hij ergens een dorsvlegel en begon in de schuur te dorsen, zodat het stro een el hoog in de lucht vloog. Waar kwamen die kracht en werklust vandaan! Wat een werker was hij \u2014 gouden handen. Zelfs de Duitser prees Tsjipka en stelde hem als voorbeeld voor anderen\u2026<br \/>\n\u2014 Sjipka, goed werken\u2026 als een beest!\u2026<br \/>\n\u2014 Ha!.. \u2014 lachten de Pisky-kozakken, \u2014 zo gaat dat met de Russische leer! Onze aanvoerder staat nu in Kroety Jar met een dorsvlegel\u2026 Wat een vreemd ding is die zweep!.. Maar God beware! Tijdens de feestdagen richtten ze zo\u2019n feest aan dat de aarde er zwaar van werd; en na de feestdagen zijn ze helemaal gek geworden!\u2026<br \/>\nTsjipka hoorde niets van dat alles, en Motrja, hoewel ze het hoorde, stopte haar oren dicht en vervloekte de heren, de soldaten en de mensen die lachten\u2026<br \/>\nTsjipka werkte, en Motrja kon in het huis van de oude vrouw niet stilzitten. Elke dag ging ze naar haar eigen huis. Hoeveel ellende had ze in dat huis geleden \u2014 armoede, koude en hongerige dagen! Hoe vaak had het lot haar bedrogen, haar hoop verstrooid, gebroken en in de afgrond van een bitter leven geworpen! Zittend in de oude leegstaande woning begon Motrja te denken aan wat haar oude geheugen had bewaard\u2026 Ze werd verdrietig, zuchtte, huilde en ging weer weg. Maar de volgende dag kwam ze opnieuw. Het werd haar zelfs onaangenaam als ze haar huis een dag niet bezocht\u2026<br \/>\nEn \u2019s nachts dacht ze maar \u00e9\u00e9n ding: mocht deze wrede winter toch snel voorbijgaan, mocht de sneeuw smelten, de velden groen worden, zodat men het huis kon herstellen en er weer kon gaan wonen! Alleen met zulke gedachten leefde ze.<br \/>\nDaar kwam al Vastenavond. De zon steeg hoog aan de hemel; zij speelde op het komende voorjaar; zij verwarmde \u2014 men zegt dat ze zelfs de zijkant van een os kan verwarmen. De sneeuw werd zachter, het ijs begon te barsten en zwart te worden; rond de huizen dooide het al; de kinderen kwamen uit huis op de drempel, speelden in de zon met kleine zweepjes\u2026 De lente ademde\u2026<br \/>\nDe lijfeigenen waren blij dat ze de lente hadden bereikt \u2014 de eerste vrije lente, waarin men niet meer voor de heren hoefde te werken\u2026<br \/>\n\u2014 Naar de herberg, broeders! Voor de vrijheid!.. Voor de vrijheid!.. \u2014 riepen ze, terwijl ze naar de herberg gingen.<br \/>\nVastenavond werd uitgevierd. Daarna kwam de tussenpersoon om het land volgens de regeling te verdelen\u2026 De lijfeigenen werden bang dat hij hen misschien samen met het land nog iets anders zou geven \u2014 een tweede slavernij! Sommigen dachten stilletjes dat dit land zelf al een tweede slavernij was, omdat de heren er betaling voor zouden eisen en hen opnieuw tot dwangarbeid zouden drijven\u2026<br \/>\n\u2014 Wij willen geen land!.. Niet nodig!.. Wacht op de geschikte tijd! \u2014 gromde de gemeenschap, in afwachting van die \u201cgeschikte tijd\u201d, wanneer het land gratis, zonder betaling, aan hen zou worden teruggegeven\u2026 Zij dachten dat de tsaar vrijheid had gegeven en ook het land had geschonken; maar dat de heren zelf een of andere betaling hadden bedacht\u2026 \u201cMaar ooit zal het recht toch boven komen!\u201d \u2014 dachten zij en begonnen te wachten op de \u201cgeschikte tijd\u201d\u2026<br \/>\nOpnieuw ontstond onrust en opschudding\u2026 Niet alleen in Pisky \u2014 overal in Oekra\u00efne klonk het over die geschikte tijd, in alle gehuchten en dorpen\u2026 Het geschreeuw weerklonk in de districtssteden\u2026 Want overal waar de donkere, gekwelde lijfeigene, over wie eeuwenlang niemand had gevraagd, die was als een os die de herenakkers ploegde en voor het hereninkomen zaaide \u2014 overal waar hij de herenketen van zich had afgeworpen, ademde hij vrijheid\u2026<br \/>\nToen moest die vrijheid met geweld worden ingedamd\u2026 De soldaten kregen werk. Zij trokken van dorp naar dorp, van gemeente naar gemeente, en spraken over de \u201cgeschikte tijd\u201d\u2026 Hun enige taak was soms hun eigen broeders en vaders te slaan, te binden en naar de stad te voeren, in de gevangenis te werpen\u2026 En wie daar terechtkwam, ging als in een put. Af en toe kwam iemand weer boven: de een ging naar Siberi\u00eb, de ander kreeg dwangarbeid.<br \/>\nTsjipka had nu geen tijd om naar al die dingen te luisteren. Samen met zijn moeder werkte hij dag en nacht aan het huis. Hij opende het, repareerde het van buiten en van binnen; hij gooide verrot hout weg en plaatste nieuw, gaaf hout; zette nieuwe dakspanten; bekleedde het met stro\u2026 Motrja werkte met kalk en leem. Hun gelach en liederen wekten het dorp elke ochtend en verspreidden zich over heel Pisky\u2026<br \/>\nTegen Pasen stond het huis daar als een nette jonge vrouw: recht, hoog en wit als sneeuw. En men kon elke ochtend en avond een oude vrouw zien die eruit kwam \u2014 een beetje gebogen, maar met vrolijke ogen. Ze liep snel naar de strohoop in de tuin, nam haastig een volle mat en droeg die met moeite naar het huis. Dat was Motrja. Ze leek jonger geworden sinds ze naar haar eigen huis was teruggekeerd\u2026<br \/>\nTsjipka werkte zich in het zweet. Dag na dag kookte het werk voor hem als in heet water. Toen het huis gereed was, begon hij de kelder schoon te maken en in te richten; de erfafscheiding met vlechtwerk te herstellen; houten poorten te maken. Rond Sint-Nicolaas kocht hij op de markt een paar schapen. Ze moesten ergens worden ondergebracht\u2026 Hij begon een schapenstal te bouwen.<br \/>\nDe hooitijd kwam. Hij liep rond als een aanvoerder! Hij had een vijftiental hopen hooi verzameld. Toen werd de rogge geel; het was tijd om te oogsten. De oogst begon \u2014 en de sikkel ging als een zeis. Het hoge roggeveld buigt onder zijn hand, de aarvolle tarwe; en achter hem lag al een dikke, nette schovenbundel\u2026<br \/>\nMotrja was blij; ze prees haar zoon bij de mensen zonder ophouden.<br \/>\n\u2014 Hij was eerst dwaas, maar hij heeft toch zijn eigen weg gevonden! Nu zal het kwaad hem niet meer pakken! Hij zal gaan leven\u2026 Jammer alleen dat hij niet trouwt\u2026 anders kan hij misschien gaan rondzwerven en lui worden!<br \/>\nZo spraken de mensen. En meer dan \u00e9\u00e9n oude moeder, met een dochter op huwbare leeftijd, dacht soms stilletjes aan Tsjipka; als ze hem ontmoette, groette ze hem vriendelijk. En ook menig meisje probeerde hem met speelse, lieve grapjes aan te spreken. Maar Tsjipka bleef doof en stom \u2014 zowel voor moederlijke groeten als voor meisjesgrappen. Hij had iets anders in zijn hoofd, iets anders op zijn hart. Soms bleef hij midden in het werk staan, de handen in elkaar geslagen, in gedachten verzonken\u2026<br \/>\n\u201cEn wat dan nog?\u201d \u2014 vroeg hij zichzelf, even vergeten dat hij hardop sprak, en begon dan weer haastig aan het werk.<br \/>\nOndertussen groeide hun bezit steeds verder\u2026 De oogsttijd ging voorbij. De herfstgeur hing in de lucht. De mensen werden vrijer.<br \/>\nOpnieuw brak onrust uit\u2026 Van de lijfeigenen eisten ze losgeld. De lijfeigenen wilden niet betalen. Toen begon men hun vee te taxeren en te verkopen\u2026 Tsjipka kocht van iemand een koe; hij wilde ook een paard houden, maar vond er geen naar zijn smaak.<br \/>\nZoals het leven was, zo was ook het gezelschap. Tsjipka en Hrytsjko leefden nu als broeders. Soms gingen ze samen werken en kwamen samen naar huis terug. Op zondag was Tsjipka bij Hrytsjko met zijn moeder, of Hrytsjko bij Tsjipka met Chrystia. Hrytsjko vergat zelfs die strohoop die Tsjipka ooit had weggegooid\u2026 Maar Chrystia had daar nu geen tijd voor, want zij had een klein kind op haar armen\u2026<br \/>\nChrystia hield van Motrja. \u201cZe is zo goed, zo goed, als een echte moeder!\u201d \u2014 prees ze haar bij haar man. En vaak kwam Chrystia op feestdagen naar Motrja om te praten en zich te ontspannen. Motrja kwam ook af en toe bij Chrystia op bezoek. Wanneer die de hele dag moest gaan werken buitenshuis, zorgde Motrja voor haar zoon Vasylko.<br \/>\n\u2014 Waarom, moeder, laat u Tsjipka niet trouwen? \u2014 vroeg Chrystia eens aan Motrja.<br \/>\n\u2014 Als ik hem maar kon uithuwelijken, dochter! Ik heb het hem al zo vaak gezegd \u2014 maar hij wil niet!<br \/>\n\u2014 Blijkbaar heeft hij iemand in zijn hart \u2014 maar durft het niet te zeggen.<br \/>\n\u2014 Wie zal het weten. Hij zegt niets. En mij is zijn zwerversleven al lang een doorn in het oog! Hij zou een vrouw moeten hebben om hem tot rust te brengen\u2026 En ook voor mij. Ik ben al oud, versleten \u2014 een schoondochter zou toch alles veranderen. Ik heb hem op u gewezen\u2026 \u201cKijk,\u201d zei ik, \u201cmensen zijn getrouwd en leven gelukkig. Waarom trouw jij niet?..\u201d Maar hij wil niet luisteren\u2026 \u2014 Motrja zuchtte zwaar.<br \/>\n\u2014 Och, moeder, waarom ben ik nu geen meisje meer, \u2014 lachte Chrystia. \u2014 Dan zou ik goed bij uw zoon passen!\u2026<br \/>\n\u2014 Ach, dochter! Voor hem zal waarschijnlijk geen enkele vrouw goed genoeg zijn\u2026 daarom trouwt hij niet.<br \/>\nOok Hrytsjko vroeg eens, toen hij Tsjipka somber zag:<br \/>\n\u2014 Waarom trouw je niet, Tsjipka?<br \/>\n\u2014 Is dat dan beter?<br \/>\n\u2014 Natuurlijk is het beter. Een vrouw zal je verwelkomen, raad geven, je opvrolijken\u2026<br \/>\n\u2014 Ach, verdomme! \u2014 antwoordde Tsjipka dof en werd nog somberder. Hij zag zelf alles goed. Hij zag Hrytsjko\u2019s geluk\u2026 Maar dat verwarmde hem niet; het maakte hem alleen maar verdrietiger. Hij werd steeds somberder en verdween vaak de hele nacht\u2026<br \/>\nMotrja wachtte en wachtte\u2026 \u201cHij is waarschijnlijk ergens gaan rondzwerven \u2014 zodat mijn ogen het niet zien, mijn oren het niet horen\u2026 Een jongen, dat is duidelijk!.. Of misschien heeft hij iemand gevonden\u2026\u201d Zo dacht ze bij zichzelf, koesterde in haar hart een beetje hoop en ging gerust slapen. Ze vertelde het niemand, zelfs niet aan Chrystia. En ze vroeg ook Tsjipka niet.<br \/>\nEens besloot ze het toch te vragen. Tsjipka kwam pas bij daglicht thuis, het was al helemaal licht. Somber, bleek, dreigend\u2026<br \/>\n\u2014 Waar ben je geweest, zoon? \u2014 vroeg Motrja terwijl ze naar hem keek.<br \/>\n\u2014 Daar waar ik niet eerder was! \u2014 antwoordde Tsjipka nors en ging het huis uit om zijn werk te doen\u2026<br \/>\nMotrja haalde alleen haar schouders op. Misschien had hij zich met een vrouw van slechte naam ingelaten en schaamde hij zich om het te zeggen?..<br \/>\nEn rond Pisky ging alleen het gerucht over slechte daden\u2026 Daar in Kroety Jar was de Duitse opzichter kaalgeschoren; daar in Pobyvanka was de jood als een luis uitgeplukt; bij de heer in Krasnohor werd geprobeerd binnen te dringen maar men werd verdreven; in het Bajratski-bos vond men bij een boom een monnik en een non vastgebonden \u2014 en er werd veel geld vermist; en in Rozbysjakivka werd de kerk beroofd\u2026 Het gerucht bromde en dreunde hierover als een klok en verspreidde zich ver en wijd\u2026 Overal ontstond onrust; elkeen bad, wanneer hij ging slapen, tot God dat hij gezond mocht opstaan.<br \/>\n\u201cNu ja, wat voor tijden zijn er nu aangebroken!\u201d \u2013 praten de oude mensen. \u201cHet lijkt wel of het einde van de wereld nabij is\u2026 Niet voor niets gebeurt er zoiets op aarde. Waarom gebeurde dit in onze jonge jaren niet? Waarom vertelden onze vaders, grootvaders en overgrootvaders niets hierover?.. Toen waren er de Tataren\u2026 zij verbrandden steden en dorpen, sneden mensen neer, namen gevangenen en dreven hen als buit weg\u2026 En nu?.. Kijk, men steelt zelfs uit de kerken! Wie? \u2014 Tataren!.. Waar is zoiets gezien?! En onder bloedverwanten heerst verdeeldheid\u2026 De zoon heft de hand tegen de vader; de dochter luistert niet naar de moeder; broer keert zich tegen broer; zuster is vijand van zuster; de vrouw bereidt vergif voor haar man\u2026 Iedereen is alsof hij gek is geworden! En de zwervers, de prostitu\u00e9es \u2014 hoeveel zijn er niet!.. En ongehuwde moeders en lichtzinnige meisjes!! Vroeger, als zo iemand trouwde, zou het geroddel haar het leven onmogelijk maken\u2026 Maar nu\u2026 de dochter slaapt met een soldaat, en de moeder bedekt het met een pelsjas\u2026 O, Heer! hoe verdraag je ons nog op deze wereld?\u2026\u201d<\/p>\n<p>DEEL VIER<\/p>\n<p>XXIII. ONVERWACHTS DE EIGEN MENSEN<br \/>\nHet was een donkere herfstavond. De regen viel als door een zeef \u2014 dicht en fijn; uit de aarde steeg zware damp op en hulde alles in een vochtige sluier, zodat men niet kon zien wat er op aarde gebeurde. Overal was het stil, donker en somber, alsof men zich in een dodenrijk bevond. Op zo\u2019n uur ademt men altijd zwaar en leeft men droevig. Goede mensen schuiven, zodra het donker wordt, haastig hun huizen binnen; uit de lage ramen van dorpshuisjes flakkert licht in gele cirkels. Iedereen voelt zich een beetje onrustig. Niemand weet goed wat te beginnen, hoe zich een beetje te vermaken\u2026 Mannen: de een lapt zijn laarzen, de ander breit wanten, een derde doet iets anders\u2026 Vrouwen en meisjes spinnen of naaien hemden. De kinderen kruipen op de oven en dommelen\u2026<br \/>\nIn huis is het warm en stil \u2014 maar niet helder: midden op de vloer op een omgekeerde pot brandt een klein olielampje; het lontje gloeit blauwachtig als een erwt\u2026 De schemering vult het huis. Ook daar dringt de slecht weer binnen: als het niet door de regen is die door de arme woning sijpelt, dan door de ramen; als het buiten zware mist is, dan zweeft het stille verdriet door het huis, wikkelt de mensen in droefheid en sluipt als zware angst in de ziel, bedekt met slaap\u2026<br \/>\nEen meisje zingt haar lievelingsliedjes; maar kijk \u2014 haar stem breekt af\u2026 wordt zwakker en stiller\u2026 totdat ze zelf niet merkt wanneer de naald in het onafgewerkte borduurwerk blijft steken\u2026 Het meisje buigt haar zware hoofd en dommelt.<br \/>\n\u2014 Wat is er, Maroesja? Ben je al in slaap? \u2014 vraagt haar moeder. \u2014 Zo, meisje\u2026<br \/>\nDe dochter schrikt op, opent haar ogen en pakt haastig haar werk weer op. Heeft ze \u00e9\u00e9n rij borduurwerk gedaan of niet \u2014 als ze opkijkt, ziet ze dat moeder ook aan het spinnewiel is ingedommeld\u2026 De spoel valt uit haar handen en slaat op de grond en maakt haar wakker\u2026<br \/>\n\u2014 Pf! waarom valt de slaap zo op ons neer?.. \u2014 zegt de verbaasde moeder.<br \/>\n\u2014 Maar men lachte mij uit! \u2014 herstelt de dochter zich.<br \/>\n\u2014 Men lachte\u2026 en zie, jij dommelde zelf ook.<br \/>\n\u2014 Het werk valt mij ook uit de handen, \u2014 zegt de vader. \u2014 Laten we avondeten en gaan slapen.<br \/>\nZo gaat het thuis, in eigen huis. Maar God beware je op reis! De koude dringt door je heen; fijne regen bereikt je tot op het blote lichaam; hij wrijft en kwelt je als koorts\u2026 Droevig, donker, men wil slapen maar het is koud en nat, de botten doen pijn; en dan nog de modderige weg \u2014 de paarden gaan nauwelijks vooruit.<br \/>\nZo was ook de hele dag v\u00f3\u00f3r die nacht. De ochtend ontwaakte en begroette de wereld niet met heldere zonneschijn, maar hulde die in grijze mist, een dikke damp die boven de zwarte aarde hing. Spoedig werd het dag \u2014 somber en ongezellig; en daarna viel de nacht weer neer. Mensen bewogen als schaduwen in die mist, konden elkaar op vijf stappen niet zien; stemmen bereikten niet ver, zoals bij helder weer, en verdwenen in de damp\u2026 Zwaar, somber, treurig.<br \/>\nMaar Tsjipka was, tegen de wereld en de mensen in, een beetje vrolijk en blij. Hij floot zachtjes door zijn tanden een vrolijk liedje en rookte zijn pijp. Hij maakte in de stal een voederbak voor de varkens. De hele dag kwam hij het huis niet binnen. Pas tegen de avond riep Motrja hem voor het eten.<br \/>\n\u2014 Wat is er, zoon, dat je zo aan die bak gekluisterd bent dat je zelfs het eten vergeet?<br \/>\n\u2014 De dag was vrolijk, moeder, \u2014 antwoordde Tsjipka glimlachend.<br \/>\n\u2014 Vrolijk, ja!.. Op straat zie je geen levende ziel.<br \/>\nNa het eten ging Tsjipka weer naar de stal. Tot het donker werd werkte hij door. \u2019s Nachts kwam hij pas het huis binnen, nadat hij zijn werk had gedaan.<br \/>\n\u2014 Moeder, ik zal niet avondeten, \u2014 zei hij, wierp zijn schapenvacht over zijn schouder en ging snel naar buiten.<br \/>\n\u2014 Waar ga je heen, zoon? \u2014 riep Motrja hem na.<br \/>\nMaar Tsjipka was al verdwenen.<br \/>\nDe moeder at alleen; ging slapen.<br \/>\nTsjipka verliet het erf en ging recht het veld in. Nadat hij misschien een werst van het dorp verwijderd was, plooide hij zijn vingers, bracht ze aan zijn mond \u2014 en huilde als een uil. Ver en wijd klonk dat droevige geroep. Nergens antwoord, nergens echo \u2014 alleen honden begonnen in het dorp te blaffen.<br \/>\nTsjipka ging verder. Na een paar honderd meter huilde hij opnieuw. Van ver antwoordde iets hem \u2014 als een tweede uil. Tsjipka rende recht over het bouwland naar het geluid. Nog eens huilde hij; opnieuw kwam een antwoord, nu dichterbij. Spoedig verschenen in de grijze mist donkere gestalten.<br \/>\n\u2014 Wie daar? \u2014 klonk een mannenstem.<br \/>\n\u2014 Uil! \u2014 riep Tsjipka langgerekt.<br \/>\nDe gestalten begonnen te bewegen, nader te komen en groter te worden. Een menselijke vorm werd zichtbaar. Tsjipka herkende al snel Loesjnja, Matnja en Patsjoek. Met hen waren nog vijf onbekende mannen.<br \/>\n\u2014 Goede gezondheid, heren gezelschap! \u2014 begroette Tsjipka hen.<br \/>\n\u2014 Wees gezond! \u2014 antwoordden zij.<br \/>\n\u2014 En wat, broeders: waar gaan wij deze nacht vis vangen?<br \/>\n\u2014 Waar meer vangst is, \u2014 antwoordde iemand.<br \/>\n\u2014 We weten het nog niet, Tsjipka, \u2014 zei Loesjnja. \u2014 Deze raden aan naar Stawyszcze bij Hersjko; en jij wilde waarschijnlijk naar Krasnohorka, naar de heer?<br \/>\n\u2014 Of het nu bij Hersjko is of ergens anders, voor mij is het hetzelfde! \u2014 antwoordde Tsjipka.<br \/>\n\u2014 En heb jij gereedschap bij je? \u2014 vroeg een van de onbekende broeders hem.<br \/>\n\u2014 Hier is mijn gereedschap! \u2014 Tsjipka toonde zijn vuist. \u2014 E\u00e9n keer proeven, dan wil hij geen tweede keer; en als ik raak, dan staat hij niet meer op\u2026<br \/>\n\u2014 Sla toch niet te hard, kozak, \u2014 zei een lange, stevig gebouwde man.<br \/>\nTsjipka meende dat hij die stem ergens had gehoord, maar kon zich niet herinneren waar.<br \/>\n\u2014 Jullie kennen hem nog niet, \u2014 zei een ander, een dikkere man in Russische kledij, tegen de dikke man. \u2014 De laatste keer dat we samen op stap waren, herkende hij mij in het donker niet en sloeg mij met zijn gereedschap op het hoofd \u2014 toen zag het zwart voor mijn ogen\u2026<br \/>\n\u2014 Nou, zo iemand hebben wij nodig, \u2014 zei de dikke man. \u2014 Maar bij ons geldt deze regel: alles wat wordt buitgemaakt, wordt gelijk verdeeld; en als men wordt gepakt \u2014 dan zelfs naar de galg: je weet zogezegd niets, je hebt niets gezien!<br \/>\n\u2014 Ha!.. \u2014 antwoordde Tsjipka. \u2014 En bij ons is er nog zo\u2019n regel: als je gepakt wordt, dan leef je niet lang\u2026 In de gevangenis kruipen en smoren, zodat je soms niet kunt verraden.<br \/>\n\u2014 De onze! De onze! \u2014 riepen ze rondom, klappend als duivels.<br \/>\n\u2014 Nu aan het werk\u2026 Vooruit! \u2014 riep de dikke man en ging als eerste. De anderen volgden hem.<br \/>\nZe gingen nog misschien een paar honderd meter en stuitten in de mist op twee wagens. Bij de paarden stond een onbekende man.<br \/>\n\u2014 Dat de duivel jullie haalt! Dat jullie verstikken! \u2014 vloekte hij. \u2014 Ik heb gewacht, gewacht, al was ik bijna in slaap, maar jullie kwamen niet\u2026 Alsof jullie in het water zijn gevallen. Ik wilde al naar huis terug\u2026<br \/>\n\u2014 Maak je geen zorgen! Lang gewacht, maar goed buitgemaakt, \u2014 zei de dikke man, wijzend op Tsjipka.<br \/>\n\u2014 Hij heeft ons niet verraden, \u2014 antwoordde de onbekende en sprong zonder naar Tsjipka te kijken als eerste op de wagen.<br \/>\nOnder zijn leiding klom het hele gezelschap op de wagens: nu op de ene, dan op de andere\u2026 Snel reden zij door het veld \u2014 alleen de paardenhoeven klakten en de modder spatte door de snelle vaart.<br \/>\nVoor het ochtend werd, keerden twee wagens terug \u2014 rechtstreeks naar de hoeve van Hoedzjev. Op de wagens zat het vol van onze vissers. Sommigen lagen te slapen; anderen dommelden; twee mannen leidden de paarden.<br \/>\n\u2014 Jullie hebben lang gewacht, maar goed verdiend, \u2014 zei de dikke man terwijl hij van de wagen sprong en naar het huis ging. \u2014 Javdocha! Javdocha! Doe open!<br \/>\n\u201cHet is een Moskovi\u00ebr!!\u201d \u2014 dacht de verbaasde Tsjipka. \u201cNu begrijp ik waarom hij rijk wordt en elk jaar bijbouwt\u2026\u201d<br \/>\nEr flikkerde licht door de kieren van de luiken; de deur kraakte; de ketting bij de poort rammelde; honden sprongen op. De poort ging open en de wagens reden onder het afdak en stopten.<br \/>\n\u2014 Nu het huis in, goede jongemannen! \u2014 zei de Moskovi\u00ebr. \u2014 We zullen avondeten. En ik en Sydir zullen de paarden uitspannen.<br \/>\n\u2014 Ja, we gaan uitspannen! \u2014 antwoordde Sydir in het Russisch en sprong van de wagen naar de paarden.<br \/>\nOok de anderen stapten uit, gingen door de donkere gang en daarna het verlichte huis binnen. Tsjipka volgde hen, zonder zichzelf te herkennen: angst en vreugde grepen hem tegelijk. \u201cMisschien herkent zij je nu niet? Is ze het vergeten?.. Of misschien?..\u201d<br \/>\nZe kwamen het huis binnen. Het huis was ruim en schoon; langs de muren stonden linden banken, zo schoon dat ze glansden; in de hoek hingen koperen icoonpanelen zoals bij de Russen; aan de muren hingen schilderijen onder glas; op tafel brandde een kaars\u2026<br \/>\n\u2014 Goedenavond in huis! \u2014 begroetten allen de Moskouse vrouw die met sleutels in de handen midden in de kamer stond.<br \/>\n\u2014 Of goedemorgen, \u2014 antwoordde zij.<br \/>\n\u2014 Is het dan al ochtend? \u2014 vroeg iemand uit de groep.<br \/>\n\u2014 Het is bijna licht, \u2014 zei de vrouw.<br \/>\n\u2014 Kijk, het lijkt alsof er nog maar een uur is verstreken sinds we vertrokken.<br \/>\n\u2014 Jullie hebben het blijkbaar druk gehad\u2026 En was de moeite het waard?<br \/>\n\u2014 Vraag dat maar aan hem, \u2014 zei de man in Russische kledij en wees naar Tsjipka. \u2014 We hebben besloten hem tot aanvoerder te maken.<br \/>\n\u2014 Wie is dat? \u2014 vroeg de vrouw, Tsjipka scherp aankijkend. \u2014 Het lijkt alsof ik hem ken\u2026<br \/>\n\u2014 Waarom kijk je mij aan als een wolf, tante? Ik ben net als alle anderen, \u2014 zei Tsjipka, het onderzoekende kijken niet meer verdragend.<br \/>\n\u2014 Het lijkt alsof ik je ergens heb gezien?<br \/>\n\u2014 Misschien\u2026 ik weet het niet.<br \/>\n\u2014 Ben jij niet Varenytsjenko?<br \/>\n\u2014 Misschien ben ik het\u2026<br \/>\n\u2014 Wie is Varenytsjenko? \u2014 vroeg de Moskovi\u00ebr, het huis binnenkomend met Sydir.<br \/>\n\u2014 Hier \u2014 deze! \u2014 wees de vrouw naar Tsjipka.<br \/>\n\u2014 Nee, vrouw, \u2014 zei de Moskovi\u00ebr glimlachend \u2014 het is eerder een knuppel dan een varenik! Zo heeft hij met \u00e9\u00e9n slag die Moskovi\u00ebr neergehaald die bij Hersjko overnachtte. En die Moskovi\u00ebr \u2014 ik zeg je \u2014 is als een beer\u2026 Toen hij mij in zijn klauwen kreeg en drukte, ging mijn adem in mijn hielen zitten! Ik weet goed dat, als het niet voor hem was, ik alleen nog maar de wereld van verre had gezien\u2026 Misschien hadden ze alleen mijn botten teruggebracht \u2014 en zelfs die niet heel: die vervloekte beer had alles verbrijzeld\u2026 Maar dank zij hem ben ik gered!<br \/>\n\u2014 Daarvoor kreeg je vast een flinke beloning? \u2014 vroeg iemand.<br \/>\n\u2014 Het is genoeg voor ons, \u2014 zei Tsjipka, terwijl hij zijn geldbuidel tevoorschijn haalde en op tafel wierp. \u2014 Misschien iets minder dan bij de joden! \u2014 En hij haalde een tweede buidel en gooide die ook op tafel.<br \/>\nAllen drongen rond de tafel.<br \/>\n\u2014 We zullen later, broeders, verdelen, \u2014 zei Maksym. \u2014 En nu dit, oude vrouw: is er iets te eten voor de broeders?<br \/>\nJavdocha ging naar de andere kamer. Spoedig stond de tafel vol met allerlei gerechten: borsjt, pap, gebraden big. Het was duidelijk dat de Moskouse vrouw gasten van het werk verwachtte en van alles had klaargemaakt.<br \/>\nMaksym haalde ook een vat tevoorschijn.<br \/>\nDe broeders gingen aan tafel zitten; ze namen plaats op de banken rondom. Maksym ging twee keer rond met de beker \u2014 op de bodem van het vat klotste nog een beetje. Allen vielen op het eten aan alsof ze drie dagen niet hadden gegeten\u2026 Javdocha ging naar de andere kamer.<br \/>\n\u2014 Ken jij Varenytsjenko, Halja? \u2014 vroeg de Moskouse vrouw aan haar dochter.<br \/>\n\u2014 Welke Varenytsjenko? Nee, ik ken hem niet.<br \/>\n\u2014 Die achter Pisky woont\u2026 Die Varenyk, die naar men zegt tegelijk met twee vrouwen getrouwd was\u2026<br \/>\n\u2014 Nee, ik ken hem niet.<br \/>\n\u2014 Ga eens kijken: wat een knappe man hij is! Brede schouders; haar als een kraai, zwart; en de ogen\u2026 bruin, helder en glanzend!<br \/>\nHalja stond op van het bed, trok snel haar rok en jasje aan, greep een gebraden big en ging naar binnen.<br \/>\n\u2014 Ah, ben jij ook uitgeslapen? \u2014 vroeg haar vader.<br \/>\nHalja antwoordde niets. Ze zette het gebraad op tafel en keek zelf naar Tsjipka.<br \/>\n\u2014 Gegroet, oude bekende! \u2014 zei ze glimlachend tegen hem.<br \/>\n\u2014 Gegroet, Halja, \u2014 antwoordde Tsjipka.<br \/>\nTsjipka\u2019s hart begon sneller te slaan; het verheugde hem dat Halja hem nog steeds kende.<br \/>\n\u2014 En hoe ken jij hem? \u2014 vroeg haar vader.<br \/>\n\u2014 Hij heeft mij eens bang gemaakt \u2014 daar op het veld, \u2014 tjilpte Halja vrolijk tegen haar vader, terwijl ze met haar hand wees naar de plaats waar Tsjipka haar had laten schrikken.<br \/>\n\u2014 Hoe heeft hij je bang gemaakt?<br \/>\n\u2014 Zo: ik zat daar een krans te vlechten, en hij sloop naderbij en liet mij schrikken.<br \/>\n\u2014 Aha\u2026 Ga nu slapen, ekster! \u2014 zei de vader.<br \/>\n\u2014 Moet ik hier blijven om naar hem te kijken, of wat?! \u2014 zei Halja snel en glipte de kamer uit.<br \/>\n\u201cMijn paradijs\u2026 mijn geluk! \u2014 dacht Tsjipka. \u2014 Ben je nog steeds niet van mij weggevlucht?!\u201d<br \/>\nNa het eten verdeelden ze het geld; ieder verborg ongeveer driehonderd. Daarna brachten ze stro binnen, spreidden het op de vloer uit, legden dekens neer en gingen allemaal liggen.<br \/>\nSpoedig vielen ze, alsof ze geslagen waren, in slaap. Alleen Tsjipka sliep niet. Hij draaide zich van de ene zijde naar de andere, alsof iets hem beet; het was benauwd en zwaar; hij kneep zijn ogen dicht\u2026 Hij zag Halja voor zich. Even vrolijk en mooi als altijd \u2014 geen spoor van verandering; even moedig, speels\u2026<br \/>\n\u201cEn toch is zij, \u2014 dacht Tsjipka, \u2014 de dochter van een roversman!.. Vreemd en wonderlijk\u2026 Wij zijn zwervers, landlopers, soms zonder een stuk brood, in versleten kleren, zonder een cent op zak, met alleen onze blote handen, onze blote voeten en hongerige monden\u2026 zonder goed of bezit\u2026 laat ons stelen, overvallen, ons hoofd in allerlei avonturen steken\u2026 maar de Moskovi\u00ebr? Zijn huis is als een paradijs; zijn vrouw is als een dame; hun enige dochter is een engel\u2026 en vee en rijkdom? En toch\u2026 hij ook! Hij is net zo\u2019n zwerver, net zo\u2019n dief, net zo\u2019n rover als wij! Waarom? Waarvoor? Waarom heeft hij dat nodig? Vreemd en wonderlijk!\u201d<br \/>\nTsjipka staarde in de donkere duisternis; keek en luisterde\u2026 Niets was te zien of te horen. Stil, droevig\u2026 Plots klonk iets geritsel\u2026 Een koude rilling liep over zijn rug; het haar op zijn hoofd ging recht overeind staan.<br \/>\n\u2014 \u201cKoekoek-koekoek!\u201d \u2014 kraaide ergens dichtbij een haan en zweeg\u2026 Tsjipka spuugde; draaide zich op de andere zijde.<br \/>\nWeer stilte, weer droefheid\u2026 Plots riep iemand uit het gezelschap met slaperige stem:<br \/>\n\u2014 \u201cSmoor hem, broeder!.. Smoor hem!.. Zo\u2026 zo!.. Zo!\u201d<br \/>\nDie kreet zweefde dof door het huis; angstig, zwaar, als een stem van onder de aarde; hij raakte Tsjipka\u2019s oor en stierf weg, alsof de duisternis hem had verzwolgen.<br \/>\n\u201cEn hij droomt ook wat er pas nog werkelijk is gebeurd!\u201d \u2014 dacht Tsjipka, huiverend\u2026 Maar de slaap was weg, als in het niets verdwenen.<br \/>\n\u201cZal ik maar even mijn pijp gaan roken.\u201d<br \/>\nTsjipka stond stil op; tastte naar de deur; ging zachtjes de gang in. Het was zo donker dat je geen hand voor ogen zag. Met moeite vond hij de gangdeur. Die gromde als een hond omdat ze niet wilde opengaan. Maar Tsjipka\u2019s sterke hand overwon haar; ze gaf toch mee.<br \/>\nHij ging op de stoep staan. Regen spatte hem in het warme gezicht, dicht en koud.<br \/>\n\u2014 Pf, vervloekte! wanneer houd je eindelijk op? \u2014 zei Tsjipka luid en ging de gang weer in, terwijl hij zijn gezicht met zijn jas afveegde.<br \/>\nHij bleef bij de drempel staan; stak zijn hand in de zak, haalde zijn geldbuidel en pijp eruit, vulde die met tabak; zocht in de buidel vuursteen en staal; drukte op de zwam\u2026<br \/>\nKlik! En vonken sprongen als sterren op de grond. De duisternis leek even te glimlachen, omdat er een klein lichtje verscheen\u2026 De zwam siste op het staal. Tsjipka nam hem voorzichtig, legde hem in de pijp en drukte hem met zijn nagel aan. Hij trok eens, nog eens \u2014 het huis werd zwak verlicht en zware rook trok in kleine slierten omhoog, zich mengend met de duisternis\u2026<br \/>\nDe bovenbalk kraakte; het staal kletterde tegen de vuursteen toen het in de buidel viel, en Tsjipka stopte hem weer in zijn zak.<br \/>\nHij leunde tegen de deurpost, opende de deur een beetje en blies de rook naar buiten, waar hij zich mengde met de regen en verdween in de nacht. Maar de duisternis was verschrikkelijk zwart: verder dan de deurpost kon Tsjipka niets zien, hoe hij ook zijn scherpe ogen samenkneep en probeerde in de hof van de Moskovi\u00ebr te kijken\u2026 Alleen lichtpuntjes dansten soms voor zijn ogen.<br \/>\nPlots hoorde Tsjipka een deur kraken. Iemand liep zachtjes door de gang. Tsjipka opende de bovenbalk, trok aan zijn pijp \u2014 het vuur verlichtte de gang en\u2026 wonder\u2026 voor Tsjipka stond Halja!<br \/>\nIn een dun, wit hemdje, een beetje losgeknoopt, alleen in een rok, met loshangend haar dat als twee slangen over haar witte hals en op haar als uit marmer gesneden schouders viel \u2014 stond zij voor hem als een waternimf, met een beker in haar hand.<br \/>\n\u2014 Halja! \u2014 riep Tsjipka zacht.<br \/>\n\u2014 En jij, barbaar, waarom rook je hier in de gang? Je vult de hele gang met rook, dat men niet kan ademen! \u2014 tjilpte zij, toen zij Tsjipka herkende.<br \/>\n\u2014 Haljaatje\u2026 waarom kom je blootsvoets naar buiten?.. Het regent, er is modder\u2026 je witte voetjes zullen vuil worden\u2026<br \/>\n\u2014 En wat gaat jou dat aan? Heb jij ze ooit liefgehad?<br \/>\n\u2014 Al had ik je niet liefgehad, toch heb ik je lief, Halja, \u2014 fluisterde Tsjipka zacht, nauwelijks ademend.<br \/>\n\u2014 O, jullie zijn allemaal vriendelijk en medelijdend\u2026 Maar mensen slachten jullie als kippen! \u2014 sprak zij streng.<br \/>\nHaar stem klonk boos, verwijtend, vol afkeer.<br \/>\n\u201cEn je vader dan? \u2014 dacht Tsjipka. \u2014 En jijzelf?\u201d \u2014 Hij stond op het punt het te zeggen, maar zijn tong werd zwaar en zijn borst werd dichtgesnoerd.<br \/>\n\u2014 Slachten wij dan? \u2014 bracht hij met moeite uit, \u2014 wij willen alleen de rijken gelijk maken met de armen\u2026<br \/>\n\u2014 Gelijkmaken?! Weg! Laat me los! Ik spoel de beker uit\u2026<br \/>\nZe duwde Tsjipka weg van de deurpost. Hij ging de gang in. Halja kwam op de stoep, goot water uit de beker, en de regen spatte haar recht in het gezicht.<br \/>\n\u2014 Uh! \u2014 rilde en riep ze uit, \u2014 wat is het koud\u2026 \u2014 En snel de gang in, recht tegen Tsjipka\u2019s borst, die met \u00e9\u00e9n hand de deurpost en met de andere de deur vasthield.<br \/>\nToen Tsjipka voelde dat haar warme borst zich tegen zijn borst drukte, liet hij zijn uitgestrekte armen zakken en sloeg ze om haar middel\u2026 Halja beefde, wilde naar voren losrukken\u2026 en legde haar hoofd op zijn borst.<br \/>\n\u2014 Haljaatje!.. mijn visje!.. \u2014 fluisterde Tsjipka, terwijl zijn hart als met een hamer tegen zijn borst sloeg. \u2014 Hou je van mij?.. mijn sterretje!.. \u2014 Zijn ogen lichtten op in de gang als die van een roofdier dat op zijn prooi springt.<br \/>\n\u2014 Laat los\u2026 laat me gaan!.. \u2014 worstelde Halja. \u2014 Ga weg\u2026 weg!<br \/>\nMaar zelf drukte ze zich nog dichter tegen hem aan. Tsjipka merkte niet dat hij op de vloer neerzakte; hij merkte niet dat hij Halja op zijn knie\u00ebn zette; en Halja merkte niet hoe zij haar hoofd op zijn borst legde\u2026 Haar hart trilde als een gevangen vogel\u2026<br \/>\nBeiden zwegen\u2026 Een minuut\u2026 twee\u2026 drie\u2026<br \/>\n\u2014 Waar ben je de hele zomer geweest?.. \u2014 fluisterde zij, \u2014 waarom kwam je niet op het veld\u2026 Iemand anders liep daar in jouw plaats\u2026 Is dat je broer?<br \/>\n\u2014 Geen broer, Halja!.. Het is mijn vijand, die mij bijna voor altijd van jou heeft gescheiden\u2026<br \/>\n\u2014 En ik dacht\u2026 Ik dacht: waar is hij? Is hij niet gestorven? Of misschien getrouwd?..<br \/>\n\u2014 Zou het je spijten\u2026 als ik stierf? Spijt?<br \/>\nHalja zweeg, maar drukte zich nog dichter tegen hem aan.<br \/>\n\u2014 Halja!.. \u2014 sprak hij zacht.<br \/>\n\u2014 Wat?..<br \/>\n\u2014 Jij\u2026 jij houdt van mij?.. Mijn lichtje!.. Waarlijk, je houdt van mij, toch?..<br \/>\nHalja wikkelde zich als een slang om zijn hals en drukte die stevig met haar armen; hun lippen raakten elkaar \u2014 en smolten samen in een lange, warme kus\u2026 Tsjipka spreidde in ontzetting zijn armen. Halja glipte weg \u2014 en verdween.<br \/>\nTsjipka kwam bij zinnen. \u201cMaar net was ze hier\u2026\u201d dacht hij en begon om zich heen te tasten. Nergens was iets te horen of te voelen. Hij stond op van de vloer\u2026 Donker, leeg, stil\u2026 Hij voelde in de gang rond\u2026 ze was weg!<br \/>\n\u201cMen hoorde toch niet dat de deuren kraakten,\u201d dacht hij en begon te luisteren. Het was stil, overal, als onder de aarde\u2026 \u201cZe is gevlucht!\u201d zei hij tegen zichzelf; schoof de buitendeur dicht en ging zacht terug naar de kamer waar het dronken gezelschap sliep.<br \/>\nHij draaide zich nog lang op zijn ligplaats; luisterde naar zijn kloppend hart; hoorde de regen op de ramen tikken, de hanen kraaien, de broeders in hun slaap mompelen; dacht hoe dit alles zo onverwacht was gebeurd; hij was blij als een kind met een speeltje, verbaasd als een dief die in een oude bedelaarstas vol rotte broodkorsten plots een enorme hoeveelheid geld vindt\u2026 Pas tegen de ochtend sloot hij zijn ogen en viel in een rustige, verkwikkende slaap.<br \/>\nDe broeders werden niet vroeg wakker. De regen hield niet op en viel als door een zeef, en lokte naar de slaap.<br \/>\n\u2014 Nou! opstaan, broeders, tijd om te gaan! \u2014 riep Loesjnja luid door het huis terwijl hij opsprong.<br \/>\nEen voor een begon het gezelschap zich te bewegen. Alleen Matnja stond niet op. De anderen gingen de gang in; wasten zich met water uit de ton; kwamen weer in de kamer. Matnja lag nog steeds en gaapte luid. Kort daarop kwam ook de gastheer binnen.<br \/>\n\u2014 Nou, oom Maksym, \u2014 vroeg Matnja, zich uitrekkend als een varken in zijn hok, \u2014 zal er iets zijn om de kater te verjagen?<br \/>\n\u2014 Moet het je zo in de keel gegoten worden? \u2014 antwoordde in plaats van Maksym Loesjnja.<br \/>\n\u2014 Is het voor mij moeilijk om op te staan?<br \/>\nMet die woorden sprong hij snel overeind en \u2014 ongewassen, verward, met een slaperig, vuil gezicht \u2014 schoof hij naar de tafel. Maksym begroette zijn gasten en verliet de kamer.<br \/>\n\u2014 Het zou wel passen om hier wat op te ruimen, \u2014 zei iemand uit het gezelschap. \u2014 Kijk eens wat een rommel!<br \/>\n\u2014 Laat maar wie wil\u2026 \u2014 antwoordde gaapend Matnja.<br \/>\n\u2014 En jij? \u2014 vroeg Loesjnja scherp.<br \/>\n\u2014 Wat mij betreft \u2014 zo is het goed\u2026<br \/>\n\u2014 En als er geen wodka is?<br \/>\n\u2014 Waarom zou er geen zijn?<br \/>\n\u2014 Omdat het een rommel in huis is\u2026<br \/>\n\u2014 Nou, en dan? Zal de wodka zelf in je mond kruipen? Laat het maar op de vloer liggen!<br \/>\nTerwijl Loesjnja en Matnja zo spraken, droegen de anderen elk een armvol stro naar buiten en haalden het uit de kamer. Ondertussen kwam Maksym terug met de gisteren aangebroken fles; achter hem kwam de Moskouse vrouw met twee broden en een enorme kom kool\u2026<br \/>\n\u2014 Dan gaan we ook maar een kater wegnemen! \u2014 zei lachend Matnja toen hij de gastheer met de fles zag.<br \/>\n\u2014 Je zou je gezicht toch eens wassen, \u2014 verweet Loesjnja hem.<br \/>\n\u2014 Waarom zou ik, als de regen het toch wast?<br \/>\n\u2014 Nou! Zoals ik zie, Maksym, heb jij goede kameraden! \u2014 zei een van de soldaten tegen de gastheer.<br \/>\n\u2014 Je hebt onze dappere daden nog niet eens gezien! \u2014 zei Loesjnja en sloeg de kanonnier op de schouder terwijl hij naast hem op de bank ging zitten. \u2014 Blijf maar langer bij ons \u2014 dan zul je zien of het dappere mannen zijn of niet!<br \/>\n\u2014 Ja, broeder, zelfs zonder dat is het duidelijk wat voor kerels het zijn! Kijk eens naar die daar! \u2014 zei hij en wees naar Tsjipka. \u2014 Hij zou een kanon met \u00e9\u00e9n blik uit positie kunnen slaan\u2026 Kijk, wat een kerel!!<br \/>\nTsjipka hoorde niets daarvan. Na de ontmoeting van gisteren zat hij stil in de hoek en wierp hij steeds zijn scherpe blik op de deur waardoor Halja gisteren was binnengekomen. Zijn gedachten dwaalden ver weg; hij hoorde niet, hij luisterde niet naar wat het gezelschap zei. Het kabaal en de drukte in de kamer waren als in een joodse school, totdat Maksym begon te trakteren. Toen werd alles stil\u2026 monden begonnen te kauwen; vingers gingen steeds opnieuw in de kom met kool of in de schaal met komkommers. Iedereen zweeg en at verder. Men hoorde alleen hoe de komkommers en de kool kraakten tussen de tanden, hoe monden kauwden en smakken\u2026<br \/>\n\u2014 Droog! \u2014 riep Matnja na een tijdje, nadat hij met moeite een hele hand kool had doorgeslikt.<br \/>\n\u2014 Dan maken we het nat, \u2014 zei Maksym terwijl hij naar de fles greep.<br \/>\nDe fles ging rond de tafel; weer gingen vingers in de schalen; monden smakten\u2026<br \/>\n\u2014 Ik stik! \u2014 zei Matnja met een hik nadat hij een handvol kool had doorgeslikt en legde het brood op tafel.<br \/>\nAllen lachten toen ze naar zijn verwarde hoofd en opgezwollen gezicht keken.<br \/>\n\u2014 Doorprikken! \u2014 zei Maksym en nam de fles in handen.<br \/>\n\u2014 Oom Maksym, \u2014 zei Loesjnja, \u2014 als je hem laat drinken, weet je niet hoe je hem weer kwijt moet raken!<br \/>\n\u2014 Niets aan de hand! \u2014 antwoordde Maksym in het Russisch terwijl hij Matnja een glas aanreikte.<br \/>\n\u2014 Jij bent een chochol, \u2014 zei de kanonnier tegen Matnja, \u2014 maar eerlijk gezegd ken je de regels! Jij zou alleen maar de tsaar moeten dienen\u2026<br \/>\n\u2014 We hebben al gediend, broeder Mosk\u00e1l, \u2014 antwoordde Matnja, \u2014 overal hebben we geleerd dat er niets beter is dan de fles met wodka dienen!..<br \/>\nGelach vulde de hele kamer.<br \/>\n\u2014 Wat waar is, is waar, \u2014 lachte de soldaat.<br \/>\nMaksym ging voor de derde ronde langs.<br \/>\nNa de derde ronde kwamen de tongen los. Er ontstond geschreeuw, gelach en lawaai. De monden waren moe van het kauwen en begonnen te praten. In de ene hoek hadden er drie het over het moeilijke huidige leven; anderen spraken over hoe men de heren bedroog; weer anderen herinnerden zich het feest van gisteren, en nog anderen praatten over vroeger\u2026 Twaalf mensen, dus twaalf stemmen tegelijk \u2013 en wanneer ze allemaal tegelijk begonnen te praten, ieder over iets anders, werd het \u00e9\u00e9n groot rumoer waar niets uit op te maken viel.<br \/>\nAlleen Tsjipka hield zijn mond alsof hij water in zijn mond had genomen. Hij at zwijgend, dronk zwijgend; zat nu als een stomme en liet zijn ogen niet van de deur af.<br \/>\n\u2014 Waarom is onze ataman zo stil? \u2014 zei Matnja terwijl hij naar Tsjipka keek.<br \/>\nTsjipka hoorde het niet. Allen keken naar hem, wisselden blikken uit en lachten. Tsjipka merkte het lachen niet.<br \/>\n\u2014 Misschien heeft hij iets lekkers gezien, \u2014 vervolgde Loesjnja. \u2014 Hij is hier zwak voor lekkernijen\u2026<br \/>\n\u2014 Ja, ja. Hij is hier\u2026 Ik wilde net over die kwartel spreken, \u2014 onderbrak de Moskouse soldaat Sydir, die samen met Maksym de paarden had uitgespannen.<br \/>\n\u2014 Moge God oom Maksym en tante Javdocha zegenen\u2026 \u2014 zei Patsjoek. \u2014 Voor zichzelf hebben ze gewerkt, maar ook voor de mensen\u2026<br \/>\nGelach rolde door de kamer. Maksym begreep waarom men lachte en begon zelf zachtjes te grinniken.<br \/>\n\u2014 Iemand zal mij nog wel meer dan eens bedanken voor haar, \u2014 zei hij lachend.<br \/>\n\u2014 Ik zal je, oom, nog een paard bezorgen! \u2014 zei Loesjnja.<br \/>\n\u2014 Wat heeft hij aan een paard als hij zo\u2019n merrie heeft, \u2014 maakte Sydir een plompe grap.<br \/>\nPlots ging de deur open \u2014 en als een licht vogeltje vloog Halja de kamer binnen. De grappen en het gesprek verstomden; allen staarden naar haar mooie gezicht, dat door de nacht als verjongd leek\u2026<br \/>\nSnel liep ze naar de tafel, greep in \u00e9\u00e9n beweging de lege schalen en verdween achter de deur zonder iemand aan te kijken en zonder Tsjipka zelfs maar een blik te gunnen. Hij zat als een uil met grote, starende ogen\u2026<br \/>\n\u2014 Godzijdank voor het ontbijt en voor de gastvrijheid \u2014 en voor mij omdat ik verzadigd ben! \u2014 brak Loesjnja de stilte. \u2014 Tijd om naar huis te gaan, broeders.<br \/>\n\u2014 Waarom naar huis? \u2014 zei Matnja. \u2014 Is het hier slecht? Zolang het warm is en er wodka is, blijf ik hier wel mijn hele leven\u2026<br \/>\nAllen lachten en stonden van tafel op.<br \/>\n\u2014 Ja, het is werkelijk tijd! Alleen jammer: de regen houdt maar aan\u2026 Maar tijd is tijd!<br \/>\nTsjipka stond ook op. Ze bedankten de gastheren, staken hun pijpen aan en verlieten het erf: sommigen gingen de ene kant op, anderen een andere. Tsjipka ging met zijn gezelschap naar Pisky.<br \/>\nToen hij al ver het veld in was gegaan, keek hij om \u2014 en merkte dat zijn tabakszak ontbrak.<br \/>\n\u2014 Wacht, broeders! \u2014 ik ben mijn tabakszak vergeten.<br \/>\nHij keerde terug en zag \u2014 bij de poort stond Halja en riep:<br \/>\n\u2014 Wiens tabakszak is dit? Wie heeft zijn tabakszak vergeten?<br \/>\n\u2014 Wat is er? \u2014 riepen ze haar van de andere kant toe.<br \/>\n\u2014 Tabakszak\u2026 \u2014 zei ze terwijl ze de zak omhoog hield.<br \/>\n\u2014 Tabakszak? \u2014 Niet van ons! \u2014 en ze gingen verder.<br \/>\nTsjipka liep snel terug. Ondertussen bekeek Halja de tabakszak, schudde hem, keek erin, voelde met haar hand en sloot hem weer\u2026<br \/>\n\u2014 Mijn\u2026 mijn\u2026 Haljaatje! \u2014 zegt Tsjipka zacht terwijl hij naar haar toe rent.<br \/>\n\u2014 Oe-oe-oe, domkop!.. Zoals een hen met haar kuikens, zo raak jij je gedachten kwijt\u2026 Je weet zelf niet wat je doet!..<br \/>\nZe duwde de tabakszak in zijn handen en glipte zelf snel door de poort.<br \/>\nTsjipka keek naar de zak\u2026 Wat is dit voor duivel? Er zat niet meer dan een handvol tabak in, maar hij was zo opgezwollen\u2026 Wat is dit? Hij maakte hem open, voelde eraan \u2014 zacht; trok eraan: \u2014 een tweede zak, van blauwe zijde, geborduurd met rode bloemen en rondom versierd met rode kwastjes! Zijn ogen begonnen te schitteren; over zijn gezicht gleed een glimlach.<br \/>\n\u2014 Mijn lieveling!.. mijn liefde! \u2014 fluisterde hij en ging vrolijk terug naar zijn gezelschap.<\/p>\n<p>XXIV DE DOCHTER VAN EEN BANDIET<br \/>\nEen hele week lang goot de regen alsof het uit een emmer kwam. Een hele week verliet Tsjipka het erf niet. Hij hield zich bezig met het huishouden: dan hier, dan daar.<br \/>\n\u2014 Weet je wat, zoon? \u2014 zei zijn moeder op een avond terwijl ze wol spon, \u2014 weet je wat? Ik kijk naar jou en naar mezelf en denk: ik ben al oud en zwak geworden; soms is het zelfs moeilijk voor mij om het vuur in de oven aan te steken\u2026 Ik voel hoe mijn kracht afneemt, de dood nadert\u2026 Je zou moeten trouwen, zoon! Stel het niet langer uit\u2026 God zij dank, anderen van jouw leeftijd genieten al van hun kinderen, en jij zwerft nog als een zwerver rond, alsof je iets verloren hebt\u2026 Zijn er niet genoeg meisjes in het dorp? Kies er \u00e9\u00e9n uit en trouw, v\u00f3\u00f3r de vastentijd begint, zoon\u2026 Dan zul je zelf niet meer verveeld zijn met de wereld, en mij zal het helpen!<br \/>\n\u2014 Het is jammer, moeder. Er zijn geen meisjes voor mij in het dorp.<br \/>\n\u2014 Waarom niet, zoon? Kijk, Chrystja Bondarivna, Motrja Knysjivna of Katja Ostapijivna? Wat zijn dat geen meisjes?.. Dat ze niet rijk zijn? Maar een rijke zal toch niet naar onze armoede komen\u2026 Maar het zijn fatsoenlijke meisjes, uit eerbare families, hardwerkend en gehoorzaam\u2026 Trouw, zoon, trouw, mijn duif! Laat mij op mijn oude dag je eens naast een vrouw zien\u2026<br \/>\n\u2014 Het is jammer, moeder.<br \/>\n\u2014 Waarom jammer? Ze zeggen: jammer is een slecht mens! Hoe lang moet je zo rondzwerven? Tot je hoofd grijs wordt?<br \/>\n\u2014 De tijd zal komen \u2014 hij zal vanzelf komen.<br \/>\n\u2014 Misschien komt alleen een stadsverdorven vrouw\u2026 Maar een goede zul je niet krijgen als je wacht tot ze zelf komt.<br \/>\n\u2014 Wat er ook komt, het zal zo zijn.<br \/>\nDe moeder zweeg: ze zag dat ze haar zoon niet kon overtuigen. Tsjipka zweeg ook en dacht aan zijn eigen dingen.<br \/>\nNa dit gesprek kwam de zondag. De sombere hemel klaarde op, de heldere zon scheen, een windje waaide en de aarde schudde een beetje van zich af.<br \/>\n\u2014 Ik ga, moeder, \u2014 zei Tsjipka, \u2014 naar de markt in Omelnyk: misschien koop ik een paard?<br \/>\n\u2014 God helpe je, zoon! Maar waarom koop je het in de winter? Waar zullen we het mee voeden?<br \/>\n\u2014 We zullen wel iets vinden.<br \/>\nNa de vroege middag vertrok Tsjipka\u2026 maar niet naar Omelnyk; hij ging rechtstreeks naar de hoeve van Hoedzj.<br \/>\nHij kwam bij het erf; alles was gesloten en vergrendeld. Tsjipka begon aan het hek te trekken, maar het was op slot. Twee honden sprongen naar de poort, rammelend aan hun kettingen.<br \/>\n\u2014 Wie daar? \u2014 riep een stem uit het erf.<br \/>\n\u2014 Ik ben het! Doe open!<br \/>\n\u2014 Wie is \u201cik\u201d?<br \/>\n\u2014 Is oom Maksym thuis?<br \/>\n\u2014 Nee, hij is er niet.<br \/>\n\u2014 Waar is hij dan?<br \/>\n\u2014 Naar de markt in Omelnyk gegaan.<br \/>\n\u2014 En tante Javdocha?<br \/>\n\u2014 Ook moeder is met hen mee.<br \/>\n\u2014 Ben jij dat, Halja? \u2014 herkende Tsjipka haar aan de stem.<br \/>\n\u2014 En jij, wie ben jij?<br \/>\n\u2014 Doe gewoon open, dan zul je het zien!<br \/>\nOok Halja herkende Tsjipka; ze liep snel naar het hek en maakte het los.<br \/>\n\u2014 Waarom ben je gekomen?<br \/>\n\u2014 Je opzoeken\u2026 hoe gaat het met je, mijn tortelduif?<br \/>\nHalja zweeg. Tsjipka keek naar haar en schrok: ze was geel geworden, haar gezicht was ingevallen en gerimpeld\u2026<br \/>\n\u2014 Wat is er met je, Halja? \u2014 riep hij uit. \u2014 Je gezicht is niet meer te herkennen\u2026 Ben je ziek?<br \/>\n\u2014 Ga nu maar het erf op, \u2014 antwoordde ze boos en ongeduldig. \u2014 Ik ga niet onder het hek staan praten\u2026<br \/>\nTsjipka ging het erf binnen. Halja sloot het hek, vergrendelde het en bracht hem naar haar kamertje.<br \/>\nHet kamertje was als een kopje: klein, netjes, licht en vrolijk. In de erehoek hingen iconen in zilveren gewaden, versierd met basilicum, anjers en immortellen; voor de iconen hing aan een zilveren kettinkje een zilveren lamp. In dezelfde hoek stond een timmerwerktafel; in een andere hoek stond een bed, bedekt met een zachte zijden deken; langs de muur stonden kleine stoeltjes. Overal was het mooi en schoon; de geur van basilicum en munt vulde de kamer en prikkelde de zintuigen. Tsjipka had het gevoel alsof hij het paradijs was binnengegaan\u2026 Alles was goed, als Halja maar niet zo verdrietig was!<br \/>\n\u2014 Ben je ziek, Halja? \u2014 vraagt Tsjipka opnieuw en kijkt haar scherp in de ogen.<br \/>\n\u2014 Nee, ik ben gezond\u2026 Maar het is om een of andere reden niet vrolijk\u2026 iets knaagt aan mijn hart.<br \/>\n\u2014 En ik heb je voor de tabakszak niet eens bedankt, \u2014 zegt Tsjipka na even nadenken. \u2014 Dank je wel! Heb je hem misschien zelf geborduurd?<br \/>\n\u2014 Welke tabakszak? \u2014 vraagt Halja terwijl ze haar dromerige ogen op hem richt.<br \/>\n\u2014 Die je in de mijne hebt gestopt toen ik de mijne vergat\u2026<br \/>\n\u2014 Wanneer? Wat zeg je \u2014 ben je gek geworden?<br \/>\n\u2014 En wie heeft hem dan erin gestopt?<br \/>\n\u2014 Wanneer dan?<br \/>\n\u2014 Nou, toen ik de mijne terughaalde.<br \/>\n\u2014 Hoe zou ik dat weten?.. Zou ik zoiets\u2026 een tabakszak cadeau geven!! Onzin, zoiets is nog nooit gehoord! \u2014 zei ze vrolijker.<br \/>\nAan haar stem herkende Tsjipka zijn vroegere Halja weer \u2014 speels en vrolijk. Zijn hart werd blij, zijn ogen begonnen te glanzen.<br \/>\n\u2014 Haljaatje! \u2014 begon hij.<br \/>\nHalja keek hem scherp, recht in de ogen\u2026 Tsjipka werd er verlegen van.<br \/>\n\u2014 Waarom ben je vandaag eigenlijk zo, alsof je met het verkeerde been uit bed bent gestapt? \u2014 vroeg hij terwijl hij dicht bij haar ging zitten.<br \/>\n\u2014 Wat gaat jou dat aan?<br \/>\n\u2014 Haljaatje!\u2026<br \/>\n\u2014 Weg ermee, duivel! Je wilt alleen maar bedriegen\u2026 mensen van hun verstand brengen\u2026<br \/>\n\u2014 Haljaatje!\u2026<br \/>\n\u2014 Ga weg, laat me met rust!\u2026<br \/>\nZe stond op, liep van hem weg en ging bij het raam zitten dat recht op het veld uitkeek, en liet haar blik ver, ver gaan \u2014 naar de plek waar nevels met nevels samenvloeiden en de grijze hemel zijn randen op de aarde neerliet. Over haar droevige, gelige gezicht liepen telkens smalle schaduwlijnen.<br \/>\nTsjipka keek naar haar en verwonderde zich over wat er met haar gebeurd was\u2026 Maar zij hield haar ogen op het raam gericht. Hij zag hoe ze verbleekte, hoe haar ogen begonnen te glanzen en hoe twee hete tranen over haar gezicht naar beneden rolden. Terwijl hij dit zag, voelde hij zijn hart alsof iemand het in een tang klemde \u2014 zo pijnlijk en zwaar was het\u2026<br \/>\n\u2014 Halja! mijn lieve visje! Waarom huil je? \u2014 vroeg hij terwijl hij dichterbij kwam. \u2014 Waarom vertel je mij je verdriet niet?<br \/>\nHalja bedekte haar ogen met haar handen en schudde het hoofd\u2026 Tsjipka schoof dichter naar haar toe.<br \/>\n\u2014 Haljaatje!.. mijn liefste!<br \/>\nZe leunde met haar hoofd tegen de deurpost en huilde zacht.<br \/>\n\u2014 En ik dacht\u2026 \u2014 zei Tsjipka terwijl hij haar hoofd zacht aanraakte. \u2014 Ik dacht: ik ga naar haar\u2026 haar opzoeken\u2026 Moeder zeurt maar: trouw en trouw!.. Ze raadt me meisjes aan\u2026 (Halja werd stil, alsof ze in slaap viel.) Maar mijn hart accepteert hen niet\u2026 Ik dacht: ik ga naar mijn duifje\u2026 en zal haar zeggen\u2026<br \/>\nEn hij boog zich zacht en kuste Halja voorzichtig op haar onbedekte wang. Halja schrok, stond op\u2026 Haar ogen waren rood van het huilen; haar gezicht brandde van gevoelens en tranen.<br \/>\nZe keek hem aan en vroeg medelijdend:<br \/>\n\u2014 Waarom heb je het vader en moeder niet gezegd?<br \/>\n\u2014 Ik wilde, mijn tortelduif, eerst jou vragen\u2026 Wil je met mij trouwen?.. Vind je mij goed, mijn liefde?..<br \/>\nHalja kwam als het ware weer tot leven. Ze rechtte zich, keek Tsjipka lang en aandachtig aan \u2014 alsof ze de waarheid wilde peilen. En plotseling wrong ze haar handen samen \u2014 haar vingers kraakten bijna.<br \/>\nIn haar ogen flitste iets: geen vreugde, geen boosheid, maar iets goeds en liefs, en tegelijk iets wilds en kwaads.<br \/>\n\u2014 Waarom heb je mij dit niet lang geleden gezegd? \u2014 riep ze uit. \u2014 Waarom zei je het niet toen ik vrij was?.. toen ik een krans vlocht?.. Toen ik bloemen verzamelde over de brede velden en weiden?.. Ik liep vrij door de wereld \u2014 zonder verbod, zonder dwang\u2026 En nu?.. nu\u2026<br \/>\nZe wrong opnieuw haar handen \u2014 haar vingers kraakten weer; tranen kwamen in haar ogen, op het punt te barsten\u2026<br \/>\nTsjipka was zichzelf niet meer. Hij verbleekte, liet zijn hoofd zakken en vroeg toen langzaam en bang:<br \/>\n\u2014 Wat nu, Halja? Wat?.. Zeg het mij\u2026 alles, alles!\u2026<br \/>\n\u2014 Het is jammer\u2026 ik ben al verloofd!\u2026<br \/>\nDe tranen stroomden uit haar ogen en bedekten haar gezicht\u2026 Ze bedekte het met haar mouw, ging weer bij het raam op het stoeltje zitten, legde haar hoofd op haar hand en huilde wanhopig\u2026<br \/>\nAlsof iemand een scherp mes in Tsjipka\u2019s hart stak \u2014 zo deden die drie kleine woorden hem pijn. Alsof men met een bijl op zijn hoofd sloeg \u2014 zo weerklonk Halja\u2019s bittere snikken in hem\u2026<br \/>\nHij probeerde te bedenken wat hij nu moest doen \u2014 maar hoofd en geheugen wilden niet meer werken\u2026 De gedachten scheurden uiteen; hij probeerde ze bijeen te brengen, zijn verstand te spannen\u2026 maar het leek alsof ook zijn verstand hem had verlaten\u2026<br \/>\nHij kon zich niets meer herinneren\u2026 Hij voelde alleen hoe in zijn hoofd het gonsde, ruiste en klonk; hoe zijn hart telkens bonkte alsof het uit zijn borst wilde springen\u2026<br \/>\nNiet wetend hoe of waarmee te beginnen, greep hij de eerste gedachte en zei met moeite:<br \/>\n\u2014 Wanneer dan?.. Hoe?.. Voor wie?..<br \/>\n\u2014 Toen\u2026 op dezelfde dag dat jij wegging\u2026 De kozak Sydir bleef bij ons, en \u2019s avonds dronken ze met vader, en toen\u2026<br \/>\n\u2014 En je vader? \u2014 onderbrak Tsjipka.<br \/>\n\u2014 Ga, zegt hij\u2026 Je kunt niet je hele leven ongehuwd blijven\u2026 Ook moeder raadt aan: ga trouwen! Sydir, zeggen ze, is een goede, stille man\u2026<br \/>\n\u2014 En jij \u2014 wat zei jij? \u2014 roept Tsjipka bijna.<br \/>\n\u2014 Ik?.. Hij is mij niet lief, zeg ik tegen hen\u2026<br \/>\n\u2014 En zij?<br \/>\n\u2014 Genoeg, zeggen ze, altijd maar wachten op de geliefde en de lieve\u2026 De ene is lelijk, de andere is niet mooi, de derde is onsympathiek\u2026 Leef maar samen \u2014 dan ga je elkaar vanzelf liefhebben\u2026<br \/>\n\u2014 Honden! \u2014 buldert Tsjipka door de hele kamer.<br \/>\nHalja keek hem scherp aan.<br \/>\n\u2014 Waar woont hij? \u2014 vroeg Tsjipka dreigend, elk woord afhakend, terwijl in zijn ogen iets verschrikkelijks oplichtte.<br \/>\n\u2014 Ik weet het niet\u2026<br \/>\n\u2014 Ik zal hem doden\u2026 doorsnijden\u2026 wurgen! \u2014 hij sprong op en begon als waanzinnig door de kamer te rennen, op zijn tanden knarsend.<br \/>\n\u2014 Tju-tju!.. tju-tju!.. \u2014 zei Halja terwijl ze haar hoofd ophief. \u2014 Wat is dit: ben je gek geworden?.. Als je hem maar met een vinger aanraakt, dan zie je mij nooit meer!<br \/>\nTsjipka kwam tot bezinning. Hij liet zich op een stoeltje zakken en liet zijn zware hoofd op zijn borst hangen.<br \/>\n\u2014 Zie je\u2026 wat je bent! \u2014 zei Halja. \u2014 Zie je, wat je bent?! Hoe kan ik met zo iemand trouwen, als hij zonder schuld een mens zal doden?.. Hoe kan ik met zo iemand gaan?.. Er kan een tijd komen dat hij ook zijn vrouw zal wurgen en zich als een waanzinnige op haar zal werpen\u2026<br \/>\n\u2014 Haljaatje!.. vrees God\u2026 Wat zeg je daar?.. Dat ik\u2026 iemand zal doorsnijden\u2026 iemand zal wurgen\u2026<br \/>\n\u2014 En Sydir dan? H\u00e8, Sydir?<br \/>\n\u2014 Ooh!.. Jij weet niet, Halja, wat voor storm mij heeft gegrepen\u2026 Het brandt mij\u2026 hier brandt het\u2026 alsof iemand gloeiende kolen in mijn borst heeft gegoten \u2014 hij wees naar zijn borst.<br \/>\nHalja zweeg. Ook Tsjipka zweeg. Hij stond op en begon langs de kamer te lopen, met wilde ogen over de muren dwalend\u2026 Het werd stil en zwaar.<br \/>\nAan Halja\u2019s nadenkende gezicht was te zien dat ze een sterke gedachte overwoog, maar ze durfde die niet meteen uitspreken\u2026<br \/>\nPlots kleurden haar wangen, haar ogen begonnen te schitteren van hoop; ze werden groter; haar lippen openden zich onder de druk van de adem die in haar borst was opgesloten \u2014 Halja brandde als in vuur\u2026<br \/>\n\u2014 Weet je wat, Tsjipka?.. Misschien is nog niet alles verloren\u2026 Ik zal met moeder spreken\u2026 misschien kan zij vader overtuigen\u2026 Maar \u00e9\u00e9n ding\u2026<br \/>\nTsjipka spitste zijn oren en keek Halja aandachtig aan.<br \/>\n\u2014 Houd op met dat leven! \u2014 riep ze uit en verbleekte.<br \/>\n\u2014 Wat voor leven?<br \/>\n\u2014 Andermans goed beroven, mensen doden!<br \/>\n\u2014 Haljaatje!.. Niemand op de wereld zal zeggen dat ik iemand heb gedood\u2026 Alleen als ik mij verdedig, kan ik mijn handen niet inhouden\u2026<br \/>\nHalja bewoog onrustig; haar ogen flitsten weer wild; haar gezicht vertrok.<br \/>\n\u2014 Vervloekte!.. gevangenisdier!.. \u2014 schreeuwde ze door de kamer. \u2014 Zich verdedigen?! Tegen wie verdedigen? Je sluipt in andermans huis om te stelen en wilt dat de eigenaar je niet grijpt?.. Dief!<br \/>\n\u2014 En zij dan?.. Zijn zij soms beter? Ze verrijken zich met onze arbeid en heersen\u2026 En hier\u2026 het huis valt bijna uit elkaar: moeder is oud; zelf kun je overdag geen korrel verdienen\u2026 Je moet eten, je moet kleren hebben\u2026 Hoe moet men dan leven, Halja?.. Stelen wij dan? Wij nemen het onze terug\u2026 De heer liet ons werken, de jood bedroog ons\u2026 Moeten wij dan van honger omkomen? midden op de weg vergaan?..<br \/>\n\u2014 Tsjipka!.. mijn duif! Houd ermee op! Er zal geen geluk zijn, geen goed\u2026 Je komt \u2019s nachts terug van het gevecht, gaat naast je vrouw liggen\u2026 en met die handen die zojuist mensen hebben gewurgd, die in bloed hebben gezeten, zul je je vrouw omarmen\u2026 Met die lippen die alleen vloeken en vervloekingen voor de wereld brachten, zul je haar over je liefde fluisteren, zul je kussen\u2026 ooh!\u2026<br \/>\nZe trilde over haar hele lichaam als een blad aan een populier.<br \/>\n\u2014 Maar waarvan moeten we dan leven? \u2014 drong Tsjipka aan.<br \/>\n\u2014 Eerlijk werken\u2026 trouw arbeiden\u2026<br \/>\n\u2014 En het gezelschap?.. En mijn vader?<br \/>\n\u2014 Laten we naar een andere streek gaan\u2026 waar niemand ons kent\u2026<br \/>\n\u2014 Ooh, Halja! Ik weet niet wat er zal gebeuren. Ik ben de aanvoerder\u2026 Als het gezelschap hoort dat ik ermee stop, dan ben ik verloren. We hebben elkaar gezworen\u2026<br \/>\n\u2014 Aan wie hebben jullie gezworen, jullie moordenaars, rovers? \u2014 schreeuwde Halja, opspringend. \u2014 Aan wie hebben jullie gezworen?<br \/>\n\u2014 Aan elkaar, Halja\u2026<br \/>\n\u2014 De duivel zweert aan de duivel! \u2014 Halja lachte pijnlijk; haar waanzinnige lach rolde door de kamer. Tsjipka keek naar haar, zweeg en zakte als getroffen op het stoeltje.<br \/>\n\u2014 Denk je, \u2014 begon Halja na een korte stilte opnieuw \u2014 denk je dat het mij gemakkelijk is naar het leven van mijn vader te kijken naast het leven van goede mensen?.. Zie je: zij werken eerlijk, verdienen hun brood, gedragen zich menselijk\u2026 en staan op en gaan slapen in stilte en rust\u2026 En hier? Zit je als in een gevangenis, opgesloten\u2026 Je durft nauwelijks de mensen onder ogen te komen\u2026 Wanneer de avond valt, komt een bende dronken gewelddadigen het huis binnen\u2026 Ze fluisteren, spreken zacht, tot ze de hele nacht weggaan\u2026 Ze komen terug voor zonsopgang \u2014 en verbergen zich als grafgravers op zolders en in kelders\u2026 Ze verbergen gestolen goed\u2026 Alles wat ik draag \u2014 alles is geroofd! Denk je dat het mij niet neerdrukt? Alsof iemand mij bij de keel grijpt en de adem uit mij perst\u2026 Let niet op dat ik vrolijk en speels ben\u2026 Mijn ellendige lot maakt mij vrolijk!.. Nog een dag \u2014 en je overwint het misschien\u2026 Maar \u2019s nachts ga je slapen en je verbeeldt je: alsof iemand kruipt en roept: \u201cGeef mijn doek terug!..\u201d en trekt aan je haar\u2026 \u201cGeef mijn halsketting terug!..\u201d en grijpt je met ijskoude handen bij de keel\u2026 Denk je\u2026 dat het mij gemakkelijk is om dit te dragen \u2014 dit lichaam?.. Gemakkelijk?!<br \/>\nEn van woede scheurde ze met haar handen haar zijden rok open, van de zoom tot aan de taille.<br \/>\n\u2014 Halja! Halja! \u2014 riep Tsjipka terwijl hij haar bij de handen greep. \u2014 Doe dat niet!<br \/>\n\u2014 Weg! Laat los!.. Laat los!!<br \/>\nHaar ogen begonnen te gloeien als kolen\u2026 haar hele lichaam trilde.<br \/>\n\u2014 Je weet misschien dat degene die deze rok gedragen heeft, nu onder de aarde ligt en wegrot, en dat alleen haar bloed, tevergeefs vergoten, uit de grond opstaat en tot God schreeuwt om de moordenaar te straffen\u2026 En ik\u2026 ik draag deze kleren verder\u2026 ik lijd\u2026 ik neem de zonde op mij\u2026 Waarom?.. Omdat ik een roversdochter ben?.. Beter was ik naakt door het veld gelopen, zoals mijn moeder mij gebaard heeft; als een waanzinnige door de wijde steppen gejaagd \u2014 dan in deze gevangenis te moeten lijden, in deze hel te verdorren! O, vervloekten! \u2014 En ze greep plots naar de mooie halsketting. De kralen rolden van haar hals op de grond.<br \/>\n\u2014 Kom tot bezinning, Halja! Ze zullen je er toch voor slaan\u2026<br \/>\n\u2014 Laat ze mij liever doden dan mij door andermans goed te verstikken!<br \/>\nEn weer ging ze onder het venster zitten; ze steunde haar hoofd op haar hand en staarde naar het lege, verre veld, dat voor haar ogen steeds zwarter en grijzer werd\u2026<br \/>\nNooit was Halja voor Tsjipka zo mooi geweest als toen. Hij liet zijn blik gaan van de gescheurde rok naar de kralen die over de hele kamer verspreid lagen\u2026<br \/>\nHij had medelijden met zijn geliefde Halja; hij voelde verdriet om dat bittere leven; en in zijn ziel sloop angst binnen, zonder dat hij de kracht vond er tegelijk mee te breken.<br \/>\nHalja zweeg niet lang. Ze keek naar Tsjipka, die door haar woorden vernield leek, zat als iemand die in het water was geduwd en durfde zijn ogen niet op haar te richten \u2014 en medelijden greep het meisjeshart dat van liefde hield.<br \/>\n\u2014 Tsjipka! Mijn liefste! \u2014 zei ze. \u2014 Laat het\u2026 Waarom heb ik jou liefgekregen?.. Laat het, mijn duif!..<br \/>\nEn terwijl ze dichter bij hem kwam, keek ze hem liefdevol in de ogen.<br \/>\n\u2014 Ik zal erover denken, Halja\u2026 Misschien zal ik het opgeven\u2026 Ik zal het bekijken\u2026 Misschien\u2026 kan het?<br \/>\n\u2014 Nee, laat het! Laat het!.. Anders wurg ik je zelf met mijn handen\u2026 \u2014 mompelde ze waanzinnig, haar armen om zijn hals slaand en hem bedekkend met brandende kussen.<br \/>\n\u2014 Goed, Halja!.. goed, mijn visje! \u2014 fluisterde Tsjipka buiten zichzelf, haar omhelzend.<br \/>\n\u2014 Nu weg \u2014 de veranda op! \u2014 riep ze vrolijk. \u2014 Binnenkort komen vader en moeder!<br \/>\nTsjipka wilde iets zeggen, maar Halja liet het niet toe.<br \/>\n\u2014 Ga, ga! Ga, ga!<br \/>\nZe pakte zijn muts met \u00e9\u00e9n hand en trok hem met de andere aan zijn hand uit de kamer.<br \/>\nTsjipka liet zich tegenstribbelend buitenzetten. Er was niets aan te doen \u2014 hij moest gaan.<br \/>\nHalja begeleidde hem tot buiten het hek, sloot het en vergrendelde het.<br \/>\nTsjipka liep langzaam weg van het erf, traag, voet na voet nauwelijks verplaatsend\u2026 In zijn gebogen hoofd vochten vrolijke hoop en onuitsprekelijke smart. Als hij eraan dacht dat Halja haar vader en moeder niet zou kunnen overhalen, dat het haar niet zou lukken, dan werd zijn hart alsof iemand het in de vuist drukte; wanneer hij zich daarentegen voorstelde hoe zij zouden trouwen en samen leven, week de zware druk van zijn hart en begon het licht en onrustig te kloppen\u2026<br \/>\n\u201cEn hoe dan met hen breken?.. Hoe hen verraden?.. De eed verbreken?\u201d \u2014 bij die gedachte overviel hem opnieuw droefheid, zijn hart deed weer pijn\u2026 Zo wisselden zijn gedachten elkaar af: nu eens vrolijk van hoop, dan weer brandend van smart \u2014 en hij werd moe van die menigte gevoelens. Hij zou ze liever vergeten en achterlaten, maar ze kropen zelf als een schim in zijn hoofd\u2026<br \/>\nOm die gedachten te verdrijven begon hij om zich heen te kijken. Nergens een ziel te zien. Het stille, grauwe veld strekte zich voor en achter hem uit. De dag was somber en onvriendelijk. Het regende niet, maar wolken, als grauwe doekjes, bedekten het zonlicht, bewogen over de hoge hemel, de ene de andere achtervolgend, en wierpen hun grijze schaduw op de donkere aarde\u2026<br \/>\nEen lichte wind trok uit het zuiden. Tsjipka hief zijn hoofd op, blij met de wind die zijn rode, als viburnum, gezicht koelde en zijn hete hoofd verfriste.<br \/>\nHet werd hem iets lichter door die koelte; vrolijkere gedachten begonnen zijn ziel binnen te sluipen, maar de hardnekkige droefheid verliet zijn hart toch niet\u2026<br \/>\nEn Tsjipka zong:<br \/>\nDe groene ravijn helt naar de berg af;<br \/>\nJonge kozak, waarom ben je bedroefd?..<br \/>\nEerst zacht, slepend, vloeide het lied, en erin klonk een onuitsprekelijke weemoed, een verstikte, bittere klacht; daarna werd de stem sterker, krachtiger, breder en verspreidde zich, als winterse windvlagen, vol droefheid over het eenzame veld\u2026<br \/>\n\u201cAlleen mijn paar \u2013 mijn donkere ogen\u2026\u201d \u2014 klonk het lied; en het veld werd als nog zwarter, alsof het zich fronsde\u2026<\/p>\n<p>XXV DE KOZAK IS NIET ZONDER GELUK, HET MEISJE NIET ZONDER LOT<br \/>\nTsjipka kwam thuis en begon meteen met het werk rond het huishouden \u2014 hij ging zelfs niet naar binnen in de kamer. Zijn moeder zag alleen hoe hij strooide met gierststro voor de schapen.<br \/>\nDe avond viel. De moeder stookte de oven op en zette het avondeten op het vuur. Het eten was al bijna klaar, maar Tsjipka kwam nog steeds niet in huis. Moeder schoof het gerecht in de warme as, begon het servies te wassen en de kamer te vegen. Toen ze ook daarmee klaar was en de kamer had geveegd, kwam Tsjipka nog steeds niet.<br \/>\n\u2014 Wat houdt hij zich daar zo op? \u2014 mompelde Motrja bij zichzelf en ging hem roepen.<br \/>\nZe riep en riep \u2014 maar er kwam geen antwoord. Ze ging weer naar binnen, wachtte nog even \u2014 niemand. Moeders hart begon te worden vervuld door ergernis.<br \/>\n\u2014 Had ik geweten, dan had ik mij ook niet met het avondeten beziggehouden\u2026 Had hij maar even in huis gekeken en gezegd of hij thuis zou slapen of weer de hele nacht rondzwerven\u2026 Die loopgewoonten hebben mij ongeluk gebracht! Dag en nacht hetzelfde! Misschien heeft hij ergens een wereldse hoer ontmoet en zwerft hij daarom rond\u2026<br \/>\nUit ergernis haalde ze de dumplings uit de oven, deed er een paar in een kom en ging zelf eten. Ze prikte een dumpling op een stokje; beet \u00e9\u00e9n keer, nog eens \u2014 en verslikte zich\u2026 Ze nam een lepel soep, maar zonk weg in gedachten\u2026 De dumpling op het stokje werd koud; de soep in de kom verstarde en kreeg een grijze film bovenop. Toen Motrja opnieuw wilde eten, was alles al koud en dik geworden. Ze stond op, zette het avondeten op de ovenrand, waste lepel en kom en klom op de oven om te slapen\u2026 Gedachten aan haar zoon omsingelden haar en lieten haar niet in slaap vallen\u2026<br \/>\nTsjipka was ondertussen bezig met zijn werk in Kroety Jar. Daar, in de kelder bij een jood, diende Loesjnja. Tsjipka kwam naar hem en vond Loesjnja slapend. Nadat Loesjnja de hele dag had rondgedwaald, was hij tegen de avond uitgeput geraakt en op het stro in de schuur neergevallen en in een doodsslaap gaan snurken.<br \/>\n\u2014 Tymofij! Tymofij! \u2014 riep Tsjipka terwijl hij Loesjnja heen en weer schudde. \u2014 Hoor je? Tymofij!..<br \/>\nLoesjnja maakte alleen maar geluiden en zuchtte in zijn slaap. Tsjipka worstelde lang: draaide hem om, hielp hem overeind\u2026 Uiteindelijk, boos geworden, gaf hij Loesjnja een schop in de zij. Die schreeuwde en opende zijn ogen.<br \/>\n\u2014 Wat voor duivelse vader heb jij? \u2014 riep hij en liet zich zonder naar Tsjipka te kijken weer op het stro vallen.<br \/>\n\u2014 Tymofij! \u2014 riep Tsjipka, boven hem staand.<br \/>\n\u2014 Wat?<br \/>\n\u2014 Sta op\u2026<br \/>\nLoesjnja keek nauwelijks op, zijn oogleden zwaar omhoog.<br \/>\n\u2014 Jij bent het, Tsjipka? Waarom?<br \/>\n\u2014 Sta op! Het is nodig.<br \/>\n\u2014 Wat is er daar?<br \/>\n\u2014 Weet jij niet waar Sydir \u2013 een Moskou soldaat woont?<br \/>\n\u2014 Ik ken Sydir niet\u2026 Welke is dat?<br \/>\n\u2014 Een Moskouer\u2026 Die\u2026 herinner je je niet?<br \/>\n\u2014 Ik weet het niet! \u2014 antwoordde Loesjnja, zich krabbend en gapend.<br \/>\n\u2014 Ken je Sydir de Moskovi\u00ebr niet?<br \/>\n\u2014 Hemzelf ken ik \u2014 maar niet waar hij woont.<br \/>\n\u2014 Misschien weet hier iemand van jullie het?<br \/>\n\u2014 Weet ik niet\u2026 \u2014 zei Loesjnja, terwijl hij bleef gapen.<br \/>\nTsjipka krabde kwaad achter zijn hoofd.<br \/>\n\u2014 Hier zijn toch kanonniers op de pakhuiswerf, misschien weten zij het\u2026<br \/>\n\u2014 Ook dat weet ik niet\u2026<br \/>\n\u2014 Wat weet jij dan? \u2014 riep Tsjipka boos.<br \/>\n\u2014 Niets weet ik, \u2014 antwoordde Loesjnja somber en draaide zich weer om.<br \/>\nTsjipka spuugde en ging naar buiten. Zijn hart brandde van ergernis\u2026 \u201cZou ik naar Petro en Jakym gaan?\u201d dacht hij. \u201cMaar het is ver: helemaal naar Pobyvanka moet ik me slepen\u2026\u201d<br \/>\nHij ging opnieuw naar Loesjnja.<br \/>\n\u2014 Tymofij! zeg het toch, om Gods wil\u2026<br \/>\n\u2014 Wat moet ik je zeggen?.. En waarom is hij zo gebrand op die Sydir?!<br \/>\n\u2014 Vervloekte! schoft! \u2014 schreeuwde Tsjipka. \u2014 Jij bent dronken dat je je tong niet eens kunt draaien, en het kan je niets schelen dat men hier je aderen uit je lijf trekt\u2026<br \/>\n\u2014 Ai, God\u2026 \u2014 gaapte Loesjnja. \u2014 Laten we gaan\u2026 \u2014 en hij stond op.<br \/>\nTsjipka voelde zich iets lichter. Ze gingen uit de schuur en richtten zich naar het huis waar de arbeiders van de pakhuiswerf verbleven.<br \/>\nDe schuur stond wat verder weg. Men moest over een open plek naar het huis gaan. Daar ontmoetten ze een groepje Moskovi\u00ebrs dat naar de pakhuiswerf ging om bier te drinken. Het was al goed donker. Ze groetten de Moskovi\u00ebrs en gingen snel voorbij.<br \/>\nPlots werd Tsjipka van achteren op de schouder geslagen.<br \/>\n\u2014 Goedendag, Tsjipka!<br \/>\nTsjipka keek om \u2014 Sydir.<br \/>\n\u2014 Ah, goedendag, Sydir!<br \/>\n\u2014 Waar gaan je naartoe? \u2014 vroeg Sydir.<br \/>\n\u2014 Ik zoek jou, \u2014 antwoordde Tsjipka.<br \/>\n\u2014 Nou, dat is goed. Laten we samen bier gaan drinken.<br \/>\n\u2014 Jullie gaan maar, ik ga slapen, \u2014 zei Loesjnja en draaide zich weg.<br \/>\nTsjipka ging met de Moskovi\u00ebrs mee.<br \/>\n\u2014 Sydir! ik moet met jou spreken, \u2014 zei Tsjipka toen ze al een beetje gedronken hadden.<br \/>\n\u2014 Wat voor iets? Zeg het!<br \/>\n\u2014 Maar\u2026 \u2014 aarzelde Tsjipka, \u2014 er zijn vreemde mensen\u2026<br \/>\n\u2014 Zeg, zeg: ze zijn hier allemaal eigen, broer.<br \/>\n\u2014 Toch kan het niet\u2026<br \/>\n\u2014 Kom, laten we een stukje wandelen. Jullie, broers, wacht even. Ik kom zo, \u2014 wendde Sydir zich tot de Moskovi\u00ebrs.<br \/>\nZe gingen samen naar buiten en begonnen rond de pakhuiswerf te wandelen. De nacht was inmiddels volledig over de aarde gevallen, en bovendien begon er mist op te stijgen. Het was donker en vochtig. Tsjipka voelde hoe zijn hart vreemd snel begon te kloppen, alsof het nog nooit zo had geslagen; in zijn borst stokte zijn adem, het was zwaar om te ademen\u2026 \u201cWat als hij niet wil?\u201d dacht hij. Zijn hart werd koud; hij wist niet hoe hij Sydir moest aanspreken.<br \/>\n\u2014 Nou, wat is er? \u2014 hield Sydir het niet langer uit.<br \/>\n\u2014 Zie je, Sydir\u2026 Ik heb gehoord dat je gaat trouwen\u2026<br \/>\n\u2014 Ja. En wat dan?<br \/>\n\u2014 Maar men zegt dat het meisje misschien niet wil\u2026<br \/>\n\u2014 Hoezo, niet wil?.. Wat kan het meisje doen als vader en moeder hun woord hebben gegeven? Wat heeft zij dan nog te zeggen?<br \/>\n\u2014 Het is eigenlijk\u2026 niets\u2026 Maar hoe zal jullie leven zijn?.. Je zult toch niet met hen leven, maar met je vrouw.<br \/>\n\u2014 En als ze niet gehoorzaamt \u2014 wat dan? \u2014 zei hij en liet zijn vuist zien.<br \/>\nTsjipka werd van top tot teen bevangen door angst en koude.<br \/>\n\u2014 Sydir!.. verlies je ziel niet!.. \u2014 riep Tsjipka plots, maar kwam meteen tot zichzelf \u2014 het was al te laat.<br \/>\n\u2014 Welke ziel? \u2014 vroeg verbaasd Sydir.<br \/>\n\u201cRed mij, goede God!\u201d dacht Tsjipka \u2014 en sprak luid:<br \/>\n\u2014 Zij houdt niet van je\u2026 Wij kennen elkaar al lang, maar\u2026<br \/>\n\u2014 Misschien wil je dat ik voor jou plaatsmaak? \u2014 onderbrak Sydir hem. \u2014 Nee, broer, dat zal niet gebeuren!<br \/>\n\u2014 Jij, als Moskovi\u00ebr, zwerft overal rond, trekt met het regiment, \u2014 je zult ergens anders een betere vinden\u2026<br \/>\n\u2014 Wat zeg je, broer? Ik heb geld uitgegeven\u2026 Ik heb een kwart roebel aan de sergeant gegeven, vijftig roebel aan de compagniecommandant, alleen om toestemming te krijgen; en nog voor ongeveer vijftig roebel aan aankopen gedaan\u2026<br \/>\n\u2014 Ik zal het, als je wilt, dubbel teruggeven\u2026<br \/>\n\u2014 Maar hoe dan, broer? Wat moet ik zeggen als men mij vraagt waarom ik niet getrouwd ben?<br \/>\n\u2014 Zeg dat jullie uit elkaar zijn gegaan\u2026 dat het meisje ziek is of zo\u2026 Wees goed, Sydir! Ik vraag je: wees goed! Ik zal je meteen geld geven.<br \/>\n\u2014 Nou, broer\u2026 maar hoe moet het dan?.. Wat moet ik tegen haar vader zeggen?<br \/>\n\u2014 Verzin iets\u2026 Zeg dat men op gunstige tijd wacht en daarom niet toestaat. En ik zal bovendien jullie hele compagnie trakteren\u2026 zodat ze zwijgen\u2026<br \/>\n\u2014 Zo dan?.. Goed\u2026 \u2014 dacht Sydir en stemde toe.<br \/>\nTsjipka hing zich haast aan zijn hals:<br \/>\n\u2014 Sydir! broertje!.. Leef nu vrij! Drink en geniet! Kom, ik geef je meteen geld.<br \/>\nZe keerden terug naar de pakhuisruimte, rekenden af. Tsjipka liet Sydir en de Moskovi\u00ebrs die met hem waren drinken, en uit vreugde dronk hij zelf ook zo veel dat hij nauwelijks uit het huis kon kruipen. Toch dacht hij: naar huis gaan of hier slapen?.. Zo sleepte hij zich naar de schuur waar Loesjnja sliep. \u201cLaat moeder mij niet uitschelden, ik slaap hier\u201d, dacht hij en ging de schuur binnen. Kort daarna snurkte hij naast Loesjnja als een geslagen man\u2026<br \/>\nDe nacht was vochtig en koud. De mist kroop als zware damp onder de deuren van de schuur naar binnen; hij koelde het hete lichaam en drong tot op de botten\u2026<br \/>\nTsjipka werd wakker en huiverde\u2026 Ook Loesjnja werd wakker. Tsjipka vertelde hem hoe hij hier terecht was gekomen om te slapen. Buiten begon het al te schemeren. Door de kieren van de schuurdeur viel een witachtige strook van de opkomende zon.<br \/>\nTsjipka stond op, ongewassen en ongekamd, en ging rechtstreeks naar Pisky.<br \/>\nToen hij thuis kwam, was het al licht. Van ver zag hij licht schijnen in het raam van zijn huis. \u201cMoeder spint zeker\u201d, dacht hij en begon op de deur te kloppen. De deur was dichtgeschoven. Hij ging onder het raam staan en klopte.<br \/>\n\u2014 Wie is daar? \u2014 riep de moeder van binnen.<br \/>\n\u2014 Ik ben het, moeder! Doe open!<br \/>\n\u2014 Zoon, zoon! \u2014 begon Motrja te verwijten terwijl ze hem in huis liet. \u2014 Hoelang zul je nog elke nacht rondzwerven?.. Ben je misschien weer met je oude bezigheden begonnen?.. Elke avond, zodra het donker wordt, ga je weg\u2026 En overal gaan al geruchten rond\u2026 Straks gaan ze nog zeggen\u2026<br \/>\nOok al was de berisping van zijn moeder bitter, de recente vreugde verzachtte zijn hart.<br \/>\n\u2014 Maak u geen zorgen, moeder! \u2014 antwoordde hij glimlachend. \u2014 Als God helpt, zal ik binnenkort zelfs het huis niet meer uitgaan\u2026<br \/>\n\u2014 Dat is ook aan jou te zien! Misschien houdt een vrouw je nog tegen; maar naar je moeder zul je niet luisteren\u2026<br \/>\n\u2014 Misschien een vrouw wel\u2026<br \/>\nVoor het eerst hoorde de moeder zoiets van haar zoon. Het verbaasde en verheugde haar tegelijk. Toch zei Motrja niets. Ze keek alleen streng naar haar zoon en ging weer achter haar kam staan spinnen.<br \/>\nTsjipka stak zijn pijp aan en ging naar het vee kijken; daarna dwaalde hij rond \u2014 de zon stond al hoog. Vervolgens ging hij naar de hoeve van Hoedzj.<br \/>\nHalja had ondertussen ook niet gerust. Zodra de ouderen thuis waren gekomen, rende zij naar haar moeder en begon haar met tranen te smeken haar schoonheid en kracht niet te laten verkwijnen in Moskouse tochten en reizen, op vreemde plaatsen, ver van haar familie, met een ongewenste Moskovi\u00ebr als man\u2026<br \/>\nDe moeder was als een moeder. Ze werd bewogen door medelijden met haar kind, zag haar tranen en smeekbeden en sprak er met Maksym over. Hoewel Maksym de jonge Sydir als schoonzoon had gewild \u2014 nog zo jong, maar al onderofficier \u2014 stemde hij, denkend aan zijn eigen bitter leven in het leger, een leven zonder rust en vrijheid, uiteindelijk met zijn dochter in.<br \/>\nDroevige gedachten maakten hem onrustig. Hij sliep de hele nacht niet en bleef maar denken.<br \/>\nDe volgende ochtend overlegde hij met Javdocha hoe ze van Sydir konden afkomen. Net toen kwam Sydir zelf aan. Hij draaide en aarzelde lang voordat hij zijn ongeluk durfde te vertellen\u2026 Hij klaagde treurig dat hij alles had verloren door de tocht\u2026 De ouderen luisterden en hadden medelijden met die slechte reden, terwijl ze zelf in stilte blij waren. Vooral Halja was blij toen ze dit uit haar kamer hoorde.<br \/>\nNadat ze Sydir hadden uitgezwaaid, gingen de ouders naar Hetmanske om iets te regelen. Halja bleef alleen thuis. Ze was vrolijk en wist uit vreugde niet wat te doen of met wie ze haar vreugde moest delen. In haar mooiste kleren liep ze door het huis, zong vrolijke liederen, dacht toen aan het middageten, stak de oven aan en zette eten op; daarna zong ze weer, liep rond en keek uit het raam: kwam Tsjipka misschien al?<br \/>\nTsjipka kwam niet. Tevergeefs vermoeide ze haar ogen terwijl ze hem uitkeek. Soms leek een donkere vlek in het veld op hem; dan liet ze alles vallen en rende, zelf haar vreugde vergeten, tot buiten de poort om hem te ontmoeten\u2026 Als ze haar vergissing zag, keerde ze met verdriet in haar hart en tranen in haar ogen terug naar huis. \u201cHij houdt waarschijnlijk niet van mij, anders zou hij niet komen\u2026 Als hij van mij hield, zou hij niet lopen \u2014 hij zou vliegen\u2026 Maar hij\u2026 bedriegt mij\u2026 maakt mij gek!\u201d Zulke gedachten verwarden haar hoofd en deden haar huilen.<br \/>\nJuist terwijl ze huilde, kwam Tsjipka aan. Hoe ze naar hem toe vloog, hoe ze hem begroette! Verdwenen waren de tranen en het verdriet: haar ogen brandden van liefde en vreugde, haar gezicht lichtte op als een zonnige lenteochtend. Wat een vreugdevolle dag was het, wat een lieflijk gesprek!<br \/>\n\u2014 Dus jij zult dat leven opgeven?.. Zul je het opgeven, mijn duifje, zo\u2019n leven? \u2014 vroeg ze Tsjipka terwijl ze hem in de ogen keek.<br \/>\nTsjipka zweeg. Hij genoot van Halja\u2019s vrolijke stem en haar ogen vol vreugde. Zij bleef voor hem kwetteren als een zwaluw.<br \/>\n\u2014 Dan zullen we samen leven! Wat een orde zullen we maken!.. \u2019s Morgens zorg jij voor het vee, en ik voor het huis\u2026 Jij houdt toch van het vee? Ik hou niet van paarden\u2026 Ossen zijn beter\u2026 Ossen zijn zo rustig, stil\u2026 Maar een koe moet ik zeker hebben! Hoor je? Ik ga niet met je trouwen als er geen koe is\u2026 en met een kalfje erbij!.. Wat wilde ik ook alweer zeggen? Kijk, alweer vergeten! Zie je! \u2019s Morgens werken we, dan eten we, rusten we, daarna doe jij weer iets tot de avond; en \u2019s avonds kook ik het eten\u2026 Ik zal zulke zachte, luchtige haloesjki koken dat je ze met je lippen kunt eten\u2026 En bij ons zal alles rustig en vredig zijn \u2014 nooit ruzie, nooit schelden\u2026 Jij zult toch niet schelden?<br \/>\nTsjipka glimlachte.<br \/>\n\u2014 Waarom lach je? Jij zult toch niet vechten? En ik, domme, vraag of je zult schelden\u2026 Let op: als je gaat vechten of schelden, laat ik je achter\u2026<br \/>\n\u2014 Genoeg, Halja, denk daar niet eens aan! Hoe kan men zo\u2019n kleine nachtegaal uitschelden of slaan? Jij bent als een zonnetje, je zult mijn sombere huis opfleuren en mijn moeder vrolijk maken\u2026<br \/>\n\u2014 H\u00e8! Heb jij ook een moeder? Ik was het bijna vergeten\u2026<br \/>\nEven trokken Halja\u2019s wenkbrauwen samen, alsof een zware gedachte haar raakte. Maar die gedachte verdween snel; Halja begon weer vrolijk te kwebbelen.<br \/>\n\u2014 Is je moeder oud?<br \/>\n\u2014 Nee, niet erg. Alleen heeft ellende haar oud gemaakt en nood haar jeugd genomen\u2026<br \/>\n\u2014 En ik, Tsjipka, weet niet wat ellende en nood zijn\u2026 Ik ben opgegroeid in overvloed, ik ken dat niet. Misschien zal het mij nog vinden\u2026 Nee, dat wil ik niet! Hoor je, Tsjipka? Ik wil geen nood en geen ellende\u2026 Weg ermee!.. Ik wil het niet!.. Maar \u00e9\u00e9n ding: is je moeder streng? Zal ze mij niet uitschelden?..<br \/>\n\u2014 Nee, Halja\u2026 Nooit zal iemand je ook maar \u00e9\u00e9n verkeerd woord zeggen, laat staan uitschelden\u2026 Jij bent zo iemand dat mijn moeder, zodra ze je ziet, je eerder zal mogen dan mij.<br \/>\n\u2014 Wat ben ik dan? \u2014 vroeg ze met vrolijk glinsterende ogen.<br \/>\n\u2014 Zo\u2026 \u2014 plaagde Tsjipka.<br \/>\n\u2014 Hoezo \u2014 zo?<br \/>\nTsjipka wilde haar omarmen\u2026<br \/>\n\u2014 Let op! Let op! Als je mij bedriegt\u2026 \u2014 en ze dreigde hem met haar kleine witte vingertje.<br \/>\nNog lang genoten ze van elkaar en maakten ze het gezellig. Daarna gingen ze eten.<br \/>\nNa het eten overlegden ze hoe ze het aan hun ouders zouden vertellen. Tegen de avond ging Tsjipka naar huis.<br \/>\nZijn moeder ontmoette hem buiten, boos.<br \/>\n\u2014 Waar ben je geweest? Waar heb je de hele dag rondgezworven? Voor wie heb je het vee thuis achtergelaten? Voor mij, een oude vrouw?.. Heer, uw wil geschiede!.. Vroeger was je tenminste overdag thuis; maar nu \u2014 je verveelt je tot het middageten en daarna verdwijnt je, schouder en oog\u2026 Waarom heb je dat vee gekocht als je er zelf niet voor wilt zorgen?<br \/>\n\u2014 Het zal het niet pakken, moeder, de duivel! \u2014 antwoordde Tsjipka vrolijk.<br \/>\n\u2014 En jou ook niet, als je tenminste eens rond het middaguur kwam kijken\u2026 Als je het vee niet erg vindt, heb dan tenminste medelijden met je moeder, die in dit weer buiten staat te zwoegen\u2026<br \/>\n\u2014 Wacht maar, moeder: als ik eenmaal een vrouw neem, dan zult u leven als bij God achter de deur.<br \/>\n\u2014 Ja, dat zal wel! \u2014 zei Motrja verdrietig terwijl ze haar boosheid verloor en het huis binnenging. Tsjipka ging achter haar aan.<br \/>\n\u201cWat is dat toch, dat hij steeds maar praat over een vrouw? Gisteren ook al over een vrouw, vandaag weer over een vrouw\u2026 misschien heeft hij er echt aan gedacht\u2026\u201d En ze wilde het hem vragen. Daarom begon ze, zittend in huis, weer te praten.<br \/>\n\u2014 Je zegt dat je een schoondochter zult nemen, zoon\u2026 en dan zal ik leven als bij God achter de deur? Zo zal het waarschijnlijk zijn! Misschien neem je een schoondochter die zelfs de hemdjes van haar schoonmoeder niet wast\u2026<br \/>\n\u2014 Misschien zal ze zelf niet wassen, \u2014 antwoordde Tsjipka.<br \/>\n\u2014 En wie dan? \u2014 vroeg Motrja verschrikt.<br \/>\n\u2014 Een dienstmeid.<br \/>\n\u2014 Wat voor een prinses denk je dan te nemen, dat er nog een dienstmeid bij moet?<br \/>\n\u2014 Een prinses, moeder, \u2014 zei Tsjipka glimlachend.<br \/>\n\u2014 Ga niet te hoog vliegen, zoon, anders doet de val pijn\u2026<br \/>\n\u2014 Maak u geen zorgen, moeder, ik zal trouwen met de vrouw die bij mij past.<br \/>\n\u2014 Spot je met je moeder, of wat? Heb je echt iemand gekozen?<br \/>\n\u2014 Ja.<br \/>\n\u2014 Wie heb je dan uitgekozen? Niet soms Motrja Sjramtsjenko?<br \/>\n\u2014 Nee, moeder, niet Motrja, maar Halja.<br \/>\n\u2014 Welke Halja?<br \/>\n\u2014 U kent toch de Moskovi\u00ebr Hoedzj, moeder?<br \/>\n\u2014 Die van de hoeve?<br \/>\n\u2014 Diezelfde.<br \/>\n\u2014 En wat dan?<br \/>\n\u2014 Zijn dochter, moeder\u2026<br \/>\nMotrja zweeg even. Droefheid lag over haar blik.<br \/>\n\u2014 Ik ken dat meisje niet, mijn kind\u2026 Wie weet wat voor mensen die Moskovi\u00ebrs zijn\u2026 Ik weet alleen dat hij in zijn jeugd alleen maar dronk, feestte en rondzwierf. Toen zijn vader hem bij het leger liet gaan, was er niets meer van hem te horen\u2026 Hij kwam terug getrouwd en rijk\u2026 Zijn vrouw is waarschijnlijk niet van ons volk; hij heeft haar van ver ergens gehaald. Zou de dochter niet ook zo zijn?<br \/>\n\u2014 Nee, moeder, de dochter lijkt helemaal niet op haar moeder\u2026<br \/>\n\u2014 Och zoon, zoon! Wie weet\u2026 In een vreemde ziel kun je niet kijken, zeggen ze \u2014 je weet niet wat erin omgaat. Misschien lijkt ze goed van uiterlijk, maar dat is nog zolang ze een meisje is\u2026 Elke jonge vrouw is goed zolang ze niet getrouwd is; maar zodra ze haar handen gebonden heeft, begint ze meteen haar grillen te tonen\u2026 Dit deugt niet, dat deugt niet naar haar zin!.. En dan nog rijk!.. Wat mij betreft, als je, zoon, met Olena Pedkivna trouwde\u2026 Een stil, werkzaam meisje\u2026 Ik weet zeker dat ze zowel een vrouw voor jou als een schoondochter voor mij zou zijn\u2026 Maar als je toch Hoedzj\u2019s dochter wilt, moge God je zegenen!.. Natuurlijk \u2014 ik hoef niet met haar te leven, jij moet je leven met haar slijten, mijn kind\u2026 Mijn leven is al kort; ik zal snel sterven en alles achterlaten\u2026 Jij moet met haar leven, niet ik\u2026 Maar het zou lichter zijn om op de andere wereld te liggen als ik wist dat jij gelukkig zou zijn, mijn zoon! Want als er hier bij jullie elke dag wrijving en ruzie is, hoe zal ik daar dan kunnen rusten? Dan zullen mijn botten zelfs onder de aarde nog trillen\u2026<br \/>\n\u2014 Nee, moeder, Halja zal precies de vrouw voor mij zijn. Ik ken haar al lang\u2026<br \/>\n\u2014 Als zij bij jou past, moge de Heer je, zoon, zegenen voor al het goede! Ik verbied het niet. Wees alleen niet verdrietig om je moeder, kind, als \u2014 God verhoede \u2014 je je leven lang moet tobben\u2026 Je kent toch rijke vrouwen? Zij zijn allemaal geneigd tot verwijten\u2026 En er is, zoon, geen zwaarder verwijt dan het verwijt van een rijke vrouw over jouw armoede\u2026 Armoede \u2014 maar eerlijk verdiend! Anders brengt ze van vader en moeder allerlei vodden en lompen mee, en je mag ze niet aanraken\u2026 Ze zal je elke dag verwijten maken: dit is verloren gegaan, dat is verspild\u2026 Niets is erger, zoon, dan het verwijt van een rijke vrouw! Daarom raadde ik je niet om een rijke vrouw te nemen. Neem iemand die je gelijke is, dan zal alles tussen jullie gelijk zijn: zij zal je niet verwijten om je armoede, en jij haar nergens om verwijten \u2014 je wist wat je nam! Maar zoals ik al in de wereld heb geleefd en mensen heb gezien, zal ik zeggen dat uit arme gezinnen vaak betere huisvrouwen komen. Nood en armoede leren zowel eigen bezit te bewaren als andermans goed te bewaken. Maar wie in weelde en met dienstmeiden opgroeit, vindt alles vanzelfsprekend: zo verspilt hij alles!<br \/>\n\u2014 Nee, moeder, Halja is niet zo. U hoeft zich geen zorgen te maken. Hoewel ze rijk is, doet ze zelf alles in huis\u2026 Ze weet overal orde in te brengen. En wat ze daar aan overbodigs heeft, is juist goed. Dan is er in het begin iets om je handen aan te zetten en het huishouden goed te regelen\u2026 Waarom heb ik anders hoofd en handen gekregen? Maak u geen zorgen, moeder: alles zal goed gaan! En als u haar zou kennen of haar maar eens zag, dan zou u haar meteen zo goed vinden dat u zou zeggen: neem geen andere vrouw, zoon \u2014 neem Halja Hoedzjivna!<br \/>\n\u2014 Kijk niet alleen naar het uiterlijk, zoon, maar naar hoe ze tegenover jou is! Soms is iemand mooi, maar brengt hij ongeluk\u2026 Je kunt je eigen lot niet voorspellen.<br \/>\n\u2014 Maar mijn lot is met haar opgegroeid, als u wilt\u2026<br \/>\n\u2014 Dan moge God je zegenen, zoon, als het zo is! Zoek maar koppelmannen en stuur ze, als ze haar zullen afgeven\u2026<br \/>\nDiezelfde avond liep Tsjipka naar Hrytsjko.<br \/>\n\u2014 Hrytsjko, broertje! Raad eens waarom ik bij jou ben gekomen?<br \/>\n\u2014 Zeg het maar.<br \/>\n\u2014 Ik kom je vragen om als koppelaar op te treden.<br \/>\n\u2014 Wil je gaan trouwen? \u2014 mengde Chrystja zich in het gesprek.<br \/>\n\u2014 Ja. Ik denk: ik trouw \u00e9\u00e9n keer en dan is het afgelopen! \u2014 grapte Tsjipka.<br \/>\n\u2014 Wie wil je dan nemen? \u2014 vroeg Hrytsjko.<br \/>\nChrystja spitste meteen haar oren.<br \/>\n\u2014 Dat zie je later\u2026 Zeg eerst: wil je gaan?<br \/>\n\u2014 God mag weten. Misschien leid je mij naar een erf waar ik zelfs klappen krijg\u2026<br \/>\nAllen lachten.<br \/>\n\u2014 Juist zo\u2019n erf wil ik je ook niet in leiden, \u2014 lachte Tsjipka, \u2014 want niemand zal jou daar toch op je zij slaan\u2026 Voor Chrystja zou het als vrouw passen\u2026 Maar ze is zo goed geworden dat ze nooit een kwaad woord terugzegt!<br \/>\n\u2014 Hou op met grappen. Zeg serieus: wie wil je nemen? \u2014 vroeg Chrystja.<br \/>\n\u2014 Wil je het echt weten? Echt?<br \/>\n\u2014 Natuurlijk\u2026<br \/>\n\u2014 Nou, laat het dan maar kriebelen als je zo nieuwsgierig bent\u2026<br \/>\n\u2014 Kom op, zeg het; anders laat ik Hrytsjko niet als koppelaar gaan.<br \/>\n\u2014 Dan ga ik zelf ook niet als jij het niet zegt.<br \/>\n\u2014 Er is niets met jullie te beginnen, \u2014 zei Tsjipka, \u2014 dus moet ik het wel bekennen\u2026 Kent u Hoedzjivna?<br \/>\n\u2014 Welke? Odarka? \u2014 vroeg Chrystja.<br \/>\n\u2014 Nee, Halja.<br \/>\n\u2014 Welke is dat? \u2014 vroeg Hrytsjko, nadenkend.<br \/>\n\u2014 De dochter van de Moskovi\u00ebr die op de hoeve woont.<br \/>\n\u2014 Ik ken haar niet, \u2014 zei Chrystja langzaam. \u2014 Kijk eens: hij is naar de hoeve getrokken alsof er in het dorp geen meisjes genoeg zijn! En wat heeft hem daarheen gebracht?!<br \/>\n\u2014 Het heeft hem gebracht\u2026 \u2014 glimlachte Tsjipka. \u2014 Dus, Hrytsjko, ga je?<br \/>\n\u2014 Voor wanneer?<br \/>\n\u2014 Voor zaterdag, een vrije dag.<br \/>\n\u2014 Voor zaterdag kan het.<br \/>\n\u2014 Let op, Hrytsjko! Voorlopig \u2014 vaarwel. Ik moet nog ergens heen rennen\u2026<br \/>\nTsjipka ging weg, en Hrytsjko en Chrystja begonnen over hem te praten.<br \/>\n\u2014 Kijk eens, Chrystja: er zal toch nog een mens van die Tsjipka worden! Nu hij gaat trouwen; getrouwd zijn is natuurlijk anders dan vrijgezel zijn.<br \/>\n\u2014 Was het niet al van tevoren te zien dat hij een deugdzame man was? Voor werk of vakmanschap \u2014 voor alles was hij geschikt.<br \/>\n\u2014 Maar hij heeft toch gedronken en rondgezworven!<br \/>\n\u2014 Hij was jong en dwaas; nu hij ouder is, heeft hij verstand gekregen, \u2014 antwoordde Chrystja.<br \/>\n\u2014 Nu zal de oude Motrja ook rust krijgen; arme moeder had geen rust, dag noch nacht\u2026<br \/>\n\u2014 Wie weet wat voor schoondochter er komt\u2026<br \/>\n\u2014 Wat voor schoondochter ook, als hij als zoon zijn eigen moeder niet laat beledigen.<br \/>\n\u2014 Maar er zijn, Hrytsjko, vrouwen die je ook al zou je met een stok op hun hoofd slaan, toch hun zin blijven doordrijven\u2026<br \/>\n\u2014 Bij mij zou ze haar mond wel houden.<br \/>\n\u2014 Dat is bij jou.<br \/>\n\u2014 Wat dan? Moet ik toestaan dat de duivel weet wat mijn eigen moeder overheerst? Nee, ze zou haar tanden op elkaar moeten zetten!<br \/>\n\u2014 Nou, als jij zelf een moeder had, zou het dan bij mij ook zo zijn?<br \/>\n\u2014 Jij, Chrystja, bent anders\u2026 Ik weet dat jij mijn moeder ook zou respecteren, alsof het je eigen moeder was\u2026<br \/>\n\u2014 Dat hangt ervan af wat voor moeder het is.<br \/>\n\u2014 Jij zou elke moeder tevredenstellen. En wat is er mis met Tsjipka\u2019s moeder?<br \/>\n\u2014 Over grootmoeder Motrja zeg ik niets. Dank haar, ze is goed voor ons, bijna als een eigen moeder. Ik bedoel andere soorten. Kijk bij de familie Vasylenko: waarom heeft hij zijn schoondochter weggejaagd? Toen ze kwam was ze als een rijpe viburnum, rond en stevig als een oven, en nu is ze als van het kruis gehaald! Zo zijn er schoonmoeders\u2026 Zelfs de duivel kan zo\u2019n vrouw niet tevredenstellen, laat staan een schoondochter.<br \/>\nZo praatten ze lang. Woord haakte zich aan woord; de ene gedachte volgde op de andere \u2014 soms over mensen, soms over Tsjipka.<br \/>\n\u2014 Je zult mij toch vertellen hoe die bruid is, \u2014 zei Chrystja terwijl ze al naar bed ging. \u2014 En waar hij haar heeft opgeduikeld!!<br \/>\n\u2014 Dan zullen we wel zien wat voor snoepje dat daar is, dan zal ik het je vertellen, \u2014 antwoordde Hrytsjko, terwijl hij zich ook te slapen legde.<br \/>\nZe doofden vroeg op de avond het licht, zoon en moeder. Vroeg in de avond gingen ze slapen, vermoeid door de gebeurtenissen van de dag. Maar de slaap wilde bij geen van beiden komen.<br \/>\nBij hem verscheen steeds Halja in zijn gedachten, vrolijk als een jonge vogel \u2014 hoe zij door het huis zou lopen en alles netjes zou houden\u2026 Alleen jammer: het huis is te klein; er moet een nieuw worden gebouwd, flitste het door zijn hoofd en riep een hele zwerm gedachten op. Hij zag al hoe hij dit huis afbrak en een nieuw zette, met een woonkamer, een kleine kamer en grote ramen\u2026 \u201cIn de kleine kamer zullen wij wonen,\u201d overlegde hij met Halja, \u201cmoeder zal waarschijnlijk niet meer van de oven afkomen; en de woonkamer is voor het ontvangen van gasten\u2026 Goed, Halja?\u201d Halja wierp hem een instemmende blik toe\u2026 Zijn gedachten en haar gedachten verstrengelden zich; ze brachten glimlach en vreugde\u2026 Goede hoop streelde zijn hart. Tsjipka vergat zijn vroegere leven, vergat alles wat geweest was \u2014 het verleden; op lichte vleugels van snelle gedachten vloog hij vooruit, verder\u2026 naar het paradijs van stille gelukzaligheid\u2026<br \/>\nMotrja dacht ook aan Halja. Maar geen vrolijke, maar droevige gedachten vulden het hoofd van de moeder. \u201cDe Heer weet het\u2026\u201d, dacht zij. \u201cAl had ik haar maar eens gezien, al had ik haar stem gehoord\u2026 Misschien is het daar een die je niet kunt benaderen; misschien een van die meisjes die een jongeman alleen binden en dan een ander zoeken\u2026 Onder rijke meisjes zijn er soms zulke \u2014 uit overdaad! Ze groeit op in weelde en overvloed; heeft nooit haar eigen lichaam hoeven buigen, geen witte handen aan scherpe stoppels gestoken \u2014 alles door dienstmeisjes\u2026 En als ze dan merkt dat alles met eigen handen moet gebeuren, dan laat ze het misschien vallen\u2026 Hoe is de wereld tegenwoordig geworden?!\u201d<br \/>\nDoor zulke gedachten draaide de arme moeder zich steeds van de ene zijde naar de andere en zuchtte zwaar.<br \/>\n\u2014 U slaapt niet, moeder?<br \/>\n\u2014 Nee, zoon.<br \/>\n\u2014 Waarom slaapt u dan niet?<br \/>\n\u2014 Zo\u2026 allerlei gedachten kruipen in mijn hoofd\u2026<br \/>\n\u2014 Maak u geen zorgen, moeder!<\/p>\n<p>XXVI OP EIGEN GROND<br \/>\nOp de zaterdag stuurde Tsjipka koppelmannen naar Maksym. Op zondag was de kennismaking van de families bij Tsjipka. Maksym vergat de oude gewoonte niet: hij ging zelf en haalde Javdocha over om mee te gaan.<br \/>\nMaksym wist voor wie hij zijn dochter gaf. De arme Tsjipka-woning en zijn oude, eenvoudig geklede moeder deden hem niet veel pijn aan de ogen. Maar Javdocha keek er anders tegenaan: haar trotse, prikkelbare natuur werd geraakt door het kleine, arme huis van Tsjipka en zijn door ellende en zorgen verschrompelde moeder.<br \/>\nToen ze van het bezoek terugkwamen, viel zij met verwijten op haar man. Maksym, die haar heethoofdige, kijvende aard kende, ging het huis uit en bleef opzettelijk lang rond het erf rommelen.<br \/>\nToen viel Javdocha Halja aan:<br \/>\n\u2014 Nou ja! Je zult, dochter, een schoonmoeder krijgen voor de hele wereld\u2026 God! Aan haar gezicht is geen menselijkheid meer te zien\u2026 \u2014 Zij kromp van boosheid; ze was als een gedroogde vis\u2026<br \/>\n\u2014 Misschien leek ze u bij de eerste blik zo, moeder, \u2014 antwoordde Halja.<br \/>\nMaar het hielp niet. Javdocha barstte in verdriet en tranen uit.<br \/>\n\u2014 Als ik, mijn kind, zo\u2019n kwade tijd had geweten, als ik had geweten wat ik in zijn huis zou aantreffen: ik had je liever je leven lang ongehuwd met loshangende vlecht laten lopen dan dit te zien!\u2026<br \/>\nOok Motrja mocht Javdocha niet. Ze leek haar trots, hooghartig en ontoegankelijk\u2026 \u201cDame\u2026 dame!\u201d fluisterde Motrja. \u201cWaarom heeft Tsjipka zich hier toch mee ingelaten? Zo moeder, zo dochter: de appel valt niet ver van de boom\u2026 Hij zal zijn hoofd vergooien, en het mijne erbij. Mijn hart voelt het en voorspelt het\u2026\u201d<br \/>\nBeide moeders waren zo dat, zelfs als men wilde teruggaan, er niets meer te doen was: de zaak was openlijk beklonken.<br \/>\nDe volgende week werden de jongeren kerkelijk getrouwd.<br \/>\nUit vreugde richtte Maksym een feest aan dat men nog lang zou herinneren. Een hele week speelden de muzikanten, de voeten stonden niet stil; gekookt en gebakken eten stroomde als een rivier, en van het eenvoudige soort kon men zich baden\u2026 Er kwam zichtbaar en onzichtbaar volk: gewone mensen, Moskovi\u00ebrs, en Sydir was daar ook; en de plaatselijke overheid met de klerk, verre half-edelmannen\u2026 Men kon geen vinger meer uitsteken, noch in huis noch op het erf. Maksym wachtte waarschijnlijk nog op de politie-autoriteit, maar die kwam om een of andere reden niet.<br \/>\nHrytsjko, de onderbaas, verbaasde zich over de rijkdom die zo onverwacht op Tsjipka was gevallen. Zelfs jaloezie begon hem te knagen. Ook andere mensen verbaasden zich en benijdden Tsjipka. \u201cHoe kon zo\u2019n arme kerel toch zo\u2019n rijke bruid krijgen?\u201d Oude mannen en vrouwen hielden dat allemaal in gedachten, en de jonge vrouwen fluisterden onder elkaar dat er hier iets verdachts was: misschien had de duivel hier zijn staart in gestoken! Maar kijkend naar Halja, die naast Tsjipka zat als een klaproosbloem, fluisterden ze verder en schudden hun hoofden\u2026<br \/>\nDe mannen dronken ondertussen bij Maksym de ene beker na de andere en zeiden: \u201cGod geve dat onze jongeren gezond en levend blijven \u2014 dat ze in liefde en rijkdom tot hun ouderdom leven!\u201d \u2014 \u201cDat ze altijd rijk worden en voorovergebogen van voorspoed lopen!\u201d voegde oudste Jakiv erbij, die goed was in zulke spreuken. Het gezelschap barstte uit in lachen, en de vrouwen duwden de oude spreker speels met hun ellebogen, zeggend: \u201cOch jij daar!\u201d Maar de oude man nam zonder zich te storen een varenik tussen zijn tanden, drong zich door de dansende jeugd en riep: \u201cSpeel, muzikanten!\u201d en begon zelf een squat-dans, zodat de aarde dreunde.<br \/>\nDe muziek sneed en zaagde \u2014 alsof de snaren zouden breken; de violen bogen; de trommel dreunde als zomerdonder; de koperen bekken klonken en ratelden alsof honderd zigeunerpaarden met bellen door het dorp stormden\u2026<br \/>\nMen feestte op de hoeve en verhuisde daarna als \u00e9\u00e9n groep naar Tsjipka\u2019s huis in Pisky.<br \/>\nDaar zag Motrja voor het eerst haar schoondochter. Samen met haar zoon boog Halja diep voor haar, tot aan haar voeten, en overhandigde kostbare geschenken\u2026 Motrja keek naar haar schoondochter \u2014 en de donkere gedachten verdwenen onmiddellijk van haar gezicht. Als een zonnestraal die door dicht groen blad in een koele schaduw valt en alles oplicht en vrolijk maakt \u2014 zo flakkerde een vonkje vreugde in Motrja\u2019s oude ogen en verspreidde zich over haar droge gezicht.<br \/>\nDe oude vrouw vloog Halja om de hals alsof ze haar eigen kind was, en terwijl ze haar kuste, huilde ze. Halja omhelsde Motrja als een moeder, kuste haar ruwe, oude wangen en handen\u2026 Daarna omhelsde Motrja haar zoon en huilde opnieuw. Vervolgens kuste ze de schoonfamilie en bijna iedereen die in het erf was gekomen.<br \/>\nVan vreugde leek de oude vrouw dronken; het was haar voor het eerst in haar leven dat mensen haar met zoveel eer behandelden. Ze wist niet hoe ze hen moest bedanken.<br \/>\nToen begonnen de muzikanten weer te spelen; de bruidsvrouwen zongen; de jongeren bogen; en men ging het huis binnen\u2026<br \/>\nDe feesten en dansen begonnen opnieuw. Maksym en Javdocha dansten samen kriskras en zwierden, en achter hen stapte ook Motrja met haar oude benen\u2026<br \/>\nAls een wervelwind, als een verschrikkelijke storm, zo stormde het huwelijk door Tsjipka\u2019s erf en veroorzaakte heel wat schade aan het bedrijf. Heggen lagen omver en waren gebroken; de poort lag midden op de binnenplaats, beschadigd; de ramen zonder ruiten keken met zwarte gaten naar de straat. Maar zoals na storm, regen en hagel het heldere zonnetje nog vriendelijker schijnt, nog sterker verwarmt en met zijn licht en warmte de ru\u00efnes overspoelt die de storm heeft aangericht \u2014 zo bloeide Halja met haar roze gezichtje op het erf en vrolijkte alles op met haar vriendelijke blik\u2026<br \/>\nEn Tsjipka begon meteen de schade te herstellen. Daar zette hij een heg recht en repareerde die, daar maakte hij nieuwe poorten, daar herstelde hij nog andere schade; hij riep de glazenmaker \u2014 die plaatste nieuwe ruiten\u2026 Binnen een week was er van de vernieling niets meer te zien: alles stond weer op zijn plaats, zoals het hoorde, en zag er zelfs beter en netter uit.<br \/>\nVeel goederen en vee had Halja met zich meegebracht; acht span paarden vervoerden haar bruidsschat naar Pisky. Motrja schrok toen ze alles zag. Ze had nooit zoiets in gedachten gehad, en nu kwam het als een sneeuwbui op haar hoofd. Ze wist niet waar alles moest worden neergezet.<br \/>\nWat het meest nodig was, werd in huis geplaatst; een deel in de gang, en nog wat bleef over. Halja vroeg Javdocha om het naar de hoeve te brengen. Maksym schonk Tsjipka drie goede paarden. Tsjipka vroeg zijn schoonvader ook om het vee tot het voorjaar bij hem te houden. Maksym en Javdocha raadden de jongeren, omdat het zo krap was, aan om in de winter op de hoeve te gaan wonen, maar noch Tsjipka noch Halja stemden toe. De oude mensen keerden terug, en de jongeren bleven op hun eigen erf. Het lot bedekte hen met zijn rustige vleugel.<br \/>\nNu is het mooi en vrolijk in hun huis. Het huis zelf leek groter, ruimer en blijer geworden. Halja bekleedde de muren met behang en hing geborduurde handdoeken op. Vanaf de iconenhoek keken dure iconen uit een zee van basilicum, munt, lavendel en anjers en leken naar het huis te glimlachen. Voor de iconen wiegden op draadjes gemaakte duiven. Hun vleugels waren grijsblauw, de borst rood, de staart zwart, de snavel \u2014 alsof uit vlees gevormd \u2014 witroze, en de ogen van rode kralen glansden door de hele kamer wanneer er zonlicht op viel. Die duiven verbaasden iedereen die ze zag. Met uitgespreide vleugels en gebogen pootjes wiegden ze onafgebroken, alsof ze levend en betoverd waren\u2026 De kachel beschilderde Halja met blauwe bloemen op wit; de banken schuurde ze schoon en wit, en de vloer glom als was.<br \/>\nWaar haar hand ook raakte of haar oog ook viel \u2014 alles veranderde van somber en donker naar licht, wit en glimlachend.<br \/>\nBij haar schoonmoeder ging Halja om als bij haar eigen moeder; ze zorgde voor alles. Ze naaide mutsen voor haar, gaf haar sjaals en schonk hemden. De oude vrouw droeg geen versleten vodden meer; die gingen naar de lompen. Motrja liep nu in nieuwe kleding. Ze had goede zwarte laarzen, dure rokken en schorten, een witte jurk als sneeuw en een winterjas gevoerd met stof. Ze was beschermd tegen honger en kou en gerust in haar werk. Halja deed zelf het huishouden: zorgde voor de koeien en schapen en voor de oven \u2014 alles zelf; Motrja liet ze niet meer werken.<br \/>\n\u2014 U, moeder, \u2014 zei Halja, \u2014 hebt op uw leeftijd al genoeg gezondheid en kracht verloren; rust nu maar uit op uw oude dag. Laat mij, de jonge, werken, en u moet aan iets anders rust hebben!<br \/>\n\u2014 Ach, dochter! \u2014 antwoordde Motrja, \u2014 als men in zijn jeugd geen medelijden met zijn vader in dienst had, dan zeker ook niet met mij\u2026 Als men in zijn jeugd niemand spaarde, dan nog minder op oude dag. Een hond die gewend is achter een wagen te lopen, zal ook achter een slee blijven lopen! Ik ben van jongs af aan gewend te werken \u2014 en nu kan ik niet stilzitten, al doen mijn botten soms pijn alsof ze gebroken zijn, en mijn borst koud en pijnlijk wordt\u2026<br \/>\nEn Motrja ging zitten bij het spinnewiel en spon langzaam wol.<br \/>\nBij Tsjipka weet Halja niet meer hoe ze hem moet behagen. Ze borduurt alle hemden, versiert ze met bloemen; maakt jassen af met koorden. Ze doet niets anders dan, nadat ze het werk in huis en bij het vee heeft gedaan, nieuwe patronen bedenken.<br \/>\n\u2014 Kijk, moeder, is het zo mooi? \u2014 vraagt ze aan haar schoonmoeder terwijl ze haar borduurwerk toont.<br \/>\n\u2014 Ja, kind, het is mooi, \u2014 antwoordde Motrja blij.<br \/>\n\u2014 Het lijkt mij dat als ik hier nog blauw en daar groen bij voeg, het nog beter zou zijn.<br \/>\n\u2014 Waarom martel je je hoofd en bederf je je ogen daar zo mee, dochter? Je had het daar maar een beetje netjes moeten afwerken en klaar! Vroeger gingen mensen ook niet alleen in geborduurde kleding; soms zelfs in kleren die naad aan naad waren gezet\u2026 en dat gaf niets!<br \/>\n\u2014 Wat voor een goede vrouw zou ik zijn, moeder, als ik voor mijn man geen hemden zou borduren? Ik zou hem, zo lijkt het, alle mooiste patronen die er zijn willen opnaaien\u2026 Maar helaas \u2014 ik ken ze niet allemaal!<br \/>\n\u2014 Dank je, dochter, voor je goedheid, zowel tegenover hem als tegenover mij! Sinds jij bij ons gekomen bent, is het alsof een rechtvaardige zon het huis is binnengekomen, alsof je onze ogen hebt geopend en de wereld met roze bloemen hebt bedekt\u2026 Als je eens wist hoe het eerst was! Toen er noch brood noch kleding was\u2026 en je elke dag moest gaan werken\u2026 En hij was nog klein \u2014 en soms moest je hem met je meenemen. En als je hem thuis liet, al was het bij een oude vrouw \u2014 moge haar ziel in vrede rusten! \u2014 dan zag je de wereld niet meer door je zorgen\u2026 Is hem niets overkomen? Heeft hij niets uitgevreten? De avond kwam, en je wachtte hem als op God, eeuwenlang leek het, en liet het werk vallen en haastte je als een pijl naar huis. Je kwam eraan en zag dat hij bij het huis aan het spelen was\u2026 God zij dank, alles was goed!<br \/>\nOf in de winter\u2026 dan knetterde de strenge vorst, een sneeuwstorm en blizzard staken op\u2026 je had niets om aan te trekken, niets om je voeten te beschermen! En in huis \u2014 alsof je wolven kon wegjagen, maar brandstof had de duivel zelf niet\u2026 O, ik heb in mijn leven ook bitterheid geproefd, en nog in overvloed! Maar nu, dank zij God, ben ik op mijn oude dag toch gerust\u2026 Misschien zal de Heer mij ook laten sterven in zo\u2019n vrede\u2026 Ik zal voor jou, mijn kind, van de andere wereld gebeden sturen, opdat jullie, mijn dierbaren, gelukkig jullie leven mogen doorbrengen en jullie kinderen tot verstand mogen opvoeden\u2026<br \/>\nHalja luisterde naar dit droevige verhaal over zo\u2019n bitter en arm leven \u2014 en werd er zelfs bang van\u2026 Zij had dat alles niet alleen nooit meegemaakt, maar er zelfs nooit over nagedacht\u2026 Medelijden drukte haar hart voor haar schoonmoeder. \u201cNiet voor niets is ze zo oud, zwak, uitgeput en uitgedroogd,\u201d dacht Halja.<br \/>\n\u2014 U bent voor mij als een eigen moeder! \u2014 wendde ze zich met een oprecht hart tot haar schoonmoeder. \u2014 Hoeveel verdriet hebt u in uw leven gekend, moeder! En ook Tsjipka heeft dat alles moeten verduren!<br \/>\n\u2014 Ja, dochter! Ik heb hem met deze handen gedragen en grootgebracht\u2026 en hij heeft ook geproefd hoe een kolf ellende smaakt!<br \/>\n\u2014 Daarom is hij ook zo somber; daarom is hij altijd zo weinig vrolijk\u2026 Maar ik: ik ben opgegroeid in overvloed en rijkdom, ik wist van niets\u2026 altijd vrolijk en zingend\u2026<br \/>\n\u2014 God geve dat je kunt zingen en niet hoeft te huilen! \u2014 antwoordde Motrja blij. En ze kon niet genoeg kijken en genieten van haar schoondochter.<br \/>\nSoms echter, in donkere nachten, wanneer de storm buiten huilt en in de schoorsteen als een uil jammerend en zuchtend sneeuwklompen tegen de ramen slaat, alsof een late reiziger aanklopt; wanneer alles slaapt onder de druk van het slechte uur \u2014 dan kunnen oude mensen niet slapen, draaien zij zich van de ene zijde naar de andere, kreunend en zuchtend, terwijl oude botten pijn doen van de zware arbeid van hun jeugd, en droevige gedachten als een zwarte zwerm kraaien het oude hoofd omringen \u2014 alleen in zulke uren sloop verdriet in Motrja\u2019s ziel en kneep haar hart samen als in een vuist van bitter leven\u2026<br \/>\n\u201cWat is dit voor een teken?\u201d dacht zij. \u201cZo\u2019n mooie, rijke vrouw heeft zo\u2019n arme man lief\u2026 Misschien heeft ze hem gewoon uit jeugdliefde gekozen; jong bloed is snel, het hart is heet: een meisje kan een jongen in het oog krijgen en zonder het te merken verliefd worden\u2026 Maar waar keken vader en moeder dan? En hier maakten vader en moeder geen bezwaar\u2026 Misschien kregen ze medelijden met het kind toen ze zag hoe ze zich uit liefde kwelde\u2026 Maar wordt er dan altijd uit liefde getrouwd? Familie verbiedt het als men een ongelijke partij kiest\u2026 En hier zeiden vader en moeder niets\u2026 Toch is Tsjipka mijn zoon, handig en begaafd, met gouden handen en een goed verstand\u2026 Maar toch \u2014 het blijft een ongelijkheid! Eerste liefde, zeggen ze, is maar onzin\u2026 Maar als het hart afkoelt, komen verwijten: \u2018lomperd\u2019, \u2018arme sloeber\u2019! Misschien is zij anders\u2026 Halja lijkt goed\u2026 Ze houdt niet van mij, maar hoe ze mij verzorgt! O God, geef hun geluk, Heer! Wat geeft het mij, oude vrouw? Moge ze maar niet klagen over hun lot\u2026 Ik zal sterven; zij moeten leven\u2026 al was het maar om in vrede te sterven!\u201d<br \/>\nZo trokken gedachten, als lichte wolken midden op een heldere dag, door het hoofd van de oude moeder. Maar zoals de warme, heldere zon wolken omhoog trekt, ze doordringt met haar licht, wit maakt en doet smelten, en een warme wind ze verstrooit \u2014 zo gaf het lot licht en warmte en liet het droevige gedachten geen donkere schaduw werpen over hun geluk. Motrja was meer blij dan bedroefd en keek vrolijk naar de kinderen wanneer ze elkaar liefhadden.<br \/>\nEn zij waren werkelijk als twee duiven: waar de een was, was ook de ander. Als hij iets deed en zij een vrije minuut had, dan was zij bij hem: hielp ze niet, dan ondersteunde ze hem, of ze stond gewoon te kijken; als zij werkte, pakte hij haar werk uit haar handen om het lichter te maken.<br \/>\n\u2014 Halja! huur toch een dienstmeid, \u2014 zei hij terwijl hij zag hoe ze vermoeid was bij de oven en de as uitschepte. \u2014 Moet jij dat alles met je eigen handen doen? Jij bent bij de koe, bij de oven en bij het borduurwerk \u2014 alles alleen, altijd alleen.<br \/>\n\u2014 Een dienstmeid? \u2014 vroeg Halja verbaasd. \u2014 Waarom? Zodat zij met haar onreine handen jouw eten zou bereiden? Laat maar!<br \/>\n\u2014 Spaar jezelf toch een beetje, Halja, denk aan je gezondheid.<br \/>\n\u2014 Ach, wat doet mijn gezondheid ertoe? Is die niet teveel gekoesterd toen ik nog thuis bij mijn moeder woonde? Het is voor jou, mijn duif, dat ik mijn handen moet vermoeien, het is niet jammer. Jij hebt in je jeugd genoeg geleden \u2014 leef nu toch een beetje in overvloed met mij\u2026 En wat voor geluk zou het voor jou zijn als ik zelf mijn handen nergens aan leg en niets zelf doe? Nee, niet nodig\u2026 Ik wil geen dienstmeid!<br \/>\nTsjipka luisterde naar die lieve woorden van zijn vrouw, en zijn hart werd vervuld van geluk\u2026<br \/>\n\u2014 Mijn lot! Mijn geluk! \u2014 fluisterde hij \u2019s avonds, terwijl hij Halja stevig tegen zich aandrukte. \u2014 Jij hebt vreugde in mijn huis gebracht; jij hebt de blindheid uit mijn ogen weggenomen die mijn hele leven bedekte! Onrecht omringde mij, de leugen omsingelde mij, en als een zware steen drukte zij op mijn schouders en mijn borst\u2026 Mijn sterke armen zakten neer, mijn ogen sloten zich\u2026 Ik wist niets, ik zag niet waar ik uit die druk moest ontsnappen\u2026 Jij bent als een ster boven mijn verdwaasde hoofd opgegaan en hebt mijn donkere pad verlicht, mijn ongebaande weg!<br \/>\n\u2014 Halja! \u2014 zei Tsjipka na een tijdje, langzaam, alsof hij nadacht, maar luid. \u2014 Als alle mensen zo gelukkig waren als wij, dan zouden wij nog beter en vrolijker leven!<br \/>\n\u2014 Och, mijn duif! Maar het lot heeft hen zo verdeeld: aan de een gaf het veel, aan de ander niets\u2026<br \/>\n\u2014 Het lot? Kijk eens, Halja, is het wel het lot? Of zijn het de mensen zelf die soms schuldig zijn?<br \/>\n\u2014 Misschien een beetje\u2026 Als het kon, Tsjipka, dan zou ik van het mijne aan hen geven. Weet je, toen je moeder mij vertelde welke nood en ellende jullie in je jeugd hebben geleden, werd het mij heet en koud tegelijk\u2026 Als ik het toen had geweten, had ik alles wat ik had weggegeven\u2026<br \/>\n\u2014 Jij bent goed, Halja. Jij bent barmhartig, \u2014 zei Tsjipka, haar omhelzend, terwijl zijn gezicht verdrietig werd en zijn stem trilde bij de herinnering. \u2014 Maar is mijn moeder dan de enige die dat lot heeft gekend? Zijn wij dan de enigen\u2026 Honderden, duizenden, tienduizenden leven en slepen zo hun ellendige bestaan voort. En niemand let daarop; niemand bekommert zich erom; niemand kijkt ernaar; niemand ziet het\u2026 Het is voor iedereen vreemd, niet eigen\u2026 Voor wie is het dan eigen? Voor wie is het dan niet onverschillig? Misschien voor die weerloze mensen die van honger sterven\u2026 Verwonder je dus niet, Halja, dat wij het onze met geweld terugnamen.<br \/>\n\u2014 Herinner mij daaraan niet, bid ik je bij Christus en God, herinner mij daaraan niet, Tsjipka! \u2014 smeekte Halja en drukte zich nog dichter tegen hem aan. \u2014 Als ik daaraan denk, wordt mijn verstand troebel, en voor mijn ogen verschijnen rode vlekken\u2026 Kon het dan niet zonder dat? Door arbeid, al was het zware, bloedige arbeid, maar eerlijk, het eigene verkrijgen?<br \/>\n\u2014 Arbeid? Hm\u2026 Met arbeid bereik je niets, Halja. De een ontsnapt eraan, maar tien worden erdoor verpletterd!<br \/>\n\u2014 Maar kijk, Tsjipka \u2014 Hrytsjko is uit armoede een man van aanzien geworden\u2026 Hij is rustig en gelukkig\u2026 alles door arbeid\u2026<br \/>\n\u2014 Maar waar kan men die arbeid toepassen? Het ene is van een ander, het andere mag niet, dat mag je niet doen\u2026 Je kunt nergens je handen aan slaan. Onrecht overal, leugen overal\u2026<br \/>\n\u2014 Denk je, Tsjipka, dat iedereen zo denkt? Bij God, nee! Loesjnja is een man die koopt en verkoopt; Patsjoek wil alleen maar drinken, zingen en plezier maken; en Matnja \u2014 alleen maar zich bezatten tot hier\u2026 Denken zij aan werk? Denken zij aan wat eigen of vreemd is? Of aan de Moskovi\u00ebrs? Heel hun leven leren ze niet alleen om niet naar andermans bezit, maar zelfs naar het leven te kijken. Zij gaan recht op hun doel af om te roven\u2026 om van andermans goed te leven\u2026 Zo was het bij de Moskovi\u00ebrs; zo is hij eraan gewend geraakt\u2026 en nu wil hij zich niet aan eerlijk werk zetten!<br \/>\n\u2014 Misschien\u2026 misschien heb jij gelijk\u2026 Misschien\u2026<br \/>\n\u2014 Nee, Tsjipka: beter is het rustig en vredig te leven, eerlijk te verdienen en te genieten. En als God kinderen geeft, zullen we ze opvoeden, laten groeien tot goede mensen en naar school sturen\u2026 Laat ze uit boeken leren hoe men beter kan leven dan wij!<br \/>\nDoor zulke stille en wijze woorden van zijn geliefde vrouw werd Tsjipka als in een wieg gewiegd. Zijn hart werd gerustgesteld door haar oprechte woorden; zijn harde natuur, gehard door het oude arme leven, verzachtte. Hij schaamde zich nu voor zijn vroegere losbandigheid, voor dat kromme pad waarvan hij dacht het geluk te bereiken\u2026 Hij had medelijden met zijn vroegere gezellen en hun ondergang\u2026 Maar de waarheid van Halja durfde hij niet aan hen te vertellen; hij had niet de moed en de kracht.<br \/>\n\u2014 Jammer! Van onze aanvoerder verwachten wij nu geen goed meer, \u2014 zei Loesjnja tegen het gezelschap. \u2014 De man is verloren\u2026 De vrouw heeft hem aan haar rok genaaid.<br \/>\n\u2014 Zo gezegd: de huwelijksmaand is zoeter dan alles op de wereld, \u2014 legde Patsjoek uit.<br \/>\n\u2014 En wodka is nog zoeter! \u2014 voegde Matnja eraan toe. \u2014 Al nam hij ons maar niet meer bij zich, vervloekte zoon! Heeft hij toch rijkdom achter die vrouw?<br \/>\n\u2014 Inderdaad\u2026 Laten we naar hem gaan, \u2014 zette Loesjnja aan.<br \/>\n\u2014 Laten we gaan! \u2014 stemden allen tegelijk in en gingen.<br \/>\nAls Tsjipka hen zag, liep hij naar buiten.<br \/>\n\u2014 Zo en zo, broeders, \u2014 dit en dat ongeluk\u2026 Mijn vrouw is ziek, mijn moeder is nauwelijks te been, en het huis \u2014 jullie weten zelf \u2014 is klein\u2026 Waar moet ik jullie ontvangen?<br \/>\n\u2014 Geef ons dan tenminste een roebel geld! \u2014 drong Loesjnja aan. \u2014 We zijn zo ver gekomen dat we geen enkele kopeke meer hebben\u2026 Dan drinken we op de gezondheid van je vrouw, dat God haar genadig zij.<br \/>\nTsjipka was blij met deze goedkope afkoop. Hij stopte hun een roebel in de hand en keerde terug naar huis. Het gezelschap ging naar de herberg.<br \/>\nHoewel Tsjipka zijn vroegere broeders niet meer graag ontmoette, was hij erg op zijn gemak bij Hrytsjko en zijn goede vrouw Chrystja.<br \/>\nHrytsjko was een onvermoeibare boer. Met eerlijke arbeid en zijn eigen eeltige handen had hij verworven wat hij bezat. Ook nu lag hij niet stil: hij stond vroeg op en ging laat naar bed. Hij speelde niet de heer zoals anderen, maar leidde samen met zijn onvermoeibare vrouw zijn boerderij ordelijk, met de gedachte zijn kinderen in eerlijke arbeid op te voeden\u2026 Tsjipka mocht Hrytsjko en kwam hem vaak bezoeken. Het was Hrytsjko ook niet meer beschamend om met Tsjipka om te gaan \u2014 en hij begon nog vaker bij zijn jeugdkameraad langs te komen. Ook hun vrouwen mochten elkaar.<br \/>\nDan verzamelen ze zich. De huisvaders zetten de gasten aan tafel, zetten drank en spijzen klaar. Tsjipka en Hrytsjko praten over het bedrijf, over hun verliezen en winsten \u2013 de gewone zorgen over het graan.<br \/>\n\u2014 En wat, Hrytsjko, hoe staat je tarwe? \u2014 vraagt Tsjipka.<br \/>\n\u2014 Ach, slecht, Tsjipko! In groei is ze wel goed, maar in opbrengst niet\u2026 De regen heeft haar blijkbaar gegrepen toen ze mooi stond: ze is leeggelopen! Het graan is als maanzaad\u2026 Als het zaad zich maar zou terugverdienen.<br \/>\nHrytsjko klaagde altijd tegenover Tsjipka. Of het nu goed was of slecht \u2014 alles was niets waard! Hrytsjko deed alsof. Hij zag dat Tsjipka, hoewel hij rijk was geworden, van ziel en hart dezelfde Tsjipka was gebleven: vriendelijk voor andermans ongeluk, medelijdend met andermans verlies. Dat zag Hrytsjko \u2014 en daarom liet hij zijn verliezen en tegenslagen nog meer blijken, in de hoop dat Tsjipka als vriend medelijden zou tonen en misschien eens zou helpen.<br \/>\nTsjipka\u2019s welvaart wekte soms Hrytsjko\u2019s afgunst. Nadat hij bij Tsjipka was geweest en genoeg had geklaagd, zei Hrytsjko tegen Chrystja:<br \/>\n\u2014 Zo leeft Tsjipka nu! Word zelf maar zo! Een echte heer met volle mond! En wie had hem zo kunnen zien, toen hij dronken en gescheurd als een waanzinnige door het dorp en de herbergen zwierf?! En nu\u2026 een meneer en niets anders! En zo is dat onverwachte geluk gekomen\u2026 Rijkdom betekent geluk, zeggen ze.<br \/>\n\u2014 Zo is blijkbaar zijn lot, \u2014 antwoordde Chrystja. \u2014 En hij heeft ook een vrouw genomen die bij hem past\u2026 Al is ze rijk en mooi, ze is vriendelijk en beleefd tegen iedereen! En tegenover hem\u2026 ze zou haar hart uitrukken en het hem geven.<br \/>\n\u2014 Waarom, vraag ik je? \u2014 zei Hrytsjko bitter.<br \/>\n\u2014 Hoezo waarom? Tsjipka is een goede man\u2026<br \/>\n\u2014 Wat is er goed aan hem?<br \/>\n\u2014 Alles. Natuurlijk: voor een andere vrouw zou hij misschien niet passen, maar voor Halja zijn ze alsof ze uit \u00e9\u00e9n stam komen\u2026 Zoals hij is, zo is zij ook\u2026 Medelevend, goed\u2026 Een paar als deze, zonde om God te tarten.<br \/>\nChrystja nam Tsjipka altijd in bescherming. In Tsjipka zat werkelijk veel goedheid die Hrytsjko met zijn op winst gerichte verstand niet kon begrijpen. Chrystja voelde dat goede met haar vrouwelijk hart en haar gevoelige ziel.<br \/>\n\u2014 Jij, Tsjipko, bent zeker in liefkruid gebaad, want alle vrouwen blijven aan je plakken, \u2014 grapte Hrytsjko, als hij een beetje gedronken had.<br \/>\n\u2014 Hoe bedoel je? \u2014 vroeg Tsjipka.<br \/>\n\u2014 Nou\u2026 Mijn Chrystja denkt, als ze je lang niet ziet: waar is hij? wat doet hij?<br \/>\n\u2014 Dank Chrystja voor haar goede herinnering, \u2014 antwoordde Tsjipka blij.<br \/>\n\u2014 Bent u jaloers op mijn man? \u2014 mengde Halja zich.<br \/>\n\u2014 Natuurlijk ben ik jaloers! Wie zou dat niet zijn? Hij heeft bijna een vreemde vrouw van het huis weggehaald!<br \/>\n\u2014 Dan nemen wij Chrystja nog van u weg, \u2014 lachte Halja.<br \/>\n\u2014 Waarom? Wat moet ze bij u? Heeft ze het moeilijk?<br \/>\n\u2014 Zo zal het misschien wel gebeuren, man, \u2014 grapte Chrystja, \u2014 dat ik jou en de kinderen verlaat en naar Halja en grootmoeder Motrja ga\u2026<br \/>\n\u2014 Voor mij mag het\u2026 Dan neem ik Tsjipka in plaats van haar, \u2014 zei Hrytsjko.<br \/>\n\u2014 Nou bedankt! Wij geven Tsjipka niet af\u2026 Tsjipka blijft bij ons, \u2014 verdedigde Halja zich lachend.<br \/>\nDaar kwam ook Motrja, die hun grappige gesprek hoorde, en zei ook een paar woorden. Zo ontstonden gelach, grappen en vrolijkheid.<br \/>\n\u2014 Kom, Halja: trakteer ons eens met verwarmde drank voor zo\u2019n grap! \u2014 zei Tsjipka na genoeg te hebben gegrapt.<br \/>\nHalja haastte zich. Waar ze het vandaan haalde, er kwam geurige, heldere en smakelijke verwarmde drank. Ze trakteerde iedereen. Allen dronken een volle beker, smakken met de lippen, prezen Halja en nog meer de drank, en mengden hun woorden met grappen\u2026<br \/>\nZo ging het op feestdagen of zondagen. Op werkdagen was het anders: dan was of Chrystja bij Halja, of Halja bij Chrystja.<br \/>\nZe mochten elkaar zo graag als zussen. Hoewel ze, zoals tussen vrouwen vaak gebeurt, hun ziel niet tot op de bodem openden en niet toonden wat er diep in het hart leefde, voelde de ene toch iets verwants, vriendelijks en liefs in de andere. Halja zag verder en breder met haar verstand; zij leefde in welvaart en rijkdom\u2026 Buiten het volk en het harde leven, zonder nood of zorg te hebben gekend, liet zij haar gedachten vrij dwalen. Chrystja had zulke jeugdjaren niet gehad. Bittere weesheid van jongs af aan en zware dwangarbeid in vreemde huizen hadden haar wilde gedachten getemd. Gebrek en armoede hadden haar geleerd aan winst te denken \u2014 het bleef een belangrijk deel van haar leven. Toch, hoewel ze verschillend waren, voelden beide hetzelfde wat goed en slecht was, en daarom kwamen hun gedachten altijd samen.<br \/>\nWaar Chrystja zich met haar hart naartoe neigde omdat ze er goedheid in voelde, daar hield Halja niet alleen met haar hart van, maar sprak het ook uit in woorden. Ze werden zielsverwanten, ware vriendinnen die het leven slechts af en toe samenbrengt.<br \/>\nUit respect voor elkaar beloofde ieder in stilte dat, als ze kinderen zouden krijgen, ze elkaars peetmoeder zouden worden. Chrystja verheugde zich daar al op. Ze voelde zich moeder, en na Kerst gaf God haar werkelijk een tweede zoon. Halja werd de doopmoeder. Hrytsjko stemde niet alleen toe \u2014 hij was blij dat Halja peetmoeder zou zijn, in de verwachting dat het kind goed zou zijn met zo\u2019n peetmoeder.<br \/>\nOok Chrystja zag het peterschap als een levenslange vriendschapsband met Halja.<br \/>\nEn inderdaad, daarna werden ze nog hechtere vriendinnen. Er begonnen vertrouwelijke bekentenissen van zware gedachten en zorgen, strelingen en het koesteren van vrolijke hoop. Geen dag ging voorbij zonder dat Chrystja bij Halja langskwam of Halja naar Chrystja liep.<br \/>\nHalja hield van haar petekind als van een eigen kind. Ze naaide en borduurde hemdjes voor hem en versierde mutsjes. Als ze het kind op haar armen nam, wiegde ze het en bewonderde het alsof het haar eigen was. Soms bleef haar blik hangen in de lieve blik van het kind\u2026 lang keek ze naar hem, alsof ze hem met haar ogen wilde opnemen. Dan lichtte er iets in haar ogen op \u2014 geen traan, geen lach, maar een glans van vreugde of ontroering \u2014 en drukte ze het kind tegen haar borst en bedekte hem met kussen.<br \/>\nChrystja kijkt en zucht zwaar. Ze ziet en voelt wat Halja nodig heeft en wat God haar niet geeft\u2026<br \/>\n\u2014 Wat, als jullie kinderen krijgen, \u2014 begint Chrystja voorzichtig, \u2014 hoe zullen jullie die dan opvoeden? Kijk, van het kind van een vreemde geniet u zo, hoe zou het dan zijn met eigen kinderen?<br \/>\n\u2014 Als ik een kind krijg, Chrystja, dan lijkt het alsof ik het zou willen opeten of verstikken van kussen en liefkozingen\u2026 Ik zou niet willen dat er zelfs een stofje op hem valt of dat iemand hem maar aankijkt\u2026 Ik zou hem in mijn hart kunnen dragen. Kijk eens: zo klein, zo piepklein, zonder woorden, zonder stem, alleen met oogjes die licht geven. Je spreekt hem aan en hij beweegt zijn oogjes, maakt zachte geluidjes, strekt zijn handjes uit alsof hij je wil omarmen\u2026 En je weet: dit is jouw vlees, jouw geboorte\u2026 \u201cMijn visje! Mijn hartje!\u201d \u2014 fluisterde ze tegen haar petekind en bedekte hem met warme kussen.<br \/>\nDat waren de stormachtige golven van nog meisjesachtige liefde, waarin het gevoel van een moeder al duidelijk zichtbaar werd. Het was het moederhart dat zich liet horen in de vurige uitingen van meisjesliefde. Zo denkt en voelt elke jonge vrouw, zolang zij nog geen zware pijnen kent, geen moedermarteling, geen onrustige nachten die bij de zorg voor kleine kinderen horen. De zware kant van het moederschap is haar nog onbekend, maar het moedergevoel ontkiemt al in het hart van iedere vrouw van kindsbeen af \u2014 toen ze als klein meisje met een pop speelde alsof het een echt kind was, als ze als meisje een poesje koesterde alsof het een baby was, als jonge vrouw haar geliefde omhelsde zonder te beseffen dat ze daarmee de hoop op moedergeluk in haar hart voedde.<br \/>\nDe winter gaat voorbij. De heldere zon schijnt en verwarmt liefelijk; de sneeuw smelt; van de bergen stromen snelle beekjes van smeltwater door de dalen; vroege kooplieden maken hun karren klaar; en ook de boeren beginnen zich te bewegen\u2026 De lente komt. Alles leeft op en verheugt zich. De paasdagen komen en gaan; de velden worden groen; de tuinen bloeien; de nachtegalen zingen\u2026 Na de lange winterslaap wordt alles wakker, wrijft de slaap uit de ogen en kijkt rond, genietend van de aarde die als een beschilderd ei schittert onder het gouden zonlicht, terwijl de zon er glimlachend naar kijkt.<br \/>\nZodra Tsjipka de warmte voelde, kocht hij hout, huurde vaklieden en begon langs de weg een huis te bouwen \u2014 geen gewone hut, maar een klein gebouw. Tegen de tijd dat de mensen met de oogst begonnen, stond er in plaats van het scheve hutje een vrolijk huis met grote ramen en groene luiken naar de straat. De oude wens van Tsjipka kwam uit. Nu was er niet meer \u00e9\u00e9n krappe kamer met een gang, maar drie: \u00e9\u00e9n voor de moeder, \u00e9\u00e9n voor zichzelf en via de gang een ontvangstkamer voor gasten. Niet ver van het huis werd een houten voorraadschuur gebouwd. Iets verder begon men met een schuur met stal, en daarna werd het erf opnieuw omheind met een wilgenhek met een afdakje. De oude poorten liet Tsjipka afbreken en maakte nieuwe, planken, zoals bij herenhuizen. Boven de poort, precies in het midden, was in een houten cirkel een gezicht uitgesneden: mond als van een meerval, ronde uilenogen, neus als van een kat, en haar met een scheiding in het midden als bij een vrouw. De kinderen uit het hele dorp kwamen kijken naar dat wonder en stonden verbaasd.<br \/>\nIn \u00e9\u00e9n onzekere zomer veranderde het eens lege erf, dat iedereen als een woestenij kende, volledig. Wat vroeger angstig en vervloekt leek, werd nu iets dat de jaloerse ogen en nog jaloersere gedachten van mensen prikkelde.<br \/>\nWanneer Motrja soms naar haar erf keek, verbaasde ze zich zelf. Waar eens een verlaten hut stond, stond nu een huis; waar eens een woestenij was, groeide een bloembed; waar vroeger mest lag, was nu een groene en schone binnenplaats, omringd door schuren, stallen en bijgebouwen\u2026 En Motrja huilde soms van vreugde.<br \/>\n\u2014 Vroeger hoe het was\u2026 En nu\u2026 \u2014 Sla God, dank U, Heer!<br \/>\nTsjipka stopte met zelf graan verbouwen en begon naar markten te reizen, linnen op te kopen en door te verkopen. In Pisky ontstond daardoor de linnenhandel. Voor hem had niemand daar ooit aan gedacht: hij was de eerste die dit begon.<\/p>\n<p>XXVII HET NIEUWE TIJDPERK<br \/>\nDe tijd stond niet stil. De vrijheid kwam, brak de eeuwenoude ketenen waaraan vroeger, sinds overgrootvaders tijd, de vrije boerderijen en dorpen aan de heren waren geklonken. De mensenhanden werden losgemaakt en begonnen aarzelend, alsof ze bang waren, de aarde te bewerken die ooit \u201cGods en van het volk\u201d was geweest, daarna \u201cheerlijk bezit van de adel\u201d, en nu, hoewel met geweld toegewezen, weer \u201cvan het volk\u201d werd genoemd.<br \/>\nHet verdwaasde volk, bedwelmd door eeuwen van onvrijheid, begon zijn ogen te openen\u2026 en zag rondom niets anders dan heren en boeren! Alles wat geen grijze boerenjas droeg, werd als heer beschouwd. Alles wat aan de aarde vastzat, erin werkte en zijn zweet vergoot, werd \u201conze broeder Savka\u201d genoemd.<br \/>\nDe slavernij had de kinderen van dezelfde ouders verdeeld; ze groef een diepe kloof tussen hen, die noch te voet, noch te paard kon worden overgestoken, tenzij men haar opvulde\u2026 Maar kan men in \u00e9\u00e9n jaar, tien jaar of twintig jaar een kloof vullen die niet in tientallen maar in honderden jaren was uitgegraven?<br \/>\nAan de ene kant van de kloof stonden de nakomelingen van de kozakkenofficieren. Daar waren ook gelukzoekers die waren aangetrokken door de weelde van het misleide Oekra\u00efne. Onder hen waren Polen en halfverpoolsten, Russen en halfverruste lieden, en ook de verweesde kinderen van Juda, die in plaats van hun verwoeste koninkrijk op vreemde bodem een nieuw rijk hadden gesticht. Daar kon men ook heel wat halfheren aantreffen, die hun kinderen uit pekbranders, zouthandelaren, kooplieden en winkelbedienden tot &#8220;beschaafde mensen&#8221; hadden laten opklimmen, hun uniformen met koperen knopen hadden aangetrokken en hun petten met sterretjes op het hoofd hadden gezet&#8230;<br \/>\nDat alles was een groep gevoed door andermans arbeid, gekleed en geschoeid met andermans handen\u2026 Nu stond zij daar als een hongerige wolf, tandenknarsend van woede, kijkend naar de andere kant van de kloof, waar de nakomelingen van de kozakken in vochtige aarde werkten \u2014 verarmd, donker, als kreupelen zonder herinnering aan de roem van hun voorouders, zonder herinnering aan zichzelf, met haat in het hart en vloek op de lippen.<br \/>\nHet leek alsof, als de diepe kloof er niet was geweest, de twee groepen elkaar zouden hebben aangevallen en een stroom van zwart bloed zou zijn gevloeid die zowel schuldigen als onschuldigen zou hebben overspoeld\u2026 Maar God zij dank gebeurde dat niet. Toch veroorzaakte het angst bij hen die vroeger alles deden beven wat hun pad kruiste.<br \/>\nZelfs de hetman van de stad, Vasyl Semenovytsj, kwam er niet zonder schade vanaf. De gedachte aan slavernij velde de laatste Zaporizje krijger als een zeis: de \u201cgekke vrijheid\u201d van Vasyl Semenovytsj Polen en het innen van geld via dwangmaatregelen lieten hem zijn leven niet los. Woede en angst schudden tegelijk de niet meer jonge botten van de voorname heer, legden hem op het bed, van het bed op de tafel en van de tafel in de doodskist\u2026 De familie betreurde het lichaam van hun heer bij het graf en thuis; de plaatselijke schrijver Ozersky betreurde in de \u201cRussische\u201d kranten zijn vroegere vijand, en nu vriend. Toen de leider er niet meer was, werden zijn ondergeschikten bezorgd\u2026 Wat moesten ze nu doen? Waar moesten ze beginnen om hun posities niet te verliezen? Wie zou raad geven? Wie zou hen beschermen?<br \/>\nHet eerste waar men over begon te praten was: wie wordt nu de voorzitter? Een vreemde was beangstigend, en uit eigen kring was niemand geschikt en niemand wilde het ook. Vroeger liep het bijna uit op vechten voor die plek, maar nu zocht iedereen een warme plaats met veel geld en wilde van zoiets zelfs niet horen. \u201cWat heb je aan een titel als de kist leeg is!\u201d \u2014 zo hoorde men toen vaak zeggen. Maar de kas werd inderdaad steeds leger, en aanvullen was nu onmogelijk en men had er geen kracht of middelen voor. Toch had men een voorzitter nodig \u2014 en nog wel een van de eigen mensen.<br \/>\nMen wist uiteindelijk de \u201cvoorzitterszoon\u201d te overreden, de enige zoon van Vasyl Semenovytsj, die nooit had begrepen of het lichaam van Tsjipka\u2019s vader hard of zacht was. Die \u201czoon\u201d was noch bijzonder ontwikkeld, noch bijzonder ondernemend. Hoewel hij ergens had gestudeerd en naar men zei een opleiding had voltooid, was hij een man met weinig verstand, nog minder moed en een zwakke wil. Het enige wat hij van zijn vader had ge\u00ebrfd was adellijke hoogmoed, waarin hij was opgegroeid en die hij ook niet liet varen: die duwde hem naar de plaats waar iedereen nu voor terugdeinsde.<br \/>\nMaar de tijden waren totaal veranderd, en men kon niet meer alleen van hoogmoed leven. De jeugd was als het ware \u201cgek geworden\u201d: ze verafschuwde niet alleen de adellijke rechten, maar ook haar afkomst. Vaak kwam het voor dat een zoon zijn vader vijandig gezind was en hem beledigde met woorden als \u201clijfeigene\u201d of \u201cdespoot\u201d; hij verliet het ouderlijk huis en liep spottend met gewoonten en verwachtingen van de ouders door Charkiv of Kyiv op zoek naar enig werk.<br \/>\nOok de zussen volgden: ze luisterden niet meer naar vader en moeder; ze zaten dag en nacht, als op sabbat bij een rabbi, achter boeken en vergaten huishouden en plezier. Bij de familie Kryvynsky vluchtte zelfs de jongste dochter \u2019s nachts met een studentenzoon van een priester naar Kyiv om te gaan studeren\u2026 De adellijke trots leed onder zulke minachting.<br \/>\nEn alsof het nog niet genoeg was, bracht die \u201cgekke vrijheid\u201d ook nieuwe instellingen voort: zemstvo-besturen waar geen heer en geen boer was, vrederechters die niet vroegen van welke afkomst iemand was\u2026 De wereld was totaal omgekeerd. Over het oude moest men niet meer denken; men moest zich aanpassen aan het nieuwe, om tenminste zijn plaats niet te verliezen. Wat moest men doen? Hoe zich aanpassen?<br \/>\nHanden die van jongs af aan niet aan arbeid gewend waren, kon men toch niet op oude dag dwingen te werken! En verstand \u2014 wie had ooit gedacht dat een heer een werkend verstand nodig had? Voor een heer waren afkomst en rijkdom belangrijk; men moest zich kunnen tonen, goed leven, eten en drinken, maar een praktisch verstand dat geschikt was voor werk en niet voor adellijke grillen, dat had men vroeger niet nodig geacht. Maar nu klonk overal: verstand! arbeid! \u2014 op alle wegen en markten van het leven.<br \/>\nWie niet meteen bang werd van die roep en aan het werk ging, werd door het leven op zijn snelle golven meegevoerd: soms omlaag geworpen, overspoeld, dan weer omhoog getild, totdat hij uiteindelijk op de oever werd gezet. Al deden soms de gekwetste zijden van de reiziger pijn, toch zette hij, al was het met onvaste benen, voet op het land waar vroeger alles zijn geest deed beven. Toch was hij meester over het land, geen knecht of dagloner.<br \/>\nSnel raakte hij gewend aan zijn nieuwe plaats op de oude aarde en onderwierp haar aan zichzelf: ze bracht hem vrucht, gaf opbrengst \u2014 genoeg om van te leven. Wie bang werd, trok zich terug naar zijn hoeve of dorp, vervloekte de nieuwe tijd en de nieuwe mensen, en sleet dag na dag een armzalig bestaan, waarbij hij het laatste bezit opmaakte \u2014 de aflossingsbewijzen, waarvoor opkopers nog geen halve prijs betaalden.<br \/>\nAchter hem lag een vrolijk, luxe leven zonder arbeid en zonder zorgen; voor hem lag een armoedig ouderdomsleven, misschien zware arbeid op latere leeftijd, bittere zorgen in plaats van rust \u2014 zonder geld, dat de opkopers toch al snel zouden afnemen, zonder stuk land, dat wegens oude schulden onder de hamer zou gaan\u2026<br \/>\n\u201cHet gezelschap\u201d, zonder leider achtergebleven, verspreidde zich eerst als een verschrikte kudde schapen. Maar tegenover hen verscheen de zemstvo-bestuur. De kudde keerde terug, herinnerde zich haar oude positie waar genoeg weide en water was, en bleef op de heuvel staan.<br \/>\nIn het midden van de kudde liep de \u201cvoorzitterszoon\u201d rond, maar het was duidelijk dat hij niet het voortouw kon nemen. Wie zou leiden? Wie was niet bang? Wie was gewend aan moeilijke tijden?<br \/>\nSjavkoen was van jongs af aan aan alles gewend. Hij was noch dom, noch bijzonder verstandig, maar had in zijn leven van alles gezien. Hij was zowel te paard geweest als onder het paard.<br \/>\nSjavkoen was een priesterzoon. Na de arme vader, die in een bescheiden parochie in Chytoeny diende, bleven hij en zijn oudere zus als kleine wezen achter. Een verre verwant, ook een priester, nam de kinderen op. Het meisje liep eerst door het dorp, zorgde voor de pleegkinderen en speelde met hen; toen ze ouder werd, werd ze uitgehuwelijkt aan een dronken diaken.<br \/>\nDe jongen werd naar het seminarie gestuurd om te studeren. Hoeveel ellende het kind daar had geleden, hoeveel hij was geslagen en vernederd, is nauwelijks te beschrijven. Men sloeg hem zo vaak dat van de levendige, behendige jongen een stomp, apathisch wezen werd dat niets wilde leren, maar alleen dacht hoe hij iemand kwaad kon doen.<br \/>\nNa opeenstapeling van kleine en grote slechte daden werd losbandigheid zijn tweede natuur. Als hij geen zakmes of inktpot kon stelen, zette hij de anderen aan tot streken en baldadigheid. Later begon hij zich te wenden tot de \u201cglazen god\u201d (drank).<br \/>\nDe geestelijken hadden het zwaar met hem en stuurden hem uiteindelijk weg uit de filosofie, naakt, op blote voeten en onbedekt hoofd.<br \/>\nWaar moest hij heen? Iemand raadde hem voor de grap aan naar de universiteit te gaan. De jonge Sjavkoen dacht erover na, maar ging niet naar de universiteit; hij ging te voet naar huis, naar Chytoeny, waar zijn zwager op het familie-erf woonde.<br \/>\nHij werd bevriend met zijn zwager en samen begonnen ze door het dorp te zwerven, de parochianen bezoekend en soms kruipend naar huis.<br \/>\nZijn zus verdroeg het lang, maar begon later haar man en broer uit te schelden omdat hij op kosten van haar huishouden dronk en zelfs het laatste stuk brood uit de mond van haar kinderen trok.<br \/>\nSjavkoen zweeg bij de verwijten, alsof zijn mond met water was gevuld. De bittere waarheid stak hem waarschijnlijk diep in de ogen.<br \/>\nDe volgende ochtend begon hij bij zijn zus te klagen hoe ongelukkig hij was en sprak opnieuw over zijn hoop op de universiteit als hij maar vijftig roebel had. Zijn zus noemde zijn plan \u201conzin\u201d en raadde hem aan ergens op een kantoor werk te zoeken.<br \/>\nHij luisterde niet. Hij pakte zijn spullen, maakte een bundeltje en wilde \u201cop goed geluk\u201d zijn lot zoeken. Zijn zus kreeg medelijden, haalde dertig roebel uit de kist \u2014 het laatste geld dat ze voor een slechte dag had bewaard \u2014 en gaf het aan haar broer.<br \/>\nNa ongeveer drie maanden schreef Sjavkoen vanuit Kyiv dat hij zijn doel had bereikt en student was geworden. Hoe hij leefde, weet alleen God. Hij woonde echter twee jaar daar.<br \/>\nMaar oude zonden keerden terug en brachten hem in het derde studiejaar weer in moeilijkheden, waarna hij op straat belandde\u2026<br \/>\nZo bevond Sjavkoen zich in een grote stad zonder geld, zonder vrienden, met slechts \u00e9\u00e9n ongeluk in zijn zak \u2014 het zogenaamde \u201cwolfspaspoort\u201d.<br \/>\nHij keerde niet naar Kyiv terug, verliet het gezelschap, de boeken (en keek er later nooit meer in, want hij hield er niet van als men over boeken sprak) en ging naar Hetmanske, naar zijn jeugdvriend Tsjyzjyk.<br \/>\nTsjyzjyk raadde hem aan zich tot een oudere persoon te wenden en werk te vragen. Sjavkoen ging naar een kantoor en kreeg de belofte dat hij, als hij goed werkte, tien kopeken per maand zou krijgen.<br \/>\nSjavkoen was tevreden. Hij begon documenten te kopi\u00ebren en kreeg eerst tien, later twintig kopeken en na een jaar zelfs drie roebel per maand.<br \/>\nHij werd een kleine maar respectabele ambtenaar. Stil, gehoorzaam en beleefd tegen zijn meerderen, viel hij op: zodra hij iemand van ver zag, nam hij zijn hoed af, en bij het zien van Vasyl Semenovytsj boog hij diep.<br \/>\nDe heer merkte het \u201cgehoorzame kalf\u201d op en liet hem van het kantoor naar zijn eigen administratie overplaatsen.<br \/>\nVoor Sjavkoen was er waarschijnlijk geen gelukkigere dag dan toen de grote heer hem in zijn kabinet riep en zei dat hij, als hij zich goed gedroeg, een man van betekenis kon worden.<br \/>\nSjavkoen kon geen woord uitbrengen van vreugde en angst: hij werd afwisselend bleek en rood. Toen hij het kantoor verliet, sloeg hij een kruis en ging aan zijn bureau zitten.<br \/>\nSindsdien kon men Sjavkoen dag en nacht in het kantoor zien, gebogen over papieren, niemand aankijkend en met niemand sprekend, alsof er voor hem niets anders op de wereld bestond dan die documenten.<br \/>\nMaar Sjavkoen had geen vertrouwen in eer of respect; hij hield zich aan het spreekwoord: voor eigen geld is iedereen goed. Daardoor, zo leek het, dacht hij aan niets anders dan geld. Rijkdom, geld \u2013 dat was wat hij zelfs in zijn dromen zag. Hij leefde stil en zuinig; hij trouwde met een even zuinige jonge dame als hijzelf en verzamelden samen bezit, zonder te weten voor wie \u2013 want kinderen hadden ze niet. Hun leven kende geen grote vreugde en geen groot verdriet.<br \/>\nDeze trouwe werker, die niets kon doen zonder gebogen over papieren van vroeg in de ochtend tot laat in de nacht te zitten, deze sluwe en kruiperige man, die door het leven had geleerd waar men moest buigen en wie men moest behagen, hield nu het hele district in zijn handen en bestuurde het naar eigen wil, in plaats van de domme en luie \u201cvoorzitterszoon\u201d. Die had zich eenvoudig neergelegd en zei als het ware: doe maar wat je wilt, doe maar wat je kunt.<br \/>\nEn er kwamen nieuws na nieuws, werk na werk. Nauwelijks had men zich met de afkoopbrieven beziggehouden en met moeite land toegewezen aan de lijfeigenen, die nu bang waren als voor vuur dat de slavernij samen met het land zou terugkeren, of de zemstvo-bestuur verscheen met verkiezingen en raden.<br \/>\n\u2014 \u201cZo\u2026 waartoe zijn we gekomen!..\u201d \u2014 klaagden de heren overal waar ze elkaar ontmoetten. \u2014 Daar is vrijheid\u2026 de boeren hebben het land afgenomen\u2026 En nu willen ze blijkbaar van boeren heren maken\u2026 ze hebben een soort zemstvo bedacht!!<br \/>\n\u2014 Ja, daar gaat het naartoe, \u2014 stemden anderen in. \u2014 Stel je voor? Men zal gegoede burgers en boeren tot leden kiezen\u2026 Gisteren sneed Omelko bij mij nog mest, en morgen zit hij misschien naast mij aan dezelfde tafel\u2026 Ik \u2014 lid, en hij ook lid\u2026<br \/>\n\u2014 Nee! Dat zult u niet meemaken, hamengebroed! \u2014 werd een oude dame boos, terwijl ze met haar vuisten op elkaar sloeg en het \u201cvolk\u201d en degenen die de adel \u201ctot zo\u2019n schande hadden gebracht\u201d vervloekte.<br \/>\nSjavkoen schold niet en werd niet boos. Hij leek zelfs op te fleuren toen men over de zemstvo begon. Hij wist goed dat het hem niet zou schaden \u2013 en misschien zelfs zou helpen.<br \/>\nEr brak ook een nieuwe tijd aan voor onze Tsjipka. Enerzijds was er het stille, gelukkige leven thuis, met zijn geliefde vrouw en oude moeder; anderzijds was Tsjipka ook in de gemeenschap onder de mensen niet de minste. Mensen begonnen hem te kennen, te respecteren en te waarderen, omdat Tsjipka soms ook anderen hielp. Hoewel hij zich nu niet graag breed maakte, hielp hij een mens in nood. Bij doopfeesten bijvoorbeeld: wie moest men als peetouder nemen? Tsjipka, een goed mens, zou luisteren.<br \/>\nTsjipka zelf ging nooit als peetvader; maar Halja had in het dorp al een hele rij petekinderen. Als God hun geen eigen kinderen gaf, vond zij troost in haar petekinderen. Aan Loboda wilde men een dochter geven, maar in de kast lagen slechts tien kopeken \u2013 nauwelijks genoeg voor wodka. Wat moest men doen? Waar kon men zijn handen aan zetten?<br \/>\n\u2014 \u201cJe zou, man,\u201d \u2014 raadde Lobodicha, \u2014 \u201cnaar Varenytsjenko gaan: misschien leent hij je geld tot de nieuwe oogst.\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cInderdaad,\u201d \u2014 antwoordde Loboda en liep meteen naar Tsjipka.<br \/>\nTsjipka overlegde met Halja, en er kwam bij Loboda een feest tot stand \u2013 een hele week lang dronken en feestten de genodigden.<br \/>\n\u2014 \u201cEr is geen beter mens dan onze Tsjipka!\u201d \u2014 prezen de bewoners van Pisky en lichtten hun hoed op zodra ze Tsjipka van verre zagen.<br \/>\nEn waren het alleen de inwoners van Pisky?<br \/>\nDoor regelmatig op markten te reizen en met linnen handel te drijven, werd Tsjipka bekend in het hele district. Op het landgoed van zijn schoonvader ontmoette hij eens de districtsbeambte Dmitrenko \u2013 degene die men \u201cpaardenkop\u201d noemde omdat hij dol was op paardenruil. Tsjipka beviel de beambte ook.<br \/>\nZe ontmoetten elkaar opnieuw op de markt en werden vrienden. De beambte hield van Tsjipka\u2019s jonge hengst, die de schoonvader hem had geschonken, en drong aan op ruil: ruil maar, ruil maar!<br \/>\nLang wilde Tsjipka niet toestemmen, maar uiteindelijk ruilde hij. De beambte kreeg een mooie jonge hengst waarvan het bloed bijna door de huid scheen, en gaf Tsjipka een oude, gebrekkige huzaarspaard, dat uit het regiment was verkocht nadat het kreupel was geworden.<br \/>\nDmitrenko was blij, bedankte Tsjipka en beloofde hem te bezoeken.<br \/>\nTsjipka keek naar het oude, gebrekkige paard alsof hij het voor het eerst in zijn leven zag, spuugde en zweeg.<br \/>\nHij kwam van de markt naar huis, spande de paarden uit, ging de kamer binnen, begroette zijn moeder en kuste Halja.<br \/>\n\u2014 \u201cHalja! Ik verwacht gasten\u2026\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cWelke gasten?\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cDe districtsbeambte zal komen.\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cWat heeft hij hier te zoeken?\u201d \u2014 vroeg Halja verbaasd.<br \/>\n\u2014 \u201cHij zegt dat hij heimwee heeft naar het gebrekkige paard en daarom bij ons zal stoppen,\u201d \u2014 grapte Tsjipka.<br \/>\n\u2014 \u201cNaar welk paard? Wat praat je toch voor onzin?!\u201d<br \/>\nToen vertelde Tsjipka over de ruil.<br \/>\n\u2014 \u201cZo is hij ook met vader geweest,\u201d \u2014 zei Halja. \u2014 \u201cZo heeft hij hem ingepalmd\u2026 Vader wilde zich lange tijd niet laten overhalen. Maar toen kwam er een slechte tijd \u2013 hij moest naar het district. Dus voordat hij naar het district ging, gaf hij Dmitrenko een paar paarden.\u201d<br \/>\nDmitrenko was eerlijk tegenover Tsjipka en bedroog hem niet.<br \/>\nOngeveer een maand later kwam hij door Pisky en reed rechtstreeks naar Tsjipka\u2019s huis. \u201cTpru!\u201d \u2014 de paarden stopten voor de drempel.<br \/>\nHalja en Motrja kwamen tegelijk naar het raam om te zien wie er was.<br \/>\n\u2014 \u201cIs Nykifor Ivanovytsj thuis?\u201d \u2014 vroeg de districtsbeambte vanaf de wagen.<br \/>\nHalja wilde eerst zeggen dat hij er niet was, maar werd rood en zonder het zelf te merken zei ze: \u201cJa, hij is thuis.\u201d<br \/>\nDaar kwam Tsjipka aan, begroette hem en nodigde hem uit.<br \/>\n\u2014 \u201cIk kom bij u op bezoek\u2026 Is er een plek om te overnachten?\u201d \u2014 vroeg Dmitrenko.<br \/>\n\u2014 \u201cAls het u behaagt, kom binnen in huis,\u201d \u2014 nodigde Tsjipka uit.<br \/>\nZe gingen het huis binnen. Dmitrenko wierp zijn mantel af, schudde het stof van zich af, strekte zich uit en gaapte luid, als een goede os die loeit \u2013 zodat Halja even uit de kamer keek en hij zich aan de tafel neerliet op een bankje.<br \/>\nTsjipka schoof een stoeltje aan de andere kant van de tafel en ging tegenover de gast zitten.<br \/>\n\u2014 \u201cWeet u waarom ik bij u ben gekomen?\u201d \u2014 vroeg Dmitrenko opnieuw, terwijl hij gaapte.<br \/>\n\u2014 \u201cGod weet het\u2026 Uw werk is districtswerk \u2013 altijd maar reizen\u2026\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cJa, ja\u2026 Maar ik heb nieuws voor u meegebracht.\u201d<br \/>\nHalja opende een beetje de kamerdeur en keek door de kier; achter haar schouder verscheen ook het hoofd van Motrja. Beiden luisterden: wat voor nieuws de districtsbeambte bracht.<br \/>\nDmitrenko keek naar Halja.<br \/>\n\u2014 \u201cDit is waarschijnlijk uw vrouw.\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cJa, mijn vrouw,\u201d \u2014 antwoordde Tsjipka.<br \/>\n\u2014 \u201cEen mooie dochter heeft Hoedzj grootgebracht! Niet voor niets hield hij haar achter slot en grendel\u2026 Een goede\u2026 Als ik het had geweten, had ik het slot gebroken en haar gestolen\u2026\u201d<br \/>\nHalja hoorde dit, werd verlegen en sloot de deur een beetje.<br \/>\n\u2014 \u201cHalja!\u201d \u2014 riep Tsjipka. \u2014 \u201cWaarom vlucht je? Ben je bang dat Petro Ivanovytsj je nu misschien zal stelen? Wees niet bang: ik laat het niet toe.\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cIk geef me ook niet over,\u201d \u2014 antwoordde Halja, haar hoofd uit de kamer stekend.<br \/>\nOp dat moment begon buiten de hond te blaffen.<br \/>\n\u2014 \u201cO, jullie zijn blijkbaar echt bang, omdat jullie zelfs honden houden,\u201d \u2014 grapte de beambte.<br \/>\n\u2014 \u201cWe hebben maar \u00e9\u00e9n hond, Moesjka,\u201d \u2014 zei Halja, blozend.<br \/>\nOp dat moment kwam een slecht geklede meisje de kamer binnen. Toen ze zag dat ze verkeerd was, bleef ze zwijgend bij de deur staan.<br \/>\n\u2014 \u201cGegroet!\u201d \u2014 zei Tsjipka. \u2014 \u201cWat wil je?\u201d<br \/>\n\u2014 \u201cNaar tante Motrja,\u201d \u2014 antwoordde het meisje verlegen.<br \/>\nMotrja hoorde het, kwam uit de kamer, maakte een diepe buiging voor Dmitrenko, trok stilletjes aan de rok van het meisje en ze gingen samen naar de gang.<br \/>\nKort daarna kwam Motrja terug en het meisje verliet het erf. Het was de dienstmeid van het huis; ze was gestuurd om stiekem te horen waarom de districtsbeambte was gekomen.<br \/>\nHalja zette ondertussen de samovar in de keuken.<br \/>\nDe zon ging onder. Zijn laatste blik, afscheid nemend van de aarde, zond hij naar de woonkamer waar de districtsbeambte op de ereplaats zat en de kozak tegenover hem op het bankje. Het gesprek wilde niet vlotten: het sprong van het ene onderwerp naar het andere, als een lichte ploeg over klonterige aarde.<br \/>\nHalja bracht thee. Men begon te drinken. Het gesprek viel helemaal stil. Tsjipka voelde zich als gastheer ongemakkelijk.<br \/>\n\u2014 Welke nieuws hebt u ons dan gebracht? \u2014 begint hij, terwijl hij van de hete thee slurpt.<br \/>\n\u2014 Goed nieuws \u2014 voor goede mensen\u2026 Maar uw bewoners van Pisky zijn zo onrustig \u2014 ik heb met hen maar last! Lartsjenko, toen hij het bestuur overdroeg, waarschuwde mij zelfs: \u201cPas op, zei hij, voor de mensen van Pisky, want dat is een zeer strijdlustig volk!\u201d En zo is het ook!<br \/>\n\u2014 Maar, mijnheer, er zou waarschijnlijk geen enkel probleem zijn als het een beetje anders was\u2026<br \/>\n\u2014 Wat zei ik? \u2014 vroeg Dmitrenko, zijn laatste gedachte en woorden kwijt. \u2014 Ah, juist\u2026 Ik heb dus de zemstvo meegebracht.<br \/>\n\u2014 Wat is dat zemstvo eigenlijk? \u2014 vraagt Tsjipka, hem scherp aankijkend.<br \/>\n\u2014 Zemstvo?.. Een nieuwe tsaristische gunst! Ziet u: u woont in Pisky \u2014 er zijn kozakken, heren en joden\u2026 joden hebt u toch ook? (Tsjipka antwoordde dat die er waren.) Wel, ziet u: zo wonen ze ook in Kotoloepivka, in Bajraki, in Wolvendaal\u2026 daar wonen landeigenaren, kooplieden, kozakken en boeren\u2026 En iedereen moet over wegen kunnen reizen; iedereen moet zich, God beware, tegen besmettelijke ziekten en rampen kunnen beschermen\u2026 Alleen is het moeilijk voor \u00e9\u00e9n, maar samen kan het\u2026 Dus, ziet u\u2026 (Dmitrenko begon steeds vaker \u201cdus\u201d en \u201cziet u\u201d te zeggen \u2014 het was duidelijk dat hij zelf ook nauwelijks wist waarover hij sprak.) Dus, ziet u: men verzamelt zich in groepen \u2014 heren en boeren \u2014 en doet wat nodig is\u2026<br \/>\n\u2014 Hoe bedoelt u? Doen de heren dan ook mee?! \u2014 vraagt de verbaasde Tsjipka.<br \/>\n\u2014 Nee, niet zij allemaal zelf, maar men kiest vertegenwoordigers\u2026 die kiezen een bestuur uit hun midden, en dat bestuur regelt alles\u2026<br \/>\n\u2014 En zullen er dan geen districtsbeambten meer zijn?<br \/>\n\u2014 Hoe kan het zonder districtsbeambten! De beambten zijn de politie, en de politie houdt ook toezicht op de zemstvo: wegen egaliseren, bruggetjes herstellen\u2026 Zonder politie kan het niet! Wie zou achterstallige betalingen innen als er geen politie was? Districtsbeambten zullen er, zolang er zon en maan zijn, blijven\u2026<br \/>\n\u2014 Ik begrijp het niet goed, \u2014 zegt Tsjipka nadenkend, \u2014 zemstvo houdt zich met wegen bezig, en politie ook met wegen\u2026<br \/>\n\u2014 U zult het horen wanneer de gemeenschap bijeenkomt en ik het besluit voorlees\u2026<br \/>\nOp dat moment kwamen de kozakkenhoofdman met de schrijver, en de rentmeester van de landheer met de dorpsoudste de hut binnen. De voormalige lijfeigenen groetten en bleven bij de deur staan, neergeslagen; het hoofd en de klerk strekten zich als soldaten rechtop.<br \/>\n\u2014 Ah! Goed zo, \u2014 zei Dmitrenko in plaats van een begroeting. \u2014 Ik wilde juist iemand naar u sturen\u2026 Morgen vroeg moet de gemeenschap hier zijn! Hoort u? Ik zeg het tegen u en tegen u! En zorg dat het niet zo gaat als bij het innen van achterstallige betalingen, \u2014 wendde hij zich verwijtend tot de voormalige lijfeigenen.<br \/>\n\u2014 Nu is het druk seizoen, uwe edelachtbare, \u2014 zei de klerk, \u2014 de mensen zijn op het veld\u2026<br \/>\n\u2014 Wat maakt het mij uit of het druk seizoen is of niet? Ik zal u laten bevriezen als er geen gemeenschap bijeenkomt!<br \/>\nDe districtsoudste zweeg, wreef alleen zijn voet over de andere.<br \/>\n\u2014 Hoe moeten wij de gemeenschap dan zeggen, uwe edelachtbare? \u2014 vroeg de klerk.<br \/>\n\u2014 Zeg: de districtsbeambte heeft de zemstvo meegebracht en zal het voorlezen. Begrijpt u? Zemstvo? Vergeet het niet.<br \/>\n\u2014 Nee, wij zullen het niet vergeten\u2026<br \/>\n\u2014 O, wat ben ik moe, Nykifor Ivanovytsj\u2026 U gelooft het niet: ik zit al twee dagen in de wagen\u2026<br \/>\n\u2014 Nou, ga met God! \u2014 wendde hij zich tot de mensen\u2026<br \/>\nDie drongen de kamer uit, de een voor de ander; ze duwden elkaar bijna bij de deur.<br \/>\n\u2014 Wat een jacht! \u2014 zei het hoofd. \u2014 Eerst was er Tsjipka, en nu is het Nykifor Ivanovytsj geworden\u2026 Geld maakt verschil!<br \/>\n\u2014 Geld is geld, \u2014 daarvoor dient het bestuur en de starosta. Maar vertel eens: waarom is onze paardendief hier gekomen?<br \/>\n\u2014 Ik heb toch gezegd: hij heeft de zemstvo meegebracht, \u2014 antwoordde de klerk in plaats van het hoofd.<br \/>\n\u2014 We hebben gehoord dat de zemstvo is\u2026 Maar leg eens uit: wat is het? Zijn het misschien weer nieuwe belastingen?<br \/>\n\u2014 Inderdaad: wat is dat, Vasyl Vasylovitsj? \u2014 vraagt het hoofd aan de klerk.<br \/>\n\u2014 Men zegt dat het een nieuw bestuur is\u2026 Men heeft hier de districtsbeambten weggehaald, en daar zullen waarschijnlijk binnenkort geen tussenpersonen meer zijn\u2026 Iemand moet toch over de mensen regeren?<br \/>\n\u2014 Ze hebben ons al een beetje geregeerd! Ze hebben bijna onze botten gebroken\u2026 En nu bedenken ze weer een nieuw bestuur, \u2014 mopperde de starosta bijna tegen zichzelf.<br \/>\n\u2014 Men kan het volk toch niet zo maar achterlaten\u2026 Alsof men zegt: hier is vrijheid voor u, doet wat u wilt, bestuur uzelf en recht uzelf \u2014 zei de klerk. \u2014 Zo zou er een chaos ontstaan dat\u2026<br \/>\n\u2014 Juist, juist, \u2014 stemde het hoofd toe. \u2014 Het volk \u2014 wat is het? Als uw volk ooit zo\u2019n opstand zou beginnen, dan moet je uit het dorp vluchten. Met zo\u2019n koppig volk moet men voorzichtig zijn \u2014 anders draait het het hele dorp om!<br \/>\n\u2014 Aha\u2026 Nu begrijp ik wat het zal worden, \u2014 mengde de starosta zich.<br \/>\n\u2014 Zeg eens! \u2014 vroegen de anderen.<br \/>\n\u2014 Kijk, \u2014 praatte de starosta, \u2014 niet voor niets drongen ze erop aan dat de mensen land zouden krijgen\u2026 Het blijkt dat het daarvoor bedoeld was! Ze wilden ons nog steeds aan een touwtje leiden\u2026 Ook al gaf de tsaar vrijheid, het land is nog steeds van ons\u2026 jullie betalen afkoopgeld\u2026 en wij zullen nog iets anders bedenken\u2026 En dus hebben ze de zemstvo bedacht\u2026 Dus afkoopgeld betalen, en ook nog zemstvo! We zullen tegen de gemeenschap zeggen: voor de zemstvo moeten jullie nog werken!<br \/>\nDaarna kwamen ze bij de lijfeigen gemeente. De districtsoudste en de starosta gingen naar het bestuur, het hoofd en de klerk sloegen een andere straat in \u2014 naar het huis van het hoofd.<br \/>\n\u2019s Morgens op het dorpsplein, bij de kozakken-gemeente, verzamelde zich een menigte van kozakken en lijfeigenen. Dmitrenko kwam met Tsjipka\u2019s paarden, las het besluit voor en vertelde wie men moest kiezen: hij verbood het \u201cgrijze boerenvolk\u201d in het bestuur te komen, raadde aan heren te kiezen die \u201calles weten en alles zullen doen wat nodig is\u201d; hij pochte zelfs dat, als men \u201chet boerenvolk\u201d zou kiezen, men zich moest inhouden\u2026<br \/>\nDe gemeenschap luisterde zwijgend. De districtsbeambte keerde zich nog eens om, raadde opnieuw aan heren te kiezen, nam afscheid van Tsjipka, knipoogde naar hem \u2014 misschien ook hij in het bestuur \u2014 en reed met de burgerlijke paarden uit Pisky weg.<br \/>\nNauwelijks was hij vertrokken of de gemeenschap begon te grommen:<br \/>\n\u2014 Zo dan? Altijd maar heren en heren! Hebben ze ons nog niet genoeg bedrogen? \u2014 riepen de lijfeigenen.<br \/>\n\u2014 Praat toch geen onzin! \u2014 donderde de kozakkenklerk tegen hen. \u2014 En wie moet er dan in het bestuur werken\u2026 jullie soms? Weet soms iemand wat dat werk eigenlijk is?<br \/>\n\u2014 Dan huren we iemand zo verstandig als jij, en die laat het werk doen, \u2014 prikten de lijfeigenen hem terug.<br \/>\n\u2014 Nou ja\u2026 Maar wie weet wat daar voor werk is\u2026<br \/>\nLang ging het gesprek nog door tussen de gemeenschap en de klerk. Tsjipka luisterde zwijgend. De gemeenschap schilderde de heren in donkere kleuren; de klerk bleef, hoewel hij niet toegaf, toch volhouden dat zonder heren niemand het werk zou kunnen doen, dat het werk onbekend was en dat men in het bestuur beslist heren moest kiezen\u2026<br \/>\n\u2014 Mijn raad, \u2014 kon Tsjipka zich niet langer inhouden, \u2014 is deze: welke eigenaar men ook is, hij is toch beter dan een knecht\u2026 En dat zemstvo-gedoe is voor iedereen onbekend\u2026 Het bestond vroeger niet \u2014 zelfs de heren kenden het niet. Maar God heeft de mens verstand gegeven om alles te doorgronden.<br \/>\n\u2014 Waar, waar! \u2014 mompelde de gemeenschap.<br \/>\n\u2014 De heren hebben jullie, goede mensen, al lang genoeg geregeerd\u2026 probeer nu zelf eens orde te scheppen! Eigen hand blijft toch meester. Zij zullen zich niet bekommeren om het welzijn van allen. Iedereen zorgt voor zichzelf\u2026 En bij ons zijn zij toch allemaal verwanten\u2026 De een bewaakt de ander. Deze daar\u2026 (Tsjipka wees in de richting waar de districtsbeambte was gereden.) Hij at bij mij brood en zout, maar trekt toch voor de heren partij\u2026<br \/>\n\u2014 Ja, ja\u2026 Zij zijn als varkens: de een achter de ander, \u2014 bromde de gemeenschap. \u2014 Als het zo is, basta, broeders! Genoeg van hen! Kijk dat duivelskruid: uit de tuin eruit, maar het groeit toch weer in de tuin! Laat hen maar in het bestuur, als er geen mensen zijn\u2026 Bah!<br \/>\nDe gemeenschap ging uiteen. Tsjipka keerde naar huis terug, blij dat het hem gelukt was de gemeenschap op een goede weg te zetten. In zijn hart begon iets nieuws te kiemen: hij wilde dat de gemeenschap naar hem zou luisteren; in zijn hoofd flitste de gedachte dat hij de gemeenschap leidde, haar vooruitbracht, over iedereen heerste\u2026 Het oude vergat hij, alsof het er nooit geweest was: nu was hij de leider van de gemeenschap\u2026<br \/>\n\u2014 Als ze toch mijn raad maar zouden volgen, Halja, \u2014 zei hij \u2019s nachts tegen zijn vrouw, \u2014 dan zou hun draad eens knappen! \u2014 En hij vertelde Halja nog lang hoe hij de mensen zou dienen\u2026 Halja zelf voelde zich ook op een of andere manier goed omdat haar man zo\u2019n respect bij de mensen had verdiend.<br \/>\nMaar in Tsjipka\u2019s hart begon reeds een verlangen naar macht te groeien, het brandde hem, wilde naar buiten in gedachte en woord\u2026 Tsjipka droeg het mee als een vondst. Wie hij ook ontmoette, met wie hij ook sprak \u2014 altijd over zemstvo, over verkiezingen. Over niets anders. Hij raadde iedereen aan zichzelf en de gemeenschap te beschermen en zich niet opnieuw in de handen van de heren te laten vallen.<br \/>\nZijn raad kreeg zijn zin. Na een week vloog de bemiddelaar Krivynsky naar Hetmanske en ging rechtstreeks naar het kantoor van de voorman, waar het bestuur moest worden gevormd.<br \/>\n\u2014 We zijn verloren\u2026 de boeren verslaan de onzen! \u2014 riep hij, zelfs vergetend te groeten.<br \/>\n\u2014 Hoe dan? \u2014 sprong altijd stille Sjavkoen als door brand getroffen op en verstijfde.<br \/>\n\u2014 In Pisky \u2014 niet \u00e9\u00e9n edelman uit onze kring.<br \/>\n\u2014 Dus ze hebben ook Dmitrenko\u2019s raad niet gevolgd!.. \u2014 bracht Sjavkoen nauwelijks uit en zakte, alsof iemand een emmer koud water over hem had gegoten, op zijn plaats neer, steunde met zijn hand zijn hoofd en werd stil.<\/p>\n<p>XXVIII OUD EN TOCH VERNIEUWD<br \/>\nEr viel een drukkende dag midden in de hete oogsttijd. De zon stond recht boven het hoofd als een gloeiende koekenpan en brandde alsof ze met vuur strafte. Het graan viel uit de aren: de mensen konden het niet snel genoeg oogsten. In zo\u2019n tijd is elke minuut kostbaar voor de boer. En dan moest men zijn werk laten liggen en naar de vergaderingen voor de gegoede leden rijden!<br \/>\nDe heren waren bijeengekomen. In Hetmanske, bij het nieuwe huis van de Poolse heer, stonden in drie rijen rijtuigen, brikken en lichte wagens. Niet alleen de stemgerechtigde leden waren gekomen. Er waren ook veel nieuwsgierigen uit de streek die het nieuwe wonder wilden zien en wilden horen wat dat zemstvo eigenlijk was.<br \/>\nOok eenvoudige stemgerechtigde leden waren gekomen, al niet allemaal. Het waren meestal kozakkenklerken en dorpshoofden; alleen Tsjipka en Loza kenden nog geen enkele dienst. Onder de boerenleden waren twee lijfeigenen-opzichters te zien: \u00e9\u00e9n uit Pisky en \u00e9\u00e9n uit Roedka.<br \/>\nDe heren praatten in de kamers; gelach en geroep klonk van het huis naar de straat. De boeren, gekomen met gewone paarden (sommigen hadden tegelijk ook hun hoofdelijke belasting meegebracht), zaten rond het gebouw, apart van de herenrijtuigen. De een zat onder een wagen, de ander bij de muren van het huis \u2014 iedereen zocht beschutting tegen de benauwde hitte die meedogenloos brandde.<br \/>\nWat verder van de kozakkenoudsten zat Tsjipka onder de muren, naast Loza, niet ver van het bordes. Rechts zaten de herenkoetsiers, links de \u201cmenselijke bloedzuigers\u201d, zoals Tsjipka vroeger de dorpsoudsten noemde. Hij voelde zich nu een beetje ongemakkelijk\u2026<br \/>\nDe koetsiers waren van de bokken afgeklauterd; sommigen gingen praten met bekende leden, spraken over dit en dat, prezen de oogsten en klaagden dat men zulke drukke tijd moest verliezen. Tsjipka zat zwijgend te luisteren \u2014 of hij iets hoorde, was moeilijk te zeggen. Aan zijn gezicht was te zien dat zijn hoofd door ernstige gedachten werd beziggehouden. Dmitrenko onderbrak hen met zijn luide stem:<br \/>\n\u2014 H\u00e9, jullie! \u2014 riep hij van het bordes naar de leden \u2014 kom hier!<br \/>\nDe leden gingen onder het bordes staan en namen hun hoeden af. Alleen Tsjipka en Loza bleven zitten zoals ze zaten.<br \/>\n\u2014 En hoeveel zijn jullie? \u2014 vroeg de districtsbeambte.<br \/>\n\u2014 Hoeveel? \u2014 antwoordde de voorste, de dorpsschrijver, terwijl hij met zijn ogen naar de groep leden keek. \u2014 Uit onze stand drie, uit uw stand vijf, en twee uit Svynky\u2026 Dat is alles!<br \/>\n\u2014 Aha, zie je, Nykifor Ivanovytsj\u2026 Goedendag! \u2014 knikte Dmitrenko naar Tsjipka.<br \/>\n\u2014 Goedendag, \u2014 antwoordde Tsjipka, terwijl hij opstond en zijn hoed afnam.<br \/>\nLoza stond ook op en nam zijn hoed af.<br \/>\n\u2014 Waarom hebt u hier allerlei gespuis bijeengebracht? \u2014 vroeg de districtsbeambte Tsjipka.<br \/>\n\u2014 Wat voor gespuis? \u2014 keek Tsjipka scherp en zei daarna, iets zachter: \u2014 Voor God zijn allen gelijk\u2026<br \/>\n\u2014 Dat is voor God, maar hier \u2014 voor mensen\u2026<br \/>\n\u2014 Ook voor mensen is het hetzelfde\u2026 Toch is het moediger als de eigen mensen naast je staan. Anders kruipen jullie zelf in het huis en praten daar in de koelte, terwijl wij hier in de zon moeten bakken.<br \/>\n\u2014 Wie zegt dat u moet bakken? U had ook in de gang kunnen gaan zitten.<br \/>\n\u2014 Dank u. Wat voor de gemeenschap is, is ook voor mij.<br \/>\n\u2014 En jullie, koolkoppen! \u2014 wendde de districtsbeambte zich van Tsjipka af naar de kozakkenleden. \u2014 Dit hebben jullie ons al eens geflikt?! Waarom zijn jullie hierheen gekropen? Wat begrijpen jullie ervan?.. Nou, wat begrijp jij, Sverbynos? \u2014 viel Dmitrenko aan tegen de roodwangige, dikke kozakkenhoofdman, van wie de wodkalucht uitging. \u2014 Ga maar in het caf\u00e9 van Hajka zitten. Maar nee, hij wil in het bestuur. Of jij, Stoepa? Die is bang voor de schaduw van zijn vrouw, kan nauwelijks een woord fatsoenlijk uitbrengen, en wil toch onder de mensen\u2026 in het bestuur!!<br \/>\nStoepa en Sverbynis zwegen. Ze keken naar de grond en durfden de districtsbeambte niet aan te kijken.<br \/>\nHij liet hen en wendde zich tot de lijfeigenen:<br \/>\n\u2014 En jullie, halfdoden?.. Waren jullie hier ook nog nodig?! Hebben ze jullie huid niet al lang afgetrokken?.. En denken jullie nu dat ook jullie heren zijn?!<br \/>\nDe oude wond, opengekrabd door onreine handen, begon in Tsjipka\u2019s hart te steken. Onder zijn gefronste wenkbrauwen flitste een scherpe blik \u2014 hij keek beurtelings naar de districtsbeambte en naar de mensen die zwijgend stonden alsof ze aan de aarde waren vastgenageld.<br \/>\n\u2014 Wat wilt u van ons, meneer? \u2014 vroeg Tsjipka boos en keek Dmitrenko strak aan. \u2014 Wij zijn hier niet naar u toe gekomen\u2026 De gemeenschap heeft ons gestuurd\u2026 wij dienen de gemeenschap\u2026<br \/>\n\u2014 Ik zeg niets tegen u, \u2014 zei de districtsbeambte zachter. \u2014 U bent een koopman: u reist overal, hebt mensen en de wereld gezien \u2014 waar nodig zegt u uw woord op de juiste manier\u2026 Ik heb het niet over u! U bent stemgerechtigd, dat is u dan ook\u2026 Maar wat is dit? \u2014 Dmitrenko keek met afkeer naar de laatste leden\u2026 \u2014 Pfff!.. Maar nu is het te laat om iets te veranderen\u2026 Let op dat u niet ook uw eigen mensen in het bestuur kiest! Begrijpt u?<br \/>\nDe leden zwegen alsof het niet over hen ging.<br \/>\n\u2014 Luister, \u2014 begon de districtsbeambte, \u2014 kijk naar mij\u2026 Als ik aan mijn rechter snor draai, leg dan uw biljet rechts; en als ik aan de linker draai, dan links\u2026 Onthoud dat!<br \/>\nBij het laatste woord dreigde Dmitrenko met zijn vinger, draaide zich om, sloeg de deur met een klap dicht voor de neus van de leden en verdween in de gang.<br \/>\n\u2014 Kijk eens wat een strenge! \u2014 zei Stoepa. \u2014 Alsof wij dommeriken zijn\u2026 Nee, wacht! Wij zullen zo doen: hij draait naar rechts met zijn snor en wij naar links\u2026 Laat hem stikken!<br \/>\n\u2014 Dit is ellende, en niets anders! \u2014 zei een schrijver. \u2014 Spoedig zal er voor onze soort nergens meer plaats zijn\u2026<br \/>\n\u2014 En onze soort, \u2014 zei Tsjipka dreigend, \u2014 moet zijn broeders beschermen, en niet alleen aan zichzelf denken\u2026<br \/>\nHij wilde nog iets zeggen, maar toen werden ze naar de kamers geroepen.<br \/>\nIn de lange, brede zaal stond in het midden een lange tafel, bedekt met rood laken en omzoomd met gouden Haljan met gouden kwasten\u2026 Aan het hoofd van de tafel, op de ereplaats, zat de voorman. Rechts van hem zat Danilo Pavlovitsj Krjazjov \u2014 een nakomeling van diezelfde hetman-kolonel Krjazj die niet beroemd werd door veldslagen of veldtochten, maar alleen doordat hij, toen men onderhuurders aan het land bond, ook heel wat van zijn verre verwanten liet vastleggen, samen met zijn broer en zuster\u2026 of misschien had niet hij hen vastgelegd, maar zijn vrouw \u2014 diezelfde mevrouw-kolonel die mensen met haar schoenen tanden en ogen uitsloeg\u2026 Links van de voorman zat Sjavkoen \u2014 de stedelijke stemgerechtigde. De voorman boog zich voortdurend naar hem toe en hij fluisterde hem iets in het oor. Rond de tafel zaten de andere stemgerechtigden \u2014 burgers en landeigenaren.<br \/>\nHier was een heel \u201cgezelschap\u201d, de hele kliek van de Poolse heer. Hier waren Sovynsky, Krivynsky, Gajetsky, Mityl \u2014 alleen Makoecha ontbrak: Poroch had hem met zijn aanklachten ingehaald; hij stond nu onder gerechtelijk onderzoek, zonder functie. Onder de stedelingen kon men Lejba Ovramovitsj zien, de pachter van de Poolse heer, en naast hem pater Dmytro \u2014 de geestelijke deken, die met verzoekschriftboekjes zo handelde als Dmitrenko met paarden, en daarom, zeggen ze, niet zelden voor de kerkelijke rechtbank werd gedaagd.<br \/>\nDmitrenko, hoewel hij geen stemgerechtigde was, zat apart, tussen de heren die gekomen waren om het nieuwe wonder te bekijken. In de hele zaal bleven slechts twee lege stoelen over, en die wachtten waarschijnlijk op iemand van de adellijke stemgerechtigden. Tsjipka ging moedig op de ene zitten; Loza volgde hem en nam de andere. De adellijke stemgerechtigden keken elkaar aan. Hoewel onze kozakken keurige blauwe zjoepans (traditionele lange jassen) droegen, stak hun ongebruikelijke moed de heren toch de ogen uit. Voor de laatste boerenstemgerechtigden was geen plaats aan tafel; zij moesten met hun rug tegen de muur staan.<br \/>\nNa de mis en de eed begonnen de verkiezingen. Men raadde aan Krjazjov te kiezen, prees Sovynsky, pleitte voor Sjavkoen, en probeerde Gajetsky en Mityl door te drukken. Hoe Dmitrenko ook aan zijn snor draaide en hoe hij ook keek naar iedereen die zijn stem ging uitbrengen niet in een jas maar in een boerenkiel, toch werden ternauwernood de eerste drie doorgedrukt. Op Sjavkoen werd een kleine pauze genomen.<br \/>\nToen men zich opnieuw wilde gaan bezighouden met de verkiezingen, vroeg de stemgerechtigde Sajenko, de zoon van een honderdman, om \u201chet woord\u201d. Voor de heren was dit geen verrassing. Sajenko was al lang een onrustige man. Al onder Vasyl Semenovitsj liet hij bij verkiezingen niet na te spreken, zoals men zei, \u201czeven zakken boekweitwol\u201d \u2014 maar die \u201cwol\u201d was voor de Poolse heren bitterder dan mosterd. Slim en scherp als een scheermes miste Sajenko geen gelegenheid om zijn machtige verwanten te bekritiseren.<br \/>\nHet gewone volk hield van hem als iemand die niet zweeg tegenover de sterke en altijd opkwam voor de zwakke. Daarentegen waren de heren en de joden bang voor Sajenko\u2019s aard \u2014 en niet zonder reden. De heer lastigvallen, een jood dwarszitten, werd voor hem een genoegen.<br \/>\nDeze \u201cliberaal\u201d, zoals men hem noemde, begon nu te spreken over de zemstvo. Zich wendend tot de adellijke stemgerechtigden bewees hij hen het \u201calgemene karakter van de zemstvo\u201d, sprak lang en mooi over de \u201cintellectuele activiteit\u201d die zij, vanwege hun \u201cvroegere zonden\u201d, op het \u201caltaar van het maatschappelijk welzijn\u201d moesten offeren.<br \/>\nDaarna wendde hij zich tot de eenvoudige stemgerechtigden, herinnerde hen aan \u201cgelijkheid\u201d, spoorde hen aan zelf voor hun \u201cbelangen\u201d en het \u201cvolkswelzijn\u201d te zorgen. En tenslotte raadde hij alle stemgerechtigden samen aan ten minste \u00e9\u00e9n boerenlid in het bestuur te kiezen.<br \/>\nEr ging een geruis door de zaal. De heren haalden de schouders op, schudden bedroefd hun hoofden en fluisterden onder elkaar. De boeren bewogen zich onder de muur, stampten met hun voeten op dezelfde plaats en keken elkaar aan alsof ze met hun ogen vroegen: \u201cEn wat nu?! Wie dan?\u201d<br \/>\nDe voorman had eerst iets gefluisterd met Sjavkoen en daarna met Krjazjov, liet de bel rinkelen en vroeg luid, terwijl hij naar de boeren keek: wie zich kandidaat wilde stellen.<br \/>\nHet geruis verstomde langzaam. De voorman vroeg opnieuw. Allen zwegen, alleen keken ze elkaar aan.<br \/>\n\u2014 Misschien Varenytsjenko\u2026 \u2014 zei de hoofdman uit Pisky onzeker, tussen zijn tanden door.<br \/>\nHonderd ogen keken naar hem; Dmitrenko wierp een blik en bedekte zijn mond met zijn hand: \u201czwijg, onnozele!\u201d<br \/>\n\u2014 Welke Varenytsjenko? \u2014 zei de voorman, half tegen wil en dank.<br \/>\n\u2014 Hier!.. hier!.. \u2014 klonken enkele stemmen onder de muur, wijzend met de vingers naar Tsjipka.<br \/>\nHij werd rood. Allen staarden hem aan.<br \/>\n\u2014 Wenst u het? \u2014 vroeg de voorman hem.<br \/>\n\u2014 Als het naar de goedheid van het volk en de wil van de heren is, dan ook voor mij\u2026 \u2014 antwoordde Tsjipka terwijl hij opstond.<br \/>\nZijn stem trilde; zijn gezicht brandde; zijn ogen glansden van vreugde.<br \/>\nMen stemde: Tsjipka werd gekozen. Daarna, waarschijnlijk in opwinding, werd Sajenko gekozen tot gouvernementeel stemgerechtigde.<br \/>\nDe verkiezingen eindigden. De boeren reden naar huis. De heren gingen feestvieren in de stad.<br \/>\nTsjipka kwam thuis. Halja zag hem door het venster en sprong uit het huis.<br \/>\n\u2014 En?<br \/>\n\u2014 Alles is in orde! \u2014 riep Tsjipka blij. \u2014 Nu, Halja, ben ik niet alleen stemgerechtigde, maar ook lid van het bestuur\u2026<br \/>\n\u2014 Werkelijk? \u2014 riep Halja tegelijk blij en bang.<br \/>\n\u2014 Echt\u2026 gekozen! \u2014 pochte hij.<br \/>\n\u2014 Wie is gekozen? Waarvoor? \u2014 vroeg Motrja, die het laatste woord hoorde en uit het venster keek.<br \/>\n\u2014 Mij hebben ze gekozen, moeder, in het bestuur!<br \/>\nMotrja keek Tsjipka recht in de ogen; over haar gezicht gleed een donkere, onrustige schaduw.<br \/>\n\u2014 Waarom moet jij, zoon, je met de heren inlaten? \u2014 zei ze bedroefd. \u2014 God verhoede dat ze je nog ergens in verstrikken\u2026 Zijzelf zullen zich verbergen, maar jij zult het moeten dragen\u2026<br \/>\n\u2014 Wees niet bang, moeder: ik zal niet toegeven! \u2014 stelde Tsjipka haar gerust.<br \/>\n\u2014 Je zult je nog ergens in mengen\u2026 \u2014 hield Motrja vol.<br \/>\n\u2014 U begrijpt, moeder, volgens mij, weinig van deze zaken, \u2014 antwoordde Tsjipka zonder boosheid. \u2014 Dat is hun wil\u2026 Misschien kan ik, moeder, de mensen van dienst zijn\u2026 iets goeds doen\u2026<br \/>\n\u2014 Ach, zoon! Jij bent alleen, en hoeveel zijn zij\u2026<br \/>\n\u2014 Alleen, maar goed, \u2014 nam Halja het voor haar man op, en glimlachend gingen beiden het huis in.<br \/>\nTsjipka was in stilte, samen met zijn vrouw, blij dat hij menselijk respect en aanzien had verworven, zonder dat zijn moeder het wist. Wat een maand geleden nog slechts in zijn hart was ontloken, stond nu al voor zijn ogen en beheerste zijn gedachten. Tsjipka wilde de gemeenschap dienen, goed doen voor de mensen; stilletjes, heimelijk, zelfs voor zijn vrouw verborgen, koesterde hij de oude hoop, het verleden te vergeten en zijn sporen uit te wissen\u2026 Maar het bleek\u2026 dat waar hij eer had gevonden, hij zijn rust en\u2026 zijn lot had verloren!<br \/>\nZijn verkiezing in het bestuur, op een hete dag, zonder overleg en zonder nadenken, was niemand naar de zin. De kozakkenoudsten keken Tsjipka scheef aan. De klerken en hoofden waren jaloers: hoe kon een Russische jongeman, nog maar kort geleden een hongerige zwerver en nietsnut, die door het geld van zijn vrouw rijk was geworden, plots in de wereld opklimmen, tussen de heren, waar zij al van kindsbeen af naar hadden gestreefd, waarover zij hadden gedroomd maar wat hen niet was gelukt!<br \/>\nDe heren morden nadat de verkiezing al had plaatsgevonden. Zij begonnen elkaar te beklagen over de nieuwe tijd, dat een adellijke volksgenoot zich met een \u201cboer\u201d verbroedert en zelfs anderen daarheen leidt. Zij klaagden over Sajenko, dat hij dit uit spot en tot schande van het hele district had gedaan\u2026 De bestuursleden beschouwden deze keuze als een zware belediging en dreigden dat, als het zo doorging, zij allemaal het bestuur zouden verlaten: laat hem het dan zelf maar regelen!<br \/>\nEn Sjavkoen begon zijn hoofd te breken, zocht in dikke wetboeken of er niet iets te vinden was waarmee men een bestuurslid kon verwijderen, dat, zo vreesde hij, hem in de weg kon staan, schade kon berokkenen en het grijpen naar zemstvo-gelden kon verhinderen\u2026<br \/>\nSjavkoen was een doortrapte man. Niet voor niets was hij grijs geworden terwijl hij over papieren gebogen zat. Hij wendde zich hierheen en daarheen, als een spin die haar web spant; hij ving elk woord op dat hij nodig had\u2026 Zelf niets vindend, ging hij raad vragen bij zijn oude vriend Tsjyzjyk, de secretaris van de rechtbank. \u201cWas er niets, broertje? Is hij niet ooit voor de rechter geweest?\u201d vroeg Sjavkoen.<br \/>\nTsjyzjyk snoof tabak, niesde, legde een vinger tegen zijn voorhoofd en dacht een vijftal minuten na, waarna hij in de kast met oude dossiers dook. Hij bladerde het ene stuk door, draaide het tweede om, keek in het derde, vijfde en tiende; hij vond een spoor, pakte een draad, en samen met Sjavkoen kwamen zij bij de kluwen terecht\u2026<br \/>\n\u2014 Gevonden! \u2014 sprong Sjavkoen het bestuur binnen en riep, terwijl hij het dossier overhandigde: \u201cZaak betreffende de diefstal van graan uit de schuren van de landeigenaar, geheim raadslid Vasyl Semenovitsj, en het mishandelen van de bewaker Derkatsj.\u201d<br \/>\nDe leden sperden hun monden open en staarden met grote ogen. Sjavkoen las het dossier voor, waarin stond dat de \u201csoldatenzoon Varenytsjenko onder verdenking was gebleven\u201d. Het bestuur werd vervuld van vreugde, alsof elk lid persoonlijk geluk had gewonnen.<br \/>\nToevallig bevond Dmitrenko zich in de stad. Men riep hem naar het bestuur; zij sloten zich op en spraken lang. Allen kwamen glimlachend naar buiten.<br \/>\nTsjipka wist van dit alles niets. Op de feestdag van de Makovij-markt ging hij naar Chamlo en keerde pas terug vlak voor het Spas-feest.<br \/>\nOp dezelfde dag dat hij thuis was teruggekeerd, kwam Dmitrenko bij hem aan, vertelde over de zaak en raadde hem aan zelf op voorhand uit het bestuur te vertrekken.<br \/>\nToen Tsjipka van de zaak hoorde, voelde het alsof iemand hem met een bijl op het hoofd had geslagen. Schaamte, ergernis en woede stroomden tegelijk in zijn hoofd; zijn bloed raakte verward, het bonsde in zijn slapen; gele en zwarte kringen draaiden voor zijn ogen\u2026 Hij werd bleek; zijn handen trilden\u2026 Met zijn hart voelde hij dat het verleden weer naar hem terugkeerde, zijn handen uitstak en hem wilde grijpen, omarmen\u2026<br \/>\nOm zichzelf niet te verraden sprong hij van de bank waarop hij had gezeten; hij begon door de kamer te lopen en keek met verwarde ogen langs de muren\u2026 De ene gedachte joeg de andere op, alsof ze wedijverden in een wedstrijd; hij wilde tijdens die vlucht er minstens \u00e9\u00e9n vangen, maar zij ontvluchtten hem en verdwenen, slechts de randen ervan flitsten een ogenblik, totdat ze in \u00e9\u00e9n gedachte samenvloeiden: hoe dan ook, men mocht hem niet levend in hun handen laten vallen!<br \/>\nDmitrenko zat als een schaduw boven zijn ziel, loerde als een havik, wachtend of Tsjipka zijn raad zou volgen en zelf ontslag zou nemen.<br \/>\n\u2014 Al werd ik naar de galg geleid en men zei: als je zelf toegeeft, zullen wij je genade schenken, ik zou zelfs dan niet luisteren! \u2014 riep Tsjipka uit. \u2014 Wie zegt dat ik een mens heb gedood? Misschien hebben zij in hun leven tientallen, honderden naar het andere leven geholpen\u2026 En nu is het jammer: is er geen vrijheid meer? Nu is het een belemmering, iedereen gelijk? Ik dien de mensen\u2026 mij hebben de mensen gekozen\u2026 mij kunnen de mensen ook afzetten!<br \/>\nDmitrenko reed onverrichter zake weg.<br \/>\nDe volgende dag vloog er van de voorman een brief naar de gouverneur.<br \/>\nEen dag later kwam er van de gouverneur een bevel: \u201cDe stemgerechtigde Varenytsjenko wegens onbetrouwbaarheid uit het bestuur verwijderen.\u201d<br \/>\nDeze boodschap viel als een donderslag op Tsjipka\u2019s hoofd\u2026 \u201cDit is erger dan diefstal of roof! \u2014 dacht hij. \u2014 En er is geen naam voor. Daar kwam iemand, nam iets en het is weg\u2026 je ziet wat er niet meer is! Maar hier is alles nog\u2026 het goed is gebleven en hijzelf ook\u2026 Maar wat heb je eraan dat je bent gebleven? Als je eer is gestolen\u2026 als je ziel is besmeurd\u2026 Maar nee! dit zal niet gebeuren\u2026 Wij zullen het nog uitvechten\u2026 We zullen nog zien wiens vader de oudste is\u2026 Dit is niet meer die tijd\u2026 de tijden zijn nu anders\u2026 de mensen zijn anders!\u201d<br \/>\nTsjipka spande de paarden in en reed naar Hetmanske. Hij dreef de paarden niet voort, hij joeg ze op; zij liepen niet \u2014 zij vlogen \u2014 en rechtstreeks naar het erf van Poroch.<br \/>\nPoroch was veranderd sinds Tsjipka hem voor het laatst had gezien: hij was ouder geworden, verzwakt en ineengezakt. Zijn ooit ronde gezicht was langgerekt en ingevallen; de wangen hingen slap naar beneden, de ogen waren dof geworden, de rossige snor was grijs, hijzelf was gebogen en trilde\u2026 Maar hij herkende Tsjipka; en Tsjipka herkende hem. Zij begroetten elkaar als oude vrienden.<br \/>\nHalja hoorde een vreemde man, ging het huis in, keek naar Tsjipka, en ging zwijgend weer naar buiten. Ze was onherkenbaar geworden: zo mager was ze, zo donker was haar gezicht geworden&#8230;<br \/>\nHet eerste wat Tsjipka deed, was iemand om wodka sturen: een donkerharig meisje, Halja&#8217;s dochter, rende weg. Poroch werd blij van de wodka en dronk achter elkaar drie glazen leeg.<br \/>\nToen begon Tsjipka hem zijn avontuur te vertellen. Hij verborg niets: hij vertelde hoe Dmitrenko v\u00f3\u00f3r de verkiezingen de mensen in Pisky had aangespoord; hoe hij bij de verkiezingen zijn snor draaide; hoe de heren hadden beraadslaagd om de boeren niet in de zemstvo toe te laten; hoe de verkiezingen waren verlopen\u2026 Kortom: de scherpe tong van de gekwetste Tsjipka hield niets verborgen.<br \/>\nDe vurige woorden deden het hete bloed van Poroch ontvlammen; een vuur lichtte op in zijn oude ogen, en hij schreef voor Tsjipka een klacht. Hoewel de hand van de oude schrijver trilde en de inkt spatte, bleef er toch vergif op het papier achter. In de klacht stortte Poroch al zijn jarenlange opgekropte woede uit: hij overspoelde en beschimpte de Poolse heren zo sterk dat hij zelf trilde terwijl hij de klacht aan Tsjipka voorlas.<br \/>\nTsjipka betaalde hem goed, bedankte hem, bracht de klacht naar het postkantoor en reed daarna terug naar Pisky.<br \/>\nEen week ging voorbij. Geen gerucht, geen nieuws!<br \/>\nEr was een groot banket bij de voorman. Er kwamen veel gasten. Tot het ochtendgloren werd er gedronken, gefeest en kaart gespeeld; de een pochte op een nieuwtje voor de ander; men verheugde zich dat men de \u201cboer\u201d uit het bestuur had verdreven\u2026<br \/>\nPlots klonk buiten het Poolse huis het gerinkel van een bel, en even verstomde het vrolijke feest. Sommigen keken zelfs uit het raam, maar zagen in het verlichte huis niets; alleen hoorde men het ratelen van wielen die het huis passeerden\u2026<br \/>\nKort daarop werd er van het station een brief aan de voorman gebracht.<br \/>\n\u2014 Er is een ambtenaar van de gouverneur gekomen, \u2014 zei iemand na navraag bij de postbode.<br \/>\nAls een bliksem schoot het door het huis en verschrikte het hele gezelschap. Alles werd stil, alsof het verstijfde\u2026 In de onlangs nog vrolijke ogen dwaalden angstige blikken doelloos door de kamer; iedereen keek naar de ander en wendde zwijgend de blik naar een derde, een vierde\u2026<br \/>\nDe voorman ging naar zijn kabinet, en door de zaal ging een stille, gedempte geruis, alsof een windje door het gebladerte streek\u2026 overal begonnen mensen te fluisteren.<br \/>\nNa een vijf minuten ging de postbode weg, en de voorman kwam de kamer weer binnen.<br \/>\n\u2014 Zo! \u2014 riep hij uit terwijl hij op adem kwam. \u2014 Ik dien onmiddellijk ontslag in\u2026<br \/>\nIn de kamer werd het stil; zo\u2019n stilte viel dat men kon horen hoe elk woord met moeite uit de beklemde borst van de voorman kwam.<br \/>\n\u2014 Wat is dit? Een onderzoek\u2026 tegen mij\u2026 tegen ons wordt een onderzoek ingesteld\u2026 En na dit zou ik moeten blijven dienen?\u2026 Onmiddellijk ontslag\u2026 onmiddellijk!\u2026<br \/>\n\u2014 Wat is er, Petro Vasyljovytsj? \u2014 vroegen ze hem terwijl ze hem van alle kanten omringden\u2026 \u2014 Er is iets\u2026 er is al een soort laster!<br \/>\n\u2014 Hoe dan ook, \u2014 hakkelde hij terwijl hij met zijn hoofd schudde. \u2014 Onze verkiezingen zijn niet erkend\u2026 er is een onderzoek bevolen\u2026 En daarna dienen?\u2026 Ik wil niet! Ik wil niet! \u2014 jammerde hij en begon door de kamer te lopen.<br \/>\nSjavkoen drong van het ene uiteinde van de zaal naar het andere, doodsbleek, diep in gedachten.<br \/>\n\u2014 Ja\u2026 ja\u2026 dit is hij\u2026 hij en Poroch, \u2014 fluisterde hij terwijl hij zich naar Tsjyzjyk begaf. \u2014 Hij is drie dagen\u2026 nee, misschien wel een week, met Poroch omgegaan\u2026<br \/>\n\u2014 Niemand anders dan Poroch! \u2014 zei Tsjyzjyk tegen zijn vriend. \u2014 Die oude lasteraar!! We raken hem maar niet kwijt\u2026 Hij zit erin, en blijft erin\u2026<br \/>\nSjavkoen ging een beetje opzij. Hoop lichtte op in zijn sluwe ogen.<br \/>\n\u2014 Weet je wat? \u2014 fluisterde hij. \u2014 Misschien kunnen we de zaak nog rechtzetten\u2026 We moeten achterhalen wie de klacht heeft geschreven\u2026 Als het werkelijk Poroch was, dan valt er niets meer te zeggen\u2026 Een lasteraar heeft geschreven! Wie zal een lasteraar geloven?<br \/>\n\u2014 Inderdaad, \u2014 klonk het overal. \u2014 We moeten het uitzoeken\u2026 Petro Vasyljovytsj moet naar de ambtenaar rijden en informeren\u2026<br \/>\n\u2014 Wie? Naar wie? \u2014 brieste de voorman. \u2014 Dat ik zelf zou rijden? Dat gebeurt niet!<br \/>\n\u2014 Wij smeken u, Petro Vasyljovytsj!.. smeken!.. smeken!! \u2014 riepen ze overal.<br \/>\n\u2014 Ik ga niet\u2026 kies iemand anders\u2026 Ik ga voor geen geld\u2026 Een onderzoek tegen mij?!\u2026<br \/>\n\u2014 Wij smeken\u2026 smeken!.. smeken!! \u2014 riepen ze nog luider.<br \/>\nMet moeite kreeg men hem zover. Het werd al licht; de gasten bedankten de gastheer, namen afscheid en gingen uiteen\u2026<br \/>\nOngeveer drie uur later was het Poolse huis weer vol met heren. Hier kwamen opnieuw allen bijeen die gisteren aanwezig waren, om te horen: wie de klacht had geschreven en waarover die ging. De zoon van de voorman was er niet: hij was naar de ambtenaar gereden. Kort daarop keerde hij terug met de klacht. Hij gaf haar in handen van Sjavkoen.<br \/>\n\u2014 Lees!<br \/>\nIn het huis viel alles stil en Sjavkoen werd van alle kanten omringd. Sjavkoen vouwde het papier open, kuchte zoals een diaken op de kansel en keek:<br \/>\n\u2014 Ja, ja\u2026 en het is ook de hand van Poroch\u2026 \u2014 zei hij alsof hij tegen zichzelf sprak, en hij begon te lezen.<br \/>\nIedereen werd door die laster van het ene moment warm en dan weer koud. Iedereen boog het hoofd en luisterde, zoals een schuldige scholier luistert naar rechtvaardige verwijten over zijn daden.<br \/>\nSjavkoen eindigde.<br \/>\n\u2014 Laster! kwaadsprekerij!! \u2014 klonk het overal. \u2014 Dien een klacht in, Petro Vasyljovytsj! Dit is een belediging\u2026 Hoe kan men zich zo uitdrukken: \u201cgeorganiseerde bende\u201d, \u201cvergadering van lijfeigenen\u201d? Hoe kan dat?<br \/>\n\u2014 En hoe kon de gouverneur zo\u2019n laster accepteren?! \u2014 zei iemand bitter\u2026<br \/>\n\u2014 Ga maar! \u2014 zei een ander, zijn schouders ophalend.<br \/>\n\u2014 Dit is druk van de administratie\u2026 inmenging in zemstvozaken! \u2014 riep iemand uit een hoek.<br \/>\n\u2014 Ja\u2026 juist\u2026 inmenging. Men moet aan de minister schrijven.<br \/>\n\u2014 Inderdaad, inderdaad\u2026 Aan de minister! Aan de minister!.. Namens de hele adel. Wij smeken u allemaal, Petro Vasyljovytsj!.. smeken! smeken!!<br \/>\n\u2014 Goed\u2026 goed, \u2014 antwoordde hij, opgeblazen als een kalkoen.<br \/>\nSjavkoen en Tsjyzjyk keken elkaar aan \u2014 en vonkjes van lachen schitterden in hun sluwe ogen.<br \/>\n\u2014 Wacht eens\u2026 word niet zo opgewonden! \u2014 zei Sjavkoen. \u2014 Waarom zouden we naar die minister lopen? Eerst moeten we deze zaak begraven, er vanaf komen\u2026<br \/>\nSjavkoens raad won. Men luisterde naar Sjavkoen en sprak af om tegen de ambtenaar over de verkiezingen te spreken.<br \/>\nOm twaalf uur kwam de ambtenaar bij de Poolse heer aan, samen met de politiechef, en begon met de zaak\u2026 Om zes uur gingen de gasten aan de lange tafel zitten om te dineren. Aan het hoofdeinde zat de ambtenaar; rechts van hem de Poolse heer; links Krjazjov\u2026 Het leek alsof daar drie oude vrienden zaten die elkaar na vele jaren met grote vreugde ontmoetten\u2026<br \/>\nAan het hoofdeinde van de tafel ging een vrolijk gesprek, gelach en grappen\u2026 Aan het ene en het andere uiteinde verliep het gesprek rustiger, maar op de vrolijke gezichten van de gasten kon men zien dat de vreugde van het eregedeelte ook hen had geraakt\u2026<br \/>\nZelfs op de vermagerde, sombere gezichten van Sjavkoen en Tsjyzjyk, die naast elkaar aan het einde van de tafel tegenover het eregedeelte zaten, was enige opgewektheid zichtbaar\u2026<br \/>\nDe rijke maaltijd, overvloedig aan heerlijke gerechten en dure dranken, liep ten einde. Behendige lakeien droegen hoge kristallen glazen met schuimende, prikkelende wijn rond.<br \/>\nDe eerste die opstond was de ambtenaar, hij zette een vergrootglas in zijn linkeroog, hief zijn glas omhoog, bedankte de Poolse heer voor de goede ontvangst en herinnerde eraan dat de administratie samen met de \u201cgeprivilegieerde stand\u201d \u201cwaakzaam moest toezien\u201d op \u201crevolutionaire elementen\u201d, dat hun beider belangen \u201cgemeenschappelijk\u201d waren, dat zij de staatsorde moesten ondersteunen en beschermen tegen de \u201caanval van waanzinnige socialistische idee\u00ebn\u201d, die misdadigers overal verspreidden\u2026<br \/>\nHet was een welsprekende en geleerde rede; de heren uit Hetmanske hadden nog nooit zo\u2019n vurige toespraak gehoord. Ten slotte wenste hij de Poolse heer gezondheid en raadde de \u201cgeprivilegieerde stand\u201d aan zijn \u201cbelangen\u201d te verenigen met die van de administratie, namens welke de ambtenaar voorstelde te drinken op het \u201calgemeen volkswelzijn\u201d\u2026<br \/>\nMen dronk op het \u201cwelzijn\u201d\u2026 De lakeien haastten zich opnieuw om de glazen te vullen.<br \/>\nDe Poolse heer stond op, en bedacht niets anders dan de gasten te vragen te drinken op de gezondheid van de \u201cdierbare gast\u201d\u2026 Men dronk dan ook op de \u201cdierbare gast\u201d. De lakeien vulden opnieuw de glazen.<br \/>\nKrjazjov stond op, en begon lang en breed te spreken over de verdeeldheid die was ontstaan tussen de twee \u201cstanden\u201d; hij prees de administratie omdat zij de \u201cbelangen van de bezittende klassen\u201d bewaakte, omdat zij de \u201ceconomische ontwikkeling van het land\u201d ondersteunde, hielp bij het aanleggen van spoorwegen, het oprichten van banken, beschermde de \u201cnationale industrie\u201d met een beschermend systeem, kort gezegd: zij \u201ccre\u00eberde volkswelzijn\u201d\u2026<br \/>\nVoor deze grote dienst vroeg Krjazjov te drinken op de administratie\u2026<br \/>\nDe ambtenaar bedankte \u201cmet een licht hart\u201d en stelde voor te drinken op de \u201cadelstand\u201d.<br \/>\nDe maaltijd eindigde. Men stond op van tafel; bedankte de gastheer, en verspreidde zich door het hele huis. Er was rumoer en drukte!<br \/>\nDe een bewonderde de welsprekendheid van de ambtenaar, de ander prees Krjazjov, en weer anderen vonden vooral de \u201cbescheidenheid\u201d van de rede van de voormanszoon mooi.<br \/>\nAlleen Sjavkoen en Tsjyzjyk verbaasden zich over die hele \u201ckomedie\u201d, en terwijl ze in een hoek stonden, overlegden ze zachtjes hoe ze van Poroch konden afkomen.<br \/>\nNadat de ambtenaar tot diep in de nacht had gekaart, ging hij afscheid nemen. Voor de veranda stonden al drie van de beste postpaarden klaar. De kleine ambtelijke bagage was in een kleine koffer gepakt en aan de voeten van de postbode gelegd. De bestuurder ging zitten; de postbode zwaaide met de zweep naar de paarden, de luide bel klingelde, en alleen het stof bleef achter\u2026<br \/>\n\u2014 Hij is weg! \u2014 zei een paar mensen tegelijk.<br \/>\n\u2014 Een goede man!..<br \/>\n\u2014 Wonderbaarlijk\u2026 hoewel hij nog jong is\u2026 En verstandig, niet door de duivel gehaald!<br \/>\n\u2014 Natuurlijk! Een rechtsgeleerde en toch niet dom. Wel, natuurlijk: een edel kind\u2026<br \/>\n\u2014 Als hij ons maar geen schade gaat doen, \u2014 wierp iemand op.<br \/>\n\u2014 Wie? hij? \u2014 viel Krjazjov hem in de rede. \u2014 Nooit! In geen geval\u2026 Wij kennen hem als een geschoren schaap\u2026 Hij zit bij ons in de bank, tot over zijn oren vast! In de schuld, als in zijde!.. Hij zit bij mij hier! \u2014 Krjazjov balde stevig zijn vuist en hield die boven zijn hoofd.<br \/>\n\u2014 Nou, als dat zo is, dan is het veilig! \u2014 besloten Sjavkoen en Tsjyzjyk tegelijk.<br \/>\nMen zegt dat ongeluk bij ongeluk blijft.<br \/>\nTsjipka keerde uit Hetmanske naar huis terug met een gekwetst hart. Zijn moeder kwam hem tegemoet en vertelde trots dat Halja niet thuis was, ze was naar haar vader gegaan, omdat Maksym ziek was geworden.<br \/>\n\u2014 Waarvan? \u2014 vroeg Tsjipka.<br \/>\n\u2014 God weet het. Hij zou, zeggen ze, vrolijk en gezond naar een jaarmarkt zijn gegaan, maar ze hebben hem bijna ademloos teruggebracht.<br \/>\n\u2014 Hm\u2026 En wat is hier het goede nieuws?<br \/>\n\u2014 Wat voor goed nieuws kun je nu horen? Er is nu niets goeds\u2026 Men vertelt dat op Krasnohorka rovers een aanval hebben gedaan\u2026 Een man of twintig kwamen er aan, maar de wachters hebben ze afgeslagen\u2026 Men zegt dat er zo\u2019n gevecht was, God help ons!<br \/>\nEen koude rilling kroop over Tsjipka\u2019s huid\u2026<br \/>\n\u201cZo\u2026 zo! \u2014 dacht hij. \u2014 Dit is dus wat hem ingehaald heeft!\u2026\u201d<br \/>\nHij spande de paarden uit en legde hooi neer. Hij liep door de binnenplaats, hij wilde zelfs niet naar binnen gaan.<br \/>\nDe zon ging juist onder. De avonddrukte begon. Daar loeiden de ossen; daar blaatten de lammeren; daar riepen vrouwen de varkens\u2026 Dit alles waren de huishoudelijke zorgen. Tsjipka liet zich niets van dat alles gelegen liggen; hij luisterde er zelfs niet naar\u2026 Hij had nu zijn eigen zorgen, en niet weinig ook\u2026<br \/>\nHij liep door de binnenplaats, het was somber; toen hij het huis binnenging, maakten de halfduistere kamers zijn droevige gedachten nog zwaarder. Het leven lag voor hem als een angstig tapijt angstige gebeurtenissen\u2026<br \/>\nDaar ligt Maksym \u2014 gebroken, verpletterd\u2026 Daar verschijnen oude, bekende schaduwen: Loesjnja, Patsjoek, Matnja en andere kameraden\u2026 Dronken hoofden gloeien met bloedrode bloemen; in de ogen brandt roofzucht, honger\u2026<br \/>\nDan rijzen in het geheugen de graanschuren van de heren op, men had er in de zemstvo over gesproken\u2026 de wachtpost kwam in herinnering\u2026 En de wachtpost en Maksym rolden voor hem, jammerend als waanzinnigen\u2026<br \/>\nWas het waar? Ja\u2026 de naakte, verschrikkelijke waarheid. Wat zou hij nu geven als hij die uit zijn geheugen kon werpen, vergeten\u2026 Maar nee! Zoiets wordt niet vergeten\u2026 Het komt als vanzelf naar boven, als een soort verschrikkelijk wezen dat je bang maakt\u2026<br \/>\nWaarom keert het terug? Waarom komt het mij achtervolgen? Het ontmoette mij op mijn weg toen ik het spoor ervan wilde uitwissen\u2026<br \/>\nEn in zijn gedachten kwam de zemstvo terug, met zijn sluwheden en listen, met zijn beledigende onrechtvaardigheid\u2026<br \/>\n\u201cHet herinnert mij daaraan\u2026 Ik wilde het een nieuw leven geven, maar het brengt mij terug naar het oude\u2026 Zijn het in de zemstvo niet dezelfde mensen als vroeger? Zijn zij ineens veranderd? Waarom zal ik hen dienen? Waarom zij niet mij? Ieder van ons draagt zijn zonde met zich mee\u2026 Waarom wordt de ene vergeven \u2014 alsof hij zich heeft vrijgekocht \u2014 en voor mij is er geen vergetelheid, geen verzoening\u2026 En men heeft mij niet gestraft, toch ben ik schuldig\u2026 Waar is dan de waarheid op aarde?!\u201d<br \/>\nHet werd helemaal donker. Mensen en wereld rustten. Ook Motrja was al gaan liggen. Alleen Tsjipka ging niet slapen: hij liep, tobbend, zich kwellend\u2026 Van het huis naar buiten, van buiten naar het huis.<br \/>\n\u2014 Waarom loop je zo, zoon? Waarom ga je niet slapen?<br \/>\n\u2014 En u, slaapt u? \u2014 antwoordde hij onvriendelijk.<br \/>\nIn zijn stem klonk een oude, diepe droefheid. Het moederhart voelde dat meteen, en schrok.<br \/>\n\u2014 Ik slaap wel\u2026 \u2014 antwoordde zij zacht. \u2014 Waarom zou men niet slapen als het zo laat is?<br \/>\n\u2014 Nou, slaap dan als u slapen kunt, \u2014 zei Tsjipka zachter en ging op de bank zitten\u2026<br \/>\nIn het huis was het donker en stil. Motrja zuchtte zacht\u2026<br \/>\n\u2014 Moeder! \u2014 riep Tsjipka.<br \/>\n\u2014 Wat is er, zoon?<br \/>\n\u2014 Zal er ooit waarheid op aarde zijn? Of zal die misschien nooit komen?!<br \/>\n\u2014 God weet het, zoon. Als mensen blijven doen zoals nu, dan zal zeker ook die waarheid verdwijnen die er nu nog is\u2026<br \/>\n\u2014 Nee, moeder\u2026 Blijkbaar was die waarheid er nooit\u2026 en zal ze er ook nooit zijn! Zoiets zou niet ontstaan als ze bestond\u2026<br \/>\nMotrja antwoordde niets. Tsjipka stond op, ging opnieuw het huis uit en liep bijna tot het ochtendgloren op het erf rond.<br \/>\nDe volgende dag reed Tsjipka naar zijn schoonvader. De schoonmoeder en zijn vrouw kwamen hem angstig tegemoet. Ze brachten hem naar de kamer waar vroeger Halja\u2019s kamer was. Javdocha fluisterde lang en zenuwachtig tegen hem, terwijl ze haar handen wrong. Ze was wit als een laken, doodsbang. Halja\u2019s blik straalde van zware pijn. Ze keek bitter en diep naar haar man, alsof ze zei: \u201cZie je wel!\u201d<br \/>\nMaar Tsjipka had er nu geen aandacht voor. Na even zacht met Javdocha gesproken te hebben, ging hij naar de voorkamer. Van daar klonk een verschrikkelijk gekreun.<br \/>\nOp het bed in de voorkamer lag Maksym, dubbelgebogen. Telkens ontsnapten zware \u201coch\u201d-zuchten uit zijn borst, telkens greep hij met zijn handen naar zijn gekromde rug. Zijn lijdende uiterlijk raakte Tsjipka\u2019s hart, er liep iets als een muis door hem heen\u2026<br \/>\nJavdocha trad naar de zieke toe.<br \/>\n\u2014 Maksym! \u2014 zei ze.<br \/>\n\u2014 O-och! \u2014 antwoordde Maksym met een zware zucht.<br \/>\n\u2014 Tsjipka is gekomen.<br \/>\n\u2014 Vader! Mijn groeten, \u2014 zei Tsjipka terwijl hij naar het bed stapte.<br \/>\n\u2014 Och-o-och!..<br \/>\n\u2014 Wat is er met u?..<br \/>\nMaksym schreeuwde als bezeten, en greep met beide handen zijn rug. Zijn verwrongen mond toonde vreselijke pijn. Hij stikte, begon te hoesten\u2026 Er borrelde iets in zijn borst; Maksym rechtte zich, schokte; opende wijd de ogen; liet zijn blik roofzuchtig over iedereen gaan\u2026<br \/>\nDat was de laatste blik, de blik van een plotselinge dood\u2026<br \/>\nJavdocha wierp haastig een zwarte doek over Maksym\u2019s gezicht.<br \/>\nToen de doek werd opgetild, was Maksym er al niet meer\u2026 De pijn was op zijn gezicht verstard en keek uit door de wijd open, verwrongen mond en uitpuilende ogen\u2026<br \/>\nHalja keek, en schreeuwde\u2026 \u201cHij is dood!.. dood!..\u201d riep ze met niet meer haar eigen stem, terwijl ze de kamer uitrende en met haar gezicht in de kussens op het bed viel.<br \/>\nTsjipka keek, en begon te beven\u2026 Hij had nooit zo\u2019n verschrikkelijke, koude blik gezien. Voor hem woei een andere dood voorbij, die van een oude vrouw. Daar, zacht, alsof ze vergat of in slaap viel, rustte een goede ziel. Hier verliet een ziel de aarde met verschrikkelijke pijn, lijden en vervloekingen\u2026<br \/>\nTsjipka\u2019s hoofd begon te tollen en te vervagen. Hij sloot even zijn ogen en liet zijn bleke gezicht op zijn borst zakken\u2026<br \/>\nAlleen Javdocha hield zich op een of andere manier staande. Zij bedekte Maksym\u2019s hoofd opnieuw met de zwarte doek; trok Tsjipka aan de mouw, en ging met hem het huis uit, terwijl ze haar ogen pijnlijk samendrukte, waaruit slechts met moeite twee tranen van verdriet waren geperst.<br \/>\nIn Hetmanske waren de heren blij met wat er volgens hen was gebeurd. De verkiezingen waren bevestigd, en op Tsjipka\u2019s klacht kwam via de districtscommissaris een afwijzing.<br \/>\nToen werd ook de zemstvo-raad geopend. Aan de raad namen alleen de heren deel: de boeren gingen niet. Sommigen, zoals Loza, wilden niet opnieuw de grove scheldwoorden en vernederingen horen die zij bij de verkiezingen van de districtscommissaris hadden gehoord; anderen gingen niet wegens het transport. Juist toen waren ze druk bezig met de oogst, want de regen hield maar aan \u2014 elke dag, elke dag\u2026<br \/>\nNa een week verspreidde het gerucht over die raad zich door het hele district. Eerst vertelde men hoeveel salaris men had vastgesteld voor de leden van het bestuur; daarna klaagde men over een vreemde grondbelasting: wie meer grond had, betaalde minder, en wie minder had, moest meer betalen. Verder pochte men dat wegen, dijken en bruggen met \u201cnatuurlijke arbeid\u201d, dus met boerenhanden, zouden worden hersteld en onderhouden\u2026<br \/>\nTsjipka had nu geen tijd voor dat alles. Huiselijke zorgen hielden hem bezig. Hij moest zijn schoonvader begraven, herdenken en het vee op orde brengen. Tsjipka draaide een hele maand rond als een vlieg op kokend water: hij had geen tijd om te luisteren naar wat mensen zeiden.<br \/>\nOp Sint-Paraskeva was er jaarmarkt in Hetmanske. Nadat hij zijn zaken had geregeld, ging Tsjipka erheen. Eerst ging hij naar het bestuur. Toen hij hoorde welk ongeluk hem was overkomen, leek het alsof honderd slangen tegelijk zijn hart hadden gebeten! Zonder te vragen hoe, wat en waarom, kon hij uit woede geen woord uitbrengen, hij verliet het kantoor alsof hij bedwelmd was\u2026<br \/>\nZijn hoofd tolde en draaide; zijn slapen bonsden alsof iemand met een hamer sloeg; voor zijn ogen werd het geel en zwart; in zijn oren piepte, zuchtte en huilde het\u2026<br \/>\nOm een beetje bij te komen, liep hij over de markt\u2026 Tussen de karren en winkeltjes liep hij rond en luisterde\u2026<br \/>\nEn overal sprak men over de zemstvo-raad en over de belasting!<br \/>\n\u2014 Weet je? \u2014 vroeg lachend een grootgrondbezitter aan een andere.<br \/>\n\u2014 Ja, ja\u2026<br \/>\n\u2014 De zoon zal niet voor zijn vader onderdoen\u2026<br \/>\n\u2014 Duivels nog aan toe, is het niet hij? Het is allemaal Sjavkoen met Krjazjov\u2026 Wat een koppen!!<br \/>\n\u2014 Dat is die \u201calgehele vertegenwoordiging\u201d! Ze wilden gelijkheid, en zie, nu zijn ze gelijkgemaakt\u2026 Nu kruipt alle volkse tuig met de neus omhoog\u2026 Laat ze het maar weten!<br \/>\n\u2014 Dit is zelfbestuur!! \u2014 hijgde een kleine landheer angstig terwijl hij zijn buurman ontmoette. \u2014 Heb je gehoord over de belasting?<br \/>\n\u2014 Wie heeft er niet van gehoord? Het goede verspreidt zich ver, maar het slechte nog verder\u2026<br \/>\n\u2014 Zo is het! \u2014 sprong een derde halfheer op. \u2014 Dit is nog nooit gebeurd: dat men zonder schaamte in het openbaar zegt: wie tien roebel bezit, betaalt \u00e9\u00e9n roebel, en wie duizend heeft, \u00e9\u00e9n kopeke! En nu, onder het zelfbestuur, hebben we dat gekregen\u2026<br \/>\n\u2014 Wat kan het hun schelen? \u2014 zei een vierde. \u2014 Ze hebben zich in het bestuur gezet, zullen geld uit ons trekken \u2014 en verder geen gedachte\u2026<br \/>\n\u2014 Ons soort mensen ondervindt er last van, het raakt tot in de lever\u2026 \u2014 gaat de eerste verder.<br \/>\n\u2014 En hoe het nog drukt! \u2014 ondersteunt de derde. \u2014 Met zulke lasten zullen ze je de lever uit het lijf trekken! En waarvan, zegt u eens, alsjeblieft? Vroeger was het misschien niet veel, maar er waren toch drie eigen arbeiders, en nu\u2026 het is een ramp! En het volk is zo lui geworden dat je zelf maar achter de ploeg moet gaan staan\u2026 Noch uit goedheid, noch voor geld. Hij zal liever die dag in de herberg zitten dan gaan werken bij een heer\u2026<br \/>\n\u2014 Dit is roof! dit is uitbuiting van de heren!! \u2014 hoort Tsjipka de boeren onder de kraam roepen.<br \/>\n\u2014 Zie je wel? \u2014 zegt de aangeschoten dorpsoudste tegen een bestuurder. \u2014 Ik zei toch dat ze dat zemstvo ook hebben uitgevonden om zichzelf te repareren\u2026 De tsaar heeft de mensen vrijgelaten, de tsaar heeft vrijheid gegeven\u2026 Moeten ze die dan zomaar loslaten? Welnee!.. Als ze niet werken, laat ze dan tenminste betalen!<br \/>\n\u2014 Vroeger trok de districtsbestuurder ons de huid af, en nu zal het bestuur het doen, \u2014 klagen de kozakken.<br \/>\nTsjipka hoort dit alles, en elk woord steekt als een scherpe doorn in zijn hart\u2026 Hij luistert\u2026 Zijn eigen verdriet wordt nog vermengd met het verdriet van de mensen; het prikkelt zijn hete hart; oude gedachten worden weer wakker\u2026 Zijn gezicht gloeit van kwaadheid; zijn ogen schijnen hard, hij wordt bleek van woede, zijn handen trillen\u2026<br \/>\n\u2014 Niet voor niets hebben ze zo hard geprobeerd mij weg te duwen\u2026 Dus daarom wilden ze dat? Vervloekten! Zolang het hun maar warm en goed is\u2026 Laat de domme boer maar voor iedereen werken en voor iedereen betalen; laat hij zijn straf maar ondergaan\u2026 Niemand zal voor hem opkomen! Zij kennen zichzelf\u2026 hun herenkliek kennen ze\u2026 En de boer is een os\u2026 ploeg zolang je kunt! Geef hem wat kaf zodat hij niet sterft, en span hem weer in\u2026 tot hij in de voren neervalt\u2026 En dan trek je zijn huid eraf voor laarzen\u2026 Vervloekten! Duivels, geen mensen!<br \/>\nTsjipka schreeuwde, zwaaide met zijn handen; zijn hete woorden vlamden als vuur. Rond hem werd de menigte steeds groter; lang luisterden ze zwijgend. Daarna voegde iemand zijn eigen woord toe en gooide brandstof op het vuur. Op dat geschreeuw kwam Dmitrenko aan.<br \/>\n\u2014 Wat doet u daar? \u2014 vroeg hij Tsjipka.<br \/>\n\u2014 Hoezo, wat?<br \/>\n\u2014 U zet de mensen op tegen het gezag\u2026 u vervloekt de zemstvo\u2026 het bestuur\u2026 de belasting\u2026<br \/>\n\u2014 Dat ze die nooit mogen innen! \u2014 riep Tsjipka uit.<br \/>\n\u2014 Waarom schreeuw je zo? h\u00e8? \u2014 veranderde de veldwachter zijn toon, boos geworden. \u2014 Waarom zet je mensen op?<br \/>\n\u2014 U zet hen op, niet ik! \u2014 snauwde Tsjipka terug.<br \/>\n\u2014 Pas op, kozak, dat je met je tong heelhuids naar huis terugkeert. Begrijp je? vergeet jezelf niet!<br \/>\nDe veldwachter liep verder tussen de karren. Tsjipka ging weer naar het bestuur.<br \/>\nTegen de avond keerde hij samen met Hrytsjko naar huis. Hij was somber en zweeg de hele weg. Hrytsjko werd er bang van en sprak hem aan:<br \/>\n\u2014 Heb jij er zin in, broeder Tsjipka, om met hen ruzie te maken?<br \/>\n\u2014 Hoe kan ik het verdragen, Hrytsjko?<br \/>\n\u2014 Ach, laat ze met hun bestuur en hun zemstvo\u2026<br \/>\n\u2014 De gemeenschap heeft mij gekozen\u2026 Ik heb de gemeenschap gezworen te dienen\u2026 Wie is hoger: de gemeenschap of zij?<br \/>\n\u2014 Dan moet je ook maar op de gemeenschap spugen!<br \/>\nTsjipka werd bijna groen van zo\u2019n woord, en antwoordde niets.<br \/>\nTegen de avond kwam hij thuis, zichzelf niet gelijk. Halja ontmoette hem op de drempel en schrok.<br \/>\n\u2014 Tsjipka! Wat is er met je? Ben je ziek?<br \/>\n\u2014 Nee, gezond\u2026 Ik heb honger.<br \/>\nZe gaven hem te eten.<br \/>\nTsjipka zit \u2014 somber, geel, bijna groen \u2014 en eet zwijgend. Hij at nadat de zon onderging. Zonder op te staan liet hij zijn hoofd op zijn hand rusten, leunde op tafel en verstarde\u2026 De avondgloed verlichtte zijn droevige, als uit marmer gehouwen gestalte \u2014 en die gebogen houding alleen al bracht zware droefheid. Halja keek naar hem en begon stil te huilen. Tsjipka hoorde het.<br \/>\n\u2014 Waarom huil je, Halja?<br \/>\nZe zweeg.<br \/>\nHij ging naar haar toe; nam voorzichtig haar hoofd in zijn handen en keek haar in de ogen.<br \/>\n\u2014 Zeg mij, Halja, waarom huil je?<br \/>\n\u2014 Je bent mij helemaal vergeten\u2026 \u2014 antwoordde zij snikkend.<br \/>\n\u2014 Hoe vergeten?<br \/>\n\u2014 Over dat vervloekte zemstvo kun je nooit rustig praten, niets\u2026<br \/>\n\u2014 Maar het zit mij hier, op mijn hart! \u2014 wees hij aan.<br \/>\n\u2014 Waarom gooi je het niet van je af, zoon? \u2014 zei Motrja verdrietig. \u2014 Is het je niet tegen gaan staan?.. Je ziet er al angstaanjagend uit\u2026 Hoe je vroeger was, en hoe je nu bent!!<br \/>\nTsjipka antwoordde zijn moeder niets.<br \/>\nBuiten werd het donker. De nacht viel op de aarde en bracht rust voor de zorgen, handen en gedachten van de mensen. Men ging slapen. Tsjipka lag zwijgend, al sliep hij niet. Gedachten omringden zijn hoofd als een zwerm. Ze vlogen van zijn vroegste jeugd tot aan vandaag; ze bekeken elk levensgebeuren, verhitten zijn bloed, verwarden zijn verstand.<br \/>\n\u201cOveral onrecht\u2026 overal!\u201d fluisterde hij. \u201cWaar je ook kijkt, waar je ook gaat, overal is slechts onrecht en weer onrecht!.. Je leeft, je kwelt jezelf, verspilt kracht en wil, zoekt een plek om je voor het onrecht te verbergen, ervan weg te vluchten; je raakt verdwaald in het duister, valt, staat weer op, gaat opnieuw verder en valt weer\u2026 je vindt geen pad waarlangs je moet gaan, geen plaats om je neer te leggen\u2026 Men zegt: de wereld is groot, maar er is nergens om heen te gaan!.. Als het kon, zou ik deze hele wereld uitroeien en een nieuwe laten groeien\u2026 Dan zou er misschien recht komen!..\u201d<br \/>\nToen Halja hoorde hoe zwaar Tsjipka zuchtte en niet antwoordde, begon zij opnieuw te huilen. In plaats van haar te troosten, vertelde Tsjipka haar over zijn verdriet en stond hij bijna zelf op het punt te huilen. Halja stelde hem gerust, streelde hem en drukte hem stevig tegen haar hart. Tsjipka antwoordde haar met tegenzin.<br \/>\nNadat Halja was uitgehuild, viel zij in slaap als een klein kind: stil en rustig.<br \/>\nTsjipka bleef die hele nacht wakker en sloot geen oog: hij dacht en leed\u2026<\/p>\n<p>XXIX HET ONGELUK ZWIJGT NIET<br \/>\nNa Maksyms begrafenis durfde Javdocha niet meer alleen op het landgoed wonen. Zij probeerde de kinderen over te halen, maar die wilden niet. Toen verkocht zij het erf, alles wat verkocht kon worden, en verhuisde naar de kinderen. Met haar kwam ook een nieuw ongeluk het huis van Tsjipka binnen.<br \/>\nAllereerst konden de twee moeders niet met elkaar opschieten. Javdocha was trots en hoogmoedig. Zodra zij zich had gevestigd, begon zij alles naar haar eigen zin te veranderen en het huishouden te leiden. Dit was niet goed, dat stond niet op zijn plaats, en dat stond weer verkeerd! Motrja, die sinds haar jeugd door arbeid en armoede was uitgedroogd, stil en arm gekleed als een paddenstoel, zweeg lang en gaf Javdocha gelijk\u2026 Maar uiteindelijk kon zij het niet meer verdragen. Javdocha begon te veel de baas te spelen en schreeuwde eens tegen Motrja. Motrja werd boos en noemde Javdocha een dame en een nietsnut; Javdocha schold Motrja uit voor arme slavin, een werkloze\u2026 Vanaf toen begon het: schelden, ruzie, onrust en herrie! Er ging geen dag voorbij zonder dat ze elkaar uitscholden.<br \/>\nHalja had medelijden met Motrja, die zij zo was gaan waarderen, en om haar moeder niet te ergeren, vermeed zij die ruzies, verstopte zich in haar kamer of ging naar Chrystja. Zij was blij ergens buiten het erf te kunnen gaan, om niets te horen en niets te zien! Maar als men ook haar begon te plagen, dan koos zij, als een kind, partij voor haar moeder. Tsjipka zelf, hoewel hij zag dat zijn moeder nergens schuld aan had, hield zowel de kant van zijn vrouw als van zijn schoonmoeder. Motrja moest zo leven dat ze haast zonder bericht kon verdwijnen!<br \/>\n\u2014 Ik zei het je, zoon, \u2014 klaagde Motrja soms tegen Tsjipka wanneer zijn schoonmoeder hem weer kwaad maakte, \u2014 ik zei: neem geen rijke vrouw\u2026 Je zult noch leven hebben, noch ik, oude vrouw, rust!<br \/>\n\u2014 Houd nog een beetje vol, moeder. Wat moeten we doen? Zij voert hier de boventoon\u2026 Zij veroorzaakt de ruzie\u2026 Zolang zij er niet was, was het stil en vredig; maar sinds zij kwam, ging alles bergafwaarts\u2026 Geef toe, moeder.<br \/>\n\u2014 Ik zal niemand gehoorzamen, zoon, al is het de duivel zelf niet. Liever ga ik onder de mensen en buig ik voor hen, dan dat ik haar om een stuk brood, dat ik van jou verdien, moet aanbidden\u2026<br \/>\nTsjipka werd nog bozer. Hij verliet het huis, ging naar Hrytsjko om zijn verdriet te delen, of hield zich bezig met het vee, en soms reed hij helemaal weg naar de markt en kwam drie of vier dagen niet terug.<br \/>\n\u2014 Zie je! \u2014 zei Javdocha dan tegen Halja \u2014 het is zij, zij verstoort alles\u2026 die oude heks zet hem tegen ons op! Ze zou maar blijven leven, dat oude vod, gevoed en gekleed, niet hongerig en niet koud\u2026 Maar nee! Ze trekt nog haar neus op\u2026 alsof het haar nu slechter gaat dan vroeger, toen ze armoede voedde!.. Zoals gezegd: ellende! Zodra ze een beetje uitslag krijgen, beginnen ze al te zeuren\u2026<br \/>\nWanneer Tsjipka terugkwam, begon Javdocha hem te beklagen en Motrja te beschuldigen. Hij werd boos op zijn moeder, en zie: alles kwam op Motrja neer\u2026 Zij huilde dan, arme vrouw, alleen in de hoek op de oven gezeten, en dat was alles.<br \/>\nDie voortdurende ruzies en onrust vergiftigden het al vergiftigde leven van Tsjipka nog meer. In zijn eigen huis voelde hij zich als een vreemde: het stond hem tegen. Het werd hem er benauwd en beklemmend, zijn hart verlangde naar vrijheid, zijn ziel naar ruimte. Hij begon zich het oude gezelschap te herinneren\u2026<br \/>\nHrytsjko, met zijn voortdurende klachten over verliezen, met zijn gesprekken over armoede en vee, met zijn vrouw \u2014 een stille en goede jonge vrouw \u2014 en met heel zijn rustige boerenleven, leek hem nu saai en treurig. Hij luisterde naar Hrytsjko\u2019s klagende woorden, gaapte soms, terwijl zijn gedachten, naast het gesprek, hem een ander levensbeeld voorstelden, nog van v\u00f3\u00f3r de verloving\u2026 Daar stroomde de wodka als water, en al brabbelde iemand in dronken toestand onzin, toch leefde alles daar, leed men, hield men van, vloekte men\u2026 Dat was leven, al was het onder dronken schijn. Maar hier was het stil en treurig, als in een moeras; slaperig en stom, als in een dood koninkrijk, en thuis was het erger dan in de hel!<br \/>\nOm die eenzame droefheid wat te verdrijven, begon Tsjipka af en toe te drinken\u2026 Maar het is goed drinken voor wie zijn roes kan slapen; de roes van Tsjipka sliep niet, ze kwelde hem nog sterker, brandde als vuur in zijn toch al brandende hart\u2026 Dan werd hij boos op iedereen en alles. Zijn schoonmoeder kon hem niet behagen; zijn moeder was bang voor hem; alleen Halja had nog macht over hem, hij hield nog van haar en respecteerde haar. Toch moest ook zij het soms ontgelden. Hij viel haar lastig: waarom zij geen dienstmeid wilde huren, waarom dit en dat nog niet gedaan was, waarom zij haar ogen verpestte met naaien, hij haalde allerlei kleinigheden aan en viel haar daarmee lastig\u2026<br \/>\nHalja luisterde naar dat alles, antwoordde soms, huilde soms zwijgend, en werd soms door een onbestemde angst bevangen\u2026 Diep in haar hart voelde zij iets slechts naderen; het deed pijn en knaagde.<br \/>\n\u2014 Tsjipka! \u2014 sprak zij soms \u2019s nachts, wanneer iedereen sliep. \u2014 Wat is er met je gebeurd?.. Je bent over alles beginnen zeuren\u2026 Niets is je nog lief, alles staat je tegen\u2026 Is het waar dat alles je tegenstaat?..<br \/>\nDie vraag was voor hem een bittere verwijt. Hij voelde zich schuldig tegenover Halja; hij viel haar zonder reden lastig\u2026 Nu klonk haar droevige stem tegelijk troostend en verwijtend.<br \/>\n\u2014 Halja, mijn visje! \u2014 fluisterde hij \u2014 het is zwaar voor mij\u2026 moeilijk\u2026 Ik weet zelf niet waarheen ik moet, waar ik mezelf moet laten?.. Had ik maar kinderen\u2026 Misschien zouden zij mijn verdriet verlichten\u2026 misschien zouden zij mijn droefheid verdrijven?..<br \/>\n\u2014 Waarom is het zwaar voor je?.. Is het ook zwaar bij mij?.. Is het met mij verdrietig, Tsjipka?<br \/>\n\u2014 Nee\u2026 nee, Halja!.. Bij jou ben ik vrolijk\u2026 bij jou voel ik me licht\u2026 Als mijn moeder en schoonmoeder maar niet ruzieden, als zij in vrede leefden\u2026 Maar elke dag strijd, elke dag ruzie\u2026<br \/>\n\u2014 Ben ik daar schuldig aan, Tsjipka? Ik zou zelf willen dat zij zich verzoenden\u2026 Maar zie je\u2026 ik kan er niets aan doen! Zo is hun aard: geen van beiden wil ook maar een beetje toegeven.<br \/>\n\u2014 O nee\u2026 nee, Halja, dat is het niet\u2026 Ik ben bang dat ik jouw leven niet zal bederven, \u2014 fluisterde Tsjipka plots over een ander onderwerp. \u2014 Ik zou de helft van mijn leven geven, als jij gelukkig was\u2026 Maar zie: er is geen geluk, geen goedheid! Van jongs af heeft een soort ongeluk mij omhuld, van jongs af heeft het zich aan mij vastgeklampt, ik kan het niet afschudden of wegwerken! Als een duivel is het in mijn ziel gekropen en het verstikt mij, verstoort mij en brengt alles in verwarring\u2026 Kijk \u2014 mijn oude gezelschap (ik heb ze onlangs gezien) \u2014 is vrolijk en gelukkig\u2026<br \/>\nHalja begreep waar de wind vandaan waaide en waarheen hij zich wendde\u2026 Zij zag dat Tsjipka steeds verder van haar verwijderd raakte; zij voelde \u2014 haar hart vertelde haar de waarheid \u2014 dat zij hem niet meer bij zich kon houden, dat het eenvoudige leven hem tegenstond en hem niet meer kon bevredigen\u2026<br \/>\nEn zij huilde stilletjes, heimelijk voor Tsjipka. Zij dacht terug aan haar recente geluk, bekeek het opnieuw, zonder de eerste vurige passie die haar vroeger niet helder naar hun leven had laten kijken, zij bekeek het nu als een buitenstaander. Na zulke overwegingen en zelfonderzoek werd zij bang voor haar eigen gedachten\u2026 Zij was inderdaad niet gelukkig en had ook Tsjipka geen geluk gebracht: zij was geen moeder \u2014 en zou zij dat ooit worden?!<br \/>\nEn knielend voor het icoon bad zij tot de Heilige Maagd om genade voor haar tranen\u2026<br \/>\nIntussen werd Tsjipka steeds somberder, bozer en ongeduldiger\u2026<br \/>\n\u2014 Tsjipka, als het je tegenstaat zo te leven, nodig dan eens je kameraden uit en ga met hen wat uit; misschien verdrijft dat je droefheid een beetje, \u2014 zei Halja eens, toen zij zag dat het slecht met hem ging.<br \/>\nZij wilde als een stille engel-redster in dat gezelschap binnentreden, de verharde, ruwe zielen en de dronken hoofden liefde voor mensen bijbrengen, voor hun vredige gewoonten, voor een eenmaal gevestigde rustige levenswijze. Maar helaas! Die verharde zielen moesten ergens hun kracht kwijt, die zich verzette, naar vrijheid brak, de gewoonten overschreed en zich verdronk in uitgelatenheid en wodka; de dronken hoofden verlangden naar wilde, ongebreidelde willekeur die nergens rem, verbod of beperking kende, luidruchtig en woest als de roes zelf\u2026 Zij waren niet op het vertrapte pad van een rustig, onbewogen leven te brengen! Niet met haar zachte, tot vrede en stil geluk geneigde natuur, niet met haar vrouwelijke, fijne en buigzame verstand kon men die toren van harde wil neerhalen\u2026 Daarvoor was geen vrouwelijk hart nodig, dat liefheeft en warm is, maar een massieve, koude steen die door geen vonk van liefde gesmolten of verwarmd wordt\u2026 Die wil kon men niet overwinnen met een zwakke vrouwenhand.<br \/>\nHalja zag dat zij, met Tsjipka, als een vis in een net was terechtgekomen en\u2026 verstrikt raakte\u2026 Zij begon zich te wringen, te worstelen, te beven\u2026 Ze schoot als een kleine vis door het eerste gat en kwam in het vrije water\u2026 maar Tsjipka bleef in het net!\u2026 Zij treurde om hem, was bedroefd, huilde. Maar hij hoorde en zag dat niet meer. Hij zong nu alleen nog over menselijke onrechtvaardigheid; vervloekte het zemstvo-bestuur dat hem niet in handen was gevallen; schold op de uitbuiting, die alle arme mensen vervloekten; hij leed met de lijfeigenen, wekte in hen medelijden op dat zij bedrogen waren, dat men hen slechte, ongeschikte grond had gegeven; hij hielp hen met geld wanneer belastinginners voor de hoofdelijke belasting kwamen; hij feestte met hen, en soms, met dronken ogen, riep hij dat het tijd was om te straffen\u2026<br \/>\nEn wanneer hij naar huis kwam, drukte hij met dronken armen zijn Halja tegen zijn dronken hart, zonder de brandende tranen in haar ogen en de droefheid op haar vermagerde gezicht op te merken\u2026<br \/>\nEr kwamen andere tijden, andere gewoonten in Tsjipka\u2019s huis. Van een vriendelijke en stille woning met een rustig gezinsleven werd het nu een verzamelplaats van dronken feesten, woest gelach en gezang\u2026 Javdocha, die van jongs af aan aan feesten gewend was, herinnerde zich die op haar oude dag en hielp haar schoonzoon bij zijn plannen.<br \/>\nOp zaterdag, v\u00f3\u00f3r zondag, of op feestdagen kwamen Tsjipka\u2019s oude kameraden langs: Loesjnja, Patsjoek en Matnja. Er kwam een kruik wodka en allerlei eten. Javdocha zorgde voor alles. Halja verstopte zich ergens in een hoek, zat zwijgend en keek hoe haar man feestte en luisterde naar wat zijn kameraden vertelden. Motrja klom zelfs op de kachel om dat alles maar niet te hoeven zien\u2026<br \/>\nTsjipka zat met het gezelschap aan tafel: het glas vloog van hand tot hand, bedwelmde hun hoofden; geroep, gezang en gelach vulden het hele huis en braken door de ramen naar buiten\u2026 Soms begon iemand verhalen te vertellen over zijn omzwervingen. Javdocha luisterde, lachte en was blij; Halja werd verdrietig; Motrja spuugde zwijgend op de kachel\u2026 \u201cKon de dood maar sneller komen,\u201d dacht zij, \u201czodat ik dit niet hoef te horen of zien!\u201d<br \/>\nHet meest vertelde Loesjnja. Zoals muziek, wanneer de strijkstok over de snaren gaat en zij dan spreken \u2014 soms luid en vrolijk, soms treurig en klagend \u2014 zo speelde hij met zijn tong op de menselijke ziel. Wanneer hij het ene vertelde, grepen allen zich lachend aan de buik; begon hij iets anders, dan drukte het medelijden het hart als een steen en kwamen er tranen in de ogen\u2026<br \/>\nMeestal herinnerde hij zich zijn jonge leven en zijn moeder. Dan begon hij bijvoorbeeld:<br \/>\n\u2014 Mijn moeder leerde mij al van jongs af aan stelen. Ze zette mij, toen ik klein was, naast zich neer, legde een stuk brood voor me en zei dat ik het van haar moest stelen zonder dat ze het zag. Als ze het merkte, begon ze meteen te slaan\u2026 Ze had een rode, soepele tak in haar handen, die zo floot in de lucht\u2026 Ik probeerde me dan naar links en rechts te draaien\u2026 als ze het zag, sloeg ze met de tak op mijn hand, zodat er een blauwe streep, als een bloedzuiger, rond mijn arm kwam. Ik schreeuwde uit alle macht en riep: \u201cMammie!\u201d en \u201cduifje!\u201d \u201cIk zal niet meer\u2026 ik zal niet meer!\u201d Ik omhelsde haar\u2026 met \u00e9\u00e9n hand boog ik haar hoofd naar mijn nek, en met de andere had ik het stuk brood al in mijn boezem gestoken. Als zij zich omdraaide, was het brood weg\u2026 Dan kreeg ik medelijden en gaf ze mij te eten. Anders zou je de hele dag niet eten\u2026<br \/>\n\u2014 Er was ooit ook waarheid in dat alles! \u2014 zei Halja treurig, terwijl ze haar hoofd schudde.<br \/>\n\u2014 Dat zweer ik op mijn kruis, als het niet waar is! \u2014 vervolgde hij. \u2014 En daarna zei ze: \u201cDenk niet, zoon, dat ik je zomaar sla; ik leer je voor je eigen goed. Als je groot wordt, zul je mij dankbaar zijn\u2026 Stal altijd waar het gemakkelijk ligt\u2026 En bij een heer, zoek het goed uit en steel het!\u201d<br \/>\n\u2014 Want de heer heeft van de mensen afgepakt, \u2014 wierp Tsjipka ertussen\u2026 \u2014 Neem van de heer terug wat van jou is\u2026<br \/>\n\u2014 Ja\u2026 De heer nam alles van de mensen, en hij nam ook mensen zelf\u2026 Mijn moeder bijvoorbeeld, hij nam haar ook! Maar dank hem, hij liet mij op de wereld komen\u2026<br \/>\nEn hij begon te vertellen hoe zijn moeder naar het hof werd gebracht, in de kamers van de heer, hoe ze bang was totdat ze de heer beter leerde kennen, hoe de heer blij was toen zij hem kreeg, \u201cTimosjka \u2014 een flinke jongen\u2026\u201d.<br \/>\n\u2014 De heer was blij \u2014 blij met mij en met mijn moeder\u2026 hij hield ons in de kamers en liet ons nergens heen gaan. Soms streelde hij mij, wiegde mij. Toen ik begon te leren lopen, gaf hij mij altijd peperkoek en snoep en gaf hij mij geldstukken. Mijn moeder keek en was blij. En toen was zij zo goed voor mij! Ze gaf mij thee te drinken; legde mij in de herenveren bedden; wikkelde mij in warme dekens; boog zich over mij, en keek lang, heel lang, en kuste mij daarna nog langer\u2026 Luxe was dat voor mij!<br \/>\nToen kwam de zoon van de heer thuis van school: hij was in opleiding, maar werd van school gestuurd. Toen hij dat zag, riep hij: \u201cWeg! Weg van het erf, dat ik je niet meer zie!\u201d Er ontstond dagelijkse ruzie en scheldpartij tussen hen. Mijn moeder huilde elke dag en verborg mij voor de jonge heer\u2026 Ons geluk werd plotseling verbroken! De oude heer leed en werd grijs, viel af, zag er slecht uit en begon alles te verwaarlozen\u2026<br \/>\nHij stond soms vroeg in de ochtend op, op een moment dat zijn zoon nog sliep, en ging naar de sleutelbewaarder Jakym. Jakym kreeg de opdracht: zodra hij zag dat de heer naar de schuur bij de smid liep, moest hij onmiddellijk naar haar rennen en het zeggen\u2026<br \/>\nDan kwam hij naar Jakym: \u201cJakym! mijn duif! Ik zal je mijn oude vest geven, maar zwijg, zeg niets!\u201d Jakym keek naar hem en kreeg medelijden met de oude heer, die vroeger alles bestuurde, zelfs Jakym zelf, maar nu gebogen voor hem stond, beefde en zo smekend vroeg\u2026 \u201cGa maar,\u201d zei hij, \u201cmaar blijf niet lang, want de jongeren zullen spoedig opstaan\u2026\u201d<br \/>\nDan kwam hij op zijn tenen naar ons: \u201cWaar is je moeder?\u201d vroeg hij mij. \u201cIn de tuin,\u201d of waar dan ook, antwoordde ik. \u201cGa haar roepen.\u201d En hij stopte een muntje in mijn hand. Ik sprong dan op \u00e9\u00e9n been.<br \/>\nMijn moeder kwam; hij zat tegenover haar, keek en herinnerde zich het verleden en huilde, klagend over zijn zoon en schoondochter. \u201cDe adellijke stand schendt men,\u201d zeiden ze. \u201cDwazen! Wat voor adel is dat, als ik niet goed kan leven, als ik nergens vrijheid heb? Eerst wilde ik je belonen: je land geven, een huis bouwen, grond geven en je vrijlaten voor je dienst\u2026 Maar nu \u2014 kan het niet\u2026 het is mij niet toegestaan\u2026 nergens is vrijheid voor mij\u2026\u201d<br \/>\nDan legde hij zijn hoofd op tafel en huilde. Mijn moeder keek naar hem en huilde ook\u2026 En ik, toen, kneep mijn ogen samen in een hoekje en dacht stilletjes: waarom huilen zij allebei?<br \/>\nMaar de oude heer leefde daarna niet lang meer. Hij werd bedroefd en stierf. Toen mijn moeder het hoorde, treurde ze een hele week als een waanzinnige, met een vreemde stem, en mij sloeg ze een maand lang, God weet waarom\u2026<br \/>\nSpoedig werden wij weer naar de keuken gebracht: mijn moeder moest toezicht houden op het gevogelte en ik bleef bij haar\u2026 En in de keuken was armoede\u2026 honger en koude!<br \/>\nMijn moeder begon allerlei dingen te stelen: een beetje vet nam ze mee en gaf het aan mij, of een stuk lever of maag van een gebraden eend\u2026 Men betrapte haar eens op diefstal, sleurde haar mee en sloeg haar als een kat \u2014 ze kon nauwelijks opstaan\u2026<br \/>\nMaar zij had geen berouw en liet haar werk niet varen\u2026 en begon ook mij te leren. En, God weet, zij heeft mij toch geleerd!<br \/>\nJavdocha luistert naar zulke verhalen en prijst de \u201cgoede jongen\u201d omdat hij de les niet vergeten is. Halja zit treurig en bedrukt: ze heeft medelijden met de oude heer, medelijden met Loesjnja\u2019s moeder, en is bang voor zulke slavernij\u2026 En Motrja op de kachel maakt zich zorgen dat haar zoon met zulk gezelschap omgaat; zij fluistert zacht: \u201cGod, hoe kan zo\u2019n kind op de wereld geboren worden\u2026 zo tegen zijn moeder samenspannen?! Men zegt: hij heeft geen God in zijn hart\u2026 een Herodes!\u201d<br \/>\nEn Loesjnja, omdat hij goed kan praten, trakteert het gezelschap en zegt: \u201cGezondheid voor de heren, moge zij ons vee bezorgen!\u201d<br \/>\n\u2014 Maar zij zijn zelf vergaan! \u2014 besluit Patsjoek.<br \/>\nSoms kwam ook Hrytsjko naar die bijeenkomsten. Maar zulke drinkgelagen lagen hem niet, vooral die scherpe steken die Loesjnja of iemand anders hem vaak in het hart joeg.<br \/>\n\u2014 En wat, Hrytsjko, heeft de tarwe goed opgebracht? \u2014 begon Loesjnja soms van ver, zinspelend op Hrytsjko\u2019s voortdurende klachten.<br \/>\nHrytsjko zweeg, alsof het niet tot hem gericht was.<br \/>\n\u2014 Jammer! \u2014 antwoordde Patsjoek in zijn plaats, \u2014 nu zijn er zulke jaren dat de tarwe niet groeit\u2026<br \/>\n\u2014 Waarom groeit ze niet? \u2014 snauwde Hrytsjko. \u2014 Bij iemand zoals jij groeit ze niet, want de duivel heeft daar grond om te groeien\u2026 Ga jij het soms in je mond zaaien?<br \/>\n\u2014 Nee, Hrytsjko, \u2014 zei Loesjnja weer \u2014 nu is de aarde zelf zo geworden dat er zelfs op de grond niets groeit! Je giet haar nat met zweet, je smeekt met tranen: \u201cBreng vrucht, vochtige aarde!\u201d Maar zij, de duivelse, is doof en stom: hoort niet en brengt geen vrucht!<br \/>\n\u2014 Dan hebben de mensen reden om over haar te klagen, \u2014 ondersteunt Patsjoek. \u2014 Maar tot wie kun je over de aarde klagen?.. Soms zie je een rijke vriend of een peetoom \u2014 je klaagt bij hem \u2014 misschien heeft hij medelijden\u2026<br \/>\n\u2014 Weet je, Hrytsjko, \u2014 mengt zich de gezwollen Matnja in, \u2014 waarom het bij jou niet groeit? Niet omdat het geplant is \u2014 nee! God straft je\u2026 Je had toen het Tsjipka\u2019s graan niet zomaar moeten nemen\u2026<br \/>\nHrytsjko zit als op gloeiende kolen. Hij zou willen antwoorden, maar is bang ruzie te veroorzaken, vooral met zulke raddraaiers. En trouwens, Tsjipka verdedigde hem altijd en liet Hrytsjko niet beledigen.<br \/>\nZo gingen die venijnige grappen voorbij, totdat Tsjipka tijdens het gezelschapsgedruis honderd roebel aan Hrytsjko schonk voor het doopkind.<br \/>\n\u2014 Nu, Hrytsjko, weet je wat je nog te doen staat? \u2014 zei Loesjnja.<br \/>\n\u2014 Wat? \u2014 vroeg de blij verraste Hrytsjko.<br \/>\n\u2014 Nu hoef je geen graan meer te verbouwen \u2014 de aarde brengt toch geen vrucht \u2014 maar blijf maar rond Chrystja toveren: laat zij elke maand een kind krijgen! Tsjipka is een goede man: hij zal voor ieder peetoom zijn\u2026<br \/>\n\u2014 Vertel dat maar aan je kale vader! \u2014 snauwde Hrytsjko.<br \/>\n\u2014 Ha, bij God, je hebt goed geraden dat hij kaal is\u2026 Ik zou hem dat met plezier zelf zeggen, maar jammer dat hij dood is! Maar wat zou het helpen als ik het hem zei? Hij liet mij toch niets na \u2014 alleen mijzelf\u2026 Wat zou het geweest zijn als mijn moeder elke maand zo iemand als ik had gebaard!<br \/>\n\u2014 Dan zouden jullie elkaar opeten\u2026 tot jullie verstikten, \u2014 razend zei Hrytsjko.<br \/>\n\u2014 Misschien zouden we elkaar opeten, dat kan waar zijn\u2026 maar dan zouden we tenminste niet het brood en geld van anderen eten!<br \/>\n\u2014 Wat dan? Heb ik Tsjipka soms om iets gevraagd? \u2014 schreeuwde Hrytsjko, opgewonden. \u2014 Ben ik voor hem op mijn knie\u00ebn gekropen?.. Zijn goedheid was zijn eigen wil, en voor jou \u2014 niets! Het is mijn zaak niet!<br \/>\n\u2014 Nou, God zij met je. Ik raad alleen maar\u2026 Als je het niet wilt \u2014 moge je Chrystja nooit \u00e9\u00e9n kind baren\u2026 Wat kan mij dat schelen? Ik zeg alleen: als het vaker was, zou het nuttiger zijn!<br \/>\n\u2014 Nee, Tsjipka, ik kan door jouw gezelschap niet bij je komen, \u2014 klaagde Hrytsjko toen Tsjipka uit het bijkamertje, waar hij wodka haalde, de kamer in kwam.<br \/>\n\u2014 Hoe zo? \u2014 vroeg Tsjipka.<br \/>\nHrytsjko vertelt het hem. Loesjnja maakt zich goed en gooit er tussendoor, tussen het rustige praten door, toch weer een venijnige steek in. De anderen grijpen zich lachend de zijden vast. Tsjipka probeert de vrede te bewaren, trakteert hen. Hrytsjko wordt dan een beetje rustiger, blijft nog even zitten, drinkt nog een glas, maar haast zich snel weer naar huis.<br \/>\nSindsdien bleef hij weg van Tsjipka\u2019s huis; hij zei ook tegen Chrystja dat ze er niet moest komen. Toch glipte zij soms even stil weg om haar peetmoeder en Motrja te bezoeken: Javdocha en Chrystja mochten elkaar niet.<br \/>\nMen zegt dat wodka de dief van al het kwaad is. Maar in Tsjipka\u2019s huis was nu de wodka de baas. Zelden ging er een dag voorbij zonder dat er een dronken gezelschap bijeenkwam, lawaai maakte en schreeuwde\u2026 En als het geen feest was, dan was er vrouwenruzie: de moeders beten elkaar als het ware\u2026 Zo\u2019n herrie was voor Tsjipka erger dan alsem. Hij begon zijn ziel te zoeten met feest en drank\u2026 Zonder drinken werd het hem saai en somber. Soms dwaalde hij door de hof van het huis naar de poort, van de poort naar het huis, nors, opvliegend, als iemand van het kruis gehaald, de hele dag hoorde je geen woord van hem\u2026 Maar zodra \u2019s avonds het gezelschap kwam en de kruik verscheen, was het verstand weg! Ze aten, dronken, vierden feest en vertrokken weer\u2026 en Tsjipka ging met hen mee! En voor het ochtendgloren brachten ze een volle wagen met allerlei spullen mee\u2026<br \/>\n\u2014 Wat doe je toch, zoon? \u2014 verweet Motrja hem huilend, terwijl haar hart bijna brak van verdriet. \u2014 Anderen verdienen met bloed en zweet, en jij\u2026 Zoon, zoon! Vrees God, als je geen angst hebt voor mensen! Denk eraan in welke armoede we leefden, in welke nood we wegkwijnden, en niemand zal een kwaad woord over ons zeggen\u2026 En nu is er overvloed\u2026<br \/>\n\u2014 Dat is uw zaak niet! \u2014 onderbrak Tsjipka haar scherp. \u2014 Blijf daar maar op de kachel liggen, als u wilt liggen!\u2026<br \/>\nMotrja zuchtte, overgoot zich met hete tranen en zweeg. Ze werd er zelfs ziek van, werd zwart van verdriet\u2026 Haar eigen kind, haar enige hoop\u2026 \u201cHad ik je maar niet gebaard, of je als klein kind maar verstikt, liever dan dit nu te zien!\u201d En zij begon het gezelschap te vervloeken dat haar zoon zo ver leidde.<br \/>\nJavdocha hoorde en zag dit, maar ging met opzet tegen Motrja in: ze moedigde Tsjipka aan, verwelkomde zijn kameraden. Omdat zij haar hele leven zo had geleefd, was zij eraan gewend geraakt en verheugde zich in elk succes, hielp bij roversplannen\u2026<br \/>\nTsjipka werd elke dag roofzuchtiger. Als een wild dier viel hij aan op elke welgestelde man\u2026 Eerst \u201cstrafte\u201d hij alleen de heer en de jood, maar daarna begon hij ook \u201chet zijne terug te nemen\u201d van zijn eigen broeders, de rijke kozakken: hij beroofde hen als een linde die wordt uitgeknepen, liet alleen een levende ziel over.<br \/>\nHalja zag, hoewel men het voor haar verborgen hield, alles toch wel, maar had niet de kracht iets te veranderen\u2026 Zij verzette zich met tranen. \u201cOok mij zal het zo vergaan als moeder,\u201d dacht zij \u2019s nachts alleen, als Tsjipka weg was. \u201cBen ik dan ook zo geboren, of ben ik zo geworden door een huwelijk als dit? O mijn ellende! Het lijkt wel dat ook mij geen beter lot is beschoren: een roversdochter, en ook een roversvrouw! Heer!\u201d En Tsjipka leek haar afschuwelijk en gevaarlijk; zij was dan bang voor hem\u2026 Maar wanneer op een goede dag het goed in zijn hart wakker werd, bekende hij zich aan Halja, omhelsde en streelde haar, dan geloofde zij niet meer wat zij gisteren had gedacht. \u201cNee\u2026 een rover kan zo lief niet strelen, zo oprecht niet omhelzen, zo warm kussen\u2026 Nee! Mijn Tsjipka is geen rover\u2026 Nee\u2026 nee! Hij is lief, goed\u2026 Hij straft onrecht\u2026 straft? Wie heeft hem bevolen te straffen?.. Wie?? Nee, hij doet zo niet!\u2026\u201d En zij dronk geluk in, al was het schuchter en angstig, toch geluk\u2026<br \/>\nEn Javdocha bleef met Motrja ruzi\u00ebn en liet haar niet met rust. Zij kwam in haar huis, draaide alles om, schold haar uit. Eerst beet Motrja terug en zweeg niet, maar toen zij zag dat Tsjipka zijn schoonmoeder steunde en zijn oude moeder krenkte, zei zij bij zichzelf: \u201cHerodes\u2019 geslacht! Jij hebt mijn geluk gestolen en mijn hoop bespot!\u201d En toen zij zweeg, zweeg zij ook verder, wat Javdocha ook zei of deed. Alleen, haar door ellende en jaren doorploegde wangen overstromend met tranen, bad zij God om de dood. \u201cHeer! \u2014 zei zij vaak \u2014 neem mij, ongelukkige, tot U! Hoe lang moet ik nog op aarde lijden?\u201d<br \/>\nMotrja dacht aan de dood, keek ernaar uit, verwachtte haar, maar het gebeurde dat Javdocha onverwacht stierf. Op een zondag, na het middageten, kreeg zij plots een beroerte. Zij werd benauwd, het drukte onder het hart, de borst werd samengeperst, de adem werd weggeduwd\u2026<br \/>\n\u2014 O, ellende\u2026 ik sterf! \u2014 schreeuwde Javdocha en gaf de geest.<br \/>\nHalja liep rond alsof ze tegen de hoek was geslagen. Bleek, met rode, gehuilde ogen merkte ze niet eens dat haar haar onder haar muts was losgeraakt; zo verward dwaalde ze rond, haar witte handen wringend, luid jammerend door het hele huis\u2026 En toch \u2014 vanmorgen was Javdocha nog zo vrolijk geweest, had ze gelachen en gekheid gemaakt; en tegen de avond lag er een lichaam, zonder adem, van haar\u2026 Angstig en zwaar was het! Tsjipka dwaalde rond als een stumpersman, wist niet wat te beginnen: Halja troosten of bij de dode orde op zaken stellen\u2026 Alleen Motrja bleef bij haar verstand. Niet dat zij blij was \u2014 nee! Zij had medelijden met Javdocha; zij zag hierin Gods straf. \u201cEn nu is zij gestorven, zonder biecht, zonder heilige communie\u2026 vergeef, Heer, als\u2026\u201d Maar zij rouwde niet al te zeer\u2026 En voor Tsjipka was zij blij. \u201cMisschien laat hij het nu\u2026 nu zal er niemand zijn die hem ophitst\u2026 misschien komt hij tot bezinning\u2026\u201d<br \/>\nOp de derde dag nadat Javdocha begraven was, richtte Tsjipka een luidruchtige dodenmaaltijd voor zijn schoonmoeder aan. Mensen kwamen niet alleen uit Pisky, maar ook van de gehuchten. En bedelaars\u2026 zo veel als bij de grotten van het Lavra! De mensen aten in huis; voor de bedelaars werden banken in de hof geplaatst. Er werden grote ketels met allerlei eten gekookt: Tsjipka slachtte voor de herdenking een varken, drie schapen en een grote oskalf. En wodka \u2014 als water \u2014 vloeide ter nagedachtenis aan haar ziel in het hemelrijk\u2026<br \/>\nNa het middagmaal deelde Motrja aan de bedelaars stukjes brood uit in hun zak, en Tsjipka gaf elk zeven kopeken in de hand.<br \/>\nDe volgende dag spande Tsjipka de paarden in en reed weg zonder te zeggen waarheen. E\u00e9n dag, twee dagen was hij weg\u2026 En op de derde nacht keerde hij terug, met volle wagens beladen met allerlei goederen. Motrja schreeuwde het uit toen ze het zag. Haar hart kon het niet verdragen; ze begon haar zoon en zijn kameraden te berispen en te beschamen. Zij zwegen niet op de verwijten en kregen ruzie met Motrja. Ook Tsjipka mengde zich erin. Er ontstond geschreeuw en herrie\u2026 Halja werd bang, sloot zich op in haar kamertje. Loesjnja raakte opgewonden, schreeuwde; Motrja schold op haar beurt; hij sloeg haar muts van het hoofd.<br \/>\nArme moeder! \u201cIn mijn eigen huis\u2026 een landloper\u2026 een rover\u2026\u201d Zij kon het niet uitspreken en barstte in bittere tranen uit.<br \/>\nDe volgende ochtend ging zij klagen bij het dorpsbestuur, niet over diefstal, maar omdat haar \u201clandloper\u201d haar had geslagen\u2026 Daarom zweeg zij: zij was bang voor haar eigen kind. De dorpswachters kwamen het huis binnen, waar juist een drinkgelag aan de gang was. Tsjipka ging meteen op hen af. Hij liet zo veel drinken dat zij nauwelijks op handen en knie\u00ebn naar huis konden kruipen. Daarmee eindigde Motrja\u2019s klacht. Maar toen de dorpswachters weg waren, werd Tsjipka als vuur; in dronken woede schold hij zijn moeder uit voor \u201cteef\u201d en dreigde haar te slaan\u2026<br \/>\nDe arme moederlijke ziel! \u201cIn mijn eigen huis\u2026 een zwerver\u2026 een roversman\u2026\u201d<br \/>\nZij maakte haar zin niet af en liet bittere tranen vloeien.<br \/>\n\u2019s Morgens ging zij klagen bij de gemeente.<br \/>\nEn Tsjipka bleef weer zitten, hij dronk en feestte met zijn kameraden.<br \/>\n\u2014 Nou! \u2014 schreeuwde Loesjnja \u2014 jij zult nooit een moeder hebben zoals Javdocha was! Dat was een echte moeder; maar die van jou is een hond, geen moeder! Kijk maar uit, misschien heeft zij Javdocha wel uit de wereld geholpen\u2026<br \/>\nDie woorden klonken iedereen angstig in de oren. \u201cInderdaad, zou het zo zijn?\u201d dacht ieder. \u201cKijk eens: vanmorgen was zij nog levend en vrolijk, en tegen de avond bleef alleen een lichaam over, en dat verstijfde nog ook\u2026\u201d<br \/>\n\u2014 Inderdaad?! \u2014 schreeuwde Tsjipka. Zijn hart draaide zich om\u2026 Als zijn moeder voor hem had gestaan, had hij haar misschien meteen gedood.<br \/>\nHalja, in haar kamertje zittend, huilde bitter. Toen zij dit door de muur hoorde, sprong zij meteen op, haar gedachten raakten verward\u2026 \u201cEn inderdaad?..\u201d<br \/>\nEn alsof er een wind door haar hart streek. Toch liet haar ziel zich niet door die wind meeslepen. \u201cNee, nee,\u201d fluisterde Halja, \u201calleen een slecht hart kan zoiets herinneren\u2026 Mijn schoonmoeder heeft de waarheid gezegd: God heeft haar gestraft voor zo\u2019n leven. Nee, Motrja is geen slecht mens\u2026\u201d En Halja joeg de kwade gedachte van zich af als een lastige vlieg.<br \/>\nToen de dronken bende uiteenging, kwam Tsjipka in het kamertje. Halja kon zich niet bedwingen, viel tegen hem uit, berispte, schold en huilde\u2026<br \/>\n\u2014 Tsjipka, Tsjipka! Had ik dit van jou verwacht? Had ik dit ooit gedacht? Je hebt je eigen moeder prijsgegeven aan een landloper, een struikrover\u2026 Zelfs een dier zou zoiets niet doen als jij hebt gedaan, jij rover en wilde bandiet!\u2026<br \/>\n\u2014 Jij hebt gehoord wat Loesjnja zei? \u2014 vroeg hij dreigend aan zijn vrouw.<br \/>\n\u2014 Loesjnja?.. Loesjnja\u2026 Als er een hart was dat de waarheid nooit heeft verwarmd, dan was het het hart van Timofij. Als er een tong was die niet verhard was door leugens die zelfs geen naam hebben, dan was het de tong van Timofij! Een teef, geen vrouw, zo\u2019n kerel als Loesjnja kan alleen zo worden voortgebracht! En jij gelooft hem? Jij luistert naar hem?\u2026<br \/>\n\u2014 Ben je soms bang voor het geroddel van mensen? Ik zou hun gepraat willen verachten!.. En hen samen met hun gepraat!<br \/>\n\u2014 Niet het gepraat, Tsjipka, niet de eer, \u2014 onderbrak Halja hem, \u2014 al is het onaangenaam om daarnaar te luisteren, \u2014 maar de waarheid, die jij zo liefhebt en tegelijk veracht\u2026 En je zegt nog: er is geen waarheid onder de mensen! Maar waar is jouw waarheid?.. Waar?..<br \/>\nDe laatste woorden troffen Tsjipka Varenytsjenko als een scherp mes recht in het hart.<br \/>\n\u2014 Jij beschuldigt mij altijd. Jij gaat altijd tegen mij in! \u2014 schreeuwde hij, het huis uitlopend en de deur dichtslaand. De hele nacht dwaalde hij door de hof, en Halja huilde de hele nacht bitter door.<br \/>\nDe volgende dag ging er door het dorp het gerucht dat Tsjipka zijn moeder bijna het erf had uitgejaagd.<br \/>\n\u2014 Toen zij brood met kaf at, was alles goed; maar toen zij op witte broden overging, begon het in haar neus te prikken: ze ging klagen over haar zoon!! \u2014 beschuldigden sommigen Motrja.<br \/>\n\u2014 Wat voor zoon is hij? Wat voor zoon is hij, als hij toestond dat zijn eigen moeder door een landloper werd geslagen?! \u2014 namen anderen Motrja in bescherming.<br \/>\nDoor deze vernedering, de zware schok en de onrust werd Motrja ziek; ze moest in bed blijven, at en dronk niet, keek dof met haar ogen\u2026 Halja zorgde voor de zieke alsof het haar eigen moeder was. Ze liet waarzegsters komen, die fluisterden, zuchtten, een of ander kruidengif gaven en Motrja nauwelijks weer op de been hielpen.<br \/>\n\u2014 Halja! \u2014 zei zij, \u2014 ik voel weer dat ik opknap\u2026 het wordt weer lichter voor mij\u2026 Waarom?.. Ik bad tot God om te mogen sterven\u2026 Het zou beter zijn voor mij in het andere leven dan hier\u2026 Maar God geeft mij de dood niet\u2026 Zijn heilige wil is het\u2026 Hij weet waarom Hij mij nog laat leven. Misschien houdt Hij mij in leven tot Tsjipka tot bezinning komt, zodat ik hem kan zien als mijn eigen kind, als mijn zoon\u2026 Halja! mijn kind!.. mijn dierbare! Jij bent mij nu het allernaast\u2026 Spreek met hem als vrouw: hij respecteert en houdt oprecht van je \u2014 misschien zal hij naar jou luisteren als hij al niet naar mij wil luisteren\u2026 God! wat zou ik geven, wat zou ik doen?.. Ik zou mijn eigen hart openscheuren en het hem geven, als hij maar een mens werd. Dan kon ik rustig sterven. Maar nu?..<br \/>\nEn schoonmoeder en schoondochter huilden overvloedig.<\/p>\n<p>XXX ZO IS DAT DE WAARHEID!<br \/>\nHet was een strenge winter. Mensen hadden nog nooit zo\u2019n koude en sneeuwrijke winter meegemaakt. Veel mensen zijn toen doodgevroren \u2014 gevangen in een woeste sneeuwstorm, bedolven en ondergesneeuwd; daar hebben zij hun ziel aan God gegeven. In de lente droeg het water langs de rivieren bevroren lijken mee, en anderen werden midden op het veld door wolven opgegeten.<br \/>\nTegen de winter was Motrja helemaal hersteld. Ze zat wol te spinnen, terwijl Halja of naaide, of ook zelf aan het spinnewiel zat. In hun huis was het stil en warm, het zou ook vredig geweest zijn, als er geen nevel voor ieders ogen hing en er geen zware, drukkende lucht door de kamer hing. Zo zaten ze in het heldere schijnsel van de kaars \u2014 stil, droevig, zwijgend; alleen hun schaduwen bewogen over de muren, en men hoorde hoe het spinnewiel bromde en een soort droefheid bracht, een slaperige droom opriep.<br \/>\nIn hun ziel leefde bittere somberheid; een zware weemoed drukte op hun hart en verdrietige gedachten omhulden hun hoofd. Soms rolde er een diepe zucht door de kamer; de draad brak en het gerommel van het spinnewiel verstomde even totdat Halja het weer in orde bracht; of het kluwen viel uit de handen van Motrja en sloeg dof op de bank, waardoor de stille droefheid werd verstoord. Slechts zelden ontsnapte er een levend woord, dat door de kamer ging als een verschrikkelijke geest en schrikte zowel verdriet als stilte op, om daarna zonder echo te verstommen.<br \/>\nTsjipka Varenytsjenko voelde zich ellendig zonder gezelschap. Als hij ging liggen, was het benauwd; als hij opstond, voelde hij koude leegte. Soms luisterde hij naar de verhalen van zijn moeder over haar jeugd, en dan verschenen voor zijn ogen de kindertijd, de grijze grootmoeder, de grootvader, de steppe, de schapen\u2026 \u201cGelukkig was ik toen!\u201d dacht hij en wist niet waar hij zichzelf nu moest laten.<br \/>\nDe nacht stond buiten als een verwarde geest; een verschrikkelijke sneeuwstorm raasde. De koude was zo sterk dat het angstig was zelfs de neus buiten het huis te steken; de vorst drong het huis binnen en bedekte de ruiten met ijsbloemen. In de schoorsteen loeide en huilde de storm als een hongerig beest, terwijl hij sneeuw in de ramen wierp alsof iemand van buiten tegen het huis probeerde te breken.<br \/>\nHalja en Motrja zaten zwijgend te spinnen. Bij elk van hen lag een zware last op het hart, zodat zij voorovergebogen zaten boven hun werk. Tsjipka lag op de bank, het hoofd omhoog, en staarde zwijgend naar het plafond terwijl hij naar de waanzinnige geluiden van de woedende wind luisterde. De kaars op het driepootje brandde zwak; de lont verkoolde voortdurend en werd telkens weer opgetrokken door Motrja of Halja, die de vlam vervloekten omdat ze zo onbarmhartig hun vingers brandde.<br \/>\nTwee- of driemaal werd de kaars per ongeluk helemaal uitgeblazen, en dan klonk in het donker even een grap of een lach, alsof ze bang waren voor het licht. Want wanneer het licht weer werd aangestoken, leek het alsof het hun monden sloot; geen enkel woord ontsnapte nog, alsof er geen mensen zaten, maar slechts stille, dove schaduwen.<br \/>\nPlotseling, als een donderslag, klonk er lawaai bij het huis en begon iemand op het raam te kloppen. Tsjipka sprong op van de bank alsof iemand hem eraf had geslagen en ging snel naar buiten. Het grendelmechanisme klikte; stemmen en voetstappen klonken. Kort daarop bracht Tsjipka Loesjnja, Matnja, Patsjoek en nog een zevental onbekende mannen het huis binnen. Onder hen waren soldaten en gewone mensen.<br \/>\n\u2014 God! \u2014 fluisterde Motrja nauwelijks hoorbaar en verstijfde bij haar spinnewiel.<br \/>\n\u2014 Goedenavond in huis! \u2014 zei iemand.<br \/>\n\u2014 En jij, oude vrouw, ben je al hersteld? \u2014 vroeg Matnja aan Motrja. \u2014 Het is waar, het is al tijd dat je sterft. Kijk: geen tand meer in je mond, en je leeft nog steeds \u2014 je eet alleen maar brood voor niets!<br \/>\n\u2014 Blijf van mij af, slechte man! Waarom kom je in het huis van een ander spotten met een oude vrouw? \u2014 antwoordde Motrja bitter.<br \/>\n\u2014 Raak haar niet aan, Jakym, \u2014 zei Patsjoek, \u2014 zie je hoe ze haar tanden laat zien\u2026 ze zal je nog bijten!<br \/>\nDe bende van de opstandelingen barstte in lachen uit.<br \/>\nHet hart van Halja werd plots tegelijk door medelijden en belediging gegrepen; haar hart begon te beven.<br \/>\n\u2014 Is het dan zo dat goede mensen zo behandeld moeten worden?! \u2014 wierp zij dit vraagstuk scherp in het gezicht van het gezelschap.<br \/>\nHet gelach verstomde; allen sloegen de ogen neer. Alleen Halja keek scherp naar de ruwe gasten, het rood gloeide op haar wangen terwijl haar hart opsprong in haar borst en haar adem gejaagd ging. Zij was tegelijk boos en mooi in dat ogenblik. Zoals een wolvin die haar welpen beschermt, haar vacht opzet en slechts \u00e9\u00e9n beweging van de vijand afwacht om toe te springen: zo wachtte zij trots en minachtend nog op \u00e9\u00e9n woord\u2026 Maar er kwam geen woord.<br \/>\nTsjipka Varenytsjenko merkte de verborgen storm op en haastte zich te zeggen:<br \/>\n\u2014 Kom, broederheren, naar de voorkamer, want met vrouwen kun je hier geen bier brouwen\u2026 laat hen maar spinnen\u2026<br \/>\nZodra de gezellen het huis uit strompelden, gingen zij achter Tsjipka aan naar de voorkamer.<br \/>\nVoor Motrja werd het zo zwaar op het hart, zo bitter, dat zij niet op het spinrek kon blijven zitten; ze stond op, klom op de oven, ging liggen, en barstte in tranen uit.<br \/>\nHalja, alleen gebleven, dacht: \u201cWacht maar! Zodra je broeders weg zijn\u2026 dit is niet de eerste keer\u2026 wacht maar, vervloekten!\u201d \u2014 en zij was tegelijk boos op Tsjipka en op zijn gezelschap.<br \/>\nIn de voorkamer ging ondertussen de drank rond; de losbandige tongen werden nog vrijer, de verdwaasde hoofden werden beneveld door een ongebonden leven; gelach en lawaai vulden het huis en drongen woest door naar de kamer waar Motrja en Halja waren.<br \/>\n\u2014 Wat zegt u, aanvoerder? \u2014 wendde Loesjnja zich tot Tsjipka \u2014 in welke troebele wateren zullen we deze nacht ons net uitwerpen?<br \/>\n\u2014 Als het maar niet te ver is en er toch vis te vangen valt, \u2014 wierp Matnja, rood als na een bad, ertussen.<br \/>\n\u2014 Wij zijn met Petrus, \u2014 vervolgde Loesjnja, \u2014 van plan naar de hoeve van Chomenko te gaan.<br \/>\n\u2014 Het is daar ook niet veilig, \u2014 zei iemand uit de groep, \u2014 bij hem is zo\u2019n bewaking\u2026<br \/>\n\u2014 De waarheid is dat hij drie zonen heeft als beulen, \u2014 zei Loesjnja, \u2014 en hijzelf is zo\u2019n man die, nadat hij een touw heeft ingevet, zelfs een beer kan houden.<br \/>\nHij zei dit en wees op Sydir.<br \/>\n\u2014 Wat? \u2014 vroeg Tsjipka, die tot dan had gezwegen.<br \/>\nSydir haalde zwijgend een geweer onder zijn mantel vandaan en liet het aan Tsjipka zien. Deze keek somber en zei niets.<br \/>\nDe beker ging nog eenmaal rond; de ogen werden nog doffer.<br \/>\n\u2014 Als we gaan, broeders, dan is het nu tijd, \u2014 hield Loesjnja vol.<br \/>\n\u2014 Als het tijd is, dan gaan we, \u2014 antwoordde Tsjipka somber terwijl hij opstond.<br \/>\nNa hem stonden de anderen op. Ze dronken nog een afscheidsglas; gingen het huis uit. Tsjipka doofde het licht en volgde hen\u2026<br \/>\n\u201cKukeleku!\u201d \u2014 kraaide de haan op de roest, met klapperende vleugels. Allen schrokken.<br \/>\n\u2014 Vervloekte\u2026 je liet me schrikken! \u2014 zei Loesjnja.<br \/>\nHalja voelde dat de dronken bende was vertrokken. \u201cIs Tsjipka ook gegaan, of is hij nog in de voorkamer?\u201d dacht zij. Ze nam een kaars en ging naar de voorkamer.<br \/>\nIn de voorkamer was geen levende ziel. Op de tafel stonden een lege fles wodka, drie lege glazen en twee schalen met resten van pekel, blijkbaar waren er augurken geweest. Over de tafel was drank gemorst, broodkruimels lagen verspreid, hier en daar resten van gegeten augurken. Onder de tafel lag een lege veldfles, waarvan de trechter rammelde.<br \/>\nDe banken in de kamer waren verschoven: \u00e9\u00e9n langs de muur, \u00e9\u00e9n dwars. Er hing zoveel rook dat men nauwelijks kon ademen; het stonk vreselijk naar alcohol\u2026 Men kon zeggen: het was geen voorkamer van een rijke boer, maar een dronken herberg.<br \/>\nHalja kon het in de kamer niet lang uithouden, zo drukte de rook, vermengd met wodkalucht, op haar borst. Ze sloeg de deur dicht en ging naar haar kleine kamer, waar haar bed met een goede deken was opgemaakt. Halja trok de deken weg, wilde gaan liggen \u2014 maar merkte niet eens hoe ze op een stoel neerzonk, haar hand op de tafel legde, haar hoofd op haar hand liet rusten en begon na te denken\u2026<br \/>\nLang dacht ze. Toen rolden de tranen uit haar ogen; ze viel, zich erin badend, op het bed en huilde lang, lang, tot ze ongemerkt in slaap viel. Op tafel brandde de kaars op en doofde vanzelf\u2026<br \/>\nMotrja lag de hele nacht op de oven en kon niet slapen; ook zij huilde. Zo diep hadden de slechte daden van de \u201cvervloekte mensen\u201d haar getroffen. Hoeveel gedachten waren er die nacht niet door het moederlijke hoofd gegaan!<br \/>\nZe dacht er zelfs aan om naar de autoriteiten te gaan en te zeggen dat haar zoon zich met roof bezig hield, zodat hij samen met zijn slechte bende zou worden opgepakt; dan zou zij weten dat ze geen kind meer had. Dan kwam weer een nieuwe gedachte: misschien zal hij nog tot inkeer komen? Maar ook arme Halja was te beklagen, zij lijdt zo, zij kwelt zich zo om hem\u2026<br \/>\nEn weer kreeg het moederhart medelijden: zij begon tot God te bidden dat Hij haar sneller de dood zou sturen, en daarna weer te huilen\u2026 Zo huilde en dacht zij de hele nacht.<br \/>\nDe hanen kraaiden opnieuw. Toen, diep na middernacht, werd in de verte gedreun en rumoer hoorbaar. Dan dichter\u2026 dichter\u2026 vlak bij het huis\u2026<br \/>\n\u2014 Ze komen! \u2014 dacht Motrja.<br \/>\n\u2014 Als ze maar hier niet binnenkomen, \u2014 fluisterde ze.<br \/>\nMaar zij hoorde dat ze naar de voorkamer afbogen.<br \/>\nEven later kraakte de deur en iemand kwam de kamer binnen.<br \/>\n\u2014 Wie is daar? \u2014 vroeg zij vanaf de oven.<br \/>\n\u2014 Dat ben ik, \u2014 antwoordde Tsjipka Varenytsjenko.<br \/>\nZij hoorde hoe hij boven de wasbak begon te wassen\u2026 In haar hart voelde het alsof iemand er met een scherp mes in stak.<br \/>\n\u2014 Wat is er, zoon?<br \/>\n\u2014 Niets\u2026<br \/>\n\u2014 O mijn zoon, zoon! Had je je toch maar niet aan dat pad gegeven\u2026 Laat je stelen, laat je roven\u2026 maar dit\u2026<br \/>\n\u2014 En wie heeft dan Javdocha uit de wereld geholpen? \u2014 vroeg Tsjipka scherp.<br \/>\n\u2014 Wat zeg je?<br \/>\n\u2014 Wie, zeg ik, heeft Javdocha vergiftigd?<br \/>\n\u2014 Dus ben ik het, zoon??<br \/>\n\u2014 Zeker niet ik\u2026<br \/>\n\u2014 Dank je\u2026<br \/>\nZij maakte de zin niet af en zweeg. Het brandde bij haar hart alsof er vuur op werd gelegd; tegelijk stegen huilen, boosheid en wrevel op uit haar ziel, verstoorden het oude bloed. Als met een bijl werd haar hoofd getroffen; het suisde in haar oren, het werd donker voor haar ogen.<br \/>\n\u2014 Beter had ik mezelf de handen opgelegd dan dit te moeten horen! \u2014 fluisterde zij, zich op de oven wentelend en steunend.<br \/>\nSpoedig kwamen ook de anderen de kamer binnen. Men stak licht aan. Motrja keek van achter de schoorsteen en begon te beven\u2026 Op ieder waren verse bloedsporen zichtbaar.<br \/>\nHet werd Motrja koud van angst. Zij kroop in de verste hoek van de oven en beefde als bij koorts\u2026 Daarna hoorde zij hoe men vuur in de oven maakte en kleding begon te verbranden. Zij was bang om te schreeuwen, bang om te zuchten, en klemde haar tanden steeds steviger op elkaar terwijl zij zich in de hoek drukte.<br \/>\nToen zij alles netjes hadden gedaan \u2014 zich gewassen hadden en de met bloed bevlekte kleding hadden verbrand \u2014 doofden de rovers het licht en gingen naar de voorkamer.<br \/>\n\u2014 O-ooh\u2026 \u2014 zuchtte Motrja. \u2014 Als Halja maar bij mij was\u2026 O Heer! \u2014 kreunde ze. \u2014 Laat mij tot morgen leven\u2026 Ik zal mij van jou afwenden\u2026 ik zal jou verloochenen, mijn zoon\u2026 mijn ongeluk\u2026 voor heel de wereld zal ik het zeggen\u2026 over het hele dorp zal ik het uitschreeuwen\u2026 Ooh!.. Waarom is deze nacht zo lang?.. Waarom sleept zij zich zo langzaam voort?.. Als ik maar snel het ochtendlicht mocht zien\u2026 Heer\u2026 onze God! Behoed en bescherm mij\u2026<br \/>\nZe klom van de oven, viel op haar knie\u00ebn voor het heiligenbeeld en bad zacht en aandachtig, terwijl ze aardse buigingen maakte. Ze hoorde niet wanneer de derde hanen kraaiden; ze merkte niet wanneer het licht begon te worden.<br \/>\nVan haar oprechte gebed werd ze losgerukt door een wilde kreet en geklop op het raam.<br \/>\n\u2014 Red\u2026 red mij\u2026 o\u2026 red-d-d mij!.. \u2014 klonk iets onder het raam met een jonge, kinderlijke stem\u2026<br \/>\nMotrja sprong naar het raam.<br \/>\n\u2014 Wie is daar? \u2014 vroeg ze vanuit het huis.<br \/>\n\u2014 Ik ben het\u2026 red mij\u2026 wie in God gelooft\u2026 doe open en laat mij binnen! \u2014 het klonk bijna als huilen en smeken.<br \/>\nMotrja ging zacht naar buiten, en voelde bijna hoe zij zou bezwijmen\u2026 Voor haar stond een meisje van ongeveer tien jaar, slechts in een hemd dat met bloed was besmeurd, blootsvoets, ontknoopt, verward en bevend\u2026<br \/>\n\u2014 Wat is dit?.. wat is er met jou, dochter?.. van wie ben jij?.. waar ben je geweest?.. waar ben je aan ontsnapt?.. \u2014 vroeg Motrja, zelf over haar hele lichaam trillend.<br \/>\n\u2014 O wee\u2026 grootmoeder\u2026 O\u2026 zwaar ongeluk\u2026 \u2014 kon het meisje met moeite uitbrengen, huilend. \u2014 Ik ben van de hoeve\u2026 rovers waren er\u2026 ze hebben iedereen geslagen\u2026 gesneden\u2026 doodgeschoten\u2026 vader\u2026 en moeder\u2026 grootvader\u2026 grootmoeder\u2026 ooms\u2026 tantes\u2026 mijn kleine broertje\u2026 iedereen\u2026 iedereen\u2026 Ik alleen ben overgebleven\u2026 ze vonden mij niet\u2026 ik ben gevlucht\u2026<br \/>\n\u2014 Hoe ben je gevlucht?<br \/>\n\u2014 Ze zijn weggereden\u2026 ze hebben het huis in brand gestoken en zijn weggereden\u2026 O\u2026 o-o! grootmoeder\u2026 wat een ellende voor mij! \u2014 schreeuwde het meisje, haar armpjes om Motrja heen slaand, bang dat ze anders zou weggaan.<br \/>\n\u2014 Stil\u2026 st-til, mijn kind! \u2014 suste Motrja. \u2014 Ik weet wie die rovers zijn\u2026 Zwijg!.. Het is mijn zoon, vervloekte!.. Zwijg\u2026 want als hij het hoort, zullen noch jij noch ik blijven leven\u2026<br \/>\nHet meisje leunde tegen Motrja aan en snikte zacht.<br \/>\nMotrja bracht haar in de kamer.<br \/>\n\u2014 Laten we naar het gemeentehuis gaan\u2026 naar het gemeentehuis! \u2014 fluisterde ze, terwijl ze voelde dat haar hoofd draaide, haar ogen brandden en haar benen trilden\u2026 alsof ze elk moment kon vallen. \u2014 Laten we gaan, dochter\u2026 zolang ze nog slapen\u2026<br \/>\n\u2014 Ik ben verkleumd, grootmoeder\u2026 koud\u2026 \u2014 fluisterde het meisje, zich tegen Motrja aandrukkend.<br \/>\n\u2014 Hier, trek mijn oude laarzen maar aan\u2026 Daar is een hoofddoek\u2026 een rok\u2026 snel!\u2026<br \/>\nHaastig trok ze de stijve oude laarzen bij het meisje aan, wierp een rok en een hoofddoek om haar heen; over haar eigen oude schouders trok ze een schapenvachtjas, en samen gingen ze stil het huis uit.<br \/>\nEen rood schijnsel sloeg hen recht in het gezicht. Het meisje greep Motrja vast: ze was bang voor die brand, hun huis stond in brand\u2026 Vlug keerden zij zich met hun rug naar de brede strook van het vurige licht dat hoog omhoog rees, alsof het de wolken wilde ontsteken, en liepen snel naar het andere einde van het dorp. De rode haan verlichtte hun weg met zijn bloedrode ogen\u2026 en overal rond hen huilden de honden\u2026<br \/>\nAl snel kwamen de veldwachters aangerend; het erf liep vol met mensen, ze omsingelden het huis. Niemand mocht ontsnappen: iedereen werd meegenomen en gebonden. Er ontstond geschreeuw en opschudding.<br \/>\nDoor het lawaai werd Halja wakker. Snel wierp ze een rok om zich heen en ging haar kamertje uit\u2026 Toen ze Tsjipka zag, die met achterover gebonden armen somber naar de grond stond te kijken, en het met bloed besmeurde meisje zag:<br \/>\n\u2014 Is dit dan die waarheid?! Dit is ze!!! \u2014 schreeuwde ze met een stem die niet de hare was en barstte in een waanzinnig, razend gelach uit\u2026<br \/>\nHaar lichaam trilde; haar ogen werden dof, ze liet ze vreemd rondgaan; op haar lippen verscheen schuim van bloed, en ze bleef maar lachen, blijven lachen\u2026<br \/>\nHet gerucht verspreidde zich als donder naar alle kanten, in \u00e9\u00e9n ogenblik omhulde het het hele dorp.<br \/>\nMensen stroomden toe, alsof er brand was, om te kijken; en als ze naar huis terugkeerden, baden zij uit angst tot God.<br \/>\n\u2014 Heb je het gehoord? \u2014 schreeuwde als een waanzinnige Hrytsjko terwijl hij het huis binnenstormde.<br \/>\nChrystja keek naar hem en werd bleek.<br \/>\n\u2014 Wat is daar? Brand?\u2026<br \/>\n\u2014 Tsjipka heeft mensen doodgehakt\u2026 de hele familie van Chomenko uitgeroeid!<br \/>\n\u2014 O-o-o\u2026 \u2014 bromde Chrystja vreemd. Haar ogen werden wijd geopend; angstig en verschrikt liet ze haar blik door de kamer gaan.<br \/>\n\u2014 Ze hebben hem al naar de stad gebracht\u2026 naar de gevangenis, \u2014 zei Hrytsjko.<br \/>\n\u2014 En Halja? en moeder? \u2014 vroeg Chrystja nauwelijks hoorbaar.<br \/>\n\u2014 Weet niet\u2026 denkelijk thuis\u2026<br \/>\nChrystja greep haastig haar schapenvachtjas, wierp die schuin over zich heen en liep zo snel ze kon het huis uit.<br \/>\nHrytsjko riep, draaide zich om, riep haar terug. Ze hoorde niets, ze was al ver weg.<br \/>\nEven later kwam ze terug, alsof ze van het kruis was gehaald. Toen ze het huis binnenging, sloeg ze een kruis.<br \/>\n\u2014 En? \u2014 vroeg Hrytsjko.<br \/>\n\u2014 Halja\u2026 \u2014 sloeg weer een kruis \u2014 heeft zich opgehangen\u2026<br \/>\n\u2014 Verdorie nog aan toe! \u2014 zei Hrytsjko, zijn ogen uitpuilend, en zweeg.<br \/>\nDe hele dag zwegen ze beiden: droevig, bleek, onrustig, alsof ze de dood verwachtten. Hun twee kinderen, een jongen en een meisje, merkten het, maar begrepen niet waarom; ze zaten stil op de oven en fluisterden:<br \/>\n\u2014 Waarom zijn papa en mama boos? \u2014 vroeg de jongen zacht.<br \/>\n\u2014 Weet niet\u2026 \u2014 antwoordde het meisje en zwaaide met haar vinger naar de jongen. \u2014 Stil\u2026 zwijg\u2026 anders krijgen we slaag\u2026<br \/>\nHet was al tegen de herfst, het tweede jaar. De zon, die haar komst van tevoren voelde, versterkte haar warmte: ze verwarmde niet, maar brandde. De regen had zich vastgezet, en het stof lag bijna een duim dik op de weg, hing ook in de lucht als een grijze nevel, kroop in de ogen, verstikte de keel\u2026 Mensen bleven over de weg rijden: het was juist de drukste tijd van het vervoer van oogst. Over dezelfde weg trok naar Siberi\u00eb, naar dwangarbeid, een hele groep geketende gevangenen, aan handen en voeten geboeid. Rond hen een detachement soldaten met geweren.<br \/>\nNa het passeren van Pisky bleef de groep staan bij het gemeentehuis, op de dorpsweide, om uit te rusten. Het was Tsjipka met zijn gezelschap.<br \/>\nToen de mensen het hoorden, begonnen ze van het hele dorp toe te stromen, oud en jong, alsof er kermis was.<br \/>\nOp dat moment kwam Hrytsjko van het veld terug met schoven, met drie wagens. Hij liep achter \u00e9\u00e9n wagen, Chrystja achter een andere; en hun zoon \u2014 het petekind van Halja \u2014 zat boven op de derde wagen tussen de schoven, alleen zijn hoofdje was zichtbaar. Toen ze de menigte zagen, hielden ze de ossen stil en gingen zelf naar de groep\u2026 en ze schrokken allebei! Lange tijd kon Hrytsjko niet tot zichzelf komen; hij trad dichterbij.<br \/>\n\u2014 Wat is dit, broeder Tsjipka? \u2014 wendde Hrytsjko zich met droevige, uit het diepst van zijn hart komende stem tot hem.<br \/>\nIn die vraag, in zijn stem, klonk geen verwijt, geen wraak, maar een zwaar medelijden, verdriet om de verloren broer\u2026<br \/>\nTsjipka wierp een schuinse blik, fronste zijn dikke wenkbrauwen, en keerde zich weer af.<br \/>\nHrytsjko stond als verpletterd en keek zwijgend toe.<br \/>\nKort daarna gaf de oudere soldaat die de etappe leidde bevel om verder te gaan.<br \/>\nDe gevangenen begonnen op te staan; zware kettingen rinkelden. Afscheid nemen begon, omhelzingen, gejammer\u2026 Mensen huilden terwijl ze hun ongelukkige broeders omhelsden; ze gaven bij het afscheid, ieder naar vermogen: de een een stuiver, de ander een koperen munt, iemand een roebel\u2026 De bandieten huilden, voor altijd afscheid nemend van hun geboortedorp, van hun mensen, familie en vreemden. Alleen Tsjipka huilde niet. Als een sombere uil stond hij apart van allen, zijn zware hoofd op de borst gebogen, de ogen naar de aarde gericht, alleen af en toe wierp hij vanonder zijn gefronste wenkbrauwen een dreigende blik op de mensen\u2026 Er vond zich geen ziel die naar hem toe kwam om afscheid te nemen\u2026<br \/>\nRinkel\u2026 kling\u2026 rinkel\u2026 kling\u2026 De groep zette zich in beweging.<br \/>\n\u2014 Moge God je op het goede pad helpen, \u2014 riep Hrytsjko Tsjipka achterna.<br \/>\nTsjipka keek om en riep van de weg terug:<br \/>\n\u2014 Hrytsjko! buig voor moeder\u2026 Zeg: laat ze op mijn bezoek wachten, als ze niet eerder sterft\u2026<br \/>\n\u2014 Heer! \u2014 huilde Chrystja \u2014 leid hem op het goede pad! \u2014 en zij keerden samen met Hrytsjko terug naar hun wagens.<br \/>\n\u2014 Het is toch waar dat deze Tsjipka onbetrouwbaar is\u2026<br \/>\n\u2014 Zijn vader was ook zo\u2026<br \/>\n\u2014 Zo was hij geboren, vergeef het, God!<br \/>\nMensen praatten na terwijl ze met hun ogen de in grijze stof verdwijnende groep volgden. Nog een hele tijd bleven ze staan, redeneerden en telden, totdat het gesprek overging naar oogsten, zaaien en andere huishoudelijke zorgen; daarna gingen ze naar huis.<br \/>\nMotrja werd door Hrytsjko tot aan haar dood verzorgd. Zij stierf niet lang daarna.<br \/>\nHet huis van Tsjipka werd verzegeld en dichtgeslagen. Alleen uilen en kerkuilen broedden erin, en hondentroepen liepen over het erf, dat geheel met onkruid was overwoekerd, als een bos. Na een jaar was de eens vrolijke plek verlaten en stil geworden. De afgebladderde leegte stond nog angstaanjagender dan die welke Hroesj had gekocht. Mensen sloegen telkens een kruis wanneer zij er langs kwamen; en kleine kinderen durfden zelfs van ver niet naar het mannetje te kijken dat, als een spook, uit de poort naar de weg staarde met zijn uitpuilende ogen.<br \/>\nNiet ver van Pisky, vlak langs de weg, bij de hoeve van Chomenko, werd een hoge grafheuvel opgeworpen, en daarop staat een zeer hoge kruis, dat uitkijkt over de hoeven, dorpen en de hele omgeving\u2026 Onder die heuvel smeulen acht onschuldige zielen, in \u00e9\u00e9n nacht verloren door de \u201cvreselijke man\u201d.<br \/>\nEn midden in het dorp, tegenover het scheve kerkje, ligt, verscholen in een tuin als in het paradijs, een vernieuwd paleis dat zich in het water van de vijver spiegelt, schitterend in vergulding en rijkdom. Daar woont nu de nieuwe heer van Pisky, de eerste rijke man van heel H\u0435tmanske, de belangrijkste persoon in het district, de trouwste zemstvo-man, voorzitter, bankier en suikerfabrikant Danylo Krjazjov. En hoe vrolijk is het nu in dat paleis! Wat voor feesten zijn er soms\u2026 zelfs een vroegere generaalsvrouw zou opstaan als het kon! Nu krijgt niet alleen uit \u00e9\u00e9n of twee districten, maar uit de hele provincie de hoogste adel en de rijkste kooplieden hier een hartelijke ontvangst en een rijke tafel bij de gastvrije en gulle gastheer\u2026<br \/>\nEen jaar ging voorbij; een tweede jaar ging voorbij\u2026 Aan de rand van het dorp stond als een wees de verlaten plek, jaloers op het paleis. Maar toen kwam er een onverwacht geluk: een oude bekende, de jood Hersjko, kocht het van de staat voor een spotprijs, herstelde een beetje de afbrokkelende muren, repareerde waar het huis verrot was en begon er een herberg. Op zon- en feestdagen, en soms ook op weekdagen, om niet achter te blijven bij de edele buur, viert hier de dronken zee van eenvoudige mensen feest\u2026 Maar zelfs nu nog, tegen de late avond, trekt een koude rilling over de rug van de vrolijke feestgangers wanneer zij naar het kruis kijken dat ver in de verte zwart afsteekt boven Romodan\u2026<\/p>\n","protected":false},"excerpt":{"rendered":"<p>Panas Myrny, Ivan Bilyk Loeien de ossen ook als de voederbakken vol zijn? (1875) \u0425\u0456\u0431\u0430 \u0440\u0435\u0432\u0443\u0442\u044c \u0432\u043e\u043b\u0438, \u044f\u043a \u044f\u0441\u043b\u0430 \u043f\u043e\u0432\u043d\u0456? &#8211; \u041f\u0430\u043d\u0430\u0441 \u041c\u0438\u0440\u043d\u0438\u0439, \u0406\u0432\u0430\u043d \u0411\u0456\u043b\u0443\u043a Vertaling Rien Hamers DEEL EEN I DE VELDKONINGIN Buiten was het volop lente. Waar je ook keek, overal was alles ontloken, ontbloeid, uitbundig tot bloei gekomen. De heldere zon, warm [&hellip;]<\/p>\n","protected":false},"author":1,"featured_media":0,"parent":0,"menu_order":0,"comment_status":"closed","ping_status":"closed","template":"","meta":{"footnotes":""},"class_list":["post-1482","page","type-page","status-publish","hentry"],"_links":{"self":[{"href":"https:\/\/www.oekrned.nl\/wpwrdbk\/wp-json\/wp\/v2\/pages\/1482","targetHints":{"allow":["GET"]}}],"collection":[{"href":"https:\/\/www.oekrned.nl\/wpwrdbk\/wp-json\/wp\/v2\/pages"}],"about":[{"href":"https:\/\/www.oekrned.nl\/wpwrdbk\/wp-json\/wp\/v2\/types\/page"}],"author":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.oekrned.nl\/wpwrdbk\/wp-json\/wp\/v2\/users\/1"}],"replies":[{"embeddable":true,"href":"https:\/\/www.oekrned.nl\/wpwrdbk\/wp-json\/wp\/v2\/comments?post=1482"}],"version-history":[{"count":3,"href":"https:\/\/www.oekrned.nl\/wpwrdbk\/wp-json\/wp\/v2\/pages\/1482\/revisions"}],"predecessor-version":[{"id":1485,"href":"https:\/\/www.oekrned.nl\/wpwrdbk\/wp-json\/wp\/v2\/pages\/1482\/revisions\/1485"}],"wp:attachment":[{"href":"https:\/\/www.oekrned.nl\/wpwrdbk\/wp-json\/wp\/v2\/media?parent=1482"}],"curies":[{"name":"wp","href":"https:\/\/api.w.org\/{rel}","templated":true}]}}